Hoofdstuk 2 Temperatuur en warmte



Dovnload 144.55 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte144.55 Kb.

Nu voor straks VMBO deel 1-2 Docentenhandleiding Hoofdstuk 2 Temperatuur en warmte

Hoofdstuk 2 Temperatuur en warmte



In dit hoofdstuk

Dit hoofdstuk is een kennismaking met het begrip temperatuur. In het dagelijks leven hebben de leerlingen te maken met gevolgen van temperatuursveranderingen zoals faseovergangen en het uitzetten en krimpen van stoffen. Met proefjes die de leerlingen veelal zelf uitvoeren krijgen zij een beter inzicht in deze verschijnselen.

Het begrip temperatuur leent zich goed voor een kennismaking met het interpreteren en tekenen van diagrammen.
Nieuwe begrippen

Temperatuur, smelten, bevriezen, uitzetten, krimpen, graad Celsius als eenheid van temperatuur, ijkpunten, vloeistofthermometer, koortsthermometer, digitale thermometer, bimetaal, bimetaalthermometer, tabellen, diagrammen. In de verdiepingsstof: absolute temperatuur, absolute nulpunt, Kelvin schaalverdeling.


Kerndoelen

A1, A3, B6


Indeling in paragrafen

    1. De temperatuur. De mens ervaart temperatuur subjectief; een thermometer geeft de temperatuur objectief weer.

    2. De begrippen ‘uitzetten bij verwarmen’ en ‘krimpen bij afkoelen’. Uitzetten en inkrimpen bij vaste stoffen, vloeistoffen en gassen.

    3. Eenheid van temperatuur: 0C. Thermometers: vloeistofthermometer, koortsthermometer, digitale thermometer, bimetaalthermometer als toepassing van verschillen in uitzetting tussen verschillende metalen.

    4. Tabel en diagram interpreteren en gebruiken. Aflezen van gegevens uit een diagram.

    5. Energie is de mogelijkheid om arbeid te verrichten. Energie wordt uitgedrukt in Joule of Kilojoule. Energie kan gehaald worden uit een energiebron. Een aantal energiebronnen wordt concreet genoemd. We onderscheiden een groot aantal energiesoorten. De belangrijkste worden genoemd. Energiesoorten kunnen in elkaar worden omgezet.

    6. Warmtetransport door geleiding leent zich voor een aantal goed uitvoerbare leerlingenproeven. Metalen zijn goede warmtegeleiders. Geleiding treedt voornamelijk op bij vaste stoffen.

Warmtetransport door stroming treedt voornamelijk op bij vloeistoffen en gassen. Ook dit onderwerp leent zich goed voor leerlingenproeven.

Warmtetransport door straling. Deze vorm van warmtetransport kan het beste aanschouwelijk worden gemaakt met voorbeelden uit het dagelijks leven.



    1. Het gebruik van fossiele en duurzame energiebronnen. Energiebesparing door isolatie.

    2. Het hoofdstuk eindigt met afsluitende vragen.


Verdiepingsstof (TL)

    1. Absolute temperatuur. Omrekenen van 0C naar K en omgekeerd.

    2. Tekenen van diagrammen. Het verband tussen temperatuur en tijd grafisch weergeven.

2.6 Warmtetransport in huis.
Lessuggesties leerboek

2.1 Om leerlingen de subjectiviteit van het waarnemen van temperatuur lijfelijk te laten ervaren, kan het volgende proefje gedaan worden.



Tijd: 10 à 15 minuten.

Nodig: één bekerglas met heet water (uit heetwaterkraan; temperatuur moet zodanig zijn dat leerling gedurende enige tijd zijn hand erin kan houden), één bekerglas met koud water en één beterglas met lauw water (ongeveer 30 0C).

Uitvoering: laat elke leerling apart de proef doen. De leerling houdt enkele vingers van de ene hand in het bekerglas heet water en tegelijk enkele vingers van de andere hand in het bekerglas koud water. Na een halve minuut beiden tegelijk in het bekerglas lauw water.

Laat de proef beschrijven en een conclusie formuleren.

2.2 Proef 1: Hoewel als demoproef in het leerboek vermeld, kan deze proef ook door de leerlingen uitgevoerd worden. Laat ongeveer een halve minuut verhitten.

N.B.: De oorzaak waardoor het bolletje na verhitting door de ring zakt, is voornamelijk het uitzetten van de ring doordat deze door het bolletje verhit wordt. Het bolletje zelf koelt in eerste instantie nauwelijks af. Direct nadat het bolletje door de ring is gevallen, blijft het weer liggen: de ring krimpt sneller dan het bolletje.

Het is zaak om de leerlingen in begrijpelijke termen uit te leggen hoe het kan dat het bolletje direct nadat het door de ring is gevallen er weer op blijft liggen.

Proef 2: In plaats van met het waterbad kan het kolfje ook met de spiritusbrander verwarmd worden. Wanneer het proefje door een volgende leerling gedaan wordt, moet het kolfje eerst ca.10 minuten afgekoeld worden in een bak koud water.

Proef 3: Indien het gewenste effect niet direct zichtbaar is, kan ook hier even verwarmd worden met de (spiritus)brander. Laat de leerlingen meteen na het stoppen met verwarmen de buis uit het water halen, anders wordt koud water in het kolfje gezogen.

De proeven lenen zich goed voor een vol lesuur ‘carrouselpracticum’. Met vijf opstellingen van elke proef en een vijftiental spiritusbranders kan een goed practicum-uur worden ingevuld. Uitzetting van vaste stoffen, vloeistoffen en gassen zijn dan zelf ontdekt.



    1. Het is leuk om de leerlingen zelf thermometers te laten aflezen. In de praktijk blijkt het heel lastig te zijn om 0 0C te meten bij smeltend ijs. Door allerlei oorzaken (onnauwkeurige thermometers en opwarming) zal de gemeten temperatuur tussen de 2 0C en 5 0C uitkomen.

Als de leerlingen de temperatuur zelf meten, is het zaak hier even aandacht aan te besteden.

Ook bij het bepalen van het kookpunt kunnen de leerlingen flinke onderlinge verschillen vinden.

Zeewater bevriest bij een temperatuur van ongeveer –2 0C.

Dat de zee moeilijk bevriest komt voornamelijk door de stroming van het zeewater.

Suggestie voor een proefje voor thuis: zet een plastic koffiebekertje kraanwater en een bakje water met veel zout erin opgelost in de vriezer. Kijk na een tijdje welke bevroren is en welke niet (of nauwelijks). Nog mooier is het om dit proefje bij strenge vorst buiten uit te voeren.

Proef 4: De maatstrepen kunnen met een watervaste viltstift worden aangebracht op het capillair zelf, op een achter het capillair aangebracht metaalplaatje of op een strook karton. Eventueel kunnen de leerlingen nog een mooie schaal maken en die aan de buis bevestigen. Met een eventueel verder aan te brengen schaalverdeling kan de temperatuur in het lokaal bepaald worden. Wedstrijdelement: wiens thermometer zit het dichtst bij de waarde van een ‘echte’ thermometer?

Het is wellicht nuttig een digitale koortsthermometer aan de leerlingen te laten zien, omdat niet iedereen deze kent.

2.4 Het maken van grafieken afstemmen met de wiskunde-collega’s.

Bij het maken van een diagram is het handig de leerlingen op de volgende regels te wijzen:



  • Gebruik steeds ruitjespapier (zorg voor voldoende voorraad in het lokaal).

  • De assen zijn ongeveer 10 cm lang (tussen 8 en 12 cm).

  • De grootheden en eenheden staan langs de assen vermeld.

  • De grafiek wordt met potlood getekend, met een liniaal als het een rechte lijn is en uit de losse pols als het geen rechte lijn is.

2.5 Om leerlingen aan de begrippen joule en kilojoule te laten wennen, kan als thuisopdracht gegeven worden: zoek van verschillende soorten broodbeleg op hoeveel kilojoule energie erin zit per 100 gram.

Energieomzettingen ervaren leerlingen vaak als lastig. Oefen met schema’s, bijvoorbeeld, een fiets waarbij het licht brandt:


Bewegings-

energie

Elektrische

energie


Licht



Warmte


2.6 Het bekendste voorbeeld van warmtegeleiding is het theelepeltje in de hete thee. Dit komt ook bij proef 1 aan de orde. Dat metalen goede warmtegeleiders zijn, is voor veel leerlingen vreemd. Ze voelen juist helemaal niet warm aan, redeneren ze. Dat de warmte van hun handen wegstroomt naar het metaal, en dat juist daardoor het metaal koud aanvoelt, vereist enig inzicht.

Als warmte-isolator kan ook lucht genoemd worden. Denk aan de lucht in een wollige jas of andere dikke kleding.

De warmtestroming in een vertrek kan op dezelfde manier als bij proef 3 verklaard worden.

De proef met de stromingsbuis kan door de leerlingen zelf gedaan worden. Denk aan de veiligheidsbril!

Als je voor een kampvuur of open haard zit, voel je de warmte ook door straling. Dit kun je als volgt beredeneren:

- Warmtegeleiding vindt niet plaats, want lucht is een slechte geleider.

- Warmtestroming vindt niet plaats, want deze gaat bij weinig wind en in een schoorsteen alleen



omhoog.

- Het moet daarom wel warmtestraling zijn.



2.7 Kernenergie wordt ook duurzaam genoemd. De meningen over toepassing van kernenergie lopen nog steeds sterk uiteen en beslissingen worden meer gestuurd door het politieke klimaat dan door natuurkundige gegevens. Het onderwerp leent zich uitstekend voor een klassendiscussie of werkstuk. Denk ook aan de mogelijkheid van een vakoverstijgend project in samenwerking met de sectie Frans. In Frankrijk wordt heel anders tegen kernenergie aangekeken dan bij ons. De website van Electricité de France (www.edf.fr) biedt goede mogelijkheden voor een verkenning in het Frans.
Lessuggesties werkboek KGT

    1. Na het werken in groepjes van twee kunnen de resultaten eventueel nog klassikaal met elkaar vergeleken worden.

    1. Eventueel in de klas doen met een op video opgenomen weerbericht.

2.14 Eventueel toelichten met een demoproefje. Dunne staaldraad spannen tussen twee katrollen met voldoende gewichten en verwarmen met gasbrander. De gewichten zorgen ervoor dat de draad niet gaat doorhangen.

    1. Een eigen grafiek op ruitjespapier is desgewenst een alternatief voor het invulblad op bladzijde 33 van het werkboek.

2.17 Wees royaal met de chemicaliën. Het is een proefje waar de leerlingen veel plezier aan zullen beleven. Vastvriezende bekerglazen, dikke ijslagen op de buitenkant en temperaturen onder de –20 0C zijn mogelijk. Eventueel een didactisch momentje inbouwen door een discussie over de afvoer van de chemicaliën (verzamelvat neerzetten). Milieuproblematiek bij het strooien van de wegen in het winterseizoen aanstippen.
Lessuggesties werkboek BK

    1. Na het werken in groepjes van twee kunnen de resultaten eventueel nog klassikaal met elkaar vergeleken worden.

2.5 Eventueel in de klas doen met een op video opgenomen weerbericht.
Snelle route leerboek

    1. Alle theorie bespreken.

Opgaven 1, 2 en 5.

    1. Proeven 1, 2 en 3 demonstreren in plaats van practicum levert tijdwinst op. Alle theorie bespreken. Opgaven 6, 8, 9.

    2. Alle theorie bespreken. Voor de TL-leerlingen ook de verdiepingsstof over de Kelvinschaal.

Opgaven 10 en 11. Voor de TL-leerlingen ook opgaven 16 en 17.

    1. Alle theorie bespreken.

Opgave 19. Voor de TL leerlingen ook opgave 21.

    1. Alle theorie bespreken.

Opgaven 23, 25 en 26. Voor de TL leerlingen ook de verdiepingsstof.

    1. Alle theorie bespreken. Opgaven 29, 30, 31, 34. Voor de TL-leerlingen ook opgave 37

    2. Alle theorie bespreken. Opgaven 38 en 40.

    3. Opgaven 42, 44, 46, 47, 48, 50, 51. Voor de TL leerlingen ook opgaven 43 en 55.


Snelle route werkboek KGT

2.6 Goed of fout

2.7 Thermometers aflezen

2.8 Vul maar in

2.9 De thermosfles

2.14 De bovenleiding van de spoorwegen


Snelle route werkboek BK

2.1 Wat is er belangrijk in dit hoofdstuk?

2.4 Waar gaat de warmte heen?

2.5 Temperatuur in het weerbericht

2.8 Isolatoren en geleiders

2.11 Geleiden alle metalen even goed?

2.15 De energie die je eet
Benodigde practicummaterialen
Proef 1: bolletje en ring van ’s Gravezande

gasbrander of spiritusbrander

Proef 2: bekerglas 400 mL met koud water en ijsblokjes

statief met statiefklem

kolfje 100 mL met doorboorde stop en glazen buisje

gekleurde vloeistof

heet water of spiritusbrander

Proef 3: statief met statiefklem

kolfje 100 mL met doorboorde stop en lange glazen buis

klein bekerglas met water

Proef 4: thermometer buis zonder schaalverdeling

kookplaat

bekerglas met kokend water

bekerglas met ijswater en ijsblokjes

tekenmateriaal

Proef 5: glazen staafje (bv. roerstaafje), houten staafje en ijzeren staafje; gelijke lengten en dikten

bekerglas 300 mL met heet water ca. 80C.

Proef 6: stromingsbuis met water en een kleurstof

gasbrander

statief met statiefklem



Proefwerk Hoofdstuk 2 Temperatuur en warmte versie a
1) Vul in: bij verwarmen zetten de meeste stoffen ... (wel/niet) uit.
2) Vul in: bij verwarming zet een vloeistof ... (meer/minder) uit dan een gas.
3) a) Welke temperatuur heeft je lichaam?

b) Hoe hoog is ongeveer de temperatuur van je lichaam als je koorts hebt?


4) Het bolletje van ’s-Gravesande past bij kamertemperatuur precies door het gat in de houder.

Nadat het bolletje is verwarmd, blijft het op de ring liggen.

a) Leg uit waardoor het bolletje nu niet meer door het gat past.
Na een tijdje zakt het bolletje wél door de ring.

b) Leg uit waardoor het bolletje nu wél door het gat zakt.


5) Onder een luchtballon zit een brander waarmee de lucht in de ballon verwarmd wordt.

a) Wat gebeurt er met de verwarmde lucht in de luchtballon: zet deze uit of krimpt ze?

b) Leg uit of de ballon zal stijgen of dalen als de lucht met de brander verwarmd wordt.
6) Toen Celsius zijn temperatuurschaal maakte, ging hij uit van twee vaste punten.

Tussen die punten zette hij streepjes.

a) Welke twee vaste punten nam hij?

b) Welke getallen zette hij bij die vaste punten?


7) Teken een vloeistofthermometer en geef de drie onderdelen aan.
8) a) Hoe hoog is de temperatuur in 0C als het 12 graden vriest?

b) Hoe hoog is de temperatuur in 0C van kokend zuiver water?


9) Welke temperaturen geven deze drie thermometers aan?

10) a) Waaruit bestaat een bimetaal?

b) Wat gebeurt er als je een bimetaal verwarmt?
11) Om een vastzittend deksel van een pot te krijgen, kun je er heet water over laten stromen.

Leg uit waardoor je het deksel dan wél kan losdraaien.


12) Vroeger werd kwik gebruikt in een vloeistofthermometer.

a) Waarom wordt kwik nu haast niet meer gebruikt?

b) Welke vloeistof gebruikt men nu als vulling?
13) Waarom zijn de leidingen van de centrale verwarming niet al te vast in de beugels geklemd?
14) Irene verwarmt met een brander een bekerglas met water. Na een tijdje stopt ze met verwarmen en laat ze het water weer afkoelen.

Irene meet elke minuut de temperatuur met een thermometer. Ze zet de resultaten in een tabel.




Tijd

(minuten)



Temperatuur

( 0C)



0

18,8

1

27,4

2

36,2

3

48,6

4

59.4

5

69,6

6

65,2

7

60,3

8

56,0

9

52,1

10

48,2

a) Hoe hoog was de begintemperatuur van het water?

b) Hoe hoog was de temperatuur na 4 minuten?

c) Na hoeveel minuten zette Irene de brander uit?


15) Joris heeft een steen van 2 kilogram in zijn handen. Hij tilt de steen 1 meter omhoog.

Hoeveel energie heeft hij daarvoor nodig?


16) Maria rijdt in het donker op haar fiets. Ze heeft haar licht aan.

a) Door welke energie komt Maria vooruit?

b) Welke omzetting van energie is er in haar dynamo?

c) Welke omzetting van energie is er in haar achterlicht?


17) Warmtetransport kan gebeuren door geleiding, stroming of straling.

Geef aan welk soort warmtetransport je hebt als:

a) er geen tussenstof is.

b) de warmte door een vaste stof gaat.

c) de warmte door een vloeistof vervoerd wordt.
18) Hieronder zie je een kamer met een radiator erin. De radiator geeft warmte af.

Neem de tekening over. Geef met pijlen aan hoe de luchtstroom in de kamer is.





Proefwerk Hoofdstuk 2 Temperatuur en warmte versie b
1) Vul in: bij verwarmen zet een vloeistof … (meer/minder) uit dan een gas.
2) Vul in: bij verwarming zetten de meeste stoffen … (wel/niet) uit.
3) Toen Celsius zijn temperatuurschaal maakte, ging hij uit van twee vaste punten.

Tussen die punten zette hij streepjes.

a) Welke twee vaste punten nam hij?

b) Welke getallen zette hij bij die vaste punten?


4) Teken een vloeistofthermometer en geef de drie onderdelen aan.
5) a) Hoe hoog is de temperatuur in 0C als het 4 graden vriest?

b) Hoe hoog is de temperatuur in 0C van smeltend zuiver ijs?


6) a) Welke temperatuur heeft je lichaam?

b) Hoe hoog is ongeveer de temperatuur van je lichaam als je koorts hebt?


7) Het bolletje van ’s-Gravesande past bij kamertemperatuur precies door het gat in de houder.

Nadat het bolletje is verwarmd, blijft het op de ring liggen.

a) Leg uit waardoor het bolletje nu niet meer door het gat past.
Na een tijdje zakt het bolletje wél door de ring.

b) Leg uit waardoor het bolletje nu wél door het gat zakt.


8) Boven een kampvuur ontstaat hete lucht.

a) Wat gebeurt er met de hete lucht boven het kampvuur, zet deze uit of krimpt ze?

b) Leg uit of de hete lucht zal stijgen of dalen, als hij verwarmd wordt.
9) Welke temperaturen geven deze drie thermometers aan?

10) a) Waaruit bestaat een bimetaal?

b) Wat gebeurt er als je een bimetaal verwarmt?
11) Waarom zijn de leidingen van de centrale verwarming niet al te vast in de beugels geklemd?
12) Om een vastzittend deksel van een pot te krijgen, kun je er heet water over laten stromen.

Leg uit waardoor je het deksel dan wel kan losdraaien.


13) Vroeger werd kwik gebruikt in een vloeistofthermometer.

a) Waarom wordt kwik nu haast niet meer gebruikt?

b) Welke vloeistof gebruikt men nu als vulling?
14) Irene verwarmt met een brander een bekerglas met water. Na een tijdje stopt ze met verwarmen en laat ze het water weer afkoelen.

Irene meet elke minuut de temperatuur met een thermometer. Ze zet de resultaten in een tabel.




Tijd

(minuten)



Temperatuur

( 0C)



0

18,8

2

27,4

4

36,2

6

48,6

8

59,4

10

69,6

12

65,2

14

60,3

16

56,0

18

52,1

20

48,2

a) Hoe hoog was de begintemperatuur van het water?

b) Hoe hoog was de temperatuur na 4 minuten?

c) Na hoeveel minuten zette Irene de brander uit?


15) Maria rijdt in het donker op haar fiets. Ze heeft haar licht aan.

a) Door welke energie komt Maria vooruit?

b) Welke omzetting van energie is er in haar dynamo?

c) Welke omzetting van energie is er in haar achterlicht?


16) Joris heeft een steen van 3 kilogram in zijn handen. Hij tilt de steen 1 meter omhoog.

Hoeveel energie heeft hij daarvoor nodig?


17) Warmtetransport kan gebeuren door geleiding, stroming of straling.

Geef aan welk soort warmtetransport je hebt als:

a) er geen tussenstof is.

b) de warmte door een vaste stof gaat.

c) de warmte door een vloeistof vervoerd wordt.
18) Hieronder zie je een kamer met een radiator erin. De radiator geeft warmte af.

Neem de tekening over. Geef met pijlen aan hoe de luchtstroom in de kamer is.





Proefwerk Hoofdstuk 2 Temperatuur en warmte versie a*
1) Vul in: als een voorwerp krimpt, wordt het volume van dat voorwerp … (groter/kleiner)
2) Vul in: koper zet bij verwarming … (meer/minder) uit dan water.
3) Het bolletje van ’s-Gravesande past bij kamertemperatuur precies door het gat in de houder.

Als het bolletje is verwarmd, blijft het op de ring liggen.

a) Leg uit waardoor het bolletje nu niet meer door het gat past.
Na een tijdje zakt het bolletje wél door de ring.

b) Geef twee oorzaken waardoor het bolletje nu wél door het gat past.


4) Onder een luchtballon zit een brander waarmee de lucht in de ballon verwarmd kan worden.

a) Wat gebeurt er met de lucht in de ballon als je die lucht verwarmt?

b) Wordt de ballon groter of kleiner door het verwarmen van de lucht?

c) Wat wordt harder naar boven geduwd als je hem onder water houdt, een grote of een kleine strandbal?

d) Wat wordt harder omhoog geduwd, een grotere of een kleinere luchtballon?

e) Leg uit of de luchtballon zal stijgen of dalen als de lucht met de brander verwarmd wordt.


5) Tussen de stalen rails van het spoor zit een beetje tussenruimte.

a) Waarom moet er een beetje tussenruimte zijn?

b) Leg uit of die tussenruimte in de winter of in de zomer groter is.
6) Waarom gebruikte Celsius smeltend ijs en kokend water voor zijn temperatuurschaal?
7) Teken een vloeistofthermometer en geef de drie onderdelen aan.
8) a) Noem een andere eenheid voor temperatuur als de 0C.

b) Leg uit hoe Kelvin zijn schaalverdeling maakte.

c) Hoeveel graden Celsius is het absolute nulpunt?
9) Vul in:

a) 0 0C = ... K

b) 100 0C = ... K

c) 100 K = … 0C

d) 293 K = … 0C

e) 1000 K = … 0C


10) a) Waaruit bestaat een bimetaal?

b) Wat gebeurt er als je een bimetaal verwarmt?


11) Om een vastzittend deksel van een pot te krijgen, kun je er heet water over laten stromen.

Leg uit waardoor je het deksel dan wel kan losdraaien.


12) Waarom zijn de leidingen van de centrale verwarming niet al te vast in de beugels geklemd?
13) Irene verwarmt met een brander een bekerglas met water. Na een tijdje stopt ze met verwarmen en laat ze het water weer afkoelen.

Irene meet elke minuut de temperatuur met een thermometer. Ze zet de resultaten in een tabel.




Tijd

(minuten)



Temperatuur

( 0C)



0

18,8

1

25,4

2

31,2

3

38,6

4

44,4

5

50,6

6

57,2

7

65,3

8

73,0

9

80,1

10

75,2

11

70,4

12

66,0

13

62,3

14

58,5

15

54,6

a) Hoe hoog was de begintemperatuur van het water?

b) Na hoeveel minuten zette Irene de brander uit?

c) Teken op ruitjespapier het diagram van de temperatuur tegen de tijd.

Teken de tijd-as horizontaal en de temperatuur-as verticaal. Zet de de meetwaarden bij de assen en de eenheden erbij.
14) Joris heeft een steen van 2 kilogram in zijn handen. Hij tilt de steen 1 meter omhoog.

Hoeveel energie heeft hij daarvoor nodig?


15) Maria rijdt in het donker op haar fiets. Ze heeft haar licht aan.

a) Door welke energie komt Maria vooruit?

b) Welke omzetting van energie is er in haar dynamo?

c) Welke omzetting van energie is er in haar achterlicht?


16) Warmtetransport kan gebeuren door geleiding, stroming of straling.

Geef aan welk soort warmtetransport je hebt als:

a) er geen tussenstof is.

b) de warmte door een vaste stof gaat.

c) de warmte door een vloeistof vervoerd wordt.
17) Hieronder zie je een kamer met een radiator erin. De radiator geeft warmte af.

Neem de tekening over. Geef met pijlen aan hoe de luchtstroom in de kamer is.



18) Is het koud boven?


In de figuur staat veel informatie. Zo kun je aan de zwarte lijn zien hoe hoog de temperatuur op elke hoogte in de atmosfeer is. De linker verticale as geeft de luchtdruk op een bepaalde hoogte aan. In de figuur zelf staan namen van wolken en van luchtlagen.

a) Leg uit of de temperatuur op hoogte 0 in overeenstemming is met de temperatuur die je nu buiten zou meten.

b) Hoe hoog is de temperatuur op de top van Mount Everest?

c) Leg uit of je kunt zeggen: ‘hoe hoger je komt des te kouder het wordt’.

d) Leg met behulp van de figuur uit wanneer je een grotere temperatuursverandering krijgt:

- als je van 0 kilometer naar 10 kilometer hoogte gaat, of

- als je van 10 kilometer naar 20 kilometer hoogte gaat.
Proefwerk Hoofdstuk 2 Temperatuur en warmte versie b*
1) Vul in: als een voorwerp uitzet, wordt het volume van dat voorwerp ... (groter/kleiner).
2) Vul in: water zet bij verwarming ... (meer/minder) uit dan koper.
3) Teken een vloeistofthermometer en geef de drie onderdelen aan.
4) Waarom gebruikte Celsius smeltend ijs en kokend water voor zijn temperatuurschaal?
5) Tussen de stalen rails van het spoor zit een beetje tussenruimte.

a) Waarom moet er een beetje tussenruimte zijn?

b) Leg uit of die tussenruimte in de winter of in de zomer groter is.
6) Onder een luchtballon zit een brander waarmee de lucht in de ballon verwarmd kan worden.

a) Wat gebeurt er met de lucht in de ballon als je die lucht verwarmt?

b) Wordt de ballon groter of kleiner door het verwarmen van de lucht?

c) Wat wordt harder naar boven geduwd als je hem onder water houdt, een grote of een kleine strandbal?

d) Wat wordt harder omhoog geduwd, een grotere of een kleinere luchtballon?

e) Leg uit of de luchtballon zal stijgen of dalen als de lucht met de brander verwarmd wordt.


7) Het bolletje van ’s-Gravesande past bij kamertemperatuur precies door het gat in de houder.

Als het bolletje is verwarmd, blijft het op de ring liggen.

a) Leg uit waardoor het bolletje nu niet meer door het gat past.
Na een tijdje zakt het bolletje wél door de ring.

b) Geef twee oorzaken waardoor het bolletje nu wel door het gat past.


8) a) Noem een andere eenheid voor temperatuur als de 0C .

b) Leg uit hoe Kelvin zijn schaalverdeling maakte.

c) Hoeveel graden Celsius is het absolute nulpunt?
9) Vul in:

a) 10 0C = ... K

b) 120 0C = ... K

c) 90 K = …0C

d) 273 K = … 0C

e) 2 000 K = … 0C


10) a) Waaruit bestaat een bimetaal?

b) Wat gebeurt er als je een bimetaal verwarmt?


11) Om een vastzittend deksel van een pot te krijgen, kun je er heet water over laten stromen.

Leg uit waardoor je het deksel dan wel kan losdraaien.


12) Waarom zijn de leidingen van de centrale verwarming niet al te vast in de beugels geklemd?
13) Irene verwarmt met een brander een bekerglas met water. Na een tijdje stopt ze met verwarmen en laat ze het water weer afkoelen.

Irene meet elke minuut de temperatuur met een thermometer. Ze zet de resultaten in een tabel.




Tijd

(minuten)



Temperatuur

( 0C)



0

18,8

2

25,4

4

31,2

6

38,6

8

44,4

10

50,6

12

57,2

14

65,3

16

73,0

18

80,1

20

75,2

22

70,4

24

66,0

26

62,3

28

58,5

30

54,6

a) Hoe hoog was de begintemperatuur van het water?

b) Na hoeveel minuten zette Irene de brander uit?

c) Teken op ruitjespapier het diagram van de temperatuur tegen de tijd.

Teken de tijd-as horizontaal en de temperatuur-as verticaal. Zet de meetwaarden bij de assen en de eenheden erbij.
14) Maria rijdt in het donker op haar fiets. Ze heeft haar licht aan.

a) Door welke energie komt Maria vooruit?

b) Welke omzetting van energie is er in haar dynamo?

c) Welke omzetting van energie is er in haar achterlicht?


15) Joris heeft een steen van 3 kilogram in zijn handen. Hij tilt de steen 1 meter omhoog.

Hoeveel energie heeft hij daarvoor nodig?


16) Warmtetransport kan gebeuren door geleiding, stroming of straling.

Geef aan welk soort warmtetransport je hebt als:

a) er geen tussenstof is.

b) de warmte door een vaste stof gaat.

c) de warmte door een vloeistof vervoerd wordt.
17) Hieronder zie je een kamer met een radiator erin. De radiator geeft warmte af.

Neem de tekening over. Geef met pijlen aan hoe de luchtstroom in de kamer is.



18) Is het koud boven?


In de figuur staat veel informatie. Zo kun je aan de zwarte lijn zien hoe hoog de temperatuur op elke hoogte in de atmosfeer is. De linker verticale as geeft de luchtdruk op een bepaalde hoogte aan. In de figuur zelf staan namen van wolken en van luchtlagen.

a) Leg uit of de temperatuur op hoogte 0 in overeenstemming is met de temperatuur die je nu buiten zou meten.

b) Hoe hoog is de temperatuur op de top van Mount Everest?

c) Leg uit of je kunt zeggen: ‘hoe hoger je komt des te kouder het wordt’.

d) Leg met behulp van de figuur uit wanneer je een grotere temperatuursverandering krijgt:

- als je van 0 kilometer naar 10 kilometer hoogte gaat, of

- als je van 10 kilometer naar 20 kilometer hoogte gaat.
Antwoorden proefwerk Hoofdstuk 2 versie a
1) Wel.
2) Minder.
3) a) Ongeveer 37 C.

b) 38C - 40 C


4) a) Het bolletje is uitgezet.

b) Het bolletje krimpt weer. De ring is wijder geworden doordat hij door het bolletje verhit is.


5) a) De lucht zet uit.

b) Warme lucht stijgt, dus de ballon zal stijgen.


6) a) Smeltend (zuiver) ijs en kokend (zuiver) water

b) 0 en 100


7)

8) a) -12 C

b) 100 C
9) a) 14 C

b) 22 C


c) - 4 C
10) a) Twee plaatjes verschillend metaal die op elkaar bevestigd zijn.

b) Omdat de metalen verschillend uitzetten, trekt het bimetaal krom.


11) Metaal zet meer uit dan glas. Het deksel komt dus ruimer op de pot te zitten.
12) a) Kwik is een giftige stof.

b) Alcohol (met een kleurtje)


13) Door het hete water zetten de leidingen uit. Als ze vastgeklemd zitten kunnen ze barsten.
14) a) 18,8 C

b) 59,4 C

c) 5 minuten
15) 20 J.
16) a) Chemische energie

b) Bewegingsenergie wordt elektrische energie

c) Elektrische energie wordt licht
17) a) Straling

b) Geleiding

c) Stroming
18)



Antwoorden proefwerk Hoofdstuk 2 versie b
1) Minder.
2) Wel.
3) a) Smeltend (zuiver) ijs en kokend (zuiver) water.

b) 0 en 100.


4)

5) a) - 4 C

b) 0 C
6) a) Ongeveer 37 C.

b) 38C - 40 C


7) a) Het bolletje is uitgezet.

b) Het bolletje krimpt weer. De ring is wijder geworden doordat hij door het bolletje verhit is.


8) a) Warme lucht zet uit.

b) De verwarmde lucht stijgt op.


9) a) 12 C

b) 24 C


c) - 2 C
10) a) Twee plaatjes verschillend metaal die op elkaar bevestigd zijn.

b) Omdat de metalen verschillend uitzetten, trekt het bimetaal krom.


11) Door het hete water zetten de leidingen uit. Als ze vastgeklemd zitten, kunnen ze barsten.
12) Metaal zet meer uit dan glas. Het deksel komt dus ruimer op de pot te zitten.
13) a) Kwik is een giftige stof.

b) Alcohol (met een kleurtje)


14) a) 18,8 C

b) 36,2 C

c) na 12 minuten
15) a) Chemische energie

b) Bewegingsenergie wordt elektrische energie

c) Elektrische energie wordt licht
16) 30 J.
17) a) Straling

b) Geleiding

c) Stroming
18)



Antwoorden proefwerk Hoofdstuk 2 versie a*
1) Kleiner.
2) Minder.
3) a) Het bolletje is uitgezet.

b) Het bolletje krimpt weer. De ring is wijder geworden doordat hij door het bolletje verhit is.


4) a) De lucht zet uit.

b) Groter.

c) Grote.

d) Grotere.

e) Doordat de ballon groter wordt, wordt hij harder naar boven geduwd.
5) a) In de zomer zetten de rails uit. Als er geen tussenruimte is, kunnen de rails breken.

b) In de winter is de tussenruimte het grootst, want de rails zijn dan gekrompen.


6) Dat zijn vaste punten. De temperatuur is altijd hetzelfde.
7)


8) a) Kelvin

b) Hij zette 0 bij de laagst mogelijke temperatuur. Dezelfde afstand tussen de schaalstrepen als bij Celsius. Zo werd 0C = 273 K.

c) - 273 C


9) a) 273 K

b) 373 K

c) - 173 C

d) 100 C

e) 727 C
10) a) Twee plaatjes verschillend metaal die op elkaar bevestigd zijn.

b) Omdat de metalen verschillend uitzetten trekt het bimetaal krom.


11) Metaal zet meer uit dan glas. Het deksel komt dus ruimer op de pot te zitten.
12) Door het hete water zetten de leidingen uit. Als ze vastgeklemd zitten, kunnen ze barsten.
13) a) 18,8 C

b) na 9 minuten

c)

14) 20 J
15) a) Chemische energie

b) Bewegingsenergie wordt elektrische energie.

c) Elektrische energie wordt licht.


16) a) Straling

b) Geleiding

c) Stroming
17)

18) a) Temperatuur is ongeveer 18C. Dat klopt.

b) Ongeveer - 40 C.

c) Nee, dat is niet zo. Boven de 20 km loopt de temperatuur op met de hoogte en ook

tussen de 100 km en 300 km is dat het geval.

d) Tussen 0 en 10 km is de temperatuursdaling ongeveer 60 graden.

Tussen 10 en 20 km is de temperatuursstijging ongeveer 20 graden.

De verandering is in de onderste 10 km dus het grootst.



Antwoorden proefwerk Hoofdstuk 2 versie b*
1) Groter.
2) Meer.
3)


4) Dat zijn vaste punten. De temperatuur is altijd hetzelfde.


5) a) In de zomer zetten de rails uit. Als er geen tussenruimte is, kunnen de rails breken.

b) In de winter is de tussenruimte het grootst, want de rails zijn dan gekrompen.


6) a) De lucht zet uit.

b) Groter.

c) Grote.

d) Grotere.

e) Doordat de ballon groter wordt, wordt hij harder naar boven geduwd.
7) a) Het bolletje is uitgezet.

b) Het bolletje krimpt weer. De ring is wijder geworden doordat hij door het bolletje verhit is.


8) a) Kelvin.

b) Hij zette 0 bij de laagst mogelijke temperatuur. Dezelfde afstand tussen de schaalstrepen als bij Celsius. Zo werd 0C = 273 K.

c) - 273 C
9) a) 293 K

b) 393 K


c) - 183 C

d) 1 727C


10) a) Twee plaatjes verschillend metaal die op elkaar bevestigd zijn.

b) Omdat de metalen verschillend uitzetten trekt het bimetaal krom.


11) Metaal zet meer uit dan glas. Het deksel komt dus ruimer op de pot te zitten.
12) Door het hete water zetten de leidingen uit. Als ze vastgeklemd zitten kunnen ze barsten.

13) a) 18,8 C

b) 18 minuten.

c)

14) a) Chemische energie

b) Bewegingsenergie wordt elektrische energie.

c) Elektrische energie wordt licht.
15) 30 J
16) a) Straling

b) Geleiding

c) Stroming
17)

18) a) Temperatuur is ongeveer 18C. Dat klopt.

b) Ongeveer - 40 C.

c) Nee, dat is niet zo. Boven de 20 km loopt de temperatuur op met de hoogte en ook

tussen de 100 km en 300 km is dat het geval.

d) Tussen 0 en 10 km is de temperatuursdaling ongeveer 60 graden.



Tussen 10 en 20 km is de temperatuursstijging ongeveer 20 graden.

De verandering is in de onderste 10 km



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina