Hoofdstuk 6 seksualiteit



Dovnload 15.46 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte15.46 Kb.
Biologie H6,7,9,10 periode 4

Vergeet je je binas met de toets niet? Staan soms wat handige plaatjes in!


Hoofdstuk 6 seksualiteit

Onder invloed van geslachtshormonen zullen je secundaire geslachtskenmerken zich ontwikkelen. In de puberteit begint de hypofyse met het aanmaken van de hormonen FSH en LH. Ze werken stimulerend op de eierstokken en de zaalballen. De productie van geslachtshormonen komt op gang. 

Vrouw: oestrogeen en progesteron
Man: Testosteron

Primaire geslachtskenmerken zijn al voor de geboorte aanwezig. Deze veranderen tijdens de puberteit.

Bij de vrouw:

wordt de baarmoederwand dikker en rijker aan bloedvaatjes. Zolang er geen bevruchting plaatst vind wordt er maandelijks baarmoederslijmvlies afgestoten.
Bij de man:

groeit de penis, de zaadballen, de balzak en de productie van zaadcellen start. Er worden zaadcellen opgeslagen in de bijballen. Via een zaadlozing verlaten deze het lichaam via de zaadleiders. De zaadblaasjes en de prostaat voegen vocht toe.

In de puberteit ontwikkel je je eigen leefstijl. Puberteit betekent ook psychisch veranderen.

Opwinding meisjes: schaamlippen dikker.
Jongens: stijve prostaat. Voor extra bloedtoevoer zwellichaam.
De eikel bij de man, en de clitoris bij de vrouw zijn tastzintuigjes.
De clitoris is te vergelijken met de eikel. 
Tijdens het vrijen wordt de bloeddruk en hartslag verhoogd. Ook ga je meer zweten.

Sommige mensen vinden dat dergelijke eigenschappen aangeleerd zijn door opvoeding en gewoonten = Nurture theorie. Maar anderen denken dat dit komt door erfelijke aanleg = Nature theorie

de vraag is nu hoe groot het aandeel erfelijk tegenover het aandeel aangeleerd is.
Partner van het andere geslacht = Heteroseksueel
Partner van hetzelfde geslacht= Homoseksueel (je valt buiten de norm, dit kan problemen opleveren)
Geen uitgesproken mening over geslacht= Biseksueel
iedereen heeft zijn eigen denkbeeld over sex, partnerkeuze, maagd zijn etc. deze denkbeelden zijn ontstaan tegen de achtergrond van de cultuur en religie.

Aids is de meest besproken SOA (Seksueel overdraagbare aandoening)
Aids is een dodelijke ziekte. De veroorzaker is het HIV Virus. Het virus kan bij iemand die besmet is voorkomen in bepaalde witte bloedcellen, in de lymfe, in het voorvocht en het sperma of vaginavocht. Het afweersysteem reageert met de productie van een kleine hoeveelheid antistoffen. De patiënt is seropositief. 

Gonorroe of Chlamydia kan je met antibiotica verhelpen. Deze SOA’s worden veroorzaakt door een bacterie. Als je te lang wacht kan je onvruchtbaar worden. Genitale wratten en herpes kunnen weg gaan maar het virus raak je nooit meer kwijt.
SOA’s kunnen alleen ontstaan door direct contact tussen geslachtsorganen en via lichaamsvocht overgebracht worden.

Terugtrekken is de meest onbetrouwbare methode. Periodieke onthouding is ook niet veilig. Je hebt dan geen geslachtsgemeenschap tussen de 8ste en de 18ste dag van de menstruatiecyclus. 
Als de zaadcellen vrijkomen, zwemmen ze meteen naar de eileiders.
De pil is het meest betrouwbare anticonceptiemiddel. Hier zitten de vrouwelijke hormonen in; die beïnvloeden de normale cyclus en remmen de productie van hypofysehormonen. En zonder hormonen rijpt er geen eicel. Ook verandert het baarmoederhalsslijmvlies. Het wordt steviger. Verschillende soorten van de pil:

combinatiepil,

sequentiepil,

driefasen pil

en de mini pil.

(bron 25)
Een arts kan een spiraaltje in de baarmoeder brengen. 
Heb je onveilig gevreeën. En ben je bang zwanger te zijn. Dan kan je een morning-afterpil kopen. 

Als je geen kinderen (meer) wil kun je je laten steriliseren. (bron 29,30)






Hoofdstuk 7

Ongeslachtelijke voortplanting komt vaak voor: Bij wormen, bacteriën, planten, zeeanemonen, en bijv. wandelende takken. Dit is voortplanting zonder dat er bevruchting plaatsvindt. De nakomelingen van bijv. bacteriën zijn hetzelfde als de ouders. 
Bij geslachtelijke voortplanting gaat het om het vermengen van erfelijke informatie.

Zaadcelvorming -> voorlopercellen -> Zaadcellen. (de productie verloopt het best bij zo’n 33 C.)

(1 voorlopercel wordt 4 zaadcellen) (opslag in de bijballen tot ze vrij komen bij een zaadlozing)


12 dagen geen zaadlozing? Dan ruimt fagocytose zaadcellen op.
De eicel is de grootste menselijke cel. De zaadcel de kleinste.

Een voorlopercel van een eicel + wat hulpcellen = een follikel.

Een mens heeft 46 chromosomen. De ei en zaadcellen bevatten er allebei 23. -> Meiose: Geslachtscellen worden vanuit gewone lichaamscellen gemaakt.
Voor zo’n celdeling plaatsvindt verdubbelt het DNA, elk chromosoom bestaat nu uit 2 chromatiden -> Meiose 1, chromosoom paren gaan uit elkaar -> Meiose 2, de chromatiden scheiden van elkaar.

Bij een bevruchting

-dringt de kern vanuit een zaadcel de eicel binnen

-Daarna ontstaat er een ondoordringbare laag om de bevruchte eicel, bevruchtingsmembraan.
-De bevruchte eicel (zygote) begint al in de eileider met delen.

-Trilhaarcellen vervoeren deze naar de baarmoeder.
-Na 4 dagen verdwijnt het bevruchtingsmembraan, er is een bolletje van 16 cellen ontstaan. 
-Na bijna een week begint het proces innestelen. Het bloed v/d moeder levert voedingsstoffen en zuurstof. Zo gaat de celdeling door. 
-De buitenste cellaag ontwikkelt zich tot een embryo. 
-In de 2e week begint toevoer placenta. 
-Na 5 weken begint het hartje van het embryo bloed te pompen. 
-Na acht weken zijn alle organen in aanleg aanwezig. Nu heet een embryo een foetus.
Rond de 40ste week vindt de bevalling plaats. 

Hormonen corrigeren activiteiten. 
De maandelijkse cyclus begint met de groei van een follikel in een eierstok. In de follikel rijpt de eicel. Na ongeveer 14 dagen barst de follikel en komt terecht in de eileider. Na de ovulatie is de eicel ongeveer 12 uur lang vruchtbaar, wordt hij niet bevrucht dan sterft hij af.


De menstruatiecyclus staat onder invloed van een hormoonklier ter grootte van een erwt: de hypofyse. Deze produceert FSH en LH.
FSH – stimuleert rijping van follikel en eicel
LH- stimuleert de ovulatie en de vorming van het gele lichaam.

IVF = vitro fertilisatie 
Op de 21ste dag krijgt de vrouw hypofyse remmende stoffen toegediend.
Na de ongesteldheid worden er 2 maal daags hormonen ingespoten. 
Als dit goed gaat, follikelpunctie. Er worden follikels uit de eicellen gezogen en vervolgens met de zaadcellen van de man in een schaaltje met kweekvloeistof gelegd. De arts kiest enkele goede embryo’s uit en plaatst ze via een slangetje in de baarmoeder

Niet iedereen heeft 46 chromosomen. Bijvoorbeeld kinderen met het syndroom van Down. Zij hebben een chromosoom meer of minder. 
Een chromosomenportret wordt ook wel karyogram genoemd. 



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina