Hoofdstuk 3 Leefbaarheid school



Dovnload 75.59 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte75.59 Kb.

Hoofdstuk 3 Leefbaarheid school




Hoe leefbaar is jouw school?

Onderzoek aan Energie en Klimaat op jouw school


Inleiding




Comfort

Thuis, op school en bij de sportvereniging: in elke omgeving willen we ons behaaglijk voelen. Sporten bij 35 oC (fig 1a), een practicum uitvoeren in het donker (fig 1b), of douchen onder het spreekwoordelijke pisstraaltje van 17 oC (fig 1c), dat is geen comfort.


fig 1 a b c


Verwarming, koeling, lampen, ventilatie- en warmwatervoorzieningen zijn installaties die gebouwen comfortabel maken.

Al deze voorzieningen vreten veel energie. In een nieuwbouwhuis bijvoorbeeld, gaat 70% van alle energie naar deze installaties.

Comfort en energiezuinig lijken dus niet samen te gaan. Maar het kan wel. Door innovaties kun je het comfort verhogen én besparen op energie. Met deze les krijg je een indruk hoe dat kan.

Het onderzoek


Dit onderzoek bestaat uit 4 deelonderzoeken over het binnenklimaat op je school.

  • Waar is het te warm, waar te koud?

  • Is de belichting overal goed?

  • Hoe goed is de luchtkwaliteit in de klaslokalen?

  • Staat de apparatuur niet onnodig veel aan en wat levert nieuwe regelgeving op?

Dat zijn de centrale vragen. Om die vragen te kunnen beantwoorden, ga je metingen doen waarop je rapport gebaseerd wordt. Het totale rapport van de klas gaat naar de schoolleiding toe. Natuurlijk met de bedoeling om het binnenklimaat te verbeteren en dat de school minder energie gaat gebruiken. Vroeger vijanden, tegenwoordig geliefden.

§ 1 Onderzoek 1: licht




1.1 Licht en comfort


Bij de inleiding kwam al naar voren dat een practicum uitvoeren in het donker niet comfortabel is.

Voor het comfort is de lichthoeveelheid én kleur blijkbaar erg belangrijk. Denk maar eens aan de winter. Dan ontvang je overdag minder licht dan in de zomer en je bent dan eerder moe. Sfeer is ook een aspect van licht. Die druilerige, bewolkte dag zorgt voor een wat neerslachtig gevoel. En lampen met een warme rood/gele kleur maken een aangename sfeer.


De hoeveelheid licht en de kleur van het licht bepalen het comfort.
Op werk- en studie plekken is de juiste hoeveelheid licht erg belangrijk. Daarom zijn er normen (lees: wetten) opgesteld waar het licht in een vertrek aan moet voldoen. Met dit onderzoek ga je vaststellen of je school voldoet aan de norm.

1.1.1 De lamp


Er zijn tegenwoordig veel verschillende typen lampen. In huis en op het werk kom je meestal een spaarlamp, gloeilamp, halogeenlamp, tl-buis, of led verlichting tegen. Hierbij is de led nog sterk in ontwikkeling en wordt nog niet veel gebruikt.
Op elke lamp staat het elektrisch vermogen P vermeld. Dat is de elektrische energie die per seconde de lamp in gaat. De hoeveelheid licht die per seconde uit de lamp komt, de lichtstroom, geef je aan in de eenheid lm (lumen). Om je enig idee te geven van die eenheid lumen: een gloeilamp van 75 W heeft een lichtstroom van +/- 1000 lm.





Figuur 1 Het rendement van een lamp

Opmerking: Euit = lichtstroom (lumen), Ein = elektrisch vermogen (watt)


Het rendement van lampen bereken je door een deling van de hoeveelheid uitgezonden licht door het elektrisch vermogen dat de lamp in gaat.

Het rendement van een lamp geef je aan in lumen per Watt ofwel .

Gewoonlijk wordt het rendement berekend door een deling van het nuttig vermogen door het vermogen wat de lamp in gaat. In de verlichtingskunde wordt dus een andere afspraak voor rendement gehanteerd. Dat komt omdat voor het goed kunnen zien het aantal lumen bepalend is en niet het vermogen. Je kunt aan de eenheid in de uitkomst van een rendement zien met welk van de twee rendementen je te maken hebt:


  • staat er lm / W achter dan heb je te maken met een lichtrendement;

  • staat er geen eenheid achter dan heb je een uitgaand vermogen gedeeld door een ingaand vermogen.

Overigens is de lichtstroom wel een soort vermogen. Dit klinkt vreemd. Lees daarom het in het extra kader Van watt naar lumen.


Extra informatie


Van watt naar lumen

Een lamp zendt licht uit.Gezien licht een vorm van energie is (dat komt bij natuurkunde aan de orde), komt er dus een vermogen aan licht uit de lamp. Echter, niet elke lamp heeft een zelfde kleur. De lichtgevoeligheid van het oog is niet voor alle kleuren even groot. De grootste gevoeligheid heeft het bij min of meer gelig licht: 1 W hiervan levert 683 lm op. Bij rood licht blijft daar nog maar 10% van over.

De reden om de lichtstroom te definiëren, is dus de gevoeligheid van ons oog. De lichtstroom is dus een voor het oog gecorrigeerd vermogen.
Het licht van een gloeilamp bestaat uit een bonte verzameling van kleuren.

1 W van het uitgezonden licht van een gloeilamp levert ongeveer 228 lm op (één derde van het vermogen dat puur gelig licht van 1 W afgeeft). Zo’n gloeilamp die 1 W uitzendt aan nuttige energie heeft een vele malen groter elektrisch vermogen dat de lamp ingaat. Bijvoorbeeld: Pin = 18 W.





Het rendement is voor elk type lamp verschillend. In Tabel 1 zie je voor een aantal typen lampen het rendement en de levensduur.




Soort lamp

Rendement [lm/W]

Branduren

[×1000h]


Gloeilamp

6 - 19

1,0 - 3,5

Halogeenlamp

12 - 25

2,0 - 3,5

Spaarlamp

25 - 80

6,0 - 10,0

TL-buis

25 - 80

6,0 - 12,5

LED

In ontwikkeling

100

Tabel 1 Rendement en levensduur diverse lampsoorten
Uit deze tabel blijkt waarom een spaarlamp deze naam heeft. Hij heeft een hoger rendement. Hij gebruikt dus minder elektrische energie om dezelfde lichtstroom uit te zenden. Bovendien heeft hij een langere levensduur; er hoeven dus minder vaak lampen vervangen te worden.
Voorbeeld


Gegevens

  • Gewenste uitgestraalde lichtstroom van de lamp: 450 lumen

  • Rendement gloeilamp: 10 lm/W

  • Rendement spaarlamp: 50 lm/W


Gevraagd: elektrisch vermogen van de lampen.
Oplossing:

Vermogen gloeilamp: of =watt;


vermogen spaarlamp watt


Een weetje: een tl-buis is van hetzelfde type lamp als een spaarlamp.




1.1.2 De verlichte ruimte


In elke werkruimte moet de verlichtingssterkte, dat is de hoeveelheid licht die op elke m2 van een tafel of ander werkoppervlak valt, aan bepaalde eisen voldoen. De eenheid van verlichtingssterkte is de lux (lx): 1 lx = 1 lm / m2.
Voorbeeld


Een bureau van 2 m2 die een lichthoeveelheid van 800 lumen ontvangt, heeft een verlichtingssterkte van 400 lm/m2.


Hoe groter een ruimte, hoe meer licht je nodig hebt. Dat komt omdat de verlichtingssterkte kleiner wordt naarmate je verder je van een lamp afkomt. Dit zie je in fig. 2. De stralen afkomstig van de lamp hebben in de figuur dezelfde richting. Wanneer de lamp verder van het oppervlak verwijderd is, straalt een deel van de stralen gewoon langs het betreffende oppervlak. Er is voor dat oppervlak dus minder licht beschikbaar. Dit houdt een vermindering van de verlichtingssterkte in.



Figuur 2 Invloed verlichtingssterkte afstand lamp tot het vlak.

1.1.3 Helderheid van vlakken


Een vlak (muur, deur, kast, lamp, raam) weerkaatst licht of straalt licht uit. Daarom is zo’n vlak te zien. Dit wordt de helderheid van een vlak genoemd. Op een zonnige dag komt er van het vlak ‘raam’ veel licht naar het oog. Een hoge helderheid noemen we dit. Een zwart matte kast straalt maar weinig licht uit. Dit vlak heeft een lage helderheid.

Ons oog, heeft de eigenschap om zich in te stellen op de helderheid van het gezichtsveld. Wanneer er grote helderheidsverschillen zijn tussen de vlakken in het gezichtsveld, dan moet je oog veel instellen. Dit geeft een onrustig gevoel. Niet afgeschermde lampen in een gang is een voorbeeld. Het verschil in helderheid vlak lamp t.o.v. vlak wand heeft daar een verhouding van boven de 10. Wanneer er helemaal geen helderheidsverschillen zijn, vinden wij het saai (een compleet witte kamer: verhouding <3). Dit is een beleving. Grote en kleine helderheidsverschillen moeten dus vermeden worden. In officiële stukken kom je het begrip luminantie tegen in plaats van helderheid.


1.1.4 De norm


Normen zijn grote complexe stukken. Niet echt handig om uit te zoeken. De gegevens die van toepassing zijn op jullie onderzoek, zijn er dan ook al uit gefilterd en hier kort weergegeven.

Het gaat om gegevens uit NEN 3087 Visuele ergonomie in relatie tot verlichting en NEN 1838 Toegepaste verlichtingstechniek – Noodverlichting.


Aanbevolen verlichtingssterkte

Aard van werkzaamheden



Aanbevolen gemiddelde* verlichtingsterkte

Oriëntatieverlichting:

- Waarnemen van grote objecten en beweging van personen (opslagruimte, parkeergarage)

- Waarnemen van zeer grove details en herkenning van personen (gang, trappenhuis, toilet)
Werkverlichting:

- Waarnemen van grove details


(gymlokaal, constructie ruimte, werkmagazijn)

- Lezen, schrijven en vergelijkbare details en contrasten


(leslokaal, kantoor)

- Waarnemen van kleinere details en zwakkere contrasten


(tekenkamer, solderen, printplaten maken, fijn montagewerk)
Speciale werkverlichting:

- Waarnemen van zeer fijne details op donkere achtergrond


(precisiewerk, kadastraal tekenwerk, fijn inspectiewerk)

- Waarnemen aan de grens van het gezichtvermogen


(microminiaturisatie, operatietafel)

50 lx
100 lx


200 lx
400 lx


800 lx

1600 lx
>3200 lx



* De weergegeven verlichtingssterkte is een gemiddelde van een vertrek. Het is dus niet zo dat als de norm 50 lx is en aan de ene kant van het lokaal is 100 lx verlicht, dat de andere kant van het lokaal niet verlicht hoeft te worden.
Helderheidverschillen

  • De luminantie-verhouding binnen het zichtveld dient tussen de 3 en 10 te liggen.



Daglichttoetreding

  • Elk lokaal heeft daglichttoetreding (toetreding van het daglicht) nodig. Dit kan zowel via een buitenraam als via ramen naar een atrium (een grote omsloten ruimte met veel buitenlicht inval)

1.2 De opdracht


Ga voor de aan jouw groep toegeschreven ruimtes na:

  1. of deze voldoen aan de norm (lichthoeveelheid, helderheidverhouding, daglicht)

  2. hoeveel elektrische energie er gebruikt wordt aan verlichting;

  3. welke lampen weg gehaald kunnen worden;

  4. waar moeten er meer lampen geplaatst worden

  5. wat dit aan energiebesparing oplevert.

1.2.1 Methode


Voor de metingen heb je ongeveer 3 uur. Maak van tevoren een kort meetplan (2 uur). Zie hiervoor de aparte handleiding.

Bij het maken van het meetplan mag er natuurlijk altijd even rond gelopen worden ter oriëntatie.


1.2.2 Apparatuur


Voor de metingen heb je de beschikking over de meetapparaten in de koffer.

§ 2 Onderzoek 2: temperatuur


Meneer!!!!!! Ik heb het koud. Mag de verwarming aan?

Mevrouw!!!!! Het is hier benauwd, ik wil graag het raam open.

Twee uitspraken die je ongetwijfeld kent. En niet zonder reden. Mensen zijn heel gevoelig voor temperatuur. En bij een verkeerde temperatuur is het niet lekker werken. Uit onderzoek is gebleken dat minimaal 5% van de mensen ontevreden is over de ruimte waarin ze vertoeven. Zelfs bij de ideale ruimtetemperatuur. Is het in een theorielokaal meer dan 1,5 oC te warm of te koud dan vind 10% het al niet meer behaaglijk.

Elke ruimte heeft een eigen ideale temperatuur die ook nog eens seizoensafhankelijk is.
Vraag:

Kan jij verklaren waarom de ideale temperatuur in een ruimte afhangt van het seizoen?
In dit onderzoek ga jij de temperatuur op verschillende plaatsen in school meten en vergelijken met de norm die voor die plaats geldt. En waar nodig oplossingen aandragen.

2.1 Theorie


Zorgen voor een goede ruimte temperatuur is vaak lastig. Dit komt doordat die temperatuur van een boel factoren afhangt. Daarbij moet je denken aan: het type radiator, het stralende oppervlak van de radiator, gemiddelde radiatortemperatuur, het raamoppervlak dat open staat, andere ventilatie, het temperatuurverschil tussen buiten en binnen, pc’s, verlichting en het aantal mensen in de ruimte.

2.1.1 Radiator


Elk type radiator heeft zo zijn eigen warmtetechnische eigenschappen

Twee voorbeelden:



  1. een één-plaats radiator heeft maar de helft aan oppervlakte om warmte over te dragen vergeleken met een twee-plaats radiator met een even groot voorfront;

  2. een ribbel in de radiator zorgt voor een groter werkzaam oppervlak per strekkende meter radiator.

Een radiator heeft een gemiddelde temperatuur. Er stroomt heet water in, dit water geeft warmte af via de radiator aan de omgeving en koelt dus af. Om te kunnen rekenen is de gemiddelde temperatuur erg handig. Deze temperatuur is het rekenkundig gemiddelde van de aan- en afvoerleiding.

Een 2-plaats radiator met ribbels heeft per vierkante meter ongeveer een vermogen van 2 kW.

2.1.2 Ventilatie


Er zijn verschillende soorten ventilatie. Natuurlijke ventilatie door kieren en ramen, mechanische toevoer, mechanische afvoer en gebalanceerde ventilatie (een uitgekiende afstemming van mechanische toe- én afvoer).

  • Kieren en ramen zorgen voor een constante stroom van warme lucht naar buiten en koele lucht naar binnen. Zo gaat er veel warmte verloren.

  • Mechanische ventilatie is vaak gekoppeld aan een warmte terugwin systeem. Dit zorgt voor verse opgewarmde buitenlucht via warmte van de vuile afvallucht. Gevolg van dit systeem is een constantere temperatuur, er is minder verwarmingsenergie nodig en last van tocht zal niemand hebben.

  • Mechanische toevoer ondervangt het gevoel van tocht, maar de warmte gaat wel verloren.

  • Mechanische afvoer zorgt alleen voor genoeg ventilatie en dat geurtjes van koken en toilet weg gezogen worden.

2.1.3 Overige warmte productie


Elk apparaat produceert warmte. Een computer bijvoorbeeld, produceert zo’n 150 Watt, een TFT-scherm 50 W en zo’n oud bakbeestje van 15” brengt met gemak 100 W] aan warmte de ruimte binnen.

Een mens is ook een goede warmtebron. Een rustig werkend persoon levert toch een kleine 100 W aan warmte.

Dit lijken allemaal kleine getallen in vergelijking bij radiatorverwarming maar een computerlokaal met 30 Pc’s, oude monitoren en een klas met 30 leerlingen levert in totaal toch wel 10,5 kW aan warmte.

Bij de bouw is vaak geen rekening gehouden met deze extra warmtelast. In lokalen met pc’s is daarom vaak de temperatuur te hoog.


2.1.4 De norm


Voor gebouwen gelden de volgende temperatuurnormen:

Ruimte

Winter [oC]

Zomer [oC]

Theorie lokaal / kantoor

21,0  1,5

23,5  1,5

Practicum lokaal

19,5  2,5

22,0  2,5

Werkplaats

18,5  3,5

20,5  3,5

Sportruimte

18,0  2,5

20,0  3,5

Gang

18,5  3,5

20,5  3,5

Toilet

18,5  3,5

20,5  3,5

Kantine

18,5  3,5

20,5  3,5

Een lokaal waar theorie en practica gegeven wordt moet beschouwd worden als theorielokaal.

2.2 De opdracht


Verricht met jouw groep temperatuurmetingen in de aan toegewezen ruimte(s).

Ga ook na:



  1. of ze voldoen aan de boven beschreven temperatuurnorm (let op, deze meting geeft geen beeld over het volledige jaar, geef dit aan in het verslag);

  2. wat de ervaring van de leerlingen is;

  3. wat de relevante factoren zijn (wat produceert warmte en waar gaat het verloren, om hoeveel warmte gaat dit dan?);

  4. hoeveel warmte er van de apparatuur afkomt (maak waar mogelijk gebruik van de gegevens van onderzoek 4)

  5. hoe je het behaaglijker kan maken;

  6. of de verwarming (of koeling) ook een stand lager kan.

2.2.1 Methode


Voor de metingen heb je ongeveer 3 uur. Maak van tevoren een kort meetplan (2 uur). Zie hiervoor de aparte handleiding.

Bij het maken van het meetplan mag er natuurlijk altijd even rond gelopen worden ter oriëntatie.


2.2.2 Apparatuur


Voor de metingen heb je de beschikking over de meetapparaten in de koffer.

§ 3 Onderzoek 3: luchtkwaliteit en ventilatie


Wanneer er niet geventileerd wordt gaat het stinken en kun je onwel worden.

Dit gegeven geeft aan in hoeverre een goede ventilatie belangrijk is. In scholen merk je vaak dat er niet voldoende geventileerd wordt. Lokalen ruiken muf, leerlingen gapen en de concentratie is na een tijdje ook ver te zoeken. Ramen worden open gedaan maar ja, dan begint er weer iemand te klagen over tocht en gaat er een boel warmte verloren. Vaak zijn de klachten betreffende het ventileren half bekend maar wordt er niets mee gedaan. Met de metingen uit dit onderzoek hebben jullie een krachtig instrument in handen om de school tot een goed ventilatiebeleid te zetten.


3.1 Theorie


De ‘ASHRAE standard 62-1989’ norm definieerde een acceptabele luchtkwaliteit als volgt:

Lucht waarin geen bekende verontreinigingen aanwezig zijn in schadelijke concentraties, zoals vastgesteld door bevoegde autoriteiten, en waarbij de overgrote meerderheid van de blootgestelde personen (80% of meer) geen ontevredenheid tot uitdrukking brengt.’


3.1.1 Samenstelling van lucht


Lucht is een mengsel van verschillende gassen. Stikstof, zuurstof, argon en koolstofdioxide vormen samen 99,99% van de massa. Naast deze gassen kan de lucht verschillende chemische en biologische verontreinigingen bevatten. Deze verontreinigingen, die in verschillende vormen kunnen voorkomen, zijn van een aantal bronnen afkomstig zoals bodem, de buitenlucht, bouwmaterialen, meubilair en stoffering, activiteiten en processen in een gebouw, mensen en dieren en de klimaatinstallatie.

3.1.2 Invloed van de mens


Mensen halen de nodige zuurstof uit de lucht via de ademhaling. In rust bedraagt de volume-stroom van de ademhaling 0,3 tot 0,5 m3 per uur. Bij een grote lichamelijke inspanning kan deze volumestroom stijgen tot meer dan 3 m3 per uur.

Het verschil tussen het zuurstofgehalte van de ingeademde lucht en dat van de uitgeademde lucht bedraagt circa 5% (resp. 21% en 16%). Met de ingeademde zuurstof maken mensen koolstofdioxide (CO2). Het koolstofdioxidegehalte van de uitgeademde lucht bedraagt circa 4% en is daarmee ongeveer een factor 100 groter dan dat van de ingeademde lucht.

Ademhalingsproblemen treden op wanneer de lucht minder dan 12% zuurstof bevat. Bij een percentage van 7% treedt bewusteloosheid op. Deze percentages komen praktisch niet voor. Bij een luchthoeveelheid van 10 m3 per persoon in rust, bij afwezigheid van ventilatie, is het percentage zuurstof na 20 uur nog altijd 16%. Een gebrek aan zuurstof is dus niet de reden dat er een ongezond binnenklimaat ontstaat en ventilatie nodig is.

3.1.3 Hygiënische grenswaarde


De CO2-concentratie is pas bij relatief hoge concentraties schadelijk. De MAC-waarde bedraagt 5000 ppm (parts per million) ofwel 0,5%. De CO2-productie van de mens verloopt parallel met de productie van geurstoffen door de mens. Daarom is het gehalte CO2 een indicator voor de kwaliteit van de lucht. De lucht heet onfris als de CO2-concentratie hoger is dan 1000 ppm. Deze waarde heet de hygiënische grenswaarde. In klaslokalen komen CO2-concentraties voor van boven de 3000 ppm.

3.1.4 Ventilatie


Op basis van de hygiënische grenswaarde komt men tot een benodigde ventilatiehoeveelheid van tenminste 7dm3/s (25 m3/h) per persoon. De genoemde waarde moet worden beschouwd als een minimum vereiste ventilatie bij langdurig verblijf in een ruimte.

3.1.5 De norm


Helaas is er op dit moment nog geen norm die stelt dat een lokaal een bepaalde luchtkwaliteit moet hebben. Wel moet er een bepaalde hoeveelheid ventilatielucht aanwezig zijn (zie §). Vaak is gekozen voor ventilatieroosters of ramen die open kunnen. Bij het dimensioneren van deze ventilatievoorziening wordt er van uit gegaan dat de lucht door de onderstaande verwarming voorverwarmd wordt. Vanwege het grote aantal leerlingen, staan de radiators vaak uit. Hierdoor wordt de koude ventilatielucht niet voorverwarmd. Koude tocht is het gevolg waardoor er geen gebruik gemaakt wordt van deze ventilatievoorziening. En zo komt het dat klaslokalen verschrikkelijk stinken en er een luchtkwaliteit heerst wat in een loopstal op de boerderij of gevangenis niet toelaatbaar is.

Op dit moment wordt er gewerkt aan een goede norm. Deze zal wel regelgeving bevatten omtrent de luchtkwaliteit. Door verschillende instanties wordt een streefwaarde van 800 ppm voorgesteld en een hogere concentratie dan 1400 ppm is onacceptabel.


3.2 Opdracht


Ga voor de aan jou toegeschreven lokalen na

  1. Wat de luchtkwaliteit (CO2-concentratie) is op verschillende momenten van de dag. Geef ook aan waar en wanneer de richtwaarde en uiterste waarde worden overschreden.

  2. Wat de stand is van de ventilatie. Hiermee wordt het aantal vierkante meter geopende raam bedoelt en de tijdsduur, de deur die gedurende een lange periode open staat, ventilatie roosters, ventilatie apparatuur, enz.

  3. Welke verbeteringen zou je willen voorstellen?

3.2.1 Methode


Voor de metingen heb je ongeveer 3 uur. Maak van tevoren een kort meetplan (2 uur) Zie hiervoor de aparte handleiding.

Bij het maken van het meetplan mag er natuurlijk altijd even rond gelopen worden ter oriëntatie.


Voorbeelden van aandachtspunten in je meetplan voor een goed resultaat:

  • Wat wil je meten? Waar wil je meten? Hoe wil je meten?

  • Maak gebruik van aanwezige infrastructuur (o.a. aantal personen).

  • Meet op steeds dezelfde plaatsen op dezelfde hoogte (b.v. 0,75 m).

  • Meet op slimme momenten (planning)

  • ….

3.2.2 Apparatuur


Voor de metingen heb je de beschikking over de meetapparaten in de koffer.

§ 4 Onderzoek 4: apparatuur


Apparatuur zoals pc’s en lampen zijn in dit onderzoek al veelvuldig genoemd. Ze verbruiken elektriciteit en produceren warmte. Vaak zijn ze nuttig, op andere momenten kunnen ze beter uit staan. Daar zijn twee redenen voor. Nummer één is energiebesparing. Nummer twee is ook energiebesparing, maar dan van je zelf. Je hoeft je dan minder op te winden over het binnenklimaat in de school.

Dit onderzoek gaat over het onnodig verbruik van apparaten. Hoeveel elektriciteit wordt er op jullie school onnodig verbruikt?


4.1 Theorie

4.1.1 Sluipverbruik


Apparaten verbruiken elektrische energie om te werken. Dit doen ze wanneer ze gebruikt worden, maar ook wanneer ze niet gebruikt worden. Veel apparaten gebruiken zelfs energie wanneer ze uit lijken te staan. Sluipverbruik heet dit.

Een telefoonlader bijvoorbeeld. Wanneer de telefoon niet aangesloten is, blijft de lader toch elektrische energie tot zich nemen. Bij deze laders komt dit door de transformator die in de lader zit. De kant van de telefoon is een open circuit, maar die aan de kant van het elektriciteitsnet, is gesloten en dus loopt er een stroom.

Andere voorbeelden zijn de tv of een pc op stand-by en zelfs slaapstand. Het klokje op de dvd-speler? Dit is een indicatie dat het apparaat gewoon elektrische energie verbruikt.
Vaak is sluipverbruik makkelijk tegen te gaan. Een apparaat na gebruik met een (externe) schakelaar uitzetten. Voor verlichting kan dit ook automatisch via aanwezigheidsdetectie. Voor pc’s kan via een energieschema automatisch geregeld worden welke opties uit kunnen na een bepaalde periode. Het Windows besturingssysteem heeft een aantal energieschema’s ingebouwd. Een voorbeeld van gebruik is:


  • Na 5 minuten beeldscherm uit;

Het schermsignaal wordt stopgezet. Wil je weer aan het werk, dan kan dat direct.

  • Na 10 minuten harde schrijven uit;

Het ronddraaien van de schrijven stopt. Ook hier kun je direct weer aan het werk.

  • Na 15 minuten stand-by;

Een aantal functies van de PC wordt uitgezet. Ook hier kun je in korte tijd weer aan het werk.

  • Na 20 minuten slaapstand (hibernation).

Windows en de PC worden versneld afgesloten. Het duurt iets langer voordat het systeem weer opgestart is dan bij stand-by, maar is toch een stuk sneller dan bij compleet uitzetten.

4.2 Opdracht


Ga naar de aan jou toegewezen lokalen en:

  1. Noteer de apparaten die in de ruimte staan;

  2. Meet het elektrisch vermogen van die apparaten, zowel in gebruikstand als in stand-by stand;

  3. Bereken hoeveel elektrische energie een apparaat verbruikt op jaarbasis. Schat daarvoor het aantal uren dat het apparaat aan en op stand-by staat;

  4. Meet voor een 4-tal apparaten het verbruik gedurende 1 week (in kWh);

  5. In hoeverre heeft het energieschema invloed op een pc? Meet dit bij enkele pc’s en meet het gemiddelde;

  6. Schakel de energieschema’s in van de pc’s;

  7. Maak duidelijk dat apparatuur na gebruik uit hoort. Bijvoorbeeld met behulp van bordjes;

  8. Herhaal opdracht 4. Wat is het verschil met de situatie van voor de maatregelen?

  9. Waar is aanwezigheidsdetectie nuttig?



4.2.1 Methode


Voor de metingen heb je ongeveer 3 uur. Maak van tevoren een kort meetplan (2 uur) Zie hiervoor de aparte handleiding.

Bij het maken van het meetplan mag er natuurlijk altijd even rond gelopen worden ter oriëntatie.


4.2.2 Apparatuur


Voor de metingen heb je de beschikking over de meetapparaten in de koffer.


Versie: 5 december 2006 definitief blz.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina