Hoofdstuk 11; Ecostromen 11. 1 Energie genoeg zo?



Dovnload 31.15 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte31.15 Kb.
Hoofdstuk 11; Ecostromen

11.1 Energie genoeg zo?
Zonder elektriciteit
Energie kent veel verschillende vormen die in elkaar over kunnen gaan.
Duurzame energie: Raakt niet op
Niet duurzame energie: Raakt wel op (Olie, gas)
Elektrische energie kan duurzaam en niet duurzaam zijn.

Chemie in de vensterbank
Een plant gebruikt lichtenergie voor de fotosynthese. De gevormde glucose ligt de energie opgeslagen als chemische energie.
Brutoproductie plant: De energie die de plant in de vorm van glucose vastlegt.
Assimilatieproces: Een deel van de glucose wordt omgezet in: 1) reservestof zetmeel, 2) Bouwstof voor vorming van koolhydraten of eiwitten en vetten.
Dissimilatie: De vrijgemaakte energie uit glucose
Nettoproductie plant: De energie die in de vorm van organische stoffen overblijft na aftrek van de dissimilatie.
Verschillende vormen van energie kunnen in elkaar overgaan. Planten produceren chemische energie uit lichtenergie. De brutoproductie is de bij fotosynthese gevormde glucose. Een deel gebruikt de plant voor dissimilatie. Wat overblijft is de nettoproductie.

Productie op wereldschaal
Elk ecosysteem heeft een eigen nettoproductie.
Eenheid van de productie is kilojoule (chemische energie) of biomassa (kilogram organische stof).
Elk ecosysteem heeft zijn eigen specifieke productiesnelheid. De nettoproductie wordt uitgedrukt in kilojoules (kJ) of biomassa (kg).

11.2; Stroomt energie?
Energie om door te geven
Voorbeeld energiestroom: Zon - Gras - Koe - Melk
Primaire productie: Het opslaan van chemische energie in organische stof
Producent: De plant die de chemische energie maakt
Consument: Degene die de plant eet - die zet de voedingsstof uit de plant om in lichaamseigen stoffen.
Secundaire productie: Wat mens en koe maken aan lichaamseigen stoffen (een deel dissimilatie, de rest als bouwstof of voor het maken (assimilatie) van andere stoffen.
Voorbeeld voedselketen: Gras - Koe - Mens
Consumenten eten de producenten op. Zowel producenten als consumenten verliezen energie in de vorm van warmte.
In ecosystemen leggen producenten energie vast in organische stoffen. Consumenten eten deze organische stoffen. Bij het doorgeven van chemische energie in een voedselketen treedt altijd verlies op.

Biomassa
De totale biomassa van planten of dieren blijft gelijk in bossen.
Voedselweb: Alle voedselketens in een ecosysteem samen
Piramide van biomassa: Weergave van de verdeling van de totale biomassa in een ecosysteem over de schakels van alle voedselketens samen (bron 13)

Nog meer energie
Om groente te kweken die niet in Nederland voorkomen gebruiken we kassen. Hiervoor heb je ook energie nodig, bijv. chemische energie om de kas warm te houden.
De piramide van energie geeft een jaargemiddelde van de energiehoeveelheden en energiestromen in een ecosysteem. Moderne kastuinbouw verbruikt meer energie dan wat de gewassen aan chemische energie vastleggen.

11.3; Is koolstof zwart?
De wegwerppiramide
Reducenten (bacteriën en schimmels) breken organische stoffen uiteindelijk af tot onorganische stoffen zoals water, koolstofdioxide en zouten.

Uitlaatgas wordt brandstof
Koolstofkringloop: CO2 - (gras maakt) glucose - brandstof voor konijn - CO2 komt weer vrij. Sommige koolstofkringlopen gaan via water, CO2 lost enigszins op.
Koolstof is het basiselement van alle organische stoffen.
Koolstof verlaat de piramide van biomassa als koolstofdioxide.
Koolstofdioxide komt vooral voor in oceanen, zeeën en krijtrotsen.
Reducenten breken organische stoffen af tot anorganische. Producenten zetten deze stoffen weer om in organische. Samen met consumenten houden ze een kringloop van stoffen in stand. Een onderdeel daarvan is de kringloop van koolstof.

Veenlijken
Lijken en planten kunnen niet verteren in zure of zuurstofloze aarde. Door de druk in veel lagen in een veenmilieu op elkaar ontstaat er achtereenvolgens: Turf, bruinkool, steenkool en aardgas. Dit gebeurt ook in oceanen.
Snelle koolstofkringloop: 1 - 200 jaar
Langzame koolstofkringloop: Enkele miljoenen jaren

Broeikaseffect
Verbranding: Steenkool, aardolie, aardgas- CO2 komt vrij.
50 L benzine verbrand - 120 kg CO2 in de atmosfeer
Versterkt broeikaseffect: Het versneld weer in omloop brengen van de voorraad CO2 in fossiele brandstoffen.
Oceanen, kalkgesteenten en fossiele brandstoffen vormen grote voorraden vastgelegde CO2. Wanneer deze CO2 weer in de atmosfeer komt, veroorzaakt dit het versterkt broeikaseffect.

11.4; Nitraat mondjesmaat
Hollandse kustdorpen
Stalmest: Poep en stro
Vlinderbloemige planten leven in symbiose met stikstofbindende bacteriën. Bacteriën zitten in de stikstofknolletjes en zetten N₂ in om NO₃.
Groenbemesting: Planten van Lupide (vlinderbloemige plant)
Compost uitstrooien zorgt ook voor vruchtbare akkers.

Het stikt van de stikstof
De meeste planten nemen stikstop alleen op in de vorm van nitraat NO₃⁻. Enkele planten als ammoniumionen NH₄. Uit nitraat ontstaan door maagsappen en speeksel nitriet. Dat zorgt er voor dat rode bloedcellen geen zuurstof meer kunnen vervoeren.
Nitraat is nodig voor eiwitten, als die afbreken verliezen planten het dmv bladerverlies en wij door uitscheiding.
Stikstof (N) is een noodzakelijk element voor de eiwitten van organismen. Planten nemen stikstof op in de vorm van nitraat (NO₃), dieren gebruiken de plantaardige of dierlijke aminozuren. Dieren scheiden stikstofafval uit als ammoniak (NH₃), ureum of urinezuur.

De stank van rotte eieren
Anaërobe bacteriën: Bacteriën die in een zuurstofloze omgeving kunnen leven, ze gebruiken aminozuren als brandstof. Bij de afbraak ontstaan waterstofsulfide en ammoniak.
Denitrificatie: Bepaalde anaërobe bodembacteriën zetten het nitraat om in stikstofgas
Anaërobe bacteriën zijn een tegenstelling van stikstofbindende bacteriën.

Regenwormen helpen
Aërobe bacteriën: Bacteriën die zuurstof nodig hebben om te leven. Aërobe nitraat- en nitrietbacteriën kunnen ammonium via nitriet omzetten in nitraat.
De gangen van wormen zorgen voor extra belachting onder de grond.

Zure regen
In veevoer en gras zitten eiwitten- Koe eet het - bacteriën in darmkanaal breken ze af tot ammonium - Ammonium in de mest - Wordt uitgestrooid over het land - Ammonium verdampt - Zure regen
Anaërobe omstandigheden leiden tot afbraak van nitraat in de bodem. Hierbij ontstaan stikstofgas. In een aërobe bodem zitten nitriet- en nitraatbacteriën ammoniak afkomstig van eiwitafbraak om in nitraat.

11.5; Hoeveel kost het milieu?
Minder energie? Vergeet het maar!
Milieuvriendelijke: Minder elektrische energie verbruikende
De overheid stimuleert het opwekken van energie uit andere bronnen dan de fossiele brandstoffen, zoals ‘groene’ energie en kernenergie. De energiebron van groene stroom is biomassa. Verbranding hiervan geeft alleen CO₂ af die net is opgenomen door de plant. Waterstofgas levert als afvalproduct water. Uit H₂O en CH₄ kan waterstofgas gewonnen worden, maar alleen dmv energie uit aardolie enz.
Overheden stimuleren projecten om op de duurzame manier elektrische energie op te wekken. ‘Groene’ stroom en energie uit waterstof zijn hiervan voorbeelden.

Minder CO₂? Misschien!
Waterstofbus (bus met waterstof gevuld) slaat twee vliegen in 1 klap:
1. Fossiele brandstoffen raken niet op
2. Productie van koolstofdioxide stopt, dus het versterken van het broeikaseffect ook
Kernenergie zorgt er ook voor dat het broeikaseffect verminderd. Veiligheid en opslag van radioactief afval wel een probleem, maar geen CO₂ als product.

Minder broeikaseffect? Kyoto!
In het verdrag van Kyoto staan afspraken over het terugdringen van de CO₂ uitstoot. Want door het broeikaseffect zal de aarde opwarmen - er veel ijs smelten - de zeespiegel stijgen - dichtbevolkte gebieden overstromen - klimaat veranderen - landbouw veranderen - hongersnood ontstaan.
Als binnen 20 jaar de uitstoot CO₂ stopt zal dit verhinderd worden. Veel landen zoals VS en Rusland tekenen het verdrag van Kyoto niet omdat ze de economie in hun land boven het broeikaseffect stellen.
Het versterkt broeikaseffect is een wereldwijd probleem. Het beslist noodzakelijk de uitstoot van CO₂ te verminderen. In het klimaatverdrag van Kyoto staan afspraken om dit te bereiken.

Hoofdstuk 12; Mens en milieu..

12.1; Probleem opgelost?
Stadsvuil
1853: Eerste waterleiding, zo kregen armen ook schoon drinkwater. Steden begonnen langzamerhand steeds schoner te worden.
Een aantasting van het milieu waarbij de gezondheid in gevaar komt, vormt een milieuprobleem. Een milieuprobleem is door belangentegenstellingen en door het gedrag van mensen niet eenvoudig op te lossen.

Modern vuil
Rond 1900 kwamen er rioleringen. Na 1945 zijn er veel waterzuiveringsinstallaties gebouwd, nu kan er voor 16 miljoen mensen afvalwater verwerkt worden. In zo’n installatie wordt er veel zuurstof aan bacteriën toegevoegd, die groeien en breken daarbij organisch materiaal af.
In rioolwaterzuiveringsinstallaties breken bacteriën grote hoeveelheden organisch afval af. Dit is nodig om de enorme hoeveelheid huishoudelijk afvalwater te zuiveren.

12.2; Kringlopen nabij en ver
Mest en kringlopen in Nederland
Vroeger was er een mestkringloop in eigen bedrijf, nu gaat dat via vele andere bedrijven. Door veel aanvoer van voedsel voor koeien kregen we een mestoverschot. Dit zorgde voor eutrofiëring.
Eutrofiëring: Meer algengroei - waterdieren leven hiervan - ’s nachts planten én dieren zuurstof nodig, dus zuurstoftekort - plant en dier sterft - reducenten ruimen de dode organismen op, maar die hebben ook zuurstof nodig - nog meer zuurstoftekort - alles sterft in de sloot.
Er komt ook zure regen door de ammoniakdampen uit de mest.
Mestoverschotten veroorzaken eutrofiëring van het oppervlaktewater. Hierdoor vindt algenbloei plaats, gevolgd door sterfte door zuurstofgebrek.

Regenwoud en kringlopen
Shifting cultivation: Bewoners in het woud kappen de bomen en verbranden ze. De as (mineralen) laten ze achter. En na een paar oogsten zijn de organische resten (humus) uit de bosgrond verteerd en laten ze er weer bomen op groeien en kappen een ander stuk grond.
Nu zijn er teveel mensen en verdwijnt het woud te snel. Door het kappen verdwijnen veel plant- en diersoorten. En door erosie spoelt een groot deel van de grond weg. Het regenwoud neemt op het moment af met 15 hectare per minuut, dat is 80.000 km² per jaar. Door het op grote schaal kappen van tropisch regenwoud verdwijnen veel mineralen uit de kringloop. Bovendien spoelt door erosie de kale grond weg. Het ecosysteem verdwijnt.

12.3; De giftijdbom
Chloor, een giftige stof
Chloor doodt in heel lage concentraties ziektekiemen. Een stof is pas giftig als de concentratie in het organisme zo hoog wordt dat schade ontstaat.
De LD50 waarde geeft aan bij welke concentratie 50% van de proefdieren overlijdt.

Zitten blijven of stand houden
Persistent: Stoffen die niet biologisch afbreekbaar zijn
Biologisch afbreken: Stoffen vallen automatisch uit elkaar of organismen breken ze af
Accumulatie: Persistente stoffen gaan zich ophopen in de voedselketens
Bij het gebruik van gifstoffen om organismen te verdelgen liggen twee gevaren op de loer: ophopen van persistente stoffen in voedselketens en het ontstaan van resistentie.
Toegepaste ecologie
Chemische bestrijdingsmiddelen blijven op producten zitten en bestrijdingsmiddelen treffen meer dan alleen het doel. Daarom wordt er gebruik gemaakt van natuurlijke vijanden.
Bestrijding van plagen met behulp van natuurlijke vijanden levert soortspecifieke bestrijding op.

12.4; Cultuur of natuur
Padden (s)paren
Veel paddenpopulaties sterven uit doordat ze wegen over moeten steken om in hun geboorteplas te komen, waar ze zelf weer paren. Wanneer er veel populaties verdwijnen zal de soort snel uitsterven.

Snippers
Versnippering: Natuurlijke ecosystemen worden kleiner door menselijke activiteiten en raken van elkaar geïsoleerd
Door versnippering kunnen populaties zo klein worden dat ze verdwijnen. Ontsnippering is nodig om dit te voorkomen.

Monocultures
Monocultures: Grote eindeloze akkers met hetzelfde gewas, waarvan de grondwaterstand is verlaagd.
Hierdoor versnippering ecosystemen en kunnen er plagen optreden in de monocultures. Als je deze wil bestrijden is er weer belangentegenstelling, want mensen en boeren willen goedkoop voedsel, maar ook zonder bestrijdingsmiddelen.

Biologische boeren
Gezond voedsel is belangrijker dan goedkoop voedsel. Biologische bedrijven vormen verbindingszones voor allerlei dieren en dragen zo bij aan het in stand houden van soorten.
Door ingrepen verandert natuur in cultuurgrond voor (goedkope) voedselproductie. Dit gaat ten koste van andere milieubetekenissen.
Consumentengedrag

12.5; Gedrag en maatregelen
Ecolabels
Levenscyclusanalyse: Hierbij wordt voor het hele productieproces bekeken hoeveel grondstoffen en energie nodig zijn voor de productie.
Ecolabels: Zeggen iets over het product en het milieu.
Milieukeur: Zegt iets over hoe zuinig de fabrikant is omgesprongen met grondstoffen en energie.
EKO: Staat op voedingsmiddelen als het biologisch is geproduceerd en dat de verwerking milieuvriendelijk is.
Op verschillende manieren krijgen consumenten informatie over milieuvriendelijkheid van producenten en activiteiten. Deze informatie kan helpen om keuzes te maken.

Consumenten zorgen er dagelijks voor dat energie en grondstoffen bespaard worden, maar we verbruiken tegelijkertijd ook veel meer energie.



Maatregelen
Regels die worden ingevoerd om minder mensen te laten autorijden.
Consumentengedrag veranderen is moeilijk. Dwingende maatregelen zijn mogelijk als daar voldoende draagvlak voor is.

Hoofdstuk 13; Creatief met genen..

13.1; Hoera voor recombinant-DNA
Biotechnologie: Het gebruik van organismen in een productieproces.
Genetische modificatie: Verandering aanbrengen in het DNA van een organisme. Het gebeurt ook bij landbouwgewassen.
Recombinant-DNA-technologie: Methode om een stuk DNA over te plaatsen  Gewenste gen wordt uit het DNA geknipt en in het DNA van een ander organisme geplaatst.

Suikerziekte: Tekort aan het eiwit insuline.


Tot 1982: Medicijnfabrikanten isoleerden de eiwitten uit menselijk bloed, dit waren kleine hoeveelheden Erg duur.
Na 1982: Productie van eiwitten dmv transgene organismen: Dieren met menselijke genen, dan maken ze de eiwitten waar mensen een tekort aan hebben en deze kunnen dan als medicijn dienen.
Gemodificeerde bacteriën maken al sinds ’80 insuline.
De moderne biotechnologie maakt men gebruik van genetisch gemodificeerde organismen. Door middel van de recombinant-DNA-technologie wordt een gen overgebracht van het ene naar het andere organisme. Transgene organismen kunnen medicijnen maken.

Recombinant-DNA-technologie wordt gebruikt bij de productie van vaccins.


Gentherapie: Het vervangen van een defect gen of toevoegen van het goede gen. Dit biedt veel mogelijkheden om veel ziekten op te lossen.
Transplanteren van een orgaan van een dier in een mens lost het tekort aan donororganen misschien op. Daarbij is ook genetische modificatie nodig.
Genetische modificatie kan mogelijk oplossingen bieden voor problemen op het gebied van de voedselvoorzieningen, het milieu en de gezondheid.

13.2; Stamboekvee
Mensen selecteren al eeuwen lang dieren en planten met de gunstigere eigenschappen om die nakomelingen te laten krijgen.
Veredeling: Verbeteren van rassen door te fokken of te kweken om organismen met gunstigere combinaties van eigenschappen te krijgen.

Erfelijke eigenschappen liggen vast op het DNA in de vorm van een gen. Een gen bevat informatie voor het maken van een eiwit, dit zorgt weer voor de bepaalde eigenschap.


Allelen: Varianten van een gen.
Een celkern bevat alle chromosomen in paren, ook alle allelen.
Genotype: De allelencombinatie.
Fenotype: De daadwerkelijke eigenschap die je krijgt door het genotype, bijvoorbeeld blauwe ogen.

Een overheersend allel is dominant, dit schrijf je met en hoofdletter. Een ondergeschikt allel is recessief, dit schrijf je met een kleine letter. X en Y zijn de geslachtshormonen.


Homozygoot: Twee dezelfde allelen voor een bepaalde eigenschap
Heterozygoot: Dominant en een recessief allel.
Veredelen is het fokken of kweken met geselecteerde dieren of planten om het fenotype van een ras te verbeteren. Kennis over het genotype maakt dat gericht kruisen mogelijk is.

Gameten: Geslachtscellen die een ouder kan produceren. Dit zijn de letters die je in een tabel aangeeft.

P: Lientje x Tom P: Parentes Ouders
Fenotype gladde tong ruwe tong F: filius zoon
Genotype rr RR

Gameten r R


F1:
Fenotype Ruwe tong
Genotype Rr

Genotype
Male


Female R r
R RR Rr
r Rr rr

Fenotype Ruwe tong 3


Gladde tong 1

Bij een monohybride kruising let je op één erfelijke eigenschap, om één allelenpaar. Met behulp van kruisingsschema’s en combinatietabellen is de kans op een bepaald genotype en fenotype bij nakomelingen te bepalen.

Intermediar fenotype: Een tussenvorm als er geen sprake is van dominantie, dit kan alleen bij planten. Geef je bijv. aan met KWKR , de K is van kleur, de W van wit en de R van rood.

Er zijn ook genen met meer dan twee allelen, zoals ons bloedgroepenstelsel. IA, IB en i. IA en IB zijn beide even overheersend, i is recessief.


Bij een intermediar fenotype is de invloed van beide allelen even sterk. Bij co-dominantie is sprake van meer dan één dominant allel.

13.3; Bont en rood
Dihybride kruising: Een kruising waarbij twee allelenparen betrokken zijn, bijvoorbeeld effen of bont en de kleur.
AaBb
A= kleur zwart B= patroon effen
A= kleur root b= patroon bont
Male
Female AB Ab aB ab
AB AABB AABb AaBB AaBb
Ab AABb AAbb AaBb Aabb
aB AaBB AaBb aaBB aaBb
ab AaBb Aabb aaBb aabb

Een dihybride kruising is een combinatie van twee monohybride kruisingen. Je kunt een dihybride kruising uitwerken met een kruisingschema en een combinatietabel.

Variatie: Nieuwe combinaties van erfelijk materiaal. Door veredeling is deze er niet meer, dit leidt tot homozygotie. Door inteelt worden ongewenste allelen homozygoot, dit is een negatief gevolg van inteelt.
Inteelt hoeft niet te leiden tot afwijkingen bij nakomelingen, maar de kans is wel groter.
Door veredeling neemt de genetische variatie binnen een soort af. De kans op ongewenste homozygote genotypen neemt daarbij toe. Inteeltgevaar dreigt.

13.4; Stamboekmensen?
Kleurenblindheid komt meer bij mannen voor dan bij vrouwen. Het ligt namelijk als een recessief allel op het X chromosoom vast. Een man heeft een X en Y chromosoom, en het Y chromosoom heeft bijna nooit een ander allel, dus het recessieve allel op het X chromosoom komt tot zijn recht. Bij vrouwen is er bijna altijd wel een ander allel op het andere X chromosoom, vrouwen hebben immers twee keer een X chromosoom.
In een stamboom kun je nagaan hoe eigenschappen overerven. Aandoeningen die X-chromosomaal overerven komen vooral bij mannen tot uiting.

Erfelijkheidsonderzoek: Onderzoek naar de kans dat kinderen dezelfde aandoening krijgen als voorouders..


Prenataal onderzoek: Onderzoeken van een embryo naar erfelijke aandoeningen. Bij IVF is het mogelijk om de embryo voor de implantatie te onderzoeken op aandoeningen door middel van de pre-implantatie-diagnostiek.

Kinderen van verwanten hebben meer kans op erfelijke aandoeningen. In één familie is de kans namelijk veel groter dat beide een recessief allel hebben van een aandoening. De kans binnen families is dus groter dan buiten families.


Door middel van erfelijkheidsonderzoek kun je (laten) berekenen hoe groot de kans is dat een kind een bepaalde erfelijke aandoening krijgt. Kruisingen tussen verwante individuen kan leiden tot inteelt.

13.5; Alles erfelijk?
Het milieu: De omgeving waarin je leeft.
Het fenotype is vaak het resultaat van het genotype en het milieu, zeker als het om je gedrag gaat.

Aangeboren: Eigenschappen die je hebt bij je geboorte, sommige dingen voor je geboorte krijg al door je omgeving, bijv als je moeder rookt.


PKU: Een aandoening veroorzaakt door genen. Het aminozuur fenylalanine wordt niet goed afgebroken, hierdoor moeten kinderen op een speciaal dieet, anders leidt het tot zwakzinnigheid.
Genotype + Milieu - Fenotype. Een aangeboren eigenschap hoeft niet erfelijk te zijn.

Uit tweelingenonderzoek blijkt dat de bijdrage van de genen per eigenschap verschilt.


Uit tweelingonderzoek kun je de bijdrage van het genotype en van het milieu in het totstandkomen van het fenotype afleiding.

Hoofdstuk 14; Evolutie..

14.1; Verhalen beweren
De eerste antwoorden over het ontstaan van het leven zie je in scheppingsverhalen.
500 v. Chr.: Ontstaanstheorieën van Griekse filosofen zonder God.

Lamarck (1815) zei dat dieren tijden hun leven bepaalde eigenschappen zo vaak gebruikten dat ze die verder gingen ontwikkelen. Een dier past zich aan tijden zijn leven.


Darwin: De samenstelling van een populatie verandert door selectieprocessen en de dieren met gunstige eigenschappen blijven langer nakomelingen hebben.

Creotionisme: Een stroming die denkt dat alles in 6 dagen is ontstaan. Door de zondvloed (heel de aarde onder water) zijn er veel fossiele lagen ontstaan en dit verklaart ook de massagraven van dieren.


Mensen proberen het ontstaan van soorten te verklaren. Lamarck en Darwin ontwikkelden daarvoor evolutietheorieën. Creationisten gaan uit van scheppingsverhalen.

14.2; Darwin’s puzzel
Darwin (1809) maakt een wereldreis en hierdoor verandert zijn idee over het ontstaan van soorten. Hij maakt een theorie hierover maar pas twintig jaar later publiceert hij de hoofdlijnen van deze theorie samen met Wallace.

Fossielen tonen reeksen dieren die op elkaar lijken. Dezelfde soorten hebben verschillende eigenschapen.


Het aantal individuen in een soort blijft vaak constant.
Struggle of life: Veel nakomelingen- Weinig die volwassen worden - Dus veel gestorven soortgenoten.
Survival of the fittest: Sommige variaties hebben in een bepaalde omgeving een grotere kans op overleven.
Natuurlijke selectie: De ‘fittest’ die de meest vruchtbare nakomelingen krijgen.
Binnen een soort bestaat variatie in eigenschappen. In de struggle of life overleven individuen met de meest gunstige eigenschappen. Via natuurlijke selectie neemt het aantal individuen met gunstige eigenschappen in een populatie toe.

Neodarwinistische theorie: Bijgewerkte theorie van Darwin waarin staat dat DNA kan muteren en dat er door deze mutatie nieuwe allelen ontstaan.

Soortvorming: Ontstaan van een nieuwe soort.
Soortvorming gebeurt in twee stappen. Na isolatie van een deel van de populatie leiden selectieprocessen tot verschillen tussen individuen. Bij hereniging maken te grote verschillen voortplanting onmogelijk.

14.3; De aap uit de mouw
Er waren veel negatieve reacties op de publicatie van Darwin’s boek.

Mensachtigen lopen al 3 en een half miljoen jaar rechtop, dat maakt de mens ongeveer de langzaamste van de zoogdieren. Andere dieren wegjagen bij een karkas makkelijker dan zelf jagen. Later werd er wel gejaagd, met werktuigen.

Volgorde mensachtige:
- Australopithecus afarensis
- Australopithecus robustus + Australopithecus africanus + Homo habilis
- Homo erectus
- Homo sapiens neanderthalensis
- Homo sapiens sapiens
- Moderne mens

In de loop der jaren heeft de ‘mens’ veel verschillende vormen aangenomen. De tegenwoordige homo sapiens sapiens werd steeds langer en kregen een steeds groter hersenvolume. Alleen de homo sapiens neaderthalensis hadden een groter hersenvolume.


De moderne ment kent een lange ontstaansgeschiedenis. In de loop der tijd nam het hersenvolume enorm toe en is de ‘mens (achtige)’ rechtop gaan lopen.

14.4; Versteend verleden
Onderzoekers zoeken overal in naar het verleden.
Fossilisatieproces: Proces hoe fossielen ontstaan. Dit kan door het conserveren van gewervelde dieren, zo blijven het skelet en de tanden intact. De laag die de resten bedenkt kan door samenpersing in kalksteen veranderen, dit dringt de botten binnen en vervangen zo de mineralen die in de botten horen te zitten.
Door bevriezing en droging kunnen ook gehele dieren bewaard blijven. In Nederland zijn veel veenlijken gevonden.
Via fossilisatie blijven (delen van) organismen bewaard. Het fossilisatieproces kan op verschillende manieren verlopen.

Ouderdomsbepaling: De bepalen van hoe oud iets is, in dit geval de grond waarin een fossiel wordt gevonden, er kan gekeken worden of de laag op de gehele wereld voorkomt. Zo’n fossiel noem je een gidsfossiel. De leeftijd kan alleen gezien worden in relatieve leeftijd dus in opzichte van elkaar, niet in absolute leeftijd, de leeftijd in jaren.

Absolute datering is wel mogelijk met elementen. Koolstof-14 komt in de aarde voor, dit houdt wel in dat de vondst 40.000 jaar oud is. De uranium-238 bepaling methode is geschikt voor het dateren van oude gesteentes en lagen. De halveringtijd is namelijk 4,5 miljard jaar.
Door gidsfossielen is de relatieve leeftijd van lagen te bepalen. De absolute leeftijd van een laag of fossiel is vast te stellen door radioactief verval van elementen.

14.5; Komen en gaan…
Generatio spontanea: Mensen dachten dat het leven vanzelf ontstond.
Abiotische evolutie: Het ontstaan van leven uit levenloos materiaal.

Heelal 10-20 miljard jaar oud Aarde 4,5 miljard jaar oud


De atmosfeer is ontstaan door dampen uit vulkanen, door de waterdamp die vrijkwam zijn oceanen ontstaan.

Ontstaan van het leven op aarde, 3 theorieën:


1. In de oceanen en in de atmosfeer zijn de eerste organische moleculen ontstaan. Doordat er een elektrische lading doorkwam zijn er aminozuren, suikers en nucleotiden ontstaan.
2. Kometen hebben gezorgd voor organische moleculen op aarde.
3. Door onderzeese breuken is metaal- en zwavelrijk water vrijgekomen en doordat dit in contact kwam met zeewater ontstonden er organische moleculen.

Autotrofe organismen: Voorzien zichzelf van hun organische stoffen. Zetten dampen en gassen om in zuurstof. Hierdoor ontstond er O3 en dit is de ozonlaag. Deze filtreert UV-straling.


Er zijn verschillende theorieën over het allereerste begin van het leven op aarde. Dankzij het ontstaan van autotrofe organismen bleef leven op aarde mogelijk.

Biodiversiteit: Verschillende soorten, levensgemeenschappen, biomoleculen en genen. De biodiversiteit daalt, 99% van alle soorten is allang uitgestorven.

Genetische erosie: Verlies van biodiversiteit in de landbouw. Veel minder verschillende soorten aardappel en minder koeien die geen zusjes meer zijn.

Biodiversiteit moet behouden worden op aarde, twee redenen:


- Respect voor andere dieren
- De mens kans anders niet blijven leven.
Op aarde bestaat een grote biodiversiteit. Door verschillende factoren staat deze biodiversiteit onder druk. Maatregelen zijn nodig. Boeren gebruiken rassen die erfelijk identiek zijn. Dit vergroot de kans op ziekten die zich snel kunnen verspreiden.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina