Hoofdstuk 4 – De rechten van de mens



Dovnload 297.81 Kb.
Pagina1/14
Datum23.08.2016
Grootte297.81 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

Hoofdstuk 4 – De rechten van de mens




De rechten van de mens

Een van de grote verwezenlijkingen van de VN is de gestage totstandkoming van een uitgebreid mensenrechtenstelsel – een universeel, internationaal beschermd pakket rechtsregels waarbij alle landen zich kunnen aansluiten en waarnaar alle mensen kunnen streven. De organisatie heeft een uitgebreide reeks internationaal aanvaarde rechten gedefinieerd, met inbegrip van economische, sociale, culturele, politieke en burgerlijke rechten en heeft ook mechanismen opgezet om deze rechten te bevorderen en te beschermen, en om regeringen te steunen bij hun plichten ter zake.


Dit juridisch kader is gebaseerd op het VN-Handvest en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die respectievelijk in 1945 en 1948 door de Algemene Vergadering werden aangenomen. Sindsdien heeft de VN de wetgeving inzake de mensenrechten steeds verder verbreed: ze omvat nu specifieke normen voor vrouwen, kinderen, andersvaliden, minderheden, migranten en andere kwetsbare bevolkingsgroepen. Al deze mensen hebben nu rechten die hen beschermen tegen discriminerende praktijken die van oudsher bestonden in vele gemeenschappen.
Deze rechten zijn uitgebreid met baanbrekende besluiten van de Algemene Vergadering, die geleidelijk hun universaliteit en ondeelbaarheid hebben vastgelegd, evenals de verwevenheid van de mensenrechten met ontwikkeling en democratie. Voorlichtingscampagnes wijzen mensen op hun onvervreemdbare rechten, terwijl met opleidingsprogramma's en technisch advies talrijke nationale justitiële en strafrechtelijke systemen worden versterkt. Het controlesysteem van de VN voor de naleving van de bepalingen van de mensenrechtenverdragen heeft inmiddels dankzij zijn opmerkelijke samenhang veel gewicht in de lidstaten.
De Hoge VN-Commissaris voor de Rechten van de Mens is verantwoordelijk voor het versterken en coördineren van de inspanningen van de VN ter bescherming en bevordering van de mensenrechten van alle mensen in de wereld. Voor de Secretaris-Generaal vormen de mensenrechten het centrale thema dat alle VN-activiteiten op sleutelgebieden als vrede en veiligheid, ontwikkeling, humanitaire hulp en economische en sociale aangelegenheden onderling verbindt. Vrijwel elk VN-orgaan en elke gespecialiseerde organisatie zijn op enigerlei wijze betrokken bij de bescherming van de mensenrechten.


Instrumenten voor de rechten van de mens

Op de Conferentie van San Francisco (1945) die leidde tot de oprichting van de VN, bundelden 40 niet-gouvernementele organisaties (NGO's) die vrouwen, vakbonden, etnische organisaties en religieuze groeperingen vertegenwoordigden, hun krachten met delegaties uit vooral kleinere landen, en ijverden ze voor meer specifieke bepalingen inzake mensenrechten dan andere landen hadden voorgesteld. Deze doortastende lobby heeft ervoor gezorgd dat in het Handvest van de Verenigde Naties duidelijke bepalingen rond de mensenrechten zijn opgenomen en heeft zo de basis gelegd voor de internationale wetgeving zoals die in de naoorlogse periode gestalte heeft gekregen.


Zo bevestigt de Preambule van het Handvest expliciet het 'vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon, in gelijke rechten voor mannen en vrouwen, alsmede voor grote en kleine naties'. Artikel 1 stelt als een van de vier belangrijkste doelstellingen van de VN 'het bevorderen en stimuleren van eerbied voor de rechten van de mens en voor de fundamentele vrijheden voor allen, zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst'. Andere voorzieningen verplichten staten in samenwerking met de VN actie te ondernemen om te komen tot universele naleving van de rechten van de mens.

Het Internationaal Statuut van de rechten van de mens

Drie jaar na de oprichting van de VN heeft de Algemene Vergadering de hoeksteen gelegd van het huidige rechtsstelsel voor de mensenrechten met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, een document dat moest gelden als 'het algemeen streefdoel voor alle volkeren'. De Verklaring werd op 10 december 1948 aanvaard‚ de datum die nu wereldwijd wordt herdacht als Internationale dag van de rechten van de mens. De dertig artikelen van de Verklaring omvatten de fundamentele burgerrechten en de culturele, economische, politieke en sociale rechten waarvan alle mensen in alle landen moeten kunnen genieten (zie inzet).
Volgens deskundigen hebben de bepalingen van de Universele Verklaring het gewicht van andere internationale rechtsregels omdat ze zo wijdverbreid worden aanvaard en gebruikt om het optreden van staten te meten. Veel landen die recent onafhankelijk zijn geworden, vermelden de Universele Verklaring expliciet in hun basiswetgeving of grondwet of hebben de bepalingen ervan opgenomen.
De belangrijkste juridisch bindende mensenrechteninstrumenten die onder auspiciën van de VN tot stand zijn gekomen, zijn het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Deze verdragen‚ in 1966 aangenomen door de Algemene Vergadering‚ verruimen de inhoud van de Universele Verklaring door deze rechten te vertalen in juridisch bindende bepalingen, terwijl comités toezien op de naleving van deze rechten door staten die partij zijn bij de verdragen.
De Universele verklaring, de twee internationale verdragen over de rechten van de mens en de facultatieve protocollen bij het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten vormen samen het Internationaal Statuut van de rechten van de mens, vaak ook aangeduid met de Engelse term International Bill of Human Rights.

Economische, sociale en culturele rechten

Het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten werd in 1976 van kracht en 148 staten zijn partij bij het verdrag. De mensenrechten die het verdrag wil bevorderen of beschermen zijn:

  • het recht om te werken onder billijke en gunstige omstandigheden;

  • het recht op sociale bescherming, op een toereikende levensstandaard en op de hoogst haalbare niveaus van lichamelijk en geestelijk welzijn;

  • het recht op onderwijs en het genot van de voordelen van culturele vrijheid en wetenschappelijke vooruitgang.


[inzet blz. 229]
Bepaling van de universele rechten

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is de hoeksteen van het huidige stelsel van mensenrechten dat zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld.
Artikelen 1 en 2 van de Verklaring bevestigen dat ‘alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren’ en aanspraak kunnen maken op alle in de Verklaring vervatte rechten en vrijheden ‘zonder onderscheid naar ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status’.
Artikelen 3 tot en met 21 van de Verklaring verwoorden de burgerrechten en de politieke rechten, met inbegrip van:

  • het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van de persoon;

  • het verschoond blijven van slavernij of horigheid;

  • het verschoond blijven van folteringen of van onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

  • het recht om als persoon erkend te worden voor de wet, het recht op daadwerkelijke rechtshulp; het verschoond blijven van willekeurige arrestatie, detentie of verbanning; het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instantie; het recht om voor onschuldig gehouden te worden totdat schuld is bewezen;

  • het verschoond blijven van willekeurige inmenging in zijn persoonlijke aangelegenheden, in zijn gezin, zijn tehuis of briefwisseling; verschoond blijven van aanvallen op zijn eer en reputatie; het recht op bescherming door de wet tegen zulke aanvallen;

  • bewegingsvrijheid; het recht op asiel; recht op een nationaliteit;

  • het recht om te trouwen en een gezin te stichten, het recht op eigendom;

  • vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; vrijheid van mening en van meningsuiting;

  • het recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering;

  • het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land en het recht om toegelaten te worden tot overheidsdiensten.

Artikelen 22 tot en met 27 van de Verklaring bestrijken de economische, sociale en culturele rechten waarop alle mensen aanspraak kunnen maken:



  • het recht op sociale zekerheid;

  • het recht op arbeid; het recht op gelijk loon voor gelijkwaardig werk; het recht om vakbonden op te richten en zich erbij aan te sluiten;

  • het recht op rust en op eigen vrije tijd;

  • het recht op een levensstandaard die hoog genoeg is voor zijn gezondheid en welzijn;

  • het recht op onderwijs;

  • het recht om deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap.

De slotartikelen 28 tot 30 erkennen dat iedereen het recht heeft op een sociale en internationale orde waarin de rechten zoals geformuleerd in de Verklaring ten volle kunnen worden gerealiseerd; dat deze rechten alleen beperkt mogen worden met het doel de rechten en vrijheden van anderen veilig te stellen; en dat iedereen verplichtingen heeft in de gemeenschap waarin hij of zij leeft.



[einde inzet]
Het verdrag voorziet in de verwezenlijking van deze rechten zonder enig onderscheid. In 1985 richtte de ECOSOC het Comité voor economische, sociale en culturele rechten op dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van het verdrag door de staten die er partij bij zijn. Dit 18 deskundigen tellende orgaan bestudeert verslagen die via speciale procedures worden ingediend en bespreekt ze met vertegenwoordigers van de betrokken regeringen. Het Comité doet ook aanbevelingen aan staten die partij zijn bij het verdrag op basis van rapporten die deze landen zelf indienen. Het Comité doet ook in algemene zin uitspraken ter nadere bepaling van het begrip mensenrechten en aanverwante thema’s, en van de stappen die de verdragsluitende partijen dienen te ondernemen om de bepalingen van de Verklaring hun beslag te doen krijgen.

Burgerrechten en politieke rechten


Het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Eerste facultatieve protocol bij dit verdrag werden in 1976 van kracht: 151 staten hebben het verdrag onderschreven, 104 het protocol.

  • Het verdrag betreft rechten als bewegingsvrijheid; gelijkheid voor de wet; het recht op een rechtvaardig proces en op vermoeden van onschuld; vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; vrijheid van mening en meningsuiting; vreedzame samenkomst; vrijheid van vereniging, deelname in bestuurszaken en verkiezingen; en de bescherming van de rechten van minderheden.

  • Het verbiedt willekeurige beroving van het leven; foltering, wrede of onterende behandeling of bestraffing; slavernij en dwangarbeid; willekeurige arrestatie of detentie en willekeurige inmenging in particuliere aangelegenheden; oorlogspropaganda en het pleiten voor rassen- of godsdiensthaat.

Het verdrag heeft twee protocollen. Het Eerste facultatieve protocol (1966) is een procedureel document dat voorziet in het petitierecht van individuen die beantwoorden aan de toelaatbaarheidscriteria. Het Tweede facultatieve protocol (1989) boekstaaft de materiële plichten op weg naar de afschaffing van de doodstraf. Hierbij zijn 50 staten partij.

Krachtens het verdrag is er een 18 leden tellend Comité voor de rechten van de mens in het leven geroepen dat de verslagen bestudeert die verdragsluitende staten periodiek indienen over maatregelen die werden getroffen voor de tenuitvoerlegging van het verdrag. Het Comité behandelt ook klachten van individuen die beweren dat een staat de in het verdrag neergelegde rechten schendt. Het Comité bespreekt de klachten in besloten vergaderingen. Brieven en andere documenten blijven vertrouwelijk. De conclusies van het Comité worden echter wel openbaar gemaakt en opgenomen in het rapport dat het jaarlijks opstelt voor de Algemene Vergadering.
Andere verdragen

De Universele Verklaring leidde tot 80 andere VN-verdragen en -verklaringen over uiteenlopende kwesties. Zeven van deze verdragen voorzien in toezicht op de naleving van de bepalingen. Staten die partij zijn bij een van deze verdragen, stemmen ermee in dat onafhankelijke deskundigen toezien op hun wetgeving en handelwijze inzake mensenrechten:



  • Het Verdrag voor het voorkomen en bestraffen van de misdaad van genocide (1948), een rechtstreeks antwoord op de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, definieert de misdaad van genocide als het voeren van bepaalde activiteiten gericht op de vernietiging van een nationale, etnische, raciale of religieuze groepering, en verplicht staten de vermoedelijke daders strafrechtelijk te vervolgen. Dit verdrag is ondertekend door 135 landen.

  • Het Verdrag over de status van vluchtelingen (1951) beschrijft de rechten van vluchtelingen, meer bepaald het recht om niet gedwongen te worden terug te keren naar landen waar ze in gevaar verkeren, en voorziet in bepalingen voor verschillende aspecten van hun dagelijkse leven, met inbegrip van het recht op werk, onderwijs, overheidssteun en sociale zekerheid, en het recht op reisdocumenten. Dit verdrag is door 142 landen ondertekend. Het Protocol over de status van vluchtelingen (1967) voorziet in de universele toepassing van het verdrag dat oorspronkelijk was bedoeld voor vluchtelingen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Bij dit protocol zijn 141 staten partij. In totaal zijn 145 landen partij bij een of beide instrumenten.

  • Het Internationale verdrag over de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (1966) is geratificeerd door 169 staten. Het verdrag gaat uit van de premisse dat elk beleid dat op raciale superioriteit en onderscheid tussen rassen steunt zowel onverdedigbaar, wetenschappelijk onjuist als moreel en juridisch verwerpelijk is. Het verdrag definieert het begrip rassendiscriminatie en verplicht staten die het verdrag hebben ondertekend, maatregelen te nemen om discriminatie in wetgeving en overheidsoptreden af te schaffen. Het verdrag voorziet ook in de oprichting van het Comité voor de uitbanning van rassendiscriminatie ter behandeling van door deelnemende staten ingediende verslagen – en van klachten van individuen over vermoedelijke schendingen – indien de betrokken staat deze optionele procedure in het verdrag heeft erkend.

  • Het Verdrag over de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (1979), door 175 staten ondertekend, waarborgt de gelijkheid van de vrouw voor de wet en omschrijft maatregelen voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen op het vlak van het politieke en openbare leven, nationaliteit, onderwijs, werkgelegenheid, gezondheid, huwelijk en het gezinsleven. Het verdrag voorziet in de oprichting van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen om toe te zien op de tenuitvoerlegging ervan en verslagen van betrokken staten te bespreken. Het Facultatieve protocol bij het verdrag (1999), door 59 staten ondertekend, verleent individuen het recht klachten aangaande schendingen van het verdrag in te dienen bij het Comité.

  • Het Verdrag tegen foltering en andere onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (1984), waarbij 134 staten zich hebben aangesloten, beschouwt foltering als een internationale misdaad en verplicht staten maatregelen te nemen ter voorkoming van foltering en om degenen te bestraffen die zich daaraan schuldig maken. Noch bevel van hogerhand noch uitzonderlijke omstandigheden kunnen foltering rechtvaardigen. Krachtens het Verdrag is er een Comité tegen foltering opgericht dat verslagen van deelnemende landen bestudeert, dat zich buigt over verzoeken van individuen uit staten die deze procedure hebben aanvaard en dat onderzoek kan gelasten in landen waar volgens het Comité ernstig en systematisch wordt gefolterd.

  • Het Verdrag over de rechten van het kind (1989) bevestigt de bijzondere kwetsbaarheid van kinderen en bundelt in één uitputtend document alle bepalingen ter bescherming van kinderen in alle categorieën mensenrechten. Het verdrag waarborgt non-discriminatie en erkent dat alle actie in het licht moet staan van het belang van het kind. Bijzondere aandacht gaat naar jonge vluchtelingen, mindervalide kinderen en kinderen van minderheden. Deelnemende staten moeten garanties bieden voor de overleving, ontwikkeling, bescherming en medezeggenschap van kinderen. Dit verdrag is met 192 ratificerende staten de breedst gedragen internationale conventie. Het Comité voor de rechten van het kind dat krachtens het verdrag werd opgericht, beoordeelt de tenuitvoerlegging en de verslagen ingediend door de verdragsluitende staten.

  • Het Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden (1990) omschrijft de fundamentele rechten, principes en maatregelen ter bescherming van gastarbeiders‚ legaal of illegaal‚ in het gehele migratieproces. Het verdrag werd op 1 juli 2003 van kracht en is door 24 landen geratificeerd. De eerste vergadering van het toezichtcomité, het Comité voor migrerende werknemers, heeft plaatsgehad in maart 2004.

De Universele Verklaring en andere VN-instrumenten liggen ook aan de basis van regionale verdragen zoals het Europese Verdrag inzake de rechten van de mens, het Amerikaanse verdrag inzake de rechten van de mens en het Afrikaanse handvest inzake de rechten van mensen en volken.



Andere regelgeving

Naast deze verdragen heeft de VN nog tal van andere normen en regels ter bescherming van de mensenrechten aangenomen. Deze 'verklaringen', 'gedragscodes' en 'principes' zijn geen verdragen die door staten worden ondertekend. Niettemin hebben ze een belangrijke invloed, omdat ze op zeer zorgvuldige wijze zijn opgesteld door staten en met brede consensus zijn onderschreven. Hieronder volgen de belangrijkste:

  • De Verklaring over de uitbanning van alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie op basis van godsdienst en geloof (1981) bevestigt dat iedereen recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; en voorts het recht niet te worden gediscrimineerd op basis van godsdienst of enig ander geloof of overtuiging.

  • De Verklaring over het recht op ontwikkeling (1986) beschrijft dit recht als een 'onvervreemdbaar mensenrecht op grond waarvan elke persoon en alle volken aanspraak kunnen maken op het deelnemen aan, bijdragen tot en genieten van economische, sociale, culturele en politieke ontwikkeling waarbij alle mensenrechten en fundamentele vrijheden volledig kunnen worden verwezenlijkt'. Verder stelt de verklaring dat zowel landen als individuen aanspraak mogen maken op gelijke ontwikkelingsmogelijkheden.

  • De Verklaring over de rechten van personen behorend tot nationale of etnische, religieuze en taalkundige minderheden (1992) bevestigt het recht van minderheden op een eigen cultuur; op het belijden en beoefenen van eigen godsdienst; het gebruik van eigen taal; en het recht om een land, ook hun eigen land, te verlaten of ernaar terug te keren. De verklaring roept staten op deze rechten te bevorderen en te beschermen.

  • De Verklaring inzake de verdedigers van de mensenrechten (1998) beoogt de erkenning, bevordering en bescherming van het werk van ijveraars voor de mensenrechten in de hele wereld. De verklaring omvat ieders recht om individueel of met anderen de bescherming van de mensenrechten op nationaal en internationaal niveau te bevorderen en na te streven, en om deel te nemen aan vreedzame actie tegen schendingen. Staten moeten alle mogelijke maatregelen nemen om mensenrechtenactivisten te beschermen tegen geweld, bedreiging, wraakacties, druk of andere willekeurige behandeling.

Andere belangrijke, niet in verdragen vastgelegde normen zijn de Standaard minimumregels voor gevangenen (1957), de Fundamentele principes over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht (1985), de Principes inzake de bescherming van alle personen verkerend in enige vorm van detentie of gevangenschap (1988) en de Verklaring over de bescherming van alle personen tegen onvrijwillige verdwijning (1992).




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina