Hoofdstuk 12. Interviews dr. J. H. van Roijen1



Dovnload 55.18 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte55.18 Kb.
1Hoofdstuk 12. Interviews dr. J.H. van Roijen1.
Tijdens de zittingsduur van het kabinet Schermerhorn vonden in april 1946 de eerste onderhandelingen plaats met een delegatie van de Republiek Indonesië. In dat kabinet was u toen minister van Buitenlandse Zaken. Kunt u mij ook zeggen of op deze zogenaamde ‘Hoge Veluwe Conferentie’ over een aparte status voor Nieuw Guinea is gesproken en of problemen rond de toekomstige status van Nieuw Guinea hebben bijgedragen tot het mislukken van de conferentie?
Ik wil graag vooraf opmerken, dat ik nooit een dagboek of iets dergelijks heb bijgehouden en dat ik bij de beantwoording van uw vragen dus vrijwel geheel op mijn geheugen moet afgaan, hetgeen inhoudt dat er in mijn antwoorden af en toe een onnauwkeurigheid zou kunnen sluipen. Wat het antwoord op uw vraag betreft, op de ‘Hoge Veluwe Conferentie’ is over een aparte status voor Nieuw Guinea niet gesproken. Waar wel over gesproken is, is bijvoorbeeld de positie van Soekarno. De Nederlandse regering hoopte namelijk dat het mogelijk zou blijken hem te vervangen. Daarbij werd met name gedacht aan een man als Hatta, die door ons als evenwichtiger werd beschouwd.
Had men binnen het kabinet Schermerhorn, dat gebaseerd was op een coalitie tussen PvdA en KVP, een eensgezind standpunt ingenomen ten aanzien van de onafhankelijkheid van Indonesië of waren de meningen verdeeld?
Over het algemeen waren wij eensgezind, maar wel waren er vele schakeringen, zoals gebleken is bij de discussie over het standpunt van Van Starkenborgh, die eerst recht en orde wilde herstellen alvorens aan Indonesië onafhankelijkheid te verlenen.
Zouden de onderhandelingen over de Indonesische onafhankelijkheid soepeler zijn verlopen, wanneer in de leiding van de Republiek andere mensen dan Hatta en Soekarno zouden hebben gezeten, omdat deze laatsten in de ogen van vele Nederlanders met een ‘oorlogsverleden’ waren besmet, aangezien ze in de Tweede Wereldoorlog met de Japanse bezetters hadden samengewerkt?
Ik betwijfel het omdat, wanneer er geen sterke persoonlijkheden aan de top van de Republiek zouden zijn geweest, zich in Indonesië wellicht te veel verschillende meningen zouden hebben gemanifesteerd. De aanvoerders van de Republiek staken namelijk, qua bekwaamheid en qua politieke betekenis, in het algemeen boven de federalisten uit.
Wanneer is in uw herinnering voor het eerst gesproken over een aparte status voor Nieuw Guinea?
De eerste maal dat naar mijn herinnering ooit over Nieuw Guinea is gesproken, moet geweest zijn op de conferentie van Malino, medio 1946. Toen is uitsluitend gesproken over een indeling van Nieuw Guinea bij het te vormen zelfbesturend deelgebied der

Zuid-Molukken. Dit deelgebied zou dan weer gaan behoren tot de staat Oost-Indonesië, een onderdeel van de Verenigde Staten van Indonesië, die toen in oprichting waren. Van een aparte status van Nieuw Guinea, los van Indonesië, was, althans toen, nog geen sprake. Dat is blijkbaar pas gebeurd bij de behandeling in de Tweede Kamer van de later in 1946 gesloten akkoorden van Linggadjati, iets waar ik overigens geen enkele bemoeienis mee heb gehad.


Kunt u nog eens aangeven waarom men later Nieuw Guinea niet wilde betrekken bij de soevereiniteitsoverdracht? Wat was uw mening hierover?
De Papoea’s behoren tot een heel ander ras en hebben een heel andere taal en godsdienst dan de overgrote meerderheid van de Indonesiërs. Naar mijn mening was er dan ook geen enkel geografisch of sociologisch argument om Nieuw Guinea deel uit te laten maken van de Republiek Indonesië. Naar mijn stellige overtuiging had het vasthouden aan Nieuw Guinea niets te maken met het hebben van een waarborg voor onze investeringen in Indonesië. Ik wil u er overigens op wijzen dat ons gelijk achteraf helaas is aangetoond, Nieuw Guinea is nu weliswaar geen kolonie van Nederland meer, maar van enige zelfstandigheid binnen de Republiek Indonesië lijkt ook geen sprake te zijn.
Vond u het politiek verstandig om Nieuw Guinea niet over te dragen?
Hoewel het moreel gezien alleszins verantwoord was om vast te houden aan Nieuw Guinea, was het aan de andere kant politiek gezien minder verstandig, omdat daarmee de basis werd gelegd voor een potentieel nieuw conflict met de jonge Republiek.
Het kabinet Schermerhorn trad af in juli 1946. In 1947 werd u Nederlands ambassadeur in Canada met als standplaats Ottawa. Op welke wijze bent u toen opnieuw betrokken geraakt bij de onderhandelingen met de Republiek Indonesië?
Kort nadat ik in 1947 ambassadeur in Canada was geworden, werd ik, voor de behandeling van het conflict over Indonesië, door de regering tevens benoemd tot plaatsvervangend vertegenwoordiger van Nederland in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in New York, naast mr. Van Kleffens. Ik werd kort daarop, als opvolger van Van Kleffens, zelf de vertegenwoordiger van Nederland in de Veiligheidsraad. Nederland moest zich in de Veiligheidsraad namelijk verantwoorden i.v.m. de politionele acties in het toenmalige Nederlands Indië tegen de Republiek. In de Veiligheidsraad konden de verschillende mogendheden het over deze zaak niet eens worden. Wel werd op een bepaald moment een resolutie aangenomen, waarin was vastgelegd dat over het conflict onderhandelingen op gang moeten komen. In feite was dit een order aan beide partijen. Hoewel Nederland het conflict beschouwde als een binnenlandse aangelegenheid en de Verenigde Naties dus niet bevoegd achtte zich erin te mengen, konden wij deze resolutie niet naast ons neerleggen. Daarbij gaf de doorslag dat de Aziatische landen zich in meerderheid van ons hadden afgewend en voor ons land de doorvoer, doorgang en proviandering van troepen onmogelijk maakten. Toen ben ik door de regering aangewezen als voorzitter van een onderhandelingsdelegatie, waarop ik naar Batavia vertrokken ben. Om in Batavia, het huidige Jakarta, te komen, moest ik over het toen nog onder Engels gezag staande Aden en over Mauritius vliegen, waaruit nog eens mag blijken hoe omvangrijk de boycot van Nederland op dat moment in feite was.
Tijdens de daarop volgende onderhandelingen met de Republiek is uiteindelijk een akkoord gesloten tussen Nederland en de Republiek, de zogenaamde Van Roijen-Roem-verklaringen. Dit akkoord vormde in feite de basis voor de Ronde Tafel Conferentie, die in december 1949 in Den Haag heeft geleid tot een overeenkomst waarbij de soevereiniteit aan de Republiek zou worden overgedragen. Welke rol heeft de status van Nieuw Guinea tijdens de onderhandelingen in Batavia, die hebben geleid tot de op 7 mei 1949 getekende Van Roijen-Roem-verklaringen, gespeeld?
Geen enkele.
Zaten alle Indonesiërs in dat opzicht toen nog op één lijn?
De leden van de Indonesische delegatie, die met ons de onderhandelingen voerde, waarschijnlijk wel. Binnen de leiding van de Republiek waren de meningen echter verdeeld. Dat bleek overduidelijk toen ik, na afloop van de onderhandelingen met Roem, nadat de vijandelijkheden waren gestaakt en de Indonesiërs de bereidheid hadden uitgesproken om voor de slotonderhandelingen naar Den Haag te komen, naar de hoofdstad van de Republiek, Djocja, reisde. Ik ging dus als het ware naar het hol van de leeuw. In Djocja ben ik toen vriendelijk ontvangen door Soekarno. Bij die gelegenheid vroeg Soekarno mij waarom voor Nieuw Guinea een uitzondering was gemaakt. Daarop antwoordde ik dat dat mijn uitdrukkelijke instructies vanuit Den Haag waren en dat bovendien Hatta ten overstaan van minister Stikker van Buitenlandse Zaken had laten weten dat Nieuw Guinea hem niet interesseerde. Daarop antwoordde Soekarno: ‘Dat kan meneer Hatta wel gezegd hebben, maar ik ben Nieuw Guinea-fanaticus’. Toen werd het mij duidelijk dat de uitsluiting van Nieuw Guinea van de soevereiniteitsoverdracht Nederland later nog wel eens lelijk zou kunnen opbreken. Toen Soekarno mij vervolgens nog polste over mijn verwachtingen aangaande ratificatie van het gesloten akkoord door het Nederlandse parlement, heb ik hem gezegd dat dat afhankelijk was van de Indonesische bereidheid om de gemaakte afspraken betreffende het staken van de vijandelijkheden te eerbiedigen en van het afzien van verder geweld van de kant van de Indonesiërs.
Leverde die toekomstige status van Nieuw Guinea, los van Indonesië, bij de Ronde Tafel Conferentie, waarvan U ondervoorzitter was, wel grote problemen op?
Laat ik vooropstellen dat ik, vóór ik bereid was om ondervoorzitter van de Ronde Tafel Conferentie te worden, de hoop had uitgesproken dat Nieuw Guinea geen breekpunt zou worden. Hoewel de conferentie niet vanwege de meningsverschillen rond de status van Nieuw Guinea is mislukt, is de kwestie toen toch ook niet bepaald opgelost. Zoals u weet, heeft na de goedkeuring van het toen bereikte akkoord door het parlement, op 27 december 1949 de soevereiniteitsoverdracht plaats kunnen vinden, omdat bepaald was, dat de kwestie Nieuw Guinea in principe een jaar later via bilateraal overleg opgelost diende te zijn.
De oplossing van het conflict rond Nieuw Guinea heeft na de soevereiniteitsoverdracht uiteindelijk nog ruim 12½ jaar op zich laten wachten. Veel mensen geven de schuld daarvan aan de Indonesische president Soekarno. Wat vond u van de persoon van president Soekarno?
Soekarno was een man met voor bepaalde personen een zekere charme. Politiek gezien had hij een schrander inzicht. Daarentegen had hij van economie betrekkelijk weinig verstand. Voor zijn land zal hij in de toekomst misschien beschouwd worden als een groot leider en een groot president, dat moet de geschiedenis uitwijzen. Voor ons was het jammer, dat hij politiek niet bepaald betrouwbaar was, omdat hij nogal opportunistisch handelde. Daarbij was voor hem elk middel geoorloofd om zijn doel te bereiken. Ik zou samenvattend willen zeggen dat Soekarno een oplossing van het conflict rond Nieuw Guinea door zijn totalitaire instelling niet heeft versneld.
Deelt u de opvatting van dr. Drees dat Soekarno als onderhandelingspartner onaanvaardbaar was door zijn ‘oorlogsverleden’?
Drees heeft Soekarno niet kwalijk genomen dat hij van de Japanse aanwezigheid in Indië gebruik heeft gemaakt om de onafhankelijkheid van zijn land te bevorderen, maar wel dat Soekarno heeft meegewerkt aan het sturen van landgenoten als arbeiders naar Japan. Dat beschouwde Drees als ‘onbetamelijk’ en ‘intermenselijk slecht’. Ik beschouw Drees als een humanist in de beste zin van het woord. Dat betekent dat Drees een man is, die zijn oordeel over mensen ervan laat afhangen of het gedrag van die mensen tegen de achtergrond van de samenleving goed is of niet goed is. Vanuit dat standpunt was Drees’ opvatting over Soekarno voor mij dan ook alleszins begrijpelijk.
Na de onderhandelingen van 1949 bent u weer teruggegaan naar Canada. Enkele maanden later werd u overgeplaatst naar Washington. Daar bent u tot 1964 Nederlands ambassadeur gebleven. Hebt u na de Ronde Tafel Conferentie, dus vanaf 1950 tot, laat ik zeggen, 1958, nog informele of geheime contacten gehad met Indonesiërs in verband met de kwestie Nieuw Guinea?
Nee, maar door de jaren heen ben ik over het algemeen wel op goede voet met de Indonesische collega’s blijven staan, zelfs na de confiscatie van de Nederlandse eigendommen door Indonesië bleven wij elkaar toch groeten. Dat vond zijn oorzaak in het feit, dat ik tijdens de onderhandelingen in Batavia en Den Haag in 1949 bevriend was geraakt met enkele leden van de verschillende Indonesische delegaties en missies, hetgeen latere informele en formele contacten sterk heeft vergemakkelijkt.
Dr. Drees heeft mij verklaard dat er op 7 mei 1958, tijdens een besloten NAVO-vergadering in Kopenhagen, door de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, John Foster Dulles, aan zijn Nederlandse collega, mr. Luns, mondelinge toezeggingen zouden zijn gedaan in verband met steun van de kant van de Verenigde Staten aan Nederland bij een eventueel gewapend conflict tussen Nederland en Indonesië over Nieuw Guinea. Toen mr. Luns daarvan verslag deed in de ministerraad, zo merkt dr. Drees op, werd er bij hem op aangedrongen te trachten een en ander schriftelijk bevestigd te krijgen. Is het juist dat u met het oog daarop op 13 mei 1958 naar het State Department bent gegaan om te trachten zo’ n verklaring van de zijde van de Amerikaanse regering los te krijgen2?
Het is mogelijk, maar ik herinner het mij niet. Zeker is in ieder geval dat ik zo’n verklaring niet gekregen heb.
Hebt u tussen mei 1958 en oktober 1958, toen mr. Luns een bezoek aan Washington bracht, nog contact met de regering Eisenhower gehad over garanties aan Nederland?
Ik had voortdurend contact met de regering Eisenhower, waarbij ongetwijfeld ook regelmatig het conflict met Indonesië over Nieuw Guinea aan de orde kwam. Uit die contacten was het mij in ieder geval duidelijk geworden, dat Foster Dulles niet het gevoel had door zijn uitspraken tegenover mr. Luns gecommitteerd te zijn tot duidelijke stellingname ten gunste van Nederland, absoluut niet.
Tijdens het bezoek van mr. Luns aan de Verenigde Staten in oktober 1958, heeft op 7 oktober een informele bijeenkomst plaatsgevonden die door u was georganiseerd. Daarbij heeft mr. Luns uitvoerig van gedachten kunnen wisselen met Foster Dulles. Bij die gelegenheid zou Foster Dulles Luns ook een schriftelijke garantie hebben gegeven. In die verklaring stond dat de Verenigde Staten Nederland, in het geval van een militaire confrontatie met Indonesië, logistieke steun zouden geven. Kunt u het verloop van die bijeenkomst beschrijven?
Het betrof hier een diner op de ambassade ter gelegenheid van het bezoek van Luns. Daarbij waren mijn vrouw en ik gastvrouw en gastheer. Als gasten waren ook Foster Dulles en zijn vrouw uitgenodigd. Na afloop van het diner trokken de heren zich terug in mijn studeerkamer. Daar zal Luns toen stellig getracht hebben een of andere op schrift gestelde garantie van Foster Dulles los te krijgen. Ik zelf was daar slechts op de achtergrond aanwezig. Ik herinner mij wel dat de heren toen op een bepaald moment naar de schrijftafel zijn gegaan. Over wat daar toen is vastgelegd, heb ik echter geen informatie.
Drs. Meijer, toen ook op de bijeenkomst aanwezig, heeft over het verloop van die bijeenkomst tegenover Han Hansen onder andere het volgende gezegd: ‘Dulles belde vervolgens de directeur Verre Oosten en de directeur Indonesië van het State Department op, met het verzoek direct naar de Nederlandse ambassade te komen. Zo gebeurde het, dat ik met die hoge Amerikaanse ambtenaren kort daarop aan tafel zat om nog wat bij te schaven aan een definitieve tekst. Toen die gereed was, schreef Dulles die verklaring eigenhandig in een regel of tien op een velletje papier en overhandigde dat aan Luns. Terwijl de Nederlandse minister het opvouwde en in zijn binnenzak stak, concludeerde hij, ‘Dit is het verste waartoe de Verenigde Staten kunnen gaan’.3 Komt de lezing van de heer Meijer ongeveer overeen met datgene wat u zich van het verloop van die bijeenkomst kunt herinneren?
Het eerste gedeelte is voor mij nieuw, ik weet in ieder geval zeker dat de functionarissen van het State Department pas na het diner gekomen kunnen zijn. Maar hun aanwezigheid als zodanig kan ik mij in het geheel niet herinneren. Over het op schrift stellen van een korte verklaring door Foster Dulles kan ik bevestigen, dat ik gezien heb dat Foster Dulles inderdaad zelf iets heeft opgeschreven.
Tegenover Murray Marder van ‘The Washington Post’ heeft mr. Luns op 26/5/1965 het volgende gezegd: ‘Nou, het was in werkelijkheid een technische overeenkomst tussen de militaire mensen en hij had een codenaam. Onder die codenaam werd vastgelegd, dat als Nederland ooit het voorwerp werd van militaire agressie of druk van 1ndonesië, dat we dan op zijn minst alle logistieke steun van de Verenigde Staten zouden krijgen.4 Drs. Meijer, die zoals eerder gememoreerd ook bij het opstellen van de betreffende tekst aanwezig is geweest, definieerde tegenover Han Hansen logistieke steun als volgt: ‘ Het verlenen van vervoersfaciliteiten en het beschikbaar stellen van Amerikaanse bases bij de Nederlandse verdediging van Nieuw Guinea tegen een Indonesische aanval’.Error: Reference source not found Komt één en ander overeen met hetgeen u zich ervan herinnert?
Deze laatste omschrijving van logistieke steun lijkt mij toch iets te uitgebreid. Ik vermoed dat de heer Meijer dit toch met iets te veel fantasie beschrijft. Ik geloof er daarbij absoluut niets van dat de inhoud van de overeenkomst met Foster Dulles was, zoals Luns hem in het door u geciteerde vraaggesprek weergeeft. Dat zou ik heel belangrijk hebben gevonden en dan zou ik het mij stellig nu nog herinneren.
Was Luns die avond in uw herinnering tevreden met het resultaat van het gesprek met Foster Dulles?
Luns was wel ingenomen met hetgeen hij meende bereikt te hebben, maar dat hij objectief voldaan kon zijn, betwijfel ik.
Hebt u het betreffende document achteraf gezien of er anderszins kennis van kunnen nemen? Zo ja, kunt u dan beschrijven wat de strekking van de verklaring van Foster Dulles was?
Ik geloof dat zo’n document of stuk papier werkelijk bestaan heeft. Maar het stuk zelf of een afschrift ervan heb ik nooit onder ogen gehad. Vast staat echter dat het een vaag document geweest moet zijn en eventuele toezeggingen zullen zeer geclausuleerd geweest zijn. Het is eenvoudig niet denkbaar dat Foster Dulles namens de regering Eisenhower concrete toezeggingen aan Nederland op militair gebied gedaan heeft, aangezien de Verenigde Staten dan mogelijk het hele Afro-Aziatische blok in de Verenigde Naties tegen zich in het harnas gejaagd zouden hebben. Er zal hooguit iets in gestaan hebben in de geest van ‘it would not leave the United States indifferent…’. Ik ben in die overtuiging gesterkt door het feit dat Luns noch toen, noch achteraf het stuk aan wie dan ook heeft willen tonen.
Han Hansen heeft in ‘De Volkskrant’ gezegd: ‘Het bestaan van een Dulles-tekst moet bij het kabinet Drees overigens bekend zijn geweest, omdat ambassadeur Van Roijen een codetelegram had gestuurd over het dinergebeuren met Luns in Washington. Deze boodschap kwam automatisch bij de minister-president terecht. Herinnert u zich zo’n codetelegram gestuurd te hebben?
Dat is mogelijk, maar het kan ook een telegram van Luns aan Den Haag geweest zijn. Alleen ambassadeurs waren gerechtigd zulke telegrammen te sturen. Wanneer Luns dan een telegram had willen verzenden, moest dat onder mijn naam gebeuren. Dat is overigens makkelijk te zien, want dan moet het telegram beginnen met: ‘Van Luns...’.
Hebt u na 7 oktober 1958 nog met Foster Dulles of één van zijn medewerkers over Amerikaanse garanties aan Nederland gesproken?
Nee, daarover zijn geen contacten meer geweest.
In april 1959 trad Foster Dulles af en in mei is hij overleden. Tot zijn opvolger als minister van Buitenlandse Zaken werd Christian Herter benoemd. Herter is minister geweest tot januari 1961, toen de regering Eisenhower werd vervangen door de regering Kennedy. Hebt u in de ruim anderhalf jaar dat Herter de scepter op het State Department zwaaide, met hem of met zijn naaste medewerkers over Amerikaanse garanties aan Nederland gesproken, hetzij op verzoek van de regering in Den Haag, hetzij op eigen initiatief?
Nee, dat is niet gebeurd.
In januari 1961 trad de regering Kennedy aan. Als opvolger van Herter werd Dean Rusk benoemd. In het al eerder genoemde gesprek met Murray Marder zegt Luns, in antwoord op de vraag ‘Hebt u in gesprekken met president Kennedy gelegenheid gehad om naar de overeenkomst met Foster Dulles te verwijzen?’: ‘Heel wat keren. En hij hield altijd vol dat de Amerikaanse positie niet veranderd was.Error: Reference source not found Daarentegen hebt u, bij het verschijnen van het boek ‘Het Verschijnsel Schmelzer’ van Robbert Ammerlaan5 in 1973, een verklaring uitgegeven waarin u ondermeer stelt, dat u sinds het aantreden van John F. Kennedy als president en van Dean Rusk als minister van Buitenlandse Zaken, aldoor in uw telegrammen en rapporten de regering in Den Haag er voor gewaarschuwd had dat wij, in geval van vijandelijkheden met Indonesië, beslist geen steun van Amerikaanse zijde zouden kunnen verwachten. Hoe vallen deze twee verklaringen met elkaar te rijmen?
Ik acht het ten enen male onmogelijk dat president Kennedy tegenover Luns heeft verklaard dat Nederland nog steeds op steun van de Verenigde Staten ten aanzien van Nieuw Guinea zou kunnen rekenen. In andere gesprekken heeft Luns ook wel verklaard dat hij ‘de indruk’ had, dat het Amerikaanse standpunt terzake niet was gewijzigd. Waarop die indruk dan zou kunnen zijn gebaseerd, is mij ook een raadsel, want op het State Department had ik niet anders gehoord dan ‘We cannot give you any assurance regarding New Guinea’. Het was mij overduidelijk dat de Verenigde Staten zich eenvoudigweg niet wilden committeren, want wanneer zij dat wel zouden doen, zouden de gematigde Indonesiërs, zodra dat bekend werd, wellicht geneigd zijn zich aan te sluiten bij de communisten. En dat was wel het laatste dat de Verenigde Staten wensten! Het was mij wel bekend dat onder het bewind van president Kennedy is toegezegd, dat bij een eventueel gewapend conflict over Nieuw Guinea, de Verenigde Staten garant zouden staan voor de evacuatie van de blanke burgerbevolking. Dat was alles en van meer is nooit sprake geweest.

Ondanks dit alles waren er in Nederland mensen die dachten dat als puntje bij paaltje kwam, er toch wel steun van de kant van de Verenigde Staten zou komen. Luns was daarvan de voorman. Maar deze mensen hebben een ernstige vergissing begaan, want steun van de regering Kennedy is, zoals ik al vanaf begin 1961 had gerapporteerd, nooit te verwachten geweest.


Han Hansen heeft in ‘De Volkskrant’ opgemerkt: ‘Luns zou tijdens overleg met Dean Rusk op 14 en 15 april 1961 van Dean Rusk de belofte los hebben gekregen, dat de Amerikaanse regering Indonesië opnieuw ernstig zou waarschuwen voor militair ingrijpen tegen Nieuw Guinea en ‘dat het Amerikaanse beleid onder president Kennedy niet is gewijzigd’. Het betekende impliciet bevestiging van het Dulles-papier, zo was de stellige indruk van de Nederlandse diplomaten’.Error: Reference source not found Ik mag aannemen, in het kader van wat u hiervoor gezegd hebt, dat u niet tot deze diplomaten behoorde?
Zeker niet!
Maar werden uw rapporten dan niet serieus genomen?
Nee, die werden blijkbaar niet serieus genomen. Maar toch waren er zowel op het ministerie als ook binnen het kabinet mensen, die wel precies wisten hoe het zat. Op het ministerie denk ik hierbij aan een man als Jan Meijer, binnen het kabinet wist bijvoorbeeld een man als premier De Quay in zijn hart wel hoe de zaken er voor stonden, maar als eerste minister verkeerde hij natuurlijk toch in een moeilijke positie om aan zijn twijfels al te duidelijk uiting te geven.
Begin april 1962 bent u zelfs persoonlijk naar Den Haag gereisd om uw mening kenbaar te maken. Kunt u daar iets meer over zeggen?
Inderdaad is er eenmaal een bijeenkomst geweest in Den Haag in de ambtswoning van mr. Luns. Bij die bijeenkomst was Luns vanzelfsprekend aanwezig als gastheer. Verder waren er nog andere kabinetsleden, waaronder mevr. Klompé. Op die bijeenkomst heb ik duidelijk mijn visie over de niet te verwachten steun herhaald. Ik had daarbij duidelijk de indruk, dat datgene wat ik daar vertelde, voor sommige aanwezigen een (onaangename) verrassing was.
Hoe was de opstelling van mr. Luns op die bijeenkomst?
Luns zelf zei toen niet veel; hij had die bekende glimlach op zijn gezicht waarmee hij aangaf dat hij het toch beter wist.
Dat er niet op steun van de Amerikanen gerekend behoefde te worden, kwam voor de meerderheid van de Nederlandse bevolking pas duidelijk aan het licht toen Robert Kennedy in februari 1962 een bezoek bracht aan Nederland, na kort daarvoor ook in Indonesië geweest te zijn. Robert Kennedy is toen door een aantal van de toenmalige bewindslieden alsook door sommige media de zwarte piet toegespeeld. Hij zou tijdens zijn bezoek aan Indonesië door Soekarno zijn ingepakt, hetgeen de plotselinge ommekeer in het Amerikaanse standpunt tot gevolg zou hebben gehad. Hoe kijkt u tegen deze zienswijze aan?
Ik vind deze zienswijze onjuist, het Amerikaanse standpunt lag toen al een jaar vast! Zodra de Amerikanen in de gaten kregen, dat de Indonesiërs desnoods bereid waren te vechten, hebben ze besloten dat, koste wat het kost, een gewapend conflict voorkomen diende te worden. Robert Kennedy bracht dan ook een bezoek aan Indonesië om oorlog te voorkomen. Een nieuwe oorlog in Zuidoost Azië zou niet alleen voor Nederland en Indonesië, maar ook voor de Verenigde Staten zelf een slechte zaak zijn. Ik wil hier nog bij opmerken dat het standpunt van Robert Kennedy, voor zijn bezoek aan Indonesië, op gezag van zijn broer, de president, al vast stond. Hij werd daarin nog gesterkt toen hij bij zijn bezoek aan Indonesië persoonlijk vernam ‘that the Indonesians would fight’. Een nauwkeurige beschrijving van het bezoek van Robert Kennedy aan Indonesië vindt u overigens in het boek ‘Robert Kennedy and his times6. Het Amerikaanse standpunt was in mijn ogen redelijk, maar wat het voor Nederland en met name voor de Nederlandse regering zo moeilijk maakte het te aanvaarden, was dat Robert Kennedy het zo slecht overbracht. Door zijn brutale en vlegelachtige gedrag tijdens het bezoek aan Nederland heeft hij heel wat mensen tegen zich in het harnas gejaagd. Dat de Nederlandse bevolking verrast was door het Amerikaanse standpunt, zoals dat toen naar buiten kwam, was natuurlijk niet de schuld van Robert Kennedy of van de Amerikaanse regering, maar van de regering in Den Haag die te lang en volkomen ten onrechte op vage toezeggingen uit 1958 af was blijven gaan.
Hebt u, naast wat u al eerder hebt genoemd, nog andere stappen ondernomen om politiek Den Haag ervan te overtuigen dat de regering er naast zat met betrekking tot de Amerikaanse garanties?
Inderdaad. Tijdens een bezoek van het toenmalige ARP-Tweede Kamerlid B. W. Biesheuvel aan de Verenigde Staten, heb ik er bij hem op aangedrongen om zelf op het State Department eens te gaan peilen hoe men daar dacht over steun aan Nederland tegen Indonesië. Biesheuvel heeft toen gesproken met Averell Harriman, die toen onderminister van Buitenlandse Zaken was, speciaal belast met zaken betreffende Zuidoost Azië. Toen hoorde Biesheuvel dat er van Amerikaanse steun aan Nederland geen sprake kon zijn. Zo kwam ook de Tweede Kamer de waarheid dienaangaande te weten.7
Er is wel eens gesuggereerd dat er tweespalt in het ambassadepersoneel in Washington was. Er zou een pro-Luns en een pro-Van Roijen fractie zijn geweest. Met name tijdens de Bunkeronderhandelingen zou u met uw tweede man Schiff een ernstig verschil van mening hebben gehad. Is dat waar?

Dat is allemaal nonsens. Het gehele ambassadepersoneel zat voortdurend op één lijn, niet alleen aangaande het standpunt ten aanzien van de vermeende steun, maar ook ten tijde van de Bunker-onderhandelingen, zowel gedurende de eerste ronde, die gehouden werd in Middleburg, Virginia, als ook tijdens de slotonderhandelingen in New York. Dat de afrondende besprekingen in New York plaatsvonden, gebeurde overigens om daarmee aan te geven dat ze onder sponsorship van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, Oe Thant, gehouden werden. Ik kan hier nog bij opmerken dat er ook tijdens de onderhandelingen, die ik in 1949 namens de Nederlandse regering met de Republiek Indonesië in Batavia heb gevoerd, geen enkel verschil van mening binnen de Nederlandse delegatie bestond.


Tijdens de Bunker-onderhandelingen zou u nog een ernstig meningsverschil met mr. Luns hebben gehad, met name over de ondertekening door u van het voorlopig akkoord met Indonesië. Hoe hoog zijn die meningsverschillen toen opgelopen?
Er waren tussen ons toen inderdaad duidelijke meningsverschillen, maar tot bijvoorbeeld een heftige woordenwisseling is het nooit gekomen. Nadat het kabinet het akkoord uiteindelijk had goedgekeurd, heeft Luns mij ook zelf getelefoneerd om datgene te doen wat tegen zijn meest geliefde, innerlijke overtuiging inging, namelijk het tekenen van het akkoord met Indonesië, waarbij Nieuw Guinea uiteindelijk zou worden overgedragen aan Indonesië.
In het boek ‘Ik herinner mij’ zegt mr. Luns dat de Kennedy’ s Nederland hebben verraden.8 Hoe reageert u op die uitspraak?
Ik vind hem onbegrijpelijk, de regering Kennedy heeft nooit enige positieve belofte gedaan, behoudens de toezegging dat ze zich garant stelde voor de evacuatie van de blanke burgerbevolking bij een eventueel gewapend conflict rond Nieuw Guinea. Ik vind de uitspraak zelfs onredelijk, omdat president Kennedy persoonlijk de laatste ronde van de Bunker-onderhandelingen heeft bekort door er in krachtige bewoordingen bij de Indonesische minister van Buitenlandse Zaken, Soebandrio, op aan te dringen toch vooral redelijk te blijven en niet het onderste uit de kan te willen halen.
Wat was uw mening over de activiteiten van de Groep Rijkens? Heeft de Groep Rijkens voor zover u kunt overzien enige invloed gehad op de veranderde mening van de Verenigde Staten ten aanzien van het conflict rond Nieuw Guinea?
Ik vond de leden van de Groep Rijkens nogal naïef. Dat blijkt ook wel uit het feit dat ze zich ingelaten hebben met mensen als de journalist W. L. Oltmans en de fantast W. Verrips. Afgezien nog van dit laatste hadden de activiteiten van de Groep Rijkens d~ Nederlandse positie aan de onderhandelingstafel aanzienlijk kunnen verzwakken. Dat is mijns inziens gelukkig niet gebeurd. Ik ben er overigens van overtuigd dat de Groep Rijkens uit goede trouw handelde. Het moet gezegd worden dat ze het goed hebben gezien, maar dat kan van vele Nederlanders gezegd worden. Iedereen kon zien aankomen wat er uiteindelijk zou gaan gebeuren.
Mag ik u ten slotte nog vragen wat naar uw mening de belangrijkste factor is geweest die een snelle( re) oplossing van het conflict rond Nieuw Guinea in de weg gestaan heeft?
Luns.
Wilt u dat misschien nader toelichten?
Luns was zo (ten onrechte) overtuigd van de juistheid van zijn inschatting van het Amerikaanse standpunt, daarbij had hij zo’n overtuigingskracht en hij heeft die overtuigingskracht zo lang door kunnen zetten, dat daardoor een eerdere oplossing feitelijk onmogelijk was.
Hoe verklaart u het dat mr. Luns, nadat gebleken was hoezeer hij zich had vergist bij zijn inschatting van de Amerikaanse bereidheid om Nederland bij een eventueel gewapend conflict te helpen, als minister heeft kunnen aanblijven?
Luns heeft, zoals dat zo vaak gaat, gewoon geluk gehad. Er speelde toen namelijk iets anders, dat voor de pers en de publieke opinie veel belangrijker was, namelijk de discussie over de Europese samenwerking. Luns heeft toen op een bepaald moment zowel de West-Duitse Bondskanselier Konrad Adenauer als de Franse president Charles de Gaulle weten te confronteren met zijn weigering uit naam van Nederland akkoord te gaan met hun politiek. Weinig mensen zouden dat Luns hebben kunnen nadoen. De toekomst vn de Europese samenwerking was, zoals men in Nederland begreep, oneindig veel belangrijker dan die van het westelijk deel van het eiland Nieuw Guinea. Die zaak leidde de aandacht dan ook snel van Nieuw Guinea af. Het prestige dat Luns kon ontlenen aan zijn Europapolitiek, gekoppeld aan zijn populariteit bij de Nederlandse kiezers, is zijn politieke redding geweest.

Bronvermelding.

1 Interviews J.H. van Roijen, Wassenaar, 5 juni 1973, 1 maart 1984, 8 maart 1984.

2 Keesings Historisch Archief, nr. 1416, 1958.

3 De Volkskrant, 29 augustus 1981.

4 Vrij Nederland, 16 augustus 1980.

5 Robbert Ammerlaan, Het Verschijnsel Schmelzer, uit het dagboek van een politieke teckel, A.W. Sijthoff, Leiden, 1973.

6 Arthur M. Schlesinger Jr., Robert Kennedy and his times, Houghton Mifflin Co., Boston, U.S.A., 1978, p. 579/580.

7 Zie voor het resultaat van het gesprek tussen Biesheuvel en Harriman: H. Coerts, De ARP en Nieuw Guinea, T. Wever, Franeker, 1983, p. 58/59.

8 Michel van der Plas, Luns: ik herinner mij, A.W. Sijthoff, Leiden, 1971.

R.A. Gase, Misleiding of zelfbedrog. Hoofdstuk 12. Interviews J.H. van Roijen



© R.A. Gase 1984/2003. Versie: 20-8-2016; HH:08 uur




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina