Hoofdstuk 3 Pervasieve ontwikkelingsstoornis



Dovnload 45.17 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte45.17 Kb.
Hoofdstuk 3 Pervasieve ontwikkelingsstoornis
Een kind met Autisme is gewoon een kind, geen gewoon kind, maar een gehandicapt kind, dat hulp nodig heeft. Dit kind vraagt om een zeer bijzondere opvoedingsomgeving.

Autisme s een niet gemakkelijk te vatten handicap, zelfs een eenduidige naamgeving aan de stoornis van deze kinderen blijkt geen eenvoudige zaak en is onderhevig aan veranderende wetenschappelijke inzichten.

De Nederlandse Verening voor Autisme (NVA) spreekt over een “spectrum van autistische stoornissen”. Het is een veelkleurige waaier. Zij willen daarmee aangeven, dat een autistische stoornis op heel verschillende wijze tot uiting kan komen.

Kinderen en volwassen met een autistische stoornis vormen een bont gekleurd gezelschap. Geen autistisch kind is hetzelfde. Ze verschillen onderling zo erg dat er altijd ‘hulp-op-maat” geboden moet worden. Meestal is er sprake van een zeer problematische opvoedingssituatie, die vraagt om intertioneel opvoeden en dan nog staan we vaak met lege handen.

De term “prevasief” is in het Nederlands moeilijk te omschrijven. Pervasief wil zeggen dat het gaat om een stoornis die in het totale ontwikkelinsverloop, vaak diep, doordringt. Dit betekent dat behalve de ontwikkeling van sociale relaties en vaardigheden, taal en voorstellingsvermogen, ook de ontwikkeling van de motoriek, zelfbeeld, gevoelend, spel, fantasie, begrip van de omringende wereld, erg verstoord kan verlopen.
In de litatuur wordt de volgende onderscheiding aangebracht in de pervasieve ontwikkelingsstoornissen:
Specifieke stoornis:


  • Autisme

  • Rett-syndroom

  • Desintegratieve stoornis van de kinderleeftijd

(De laatste 2 specifieke stoornissen komen amper voor. Het zijn regressiestoornis. Na een vrij gewone start is er een enorme terugval. Het gaat dan om een verlies van verworven vaardigheden, om abnormaal gedrag en een lage intelligentie.)

Algemene stoornis:

  • PDD-NOS

  • Stoornis van Asperger


Kinderen en volwassen met een pervasieve ontwikkelingsstoornis hebben als gezamenlijk kenmerken:


  • Een stoornis in de ontwikkeling van wederkerige sociale interacties.

  • Een stoornis in het verbale (talige) en of non-verbale communicatie (gebaren).

  • Een stoornis in het verbeeldend vermogen (fantasie) met als gevolg starre gedragspatronen en beperkte gebieden van interesses.

Deze stoornissen hoeven zich niet altijd op alle fronten te manifesteren, maar de problematiek, als gevolg van de stoornis is voor de persoon zelf “ingrijpend” en voor zijn omgeving vaak “onbegrijpelijk”.
Hoofdstuk 3.1 Wat is Autisme
Bij Autisme gaat het om een ernstige in aanleg aanwezige ontwikkelingsstoornis. Het is een organische stoornis ten gevolge van een beschadiging in de hersenen, die voor, tijdens, of vlak na de geboorte is ontstaan. De ernst van de beschading kan per kind anders zijn. Hierdoor verschillen autistische kinderen onderling soms sterk in hun gedrag en ontwikkelingsmogelijkheden.

Autisme is in wezen een cognitieve stoornis, die leidt tot afwijkende ontwikkelingen van sociale relaties, affectiviteit en emotionaliteit.

De basisprobleem van een autistisch kind is de informatieverwerking.

De informatieverwerking verloopt gestoord. De binnenkomende informatie wordt anders verwerkt en opgeslagen. De wereld bestaat voor kinderen met deze stoornis uit losse fragmenten. De logische samenhang ontbreekt en er ontstaat onvoldoende inzicht in hetgeen men ervaart. Ze leggen daardoor onvoldoende of vreemde associaties en het vermogen om opgedane kennis op een breder vlak toe te passen is ontoereikend (generalisatie).

Door de informatieverwerkingsstoornis hebben autistische kinderen erg veel moeite met betekenistoekenning. Ze blijven steken in de nabije zintuigelijke waarneming (tasten, proeven, ruiken). Ze kunnen informatie onvoldoende tot een zinvol geheel samenvoegen.

Ze nemen de wereld als het ware in losse deeltjes waar.

Ze hebben erg veel moeite met het herkennen van emoties en kunnen deze emoties moeilijk met elkaar in verband brengen. Er is sprake van een gebrek aan inlevingvermogen. Autistische kinderen begrijpen niet dat er een verschil is tussen wat zich in hun innerlijk afspeelt en datgene wat er in een andermands hoofd kan omgaan. Met andere woorden: ze kunnen zich niet of moeilijk verplaatsen in de gedachten, gevoelens en belevingen van de ander.

Er is nauwlijks wederkerigheid, interactie, empathie.

Door het gebrek aan betekeninstoekenning en inlevingsvermogen komt de wereld chaotisch op ze over. Autistische kinderen reageren op deze “boze buitenwereld” met extreme, schijnbaar onlogische angsten en/of met stereotype gedragingen. De angstige “binnenwereld” van deze kinderen kan leiden tot onvoorspelbare en heftige paniek- of woedeaanvallen.

Het autistische kind zoekt in de voor hem onoverzichtelijke, bizarre wereld, zekerheid en veiligheid, door zich vast te klampen aan details en vaste gewoontes.

Vaak is er sprake van een alles overheersende gedachte of bezigheid, die steeds wordt herhaald (pre-occupatie). Veranderingen kunnen hen in grote verwarring brengen. Daarom hebben autistische kinderen ontzettend veel behoefte aan voorspelbaarheid en controleerbaarheid.

Kort samengevat:


  • Autise is een organisch defect. Er is sprake van een prikkel- en informatieverwerkingsstoornis. Op vele funcitegebieden, dus een pervasieve ontwikkelinsstoornis.

  • Wederkeringheid in het contact ontbreekt. Gebrek aan betekenistoekenning. Gebrek aan inlevingsvermogen.

  • De omringende wereld wordt ervaren als chaotisch. Extreme, schijnbaar onlogische angsten. Stereotype gedragingen.

  • Er is zeer veel behoefte aan. Veiligheid, voorspelbaarheid en controle


3.1.1 Kenmerken van een autistische stoornis
Specifieke kenmerken:
De specifieke kenmerken, op basis van de criteria van de DSM IV zijn:

Kwalitatieve stoornis in het leggen van sociale contacten, ofwel een beperking in de sociale interactie.

Het gaat hierbij om een contactstoornis, die zijn invloed heeft op de kwaliteit van de sociale relaties. Hun inlevingsvermogen in sociale situaties is beperkt en ze nemen nauwelijks initiatieven in de sociale omgang. Er is geen sprake van sociale wederkerigheid. Men kan spreken van een onvermogen om sociale relaties aan te gaan.

Kwalitatieve stoornis in de ontwikkeling van taal en spraak.

Gesproken taal ontwikkelt zich moeizaam of helemaal niet. Het taalgebruik is ongewoon en het taalbegrip is vaak gestoord. Ze nemen alles letterlijk op.

Er is sprake van een beperkt vermogen om met de ander te communiceren door gesproken taal of gebaren.

Beperkte interesses en activiteiten.

Er is sprake van abnormale rigiditeit. Dit uit zich in een eenzijdige belangstelling voor dingen. Ze hebben een grote weerstand tegen veranderingen ofwel een dwangmatig verlangen naar hetzelfde. Autistische kinderen zoeken houvast in vaste routines en rituelen. Dit betekent een opvallend beperkt repertoire van interesses en activiteiten. Soms raken ze geobsedeerd door bepaalde voorwerpen of weten bijvoorbeeld alles over een onderwerp. Eenzelfde activiteit kan hen langdurig boeien.


Non-specifieke kenmerken bij autistische kinderen:


  • Slaapproblemen.

Veel autistische kinderen hebben last van slaapproblemen. Ze hebben grote moeite met inslapen. Dit kan vaak gepaard gaan met huilen en gillen. Soms is er sprake van een verstoord dag- en nachtritme.

  • Drift- en gilbuien.

Jonge autistische kinderen hebben vaak driftbuien, omdat zij niet over woorden beschikken, waarmee zij kunnen vragen om de dingen, die ze willen hebben. Bovendien is het voor autistische kinderen als gevolg van hun geringe communicatievaardigheden vaak niet mogelijk het de ander duidelijk te maken, als zij zich niet prettig voelen, onrustig zijn of zich ziek voelen.

  • Zelfverwondend gedrag (automutilatie).

Bij zelfverwondend gedrag gaat het om herhaaldelijk, voorkomende gedragspatronen, die fysiek letsel aan het lichaam zelf teweegbrengen.

Dit gedragsprobleem komt regelmatig voor in de vorm van krabben, bijten en hoofdbonken.



  • Gevaar, last voor anderen.

Deze gedragsproblemen zijn terug te voeren op het beperkte sociaal inzicht.

Ze hebben een gebrekkig besef van sociale conventies en taboes. Autistische kinderen tonen vaak geen angst voor werkelijke gevaren.


3.1.2 Mogelijke oorzaken:
Autisme is wellicht het best onderzochte syndroom in de kinder- en jeugdpsychiatrie.

Klinische, genetische, cognitieve en neuro-psychologische onderzoeken zijn alle gericht op het verkrijgen van fundamenteel inzicht in de mogelijke oorzaken van de stoornis.


3.1.3 Prognose:
De prognose is voor het merendeel van de autistische kinderen slecht wat betreft hun intellectuele ontwikkeling, de algemene aanpassing en de mogelijkheid om in sociale situaties te functioneren. Ongeveer 60% van de autistische kinderen blijft ernstig gehandicapt.

Slechts 10% bereikt een niveau van redelijk verstandelijk functioneren. Degenen, die een redelijk zelfstandig leven kunnen leiden, houden vaak moeilijkheden in hun sociale contacten, terwijl ze hun handicap vaak pijnlijk beseffen. Zelfs de best functionerende autistische kinderen hebben meer steun en begeleiding nodig dan hun normale leeftijdsgenootjes.


Uit onderzoek blijkt dat de prognose beinvloedt wordt door de volgende factoren:

Intelligentieniveau: autistische kinderen met een I.Q. boven de 70 maken de meeste kans op verbetering van hun functioneren.

Organische factoren: aantoonbare hersenbeschadiging, vooral samen voorkomend met een laag I.Q. is de prognose ongunstig.

Spraak-taalontwikkeling: wanneer er voor het vijfde jaar geen spraak-taalontwikkeling op gang is gekomen, hetgeen in de helft van de gevallen zo is, is de prognose ongunstig.

Ernst van de symptomen: hoe ernstiger het klinisch beeld is en hoe trager de verbetering in de eerste levensjaren optreedt, hoe slechter de prognose is.

Behandeling: een gestructureerde leef- en onderwijssetting, optimale stimulering en harmonieuze gezinsomstandigheden spelen een gunstige rol en wel meer naar mate het autistisch kind minder gehandicapt is.


3.1.4 Criteria autisme DSM IV.
Volgens de DSM IV spreekt men van autisme als:

Een totaal van zes of meer items van (1), (2) en (3) met tenminste twee van (1), (2) en (3):

1. Kwalitatieve beperking in de sociale interacties zoals blijkt uit ten minste twee van de volgende:

Duidelijke stoornissen in het gebruik van verschillende vormen van non-verbaal gedrag, zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshouding en gebaren om de sociale interactie te bepalen.

Er niet in slagen met leeftijdsgenoten tot relaties te komen, die passen bij het ontwikkelingsniveau.

Tekort in het spontaan proberen met anderen plezier, bezigheden of prestaties te delen (bijv. het niet laten zien, brengen of aanwijzen van voorwerpen die van betekenis zijn).

Afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid.

2. Kwalitatieve beperkingen in de communicatie zoals blijkt uit ten minste een van de volgende:

Achterstand in of volledige afwezigheid van de ontwikkeling van gesproken taal (niet samengaand met een poging dit te compenseren met alternatieve communicatiemiddelen zoals gebaren en mimiek.

Bij individuen met voldoende spraak duidelijke beperkingen in het vermogen een gesprek met anderen te beginnen of te onderhouden.

Stereotiep en herhaald taalgebruik of eigenaardig woordgebruik.

Afwezigheid van gevarieerd spontaan fantasiespel (doen-alsof spelletjes) of sociaal imiterend spel (nadoen-spelletjes) passend bij het ontwikkelingsniveau.

3. Beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten zoals blijkt uit ten minste een van de volgende:

Sterke pre-occupatie met een of meer stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal is ofwel in intensiteit ofwel in richting.

Duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet functionele routines of rituelen.

Stereotiepe en zich herhalende motorische maniërismen (bijv. hand of vinger op en neer bewegen of draaien of complexe bewegingen met het hele lichaam).

Voortdurende pre-occupatie met delen van voorwerpen.

Achterstand in of abnormaal functioneren op ten minste één van de volgende gebieden met een begin voor het derde jaar: (1) sociale interacties, (2) taal zoals te gebruiken in sociale communicatie, of (3) symbolisch of fantasiespel.

De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan de stoornis van Rett of een desintegratiestoornis van de kinderleeftijd.
3.1.5 Structuurverlening:
Het sleutelwoord binnen de begeleiding van autistische kinderen is structuurverlening.

Bij structuurverlening gaat het om ordenen, vereenvoudigen, verhelderen en overzichtelijk maken. Daardoor krijgt het kind meer vat op zijn omgeving.

De structuur moet op verschillende gebieden aangeboden worden:

Structuur in de tijd:

Help de leerling de tijd overzien. Een gevisualiseerd dagrooster laat zien welke activiteiten wanneer gebeuren. Het moet voor een kind duidelijk zijn hoe lang het aan een taak moet

werken en wat daarna komt. Kondig wijzigingen in het programma vooraf aan.

Structuur in de ruimte:

Leren, spelen en eten hebben elk een vaste plek in de klas. Materialen liggen geordend op vaste plaatsen. De leerling heeft zijn eigen opbergplaats.



Structuur in de opdrachten:

Het gaat erom dat het kind exact weet wat er van hem verwacht wordt. Verdeel opdrachten in deeltaken en geef concreet en gevisualiseerd aan wat de leerling precies moet doen en wat de leerling moet doen wanneer hij klaar is.



Structuur in de persoon:

De leerkracht moet consequent en helder zijn in zijn gedrag en verwachtingen.

Hij straalt vertrouwen uit. Zorg voor veiligheid en een intensieve sociale ondersteuning.

De leerkracht spreekt in begrijpelijke taal, korte zinnen en concreet.

Het aanbieden van structuur is een middel om autistische kinderen te leren vat te krijgen op hun omgeving en op deze manier hun ontwikkeling te stimuleren.

We moeten de leerling zo min mogelijk afhankelijk maken van de aangeboden structuur.



Structuur moet:

  • uitnodigend zijn

  • veiligheid biedend zijn

  • positief bevestigend zijn

  • geen doel zijn, maar middel tot.


3.1.6 Operante conditionering
Wil je een autistisch kind iets “nieuws” leren, dan moet je het kind meenemen over een drempel. Het verleggen van grenzen is niet een aangeboren innerlijke drijfveer.

De intrinsieke motivatie, om iets nieuws te leren, ontbreekt.

De motivatie om te leren moet van buitenaf aangebracht worden. Dit kunnen we het beste doen met behulp van een beloningssysteem. De directe beloning geeft het beste resultaat.

Bij een beloningssysteem maken we gebruik van versterkers.

We laten een activiteit volgen door iets prettigs (een versterker).

De materiële versterker is de meest krachtige beloning voor een autistisch kind.


3.1.7 Medicamenteuze behandeling:
Medicijnen kunnen autisme niet genezen. Ze kunnen wel gebruikt worden om bijkomende, vaak gedragsproblemen te verminderen, zoals slaapproblemen, angst, depressie, overbeweeglijkheid en concentratieproblemen
3.1.8 Duidelijke kenmerken van Autisme
Primaire kenmerken:

  • Stoornis in de sociale interactie

  • Stoornis in de communicatie

  • Abnormale rigiditeit, beperkte intresses

  • Opvallende motorische activiteiten

  • Opvallende zintuiglijke waarnemingen

  • Extreme, schijnbaar onlogische angsten


Affectieve kenmerken:

  • Geen of te weinig intentionele gerichtheid op de ander

  • Kan zich niet verplaatsen in de ander (empathie)

  • Gebrek aan wederkeringheid (eenrichtingsverkeer

  • Geen of gebrekkige exploratiedrang

  • Geen of vluchtig oogcontact

  • Afkering van lichamelijk contact

  • Geen of gebrekkige imitatie

  • Solitair spel

  • Spel vaak gericht op details

  • Geen fantasiespel

  • Zoekt geen troost op momenten van verdriet


Cognitieve kenmerken:

  • Profiteren nauwlijks van leerervaringen (geen transfer)

  • Moeite met toepassen van het geleerde in andere situaties

  • Starheid in denken

  • Vooral routinematige handelingen

  • Neemt zelf weinig initiatief

  • Vooral gericht op details, komt moeilijk tot integratie

  • Auditief-verbale informatie wordt moeilijk verwerkt

  • Eilandjes kennis

  • Goed geheugen voor visuele beelden

  • Onvermogen om taal communicatief te gebruiken

  • Weinig of geen symbolische taal

  • Duidelijke afwijking van de spraak

  • Echolalie (papegaaien)

  • Onrijp taalgebruik (ik is jij)

  • Visueel-ruimtelijk sterker dan verbaal

  • Beperkte verstandelijke capaciteiten

  • Moeilijk aanspreekbaar


Secundaire kenmerken:

  • Dwangmatig verlangen naar dezelfde toestand

  • Ongewone gehechtheid aan voorwerpen

  • Beperkt repertoire van activiteiten en intresses

  • Opvallende motorische verschijnselen (wapperen met armen)

  • Opvallende lichamelijke overactiviteit of extreme passiviteit

  • Grote intresse voor draaiende voorwerpen

  • Schijnbaar ongevoelig voor pijn

  • Driftbuien, woedeaanvallen, paniekreacties

  • Zelfverwondend gedrag (bijten, krabben)

  • Ziet geen werkelijk gevaar

Bron: Klavermap zie literatuurlijst.



Hoofstuk 3.2 Wat is PDD-NOS
Het kind met PDD-NOS heeft minder ernstige en meer gevarieerde symptomen dan het kind met autisme.

De symptomen beginnen meer geleidelijk aan en minder uitgesproken. Hierdoor krijgt de opvoeder/leerkracht pas veel later het vermoeden dat er iets niet in orde is.

De herkenning is minder gemakkelijk. Dit kind heeft van jongs af aan wel oogcontact.

De taalontwikkeling is wel, maar veelal wat later op gang gekomen. Het kind praat wel meer over zijn eigen interesses. Het is wat onhandig, als het met meer dingen tegelijk moet handelen.

Het gaat bijzonder om met informatie. Vaak reageert het kind nauwelijks op pijn, terwijl het kan schrikken van een duwtje. Het heeft minder bizarre fantasieën.

Het kind is wel in staat om contacten met anderen te leggen, alleen gaat dit zeer moeizaam. Met leeftijdsgenootjes ligt het vaak in de clinch.

Zolang het kind met een beperkt aantal mensen te maken heeft, kan het nog redelijk goed gaan. Naarmate het kind meer in de buitenwereld komt (bijv. school) wordt het voor hem moeilijker. Er wordt dan meer en meer van het kind geëist, dat het zich aanpast aan die buitenwereld. Voor dit kind, dat het gedrag van anderen niet goed kan doorgronden, valt dit niet mee. Het kind wordt steeds onzekerder en banger.

Bij het kind met PDD-NOS staat de sociale stoornis centraal.

Dit kind heeft een gestoord of gebrekkig sociaal snapvermogen.

Het kind zit te vast in zijn eigen belevingswereld. Het kan informatie “van buiten” niet voldoende laten meesturen in zijn gedrag naar anderen. Het kind stemt zijn gedrag onvoldoende af op wat een ander van hem verwacht. Daardoor kunnen de reacties heel onvoorspelbaar zijn.


3.2.1 Kenmerken van PDD-NOS
- Sociale ontwikkeling:

Centraal staat de sociale stoornis. Het kind ontwikkelt een gebrekkig sociaal snapvermogen. Het zit opgesloten in zijn eigen binnenwereld. Het kan zich moeilijk inleven in de gevoelens van een ander. Het is vaak best bereid om te helpen, maar dan op zijn manier. Het kind is ik-gericht. Van wederkerigheid is weinig sprake. De contacten met leeftijdgenootjes verlopen moeizaam. Het samen iets doen heeft de interesse niet.

Het kind is gewoon niet sociaal vaardig.

- Taalontwikkeling:

De taal komt later wel redelijk op gang, maar taal wordt niet communicatief. Het kind neemt taal vaak letterlijk. Het heeft veel moeite met een dubbele boodschap. Het kind praat vaak formeel en gebruikt taal uit de volwassenwereld. Het maakt zinnen volgens vaste patronen en de zinsmelodie is meestal vlak.



- Motorische ontwikkeling:

De motoriek van dit kind is over het algemeen niet slecht.

Op bepaalde momenten, wanneer het kind niet lekker in zijn vel zit, kan het ineens superonhandig zijn. Het weet opeens bij de eenvoudigste dingen niet meer hoe ze de handen, benen moeten laten samenwerken.

Problematisch zijn meestal de spelen. De samenhang van het spel ontgaat ze vaak. Daarnaast speelt de onhandigheid ook een negatieve rol.



- Zintuiglijke ontwikkeling:
Het kind heeft moeite met de informatieverwerking. Er is vooral een slechte verwerking van auditieve prikkels. Het kan hoofd- en bijzaken moeilijk scheiden. De keuze wordt meestal bepaald door de nabijheidszintuigen.

Ook de interne gedachtenwereld krijgt voorrang op wat in de buitenwereld gebeurt. Soms weet het kind niet eens of iets in het echt is gebeurd of dat het in zijn gedachten heeft beleefd.

Het kind lijkt hierdoor vaak te “liegen”.

- Cognitieve ontwikkeling:

Kinderen met PDD-NOS voorspellen niet. Ze maken nauwelijks gebruik van hun kennis om vooruit te lopen op wat komen gaat.

Het plangedrag is vaak chaotisch. Ze kunnen zelf moeilijk een ordening in hun denken aanbrengen.

Ze hebben ook moeite met het verbeeldend denken, met andere woorden, ze kunnen zich slecht een voorstelling van iets maken, dat er niet letterlijk is. Er bestaan geen of onvoldoende grenzen tussen fantasie en realiteit.

De creatieve vakken zijn vaak een crime voor deze kinderen.
3.2.2 Verschil tussen PDD-NOS en ADHD
Als bij ADHD de concentratie toeneemt, verbetert het sociale contact en de sociale vaardigheden.

Als bij PDD kinderen de concentratie verbetert, dan komt het sociaal onvermogen nog sterker aan het licht.

Bij PDD moeten we constateren dat de sociale informatieverwerking een blijvende handicap is. Als bij ADHD de aandacht en impulsiviteit verbetert, zal de sociale informatieverwerking steeds beter verlopen.

Bij PDD weerspiegelt die onrust de innerlijke verwarring.

Bij ADHD wordt het kind afgeleid door uitwendige prikkels.

Kinderen met ADHD kun je medicamenteus behandelen. Bij kinderen met PDD kun je de sociale informatieverwerkingsstoornis nauwelijks behandelen. Je kunt alleen de omgeving zo aanpassen, dat er zoveel mogelijk gezonde ontwikkeling plaats vindt. Bijkomende verschijnselen zoals angsten of agressie kun je wel reguleren met medicatie.


3.2.3 Duidelijke kenmerken van PDD-NOS
Primaire kenmerken:

  • Problemen met de sociale interactie

  • Gebrekkig sociaal snapvermogen

  • Opvallend rigide gedrag

  • Beperkte intresses

  • Vertraagde spraak-taalontwikkeling

  • Gericht op hun binnenwereld


Affectieve kenmerken:

  • Begrijpt de sociale wereld om zich heen amper

  • Reageert niet alert op zijn sociale omgeving

  • Kan zich moeilijk in andermans gevoelens verplaatsen

  • Egocentrisch ingesteld

  • Contacten met anderen verlopen moeizaam

  • Geringe sociale vaardigheden


Cognitieve kenmerken:

  • Starre denkhandelingen

  • Chaotisch plangedrag

  • Moeite met het alsof spel

  • Visueel ingesteld

  • Geringe verbale en non-verbale communicatie

  • Concreet taalgebruik

  • Vlak stemgebruik

  • Concentratiezwakte bij auditief-verbale taken


Secundaire kenmerken:

  • Is vaak angstig

  • Sterk gefixeerd op bepaalde voorwerpen

  • Is vaak druk en rusteloos

  • Ongewone pijngrens

  • Houterige motoriek

  • Sprake van leerproblemen

  • Friemelen, ogen wrijven


Bron: Klavermap zie literatuurlijst.


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina