Hoofdstuk 14



Dovnload 89.91 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte89.91 Kb.

Hoofdstuk 14



1. vierkant:

Alle hoeken zijn 90°, alle zijden zijn even lang, de diagonalen delen elkaar loodrecht middendoor, er zijn 4 symmetrieassen, draaisymmetrisch over 90°, puntsymmetrisch.

2. rechthoek:

Alle hoeken zijn 90°, tegenoverliggende zijden zijn even lang, de diagonalen delen elkaar middendoor, er zijn 2 symmetrieassen, draaisymmetrisch over 180°, puntsymmetrisch.

3. parallellogram:

Overstaande hoeken zijn even groot, tegenoverliggende zijden zijn even lang, de diagonalen delen elkaar middendoor, er zijn geen symmetrieassen, draaisymmetrisch over 180°, puntsymmetrisch.

4. ruit:

Overstaande hoeken zijn even groot, alle zijden zijn even lang, de diagonalen delen elkaar loodrecht middendoor, er zijn 2 symmetrieassen, draaisymmetrisch over 180°, puntsymmetrisch.

5. vlieger:

Twee overstaande hoeken zijn even groot, zijden zijn twee aan twee even lang, de diagonalen delen elkaar loodrecht, er is 1 symmetrieas, niet draaisymmetrisch, niet puntsymmetrisch.

6. rechthoekige driehoek:

Een driehoek met een hoek van 90°, vaak niet spiegelsymmetrisch, niet draaisymmetrisch, niet puntsymmetrisch.

7. gelijkbenige driehoek:

Een driehoek met twee gelijke zijden (benen), twee gelijke basishoeken, er is 1 symmetrieas, niet draaisymmetrisch, niet puntsymmetrisch.

8. gelijkzijdige driehoek:

Een driehoek met drie gelijke zijden, drie gelijke hoeken (elk 60°), 3 symmetrieassen, draaisymmetrisch over 120°, niet puntsymmetrisch.

Hoe bereken je hoeken zonder te meten?
- overstaande hoeken zijn even groot.
- in een driehoek zijn alle hoeken samen 180º.
- in een vierhoek zijn alle hoeken samen 360°.

Opgave


1.
Teken in de figuren hieronder alle symmetrieassen.

1.


2.


3.



4.


5.


6.


7.


8.


9.


10.


11.


12.


13.


14.


15.


16.


17.


18.


19.


20.


21.


22.


23.


24.


25.


26.


27.


28.


29.


30.


31.


32.


33.


34.


35.


36.


37.


38.


39.





2.
A.  Welke figuren uit vraag 1 zijn draaisymmetrisch ?
B.  Schrijf bij elk draaisymmetrisch figuur op na hoeveel keer draaien de figuur weer in de beginstand staat.

3.


A.  Teken in alle vierhoeken hierboven de symmetrieassen.
B.  Schrijf op welke vierhoeken vliegers zijn.
C.  Welke vierhoeken zijn ruiten?
D.  Welke vierhoeken zijn parallellogrammen?
E.  Geef met tekentjes in de vierhoek aan, welke hoeken even groot zijn.

4.
Bekijk de tekening hieronder.



ABCD is een rechthoek. A2 =27o.
Bereken de volgende hoeken: A1, S2, S3 en B1.

5.
Bekijk de tekening hieronder.



ABCD is een rechthoek. S1 = 70o.
Bereken de volgende hoeken: S2, A1, B2 en C1.

6.


Hierboven zie je een tienhoek getekend, verdeeld in twee soorten ruiten. In het midden van de figuur komen vijf gelijke ruiten bij elkaar.
A.  Bereken hoek a.
B.  Bereken ook de hoeken b, c en d.
C.  Bereken hoek e.
D.  Bereken ook de hoeken f, g en h.
E.  Hoe groot is dus de hoek waarvan A het hoekpunt is?
F.  Hoe groot is de som van de drie hoeken die bij B samenkomen?

7.


De hierboven getekende tienhoek bestaat uit vijf gelijkbenige driehoeken,
vijf vierkanten en een regelmatige vijfhoek.
A.  Bereken de hoeken van de regelmatige vijfhoek.
B.  Bereken de hoeken van een driehoek.

8.


De mooie figuur hierboven is een regelmatige achttienhoek die bestaat uit vier soorten ruiten.
A.  Bereken de hoeken van ruit I.
B.  Bereken de hoeken van ruit II.
C.  Bereken de hoeken van ruit III.
D.  Bereken de hoeken van ruit IV.

9.
A.  Een rechthoekige driehoek heeft een hoek van 73o. Bereken hoe groot de andere hoeken zijn.


B.  Een ruit heeft een hoek van 141o. Bereken hoe groot de andere hoeken zijn.
C.  Een vlieger heeft één hoek van 33o en één hoek van 72o. Bereken hoe groot de andere hoeken zijn.
D.  Een gelijkbenige driehoek heeft een basishoek van 34o. Bereken hoe groot de andere hoeken zijn.
E.  Een gelijkbenige driehoek heeft een tophoek van 45o. Bereken hoe groot de andere hoeken zijn.
F.  Een parallellogram heeft een hoek van 56o. Bereken hoe groot de andere hoeken zijn.
G.  Een vierhoek heeft twee even lange diagonalen die elkaar midden door delen. Bereken hoe groot de hoeken zijn.
H.  Een vierhoek heeft 2 tegenover elkaar liggende hoeken van 90o en een hoek van 29o. Bereken hoe groot de ander hoek is en geef de naam van deze vierhoek.
I.  Een vierhoek heeft een hoek van 42o, een hoek van 138o en vier zijden van 3,5 cm. Bereken hoe groot de andere hoeken zijn en geef de naam van deze vierhoek.

10.
Teken een cirkel en trek in die cirkel een middellijn. Noem de uiteinden van die middellijn A en B. Kies nu op de cirkel, het doet er niet toe waar, een derde punt C en teken driehoek ABC. Schrijf een M bij het middelpunt van de cirkel.


A.  Wat voor soort driehoek is driehoek CAM?
B.  Welke hoeken van driehoek CAM zijn dus even groot? Kleur die hoeken rood.
C.  Wat voor soort driehoek is driehoek CBM? Kleur hoeken die even groot zijn blauw.
D.  Je hebt nu vier hoeken gekleurd. Hoe groot zijn die vier hoeken samen?
E.  Leg nu uit waarom hoek ACB recht is.

11.


Hierboven zie je een tegel. Met vier van die tegels kun je een vierkant maken.
A.  Teken 2 vierkanten met 4 symmetrieassen, die bovendien draaisymmetrisch zijn.
B.  Teken 5 vierkanten met 1 symmetrieas, die niet draaisymmetrisch zijn.
C.  Teken 2 vierkanten met 2 symmetrieassen, die wel draaisymmetrisch zijn.
D.  Teken een draaisymmetrisch vierkant zonder symmetrieassen.
E.  Teken een niet draaisymmetrisch vierkant zonder symmetrieassen.

12.
A.  In een ruit zijn de stompe hoeken vier keer zo groot als de scherpe hoeken. Bereken hoe groot de hoeken zijn.


B.  In een parallellogram zijn de stompe hoeken 24o groter dan de scherpe hoeken. Bereken hoe groot de hoeken zijn.
C.  In een gelijkbenige driehoek is de tophoek vier keer zo groot als de basishoeken. Bereken hoe groot de hoeken zijn.
D.  In een gelijkbenige driehoek is een basishoek 6o groter dan de tophoek. Bereken hoe groot de hoeken zijn.
E.  In een vlieger zijn twee hoeken 52o. Van de andere hoeken is de grootste hoek zeven keer zo groot als de kleinste. Bereken hoe groot de hoeken zijn.
F.  Bereken de hoeken in een regelmatige negenhoek en in een regelmatige twaalfhoek.

13.
Een vierhoek heeft twee zijden van 4 cm en twee zijden van 6 cm. Eén van de diagonalen is 7 cm.


A.  Construeer een vlieger die aan deze voorwaarden voldoet.
B.  Construeer een andere vlieger die ook aan deze voorwaarden voldoet.
C.  Construeer een parallellogram die aan deze voorwaarden voldoet.

14.
A.  Construeer een driehoek met zijden van 2 cm, 3 cm en 4 cm.


B.  Met twee van deze driehoeken kun je een vlieger maken. Construeer drie verschillende van deze vliegers.
C.  Met twee van deze driehoeken kun je een parallellogram maken.  Construeer drie verschillende van deze parallellogrammen.

15.
A.  Teken een hoek van 100o


B.  Construeer de lijnen die de hoek in vier gelijke stukken verdelen.
C.  Construeer een ruit met een hoek van 40o en zijden van 4 cm.
D.  Construeer een vlieger met een hoek van 30o, twee zijden van 3 cm en twee zijden van 5 cm.
E.  Construeer een andere vlieger met dezelfde gegevens als uit opgave D.

Uitwerkingen

1.+2.


figuur

symmetrieassen

draaisymmetrisch

aantal keer draaien

1

-

nee

-

2

-

ja

2

3

2

ja

2

4

1

nee

-

5

-

ja

2

6

1

nee

-

7

-

ja

2

8

4

ja

4

9

1

nee

-

10

-

ja

2

11

3

ja

3

12

3

ja

3

13

2

ja

2

14

-

ja

2

15

-

ja

2

16

1

nee

-

17

-

ja

3

18

3

ja

3

19

1

nee

-

20

-

ja

4

21

1

nee

-

22

-

ja

3

23

1

nee

-

24

3

ja

3

25

-

ja

2

26

-

nee

-

27

1

nee

-

28

1

nee

-

29

1

nee

-

30

-

nee

-

31

1

nee

-

32

4

ja

4

33

3

ja

3

34

-

nee

-

35

1

nee

-

36

-

ja

6

37

-

ja

4

38

-

ja

3

39

-

ja

3

3.
A.+E.

B.  A, B, F, G en H
C.  B, G en H
D.  B, C, E, G, H

4.
A1 = 90-27 = 63o


S1 = 180-27-27 = 126o
S2 = 180-126 = 54o
B1 = 27o

5.
S2 = 180-70 = 110o


A1 = 180-110 = 70°, 70:2 = 35o
B2 = 180-70 = 110°, 110:2 = 55o
C1 = 35o

6.
A.  360:5 = 72o


B.  hoek c is 72°, 360-72-72 = 216°, hoek b is 216:2 = 108°, hoek d is 108°.
C.  360-108-108 = 144o.
D.  hoek g is 144°, 360-144-144 = 72°, hoek f is 72:2 = 36°, hoek h is 36o.
E.  144o
F.  144o 

7.
A.  540:5 = 108o.


B.  360-90-90-108 = 72o en 180-72 = 108°, dus twee hoeken van 108:2 = 54o.

8.
A.  360:9 = 40°, dus 2 hoeken van 40° en 2 hoeken van 180-40 = 140o.


B.  360-140-140 = 80°, dus 2 hoeken van 80° en 2 hoeken van 180-80 = 100o.
C.  360-100-100-40 = 120, dus 2 hoeken van 120° en 2 hoeken van 180-120 = 60o.
D.  360-60-60-80 = 160°, dus 2 hoeken van 160° en 2 hoeken van 180-160 = 20o

9.
A.  een hoek van 90° en een hoek van 180-90-73 = 17o.


B.  een hoek van 141°, 360-141-141 = 78°, dus 2 hoeken van 78:2 = 39o.
C.  360-33-72 = 255°, dus 2 hoeken van 255:2 = 127,5o.
D.  een hoek van 34° en een tophoek van 180-34-34 = 112o.
E.  180-45 = 135°, dus 2 hoeken van 135:2 = 67,5o.
F.  een hoek van 56°, 360-56-56 = 248°, dus 2 hoeken van 248:2 = 124o.
G.  Het is een vierkant dus alle hoeken zijn 90o.
H.  Het is een vlieger. De andere hoek is 360-90-90-29 = 151o.
I.  Het is een vlieger, dus 42o en 138o.

10.


A.  een gelijkbenige driehoek
B.  de twee basishoeken
C.  een gelijkbenige driehoek
D.  180o 
E.  als 2 x R en 2 x B 180o is dan is R + B 90o. Hoek ACB is recht.

11.

12.
A.  De scherpe hoeken zijn 180:5 = 36o en de stompe hoeken zijn 4x36 = 144.
B.  180-24 = 156°, 156:2 = 78°, dus een hoek van 78° en een hoek van 78+24 = 102o.
C.  De basishoeken zijn 180:6 = 30o elk en de tophoek is 4x30 = 120o.
D.  180-12 = 168°, de tophoek is 168:3 = 56o en de basishoeken zijn 56+6 = 62o
E.  360-52-52 = 256°, de kleine hoek is 256:8 = 32° en de grote hoek is 32x7 = 224o.
F.  driehoek 180°, vierhoek 180+180 = 360°, vijfhoek 360+180 = 540°, zeshoek 540+180 = 720°, zevenhoek 720+180 = 900°, achthoek 900+180 = 1080°, negenhoek 1080+180 = 1260°, tienhoek 1260+180 = 1440°, elfhoek 1440+180 = 1620°, twaalfhoek 1620+180 = 1800°.
Elke hoek in een negenhoek is 1260:9 =140o.
Elke hoek in een twaalfhoek is 1800:12 = 150o

13.



14.


15.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina