Hoofdstuk 10 – Ovidius – Ceyx en Alcyone



Dovnload 19.55 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte19.55 Kb.
Hoofdstuk 10 – Ovidius – Ceyx en Alcyone
Alcyone wendt zich tot Juno

575

580


De dochter van Aeolus telde ondertussen, onwetend van zoveel rampen, de nachten af en haalde al haastig de kleren tevoorschijn, die hij moest aantrekken (conj. in relatieve bijzin met finale bijsmaak) en al de kleren die zij zelf, als hij zou zijn teruggekomen (fut ex) moest dragen, en ze beloofde zichzelf lege (=niet bestaande) terugkeren (poëtisch mv; maar dit maakt het niet terugkeren van Ceyx natuurlijk nog erger: hij komt iedere keer dat zij dat wenst niet terug).

Zij bracht weliswaar vrome wierook aan alle hemelgoden, toch vereerde zij de tempels van Juno boven (voor) anderen, en ze kwam naar de altaren voor haar man, die er niet meer was, en wenste dat haar echtgenoot ongedeerd was en dat hij zou terugkeren, en dat hij geen enkele vrouw boven haar verkoos; maar aan haar kon van zoveel wensen alleen deze (laatste) ten deel vallen.


Juno zendt Iris naar het paleis van Somnus




585

590


Maar de godin (Iuno) hield het niet langer uit om te worden gesmeekt voor (in naam van) een dode man, en zei, opdat zij de onreine handen weerde van haar altaren: “Iris, zeer betrouwbare bode van mijn stem/woord, ga snel op weg naar de slaapbrengende hof van Slaap en beveel dat hij dromen stuurt naar Alcyone met het beeld van de gestorven Ceyx die de ware gebeurtenissen vertellen.”

Zij had het gezegd: Iris trekt haar sluiers van duizend kleuren aan en terwijl zij met een boogvormige bocht de hemel markeert gaat zij op weg naar het paleis van de bevolen koning dat verborgen gaat onder een wolk.


Het paleis van de Slaap



595

600

605

610

615


Er is een grot bij de Cimmeriërs (in het donkere noorden) met een lange inham, een holle berg, huis en heiligste [plek] van de slome Slaap: waar Phoebus (Apollo, de zon) nooit opkomend, in de middag of ondergaand naartoe kan gaan met zijn stralen; door de grond worden nevels uitgeademd, vermengd met mist en schemeringen van aarzelend licht.

Geen waakzame vogel roept Aurora op met het gezang van zijn getande snavel, niet breken de stiltes met hun stem ofwel de waakzame honden ofwel de gans, die scherper hoort dan de honden; geen wilde dieren, geen vee, geen takken bewogen door de wind of het luide gepraat (mv) van de menselijke tong geven een geluid (terug): zwijgzame rust woont er; toch komt er vanuit de onderste rots een stroompje met water van de Lethe naar buiten en terwijl het water daardoor met gefluister stroomt, nodigt het de slaap (mv) uit door kletterende steentjes.

Voor de deur van de grot bloeien overvloedige papavers en talloze kruiden, uit het sap waarvan de vochtige Nacht (hyperbaton en enallage) een slaapdrankje verzamelt en sprenkelt over de donkere aarde (mv). En de deur geeft ook geen geknars als het scharnier draait (ablabs): er is er geen een (deur) in het hele huis, geen enkele bewaker (=deur) bij de drempel; maar er is in het midden een matras hoog op donker ebbenhout, van veren, met een kleur, bedekt met een donkere sprei, waar de god zelf ligt, met zijn lichaamsdelen ontspannen door loomheid. Rondom hem liggen overal ijle droomgestalten die verschillende vormen nabootsen, zoveel als de oogst korenaren heeft, het bos bladeren draagt, de kust aangespoelde zandkorrels heeft.

Iris treedt het paleis binnen en richt zich tot Somnus




620

625

630


Zodra het meisje daar binnenging en en met haar handen de in de weg staande droomgestalten wegbewoog, lichtte het heilige huis op door de schittering van haar kleed en de god, die met moeite zijn door slome zwaarte gesloten ogen optilde, en ze telkens weer liet terugglijden, en die de bovenkant van de borst stootte tegen zijn knikkende kin, schudde zich van zichzelf af en zich opheffend op zijn elleboog, vroeg hij waarom ze kwam (conj. in afh. vraag) (want hij herkende haar); en zij (zei): “Slaap, rust van de zaken van de goden, allervredigste, Slaap, geestesrust, voor wie bezorgdheid op de vlucht gaat, jij die door harde taken vermoeide lichamen zacht maakt en herstelt voor het werk, beveel dat dromen, die ware vormen door imitatie nabootsen, onder de gedaante van de koning naar Alcyone gaan in het Herculische Trachis (=Thessalië) en dat ze de beeltenis van een schipbreukeling vormen. Juno beveelt dit.”

Iris ging weg (want ze kon ook niet langer het geweld van de slaap weerstaan), en zodra zij voelde dat de slaap in haar ledematen gleed, vluchtte ze weg en keerde terug langs welke bogen ze zojuist was gekomen.


Morpheus haast zich naar Alcyone




650

655

660

665

670


Hij vloog met vleugels die geen geluiden maken door de duisternis (mv) en kwam in een mum van tijd aan in de stad Trachis en nadat de vleugels/veren van zijn lichaam waren afgelegd, nam hij de gestalte aan van Ceyx en nadat het uiterlijk was aangenomen, ging hij staan, lijkbleek, gelijkend op een dode, zonder enige kleren voor het bed van zijn arme echtgenote; de baard van de man scheen nat te zijn en zwaar water leek te stromen uit zijn natte haren. Toen zei hij het volgende, terwijl hij zich boog over het bed, nadat de tranen over zijn gezicht waren gestroomd: “Zieligste echtgenote, herken jij (je) Ceyx? Of is mijn gezicht veranderd door de dood? Kijk: je zult me herkennen en je zult in plaats van jouw echtgenoot de schim van je echtgenoot vinden.

Niets van hulp (=geen enkele hulp) hebben jouw gebeden ons gebracht, Alcyone: wij zijn gestorven! Beloof jezelf niet ten onrechte aan mij (dwz: maak jezelf niet wijs dat ik terugkom).

De wolkenbrengende zuidenwind greep mijn schip op het zeeoppervlak en met een geweldige windvlaag verbrijzelde hij het (schip), nadat het heen en weer geslingerd was, en stromen vulden mijn mond (mv) die tevergeefs jouw naam riep.

Geen onbetrouwbare bode bericht jou dit, je hoort deze dingen niet uit vage geruchten: ik zelf vertel je als schipbreukeling mijn lot. Sta op, kom op, geef tranen en trek je rouwkleding aan en stuur mij niet onbeweend naar beneden naar de ijle Tartarus.”

Morpheus voegde een stem hieraan toe, die zij meende van haar eigen echtgenoot te zijn; hij scheen ook werkelijke tranen te vergieten en hij had het gebaar van de hand van Ceyx.

Alcyone ontwaakt en is wanhopig



675

680

685



690

Alcyone kreunt; ze beweegt tranen en haar bovenarmen in haar slaap en terwijl ze het lichaam zoekt, omhelst ze de luchten en roept uit: “Blijf! Waarheen snel je weg? Wij zullen samen gaan.” (prospectief element). Door haar eigen stem en door de verschijning van haar man in de war gebracht wordt ze wakker en eerst kijkt ze rond of hij daar is, die zojuist verschenen was; want dienaren, bewogen door haar stem, hadden licht binnengebracht. Nadat zij hem nergens had gevonden, sloeg ze met haar hand op haar gezicht en verscheurt de kleren van haar borst en gaat tekeer tegen de borst zelf; en ze bekommert zich er niet om om haar haren los te maken, ze rukt ze los en zegt tegen de voedster, die vraagt wat de reden is van haar verdriet: “Er is geen Alcyone (meer), geen enkele, de ene is gestorven met haar Ceyx. Spreek geen troostende woorden uit! Als schipbreukeling is hij omgekomen. Ik zag hem en herkende hem en heb mijn handen naar de vertrekkende uitgestoken omdat ik hem wilde vasthouden. Hij was een schim, maar toch ook een duidelijke schim en de echte schim van mijn man. Hij had weliswaar niet, als je het vraagt, zijn gewone gezicht en niet straalde zijn gelaat met de mond waarmee hij eerder (straalde); ik, ongelukkige, zag hem bleek en naakt en met nog vochtig haar: hij stond ongelukkig op juist deze plaats – kijk!” (en ze zoekt of er nog sporen over zijn).




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina