Hoofdstuk 8 – Brandpreventie en bestrijding Samenvatting



Dovnload 87.18 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte87.18 Kb.
Hoofdstuk 8 – Brandpreventie en bestrijding
Samenvatting


Een brand

Een verbranding

Is ongewenst

Is gewenst

Is niet onder controle

Is onder controle

Brengt ongewenste schade toe

Eventuele schade is gewenst

Bevindt zich op een plaats waar hij niet thuishoort

Bevindt zich op een plaats waar zij op dat moment gewenst is


Bij een brand en een verbranding vindt hetzelfde verbrandingsproces plaats.
Brandoorzaken

  • Brandstichting (Hij die opzettelijk……..Wetboek van Strafrecht)

  • Open vuur (kampvuur, sigaret in droog bos, dakdekker)

  • Vonken (lassen, slijpen)

  • Oververhitting (wrijving van machines of apparaten)

  • Elektriciteit (kortsluiting, overbelasting kabelhaspel)

  • Zonnewarmte (brandglas, uitzetten door de druk)

  • Broei (bacteriën in een hooiberg)


De oorzaken van een brand zijn vaak terug te voeren naar de 3 O’s

  1. Onverschilligheid – (weten dat iets gevaarlijk is maar je er niets van aantrekken)

  2. Onvoorzichtigheid – (niet voorzichtig handelen, spiritus op brandende bbq gooien)

  3. Onwetendheid – (niet weten dat iets gevaarlijk kan zijn, kabelhaspel niet uitrollen)


Brandpreventie

Brandpreventie richt zich voornamelijk op het voorkomen van brand. Er is nog geen sprake van schade of slachtoffers.

Brandpreventie kan bijvoorbeeld door middel van:


Bouwkundige maatregelen

  • Vluchtwegen

  • Rook en brandwerende doorgangen

  • Rook en warmte afvoerinstallaties

  • Compartimentering

  • Branddeuren

  • Brandwerende wanden en plafonds

  • Brandvertragende materialen

Technische hulpmiddelen

  • Vonkvrije installaties, gereedschappen en hulpmiddelen

  • Noodverlichting

  • Een omroepinstallatie

  • Een slow-woop installatie

  • Een brandweerlift

  • Een rookmelder

  • Een temperatuurmelder

  • Een stralingsmelder

  • Een sprinklerinstallatie


Organisatorische maatregelen

  • Een rookverbod

  • Een brandcontroleronde

  • Een ontruimingsplan


Om een bedrijf of instelling te beschermen tegen (uitbreiding van) een brand kan er een aantal maatregelen worden genomen:

  • Compartimentering (een grote ruimte verdelen in kleine ruimtes)

  • Brandwerende deuren of muren (deze moeten minimaal 30min tegenhouden)

  • Brandmuren en branddeuren (deze moeten het vuur minimaal 60min tegenhouden. De branddeuren zijn voorzien van een contragewicht of een deurdranger, die zich automatisch sluit. Een dergelijke deur mag nooit in de openstand zijn vastgezet.

  • Het gebruik van brandvertragende materialen (horeca)

Ieder bedrijf of instelling dient ook over een ontruimingsplan te beschikken en moet regelmatig een ontruimingsoefening houden. Op iedere verdieping moet een plattegrond hangen waarop de vluchtwegen richting de uitgangen zijn aangegeven. Vluchtwegen moeten worden aangegeven middels pictogrammen en ook goed verlicht zijn.

Een nooduitgang heeft meestal een panieksluiting, dit is een horizontale stang die omlaag gedrukt wordt. Ze zijn alleen van binnenuit te openen en moet in de vluchtrichting opendraaien. Het spreekt voor zich dat deze nooit mogen zijn afgesloten of geblokkeerd.
In veel gebouwen wordt in het deel waar de vluchtwegen zich bevinden automatisch een rook en warmteafvoersysteem ingeschakeld. Zo worden rook en warmte via het dak afgevoerd.

Als de stroom uitvalt, is er een noodverlichtingsinstallatie. Deze heeft een aparte voeding en gaat bij een stroomstoring automatisch branden.

In veel gebouwen is ook een ontruimingssignaal kastje aangebracht. Dit kastje is blauwkleurig en geeft een slow-woop signaal (=luid alarm).

Wanneer zich een lift in een gebouw bevindt, zal deze bij brand automatisch naar de begane grond gaan. Bij brand mag nooit gebruik worden gemaakt van een lift. Er bestaat ook een ‘brandweerlift’ (uitsluitend worden gebruikt door de brandweer) en een brandweerkastje, waarin zich o.a. een plattegrond en moedersleutel bevinden.



Verbrandingsproces

Bij een brand en een verbranding vindt hetzelfde verbrandingsproces plaats.

Een verbrandingsproces is een scheikundige reactie van een brandbare stof met zuurstof en een ontbrandingstemperatuur. We noemen dit de branddriehoek.

Wanneer de temperatuur hoog genoeg is, komen er gassen vrij en die vliegen als eerste in brand (je ziet dan vlammen). Daarna vat het voorwerp/vloeistof vlam. Voor een verbrandingsproces moet van ieder van deze verbrandingsfactoren voldoende aanwezig zijn. Dit wordt de juiste mengverhouding genoemd, ook wel brandvierhoek.

De lucht om ons heen bestaat voor 21% uit zuurstof. De rest bestaat uit stikstof (78%) en andere gassen (1%). De hoeveelheid zuurstof die een brand nodig heeft kan per stof verschillen.

Een brand begint meestal als een oppervlaktebrand. In dit vroege stadium is minstens 17% zuurstof nodig.
De ontbrandingstemperatuur is de laagste temperatuur die nodig is om een bepaalde stof te laten ontbranden.

De zelfontbrandingstemperatuur wordt bereikt zonder ontstekingsbron (bijvoorbeeld: broei in een hooiberg en in papier door bacteriën die bewegen en hierdoor wrijving opwekken)
Ontwikkeling van een brand

Het beginstadium van een brand noemen we de ontwikkelingsperiode.

De ontwikkeling van een brand verloopt in grote lijnen als volgt:

  • Een kleine warmtebron zorgt voor de verhitting van de brandbare stof.

  • Er ontstaan onzichtbare verbrandingsgassen.

  • Door toenemende verhitting ontstaan zichtbare verbrandingsgassen (rook).

  • De temperatuur loopt verder op en er ontstaan vlammen.

  • Vlammen vormen de eerste drie brandstadia

  1. Vlammen – De brand is nog niet zo lang aan de gang, er is namelijk voldoende zuurstof. Omdat de vlammen zuurstof verbruiken, zullen ze doven op het moment dat de zuurstof op is.

  2. Gloeien – Komt na de vlammen. Omdat de brandbare stoffen heet zijn, blijven ze gloeien. Als er dan weer zuurstof bij komt (bijvoorbeeld door een deur of raam te openen) laaien de vlammen weer op.

  3. Smeulen – Er is dan te weinig zuurstof om vlammen te laten oplaaien. Net als bij gloeien: zuurstof erbij en de vlammen laaien weer op.


Branduitbreidingsfactoren

Een brand kan zich via vlamoverslag, branddoorslag en brandoverslag naar alle kanten uitbreiden. Hierbij onderscheiden we zes hoofdrichtingen:

  • Naar boven

  • Naar beneden

  • Naar links

  • Naar rechts,

  • Naar voren

  • Naar achteren

We noemen dit de kubusgedachte.

Uitbreiding van een brand

Vlamoverslag of brandvoortplanting: Uit niet brandende stoffen treden gassen. Deze gassen gaan ook branden waardoor de vlammen zich binnen de ruimte naar de andere brandbare stoffen verplaatsen.

Branddoorslag: De brand breidt zich nu uit via wanden, plafonds en vloeren naar andere ruimtes.

Brandoverslag: Nu overbruggen de vlammen een stuk buitenlucht via openstaande deuren, ramen en andere gaten en steken naastgelegen panden aan.
Er zijn drie factoren die uitbreiding mogelijk maken:

  • Straling: Wordt ook wel radiatie genoemd (kachel). De warmtebron straalt zoveel hitte af dat brandbare stoffen in de directe omgeving gaan branden.

  • Stroming: (convectie) Hierbij wordt de lucht om de warmtebron heen en de eventueel aanwezige gassen zo verhit dat brandbare stoffen kan gaan branden (centrale verwarming).

  • Geleiding: (conductie) Hierbij verhit een warmtebron materialen die warmte geleiden (ijzer/koper).

Bij straling, stroming en geleiding is er geen sprake van een ontstekingsbron maar van zelfontbranding
Brandvijfhoek

Soms komen brandbare stoffen niet tot ontbranding, ondanks de aanwezigheid van de verbrandingsfactoren en de juiste mengverhouding. Als dit het geval is, dan speelt een vijfde factor een rol: de katalysator. Dit noemt men dan de brandvijfhoek.

Er zijn er twee:

  • Positieve katalysator, dit is een stof die een verbrandingsproces op gang kan brengen of kan versnellen (melkpoeder, as).

  • Negatieve katalysator, stopt of vertraagt een verbrandingsproces (blussen, poeder met chemische stoffen).

Het blusmiddelpoeder werkt dan ook negatief katalytisch
Bij een juiste mengverhouding van de branddriehoek, vindt er een volledige verbranding plaats. Hierbij komt CO2/kooldioxine/koolzuurgas vrij. Dit gas is onbrandbaar en verdrijft zuurstof. Hierdoor werkt het verstikkend, uiteraard ook voor de mens.
Bij een brand is het van belang dat je altijd laag bij de grond blijft vanwege:

  1. De meeste zuurstof

  2. De laagste temperatuur

  3. Het meeste zicht


Als er geen juiste mengverhouding is, meestal bij onvoldoende zuurstof, vindt er een onvolledige verbranding plaats en dit is levensgevaarlijk (bijvoorbeeld: defecte geiser of verwarmingsketel)! Hierbij komt namelijk koolmonoxide/CO vrij en dit is een zeer giftig, brandbaar en explosief gas. Het is kleurloos, smaakloos en reukloos en wordt 300 keer sneller in het bloed opgenomen dan zuurstof. Iemand met een koolmonoxide vergiftiging krijgt (mocht deze persoon het overleven) in het ziekenhuis nieuw bloed.

CO2 (kooldioxide) daarentegen is niet giftig, brandbaar of explosief.

Brandbare stoffen komen in drie vormen voor:

  1. Vast

  2. Vloeibaar

  3. Gasvormig

De vorm waarin een stof voorkomt noemen we de aggregatietoestand. Een stof kan overgaan van de ene in de andere aggregatietoestand (bijvoorbeeld: Water/IJs – Boter/Olie – Kaars/Kaarsvet)
Wat doe je bij een brand

Alarmeren (112)



Hierbij geef je door:

  • De locatie

  • De soort brand

  • Grootte van de brand

  • Eventuele slachtoffers (i.v.m. ambulance)

  • Is er sprake van gevaarlijke stoffen

De eerste prioriteit bij een brand is dat jezelf geen gevaar loopt. Verder, indien mogelijk, de brandhaard wegnemen (bijvoorbeeld: gaskraan dichtdraaien). Vervolgens natuurlijk het redden van slachtoffers. Van een beveiliger wordt verwacht dat hij/zij een kleine en/of beginnende brand zelf blust. Bij het blussen is het van belang dat je het vuur van onderen af bestrijdt.


Het grootste gevaar bij een brand = rook

Let daarom op:

  1. Verstikking (door kooldioxine of koolmonoxide)

  2. Dat je de weg niet kwijtraakt omdat je te weinig of niets ziet, neem daarom altijd, indien mogelijk, de slang van een brandslanghaspel mee

  3. Vergiftiging door gassen die vrijkomen uit sommige (kunst)stoffen


Waar je ook op moet letten is de zogenaamde ‘flash over’. Dit is een steekvlam die ontstaat als je een deur opent. Het is daarom van belang dat je de geleerde deurprocedure uitvoert.

Steekvlammen

Door het openen van een deur waarachter een brand is, kan een steekvlam ontstaan die aan de bovenkant van de deur ontsnapt (flash over).

Om te voorkomen dat u gewond raakt is het volgende belangrijk:

  • Ga op uw hurken en voel of de deurkruk warm is.

  • Ga niet naar binnen als de kruk warm is; laat dit over aan de brandweer

  • Als u de scharnieren ziet, draait de deur naar u toe. Gebruik de deur dan als bescherming.

  • De deur draait van u af als u geen scharnieren ziet. Zoek dan bescherming naast de opening van de deur.






Verder moet je goed letten op eventuele gevaarlijke stoffen. Deze kunnen ook vrijkomen van verpakkingen. Let op eventueel instortingsgevaar, door een brand kunnen zich altijd muren of dragende delen het begeven.

Wees niet overmoedig, zo van: “ik ben niet bang, ik doe het wel even”. Hiermee breng je niet alleen je eigen maar eventueel ook een ander leven in gevaar.

Let op elektrocutie, door instorting kunnen draden vrij komen te liggen. Raak niet in paniek, dit kan tot verkeerde handelingen en maatregelen leiden.

Overkomt het je toch, sta dan stil, tel tot 10 en ga bij jezelf te rade waarom je in paniek raakt.
Brandweer opvangen/informatie geven

Dit doen we door:

  • De aanrijroute voor de brandweer vrij (laten) houden

  • De brandweer op te vangen en te begeleiden naar de plaats van de brand

  • Bluswatervoorziening aan te wijzen

  • Eventuele gevaren door te geven

  • Gewonden en vermisten melden.


Taken van de brandweer zijn:

  1. Verkennen

  2. Redden

  3. Branduitbreiding voorkomen

  4. Blussen

Een brand wordt ontdekt door jezelf, iemand met behulp van een handbrandmelder, iemand die daarvan telefonisch melding maakt of door een automatische brand/rookmelder.
De brandmelders

  • Handbrandmelder

Reageert op de handeling van een persoon
Wordt toegepast in ruimtes waar publiek of gasten toegang hebben (hotels en kantoorgebouwen)


  • Rookmelder, 2 soorten:

  1. Optische rookmelder
    Reageert op zichtbare verbrandingsgassen (roetdeeltjes in rook)

Wordt toegepast in ruimtes met grote temperatuurschommelingen, openbare ruimtes

  1. Ionisatiemelder
    Reageert op onzichtbare verbrandingsgassen (pvc)
    Wordt toegepast in ruimtes waar brand catastrofale gevolgen zal hebben


  • Temperatuurmelder, 2 soorten:

  1. Maximaalmelder
    Reageert op vooraf ingestelde temperatuur
    Wordt toegepast in vergaderzalen, werkplaatsen, keukens


  2. Differentiaalmelder
    Reageert op snelle temperatuurstijging
    Wordt toegepast in vergaderzalen, werkplaatsen, keukens


  • Stralingsmelder, 2 soorten:

  1. Infraroodmelder
    Reageert op infrarood straling van vlammen
    Wordt toegepast in de buitenlucht, opslagruimtes voor vloeistoffen, hoge ruimtes


  2. Ultravioletmelder
    Reageert op ultraviolet straling van vlammen
    Wordt toegepast in de buitenlucht, opslagruimtes voor vloeistoffen, hoge ruimtes


  • Sprinklerinstallatie
    Ontdekt, meldt en blust een brand.

Wordt toegepast in:

  • Ruimtes waar veel mensen komen zoals winkelruimtes, hotels en ziekenhuizen

  • Ruimtes met grote hoeveelheden brandbare stoffen zoals een vuurwerkopslag

  • Gebouwen met historische waarde


De sprinklerinstallatie is in het plafond gemonteerd en aangesloten op het waterleidingnet, een waterwinplaats (vijver) of een watertank. Moet regelmatig worden doorgespoeld in verband met de legionellabacterie. Op de vertakkingen aan net plafond zijn sprinklerkoppen met daarin een smeltzekering gemonteerd. Bij een bepaalde temperatuur (meestal tussen de 68o en 100o Celsius) springt dat element. De sprinklerinstallatie heeft een alarmbel en een directe doormelding naar de brandmeldcentrale.

De oorzaak van een brand wordt altijd onderzocht door de politie, in samenwerking met de brandweer en eventuele schade expert van een verzekeringsmaatschappij.
Brandklassen

Brandbare stof kan in verschillende vormen voorkomen. Iedere brand is anders en niet iedere blusstof is geschikt voor alle soorten branden. Voor een goede afstemming van een blusstof op soort brand, zijn branden verdeeld in vijf brandklassen (A, B, C, D, F).


Brandklasse A:

Vaste stoffen

Brandklasse B:

Vloeistoffen

Brandklasse C:

Gassen

Brandklasse E:

Elektriciteit (bestaat niet meer)

Brandklasse D:

Metalen

Brandklasse F:

Vetten


Ezelsbruggetje: VVGMV


  • A: Vaste stoffen, verbranding begint bijna altijd met rook, gevolgd door vlammen die worden veroorzaakt door gassen die gaan branden door de hitte en daardoor uit de vaste stof zijn getreden.

  • B: Vloeistoffen, niet de vloeistof brandt, maar wel de dampen. (benzine, alcohol, olie)

  • C: Gassen branden uitsluitend met vlammen als er een juiste mengverhouding is met zuurstof. Bij dit ideale mengsel is een vonkje al genoeg voor een explosieve verbranding.

(OEG – BEG schema)
Gas kan alleen branden als er een juiste verhouding is tussen het gas en zuurstof. Bij dit ideale mengsel is een vonk al genoeg om een explosieve verbranding te veroorzaken.
In dit schema ziet u dit weergegeven:



OEG = Onderste explosiegrens

BEG = Bovenste explosiegrens


Het explosiegebied is voor iedere stof verschillend. Er zijn stoffen met een klein en stoffen met een groot explosiegebied.

Een explosie van een gas-luchtmengsel is, net als een stofexplosie, een scheikundige (of chemische) explosie.



Hierbij veroorzaakt een verbranding (een vonk of een vlam) een chemische reactie waarop de explosie volgt.

  • D: Metalen. Bijv. aluminium/magnesium/natrium. Voor deze is een speciale blusstof nodig.

(D poeder)

  • F: Vetten. Er zijn speciale vetblussers voorzien van een chemisch blusmiddel, welke vooral in de horecakeukens worden gebruikt. Wanneer de temperatuur van frituurvet of bakolie oploopt tot boven de 320o Celsius, begint het spontaan te branden.


Blusstoffen

De blusstoffen verdelen we in drie groepen:

  • Droge blusstoffen – Poeder, Zand, Blusdeken

  • Natte blusstoffen – Water, Schuim

  • Gasvormige blusstoffen – CO2


De blusstoffen zijn “verpakt” in kleine blusmiddelen, bestemd voor het blussen van kleine en beginnende branden.

Er zijn drie verschillende vormen:

  1. CO2/sproeischuim/vet en poederblusser

  2. Vaste slanghaspel

  3. Blusdeken


Een draagbaar blustoestel moet aan een aantal eisen voldoen:

  1. Rood van kleur

  2. Totale gewicht maximaal 20kg

  3. Moet rijksgoedgekeurd zijn

  4. Verzegeling aanwezig die het gebruik niet hindert

  5. Eenvoudig te bedienen

  6. Weinig onderhoud vergen

  7. Duidelijke gebruiksaanwijzing met pictogrammen en tekst

  8. Bestand tegen de vulling en normale atmosferische omstandigheden




Het is van belang dat je regelmatig een blustoestel controleert, en wel op:

  • Aanwezigheid van de borgpen

  • Aanwezigheid van de verzegeling

  • Uitdroging van de slang (haarscheurtjes)

  • Periodieke keuring

  • Beschadigingen

  • Goede leesbaarheid van de gebruiksaanwijzing

  • Juiste druk (bij toestel met manometer)


Blustoestel procedure (indien er een defect is geconstateerd)

  • Van standaard halen

  • Plat op de grond leggen

  • CP oproepen en om vervanging vragen

Kleine blusmiddelen, de werking en de voor en nadelen:


De CO2 (koolzuursneeuw) blusser

In deze blusser zit CO2/kooldioxine/koolzuurgas. De vulling bestaat uit samengeperst koolzuurgas, voor een deel vloeibaar en voor een deel gasvormig. CO2 is circa 1,5x zwaarder dan lucht, komt vrij bij volledige verbranding en verdrijft zuurstof, hetgeen verstikkend werkt.

De blusser is te herkennen aan een expansiekoker. Door de vorm van de koker wordt vloeibare CO2 snel omgezet in gas. Het bevriest dan en ziet er uit als sneeuw, vandaar de naam ‘koolzuursneeuw-blusser’. De temperatuur in de koker daalt tot ongeveer -70o tot -80o Celsius. Pak daarom de koker alleen bij het handvat vast. Anders kunnen uw vingers vastvriezen aan de niet geïsoleerde delen.

Toepassing:

  • Brandklasse B

  • Brandklasse C

  • Branden in of vlakbij elektrische installaties

Voordelen

Nadelen

  • Verwaait snel in de buitenlucht

  • Verdrijft zuurstof en heeft dus een verstikkende werking op mensen

  • Geen indringingsvermogen

  • Heeft een beperkte werkingsduur




Hoofdbluswerking

  • Verdringt zuurstof

Nevenbluswerking

  • Geen

Sproeischuimblusser

Hierin bevindt zich circa 95% water en een schuimvloeistof genaamd AFFF (Aqueous Film Forming Foam) of ook wel light water genoemd.

Wordt meestal gebruikt bij vloeistofbranden, waarbij een schuimwaterfilm wordt aangebracht dat zich snel over de vloeistof verspreidt, waardoor de dampende gassen worden afgedekt en zich zo niet kunnen mengen met de zuurstof in de lucht.

Deze blusser is de enige schuimblusser die ook gebruikt kan worden voor elektriciteitsbranden.
Toepassing:

  • Brandklasse A

  • Brandklasse B

  • Branden in of nabij elektrische installaties en computerruimtes.




Voordelen

  • Veel schuim met weinig water

Nadelen

  • Vorstgevoelig

  • Veroorzaakt nevenschade

  • Heeft een beperkte werkingsduur




Hoofdbluswerking

  • afdekkend

Nevenbluswerking

  • afkoelend


Poederblusser

Bluspoeder bestaat voor een groot gedeelte uit diverse soorten zout. Er zijn 3 groepen poeders. Afhankelijk van de samenstelling zijn ze geschikt voor de brandklasse ABC, BC en D.

We kennen daarom:

  • BC poeder

  • ABC poeder

  • D poeder


Toepassing:

  • Brandklasse ABC

  • Brandklasse BC

  • Brandklasse D




Voordelen

  • Geleidt geen elektriciteit

  • Niet vorstgevoelig

Nadelen

  • Vochtgevoelig, waardoor het klonterig wordt

  • Veroorzaakt veel nevenschade

  • Vermindert het zicht tijdens blussen

  • Heeft een beperkte werkingsduur




Hoofdbluswerking

  • Negatief katalytisch

Nevenbluswerking

  • Afdekkend


Vetblusser

Vetbranden waarbij het gaat om veel vet (vijf liter of meer) zijn moeilijk te blussen met normaal schuim, CO2 of poeder. Ook het afdekken met een blusdeken is vaak niet voldoende. Bovendien is er door hoge temperatuur van het vet of de olie na het blussen grote kans op herontsteking. De blusser bevat een speciaal chemisch blusschuim die speciaal is ontwikkeld om een brandende frituurbak af te dekken en het vet of de olie te blussen. Het schuim vormt een afsluitende laag op de brandende vloeistof en heeft daarnaast een sterk koelende werking, waardoor de temperatuur van de vloeistof snel afneemt.
Toepassing:

  • Brandklasse F




Voordelen

  • Veel schuim met weinig water

Nadelen

  • Vochtgevoelig

  • Heeft een beperkte werkingsduur




Hoofdbluswerking

  • Afdekkend

Nevenbluswerking

  • Afkoelend


De vaste slanghaspel

Wordt ook wel brandslanghaspel genoemd. De slang is minimaal 20 en maximaal 30 meter lang. Tegenwoordig is het verplicht dat zowel de kraan als de spuitmonden zijn verzegeld. Op iedere haspel zit een gele sticker met daarop de keuringsdatum. Vaak hangen ze in een kast, zodat er geen zonlicht bij kan komen en dus de slang ook niet uitdroogt. Je kunt de slang ook gebruiken om ervoor te zorgen dat de deur niet achter je dichtvalt of dat je ook weer de weg terug kunt vinden. De slang moet ook regelmatig worden doorgespoeld i.v.m. de legionellabacterie.

De spuitmond heeft drie standen:

  1. Dicht

  2. Sproeistraal

  3. Gebonden straal – heeft dikkere straal en kan dus een grote afstand overbruggen en een dieper doordringingvermogen, waardoor het meer in de kern van de brandbare stof dringt.


Toepassing:

  • Brandklasse A




Voordelen

  • Goedkoop

  • Onbeperkte werkingsduur

Nadelen

  • Elektrisch geleidend

  • Veel waterschade

  • Vochtgevoelig




Hoofdbluswerking

  • Afkoelend

Nevenbluswerking

  • Verdringt zuurstof, vooral bij stoomvorming en in mindere mate bij een sproeistraal (1 liter water geeft ongeveer 1700 liter stoom)


Blusdeken

Blusdekens zijn gemaakt van wol of van een onbrandbare kunstvezel zoals glasvezel. Ze worden gebruikt in de keuken (kleinere horeca) of thuis, een laboratorium en bij auto of motorraces. Je kunt de blusdeken gebruiken voor kleine brandjes in bijvoorbeeld vetpannen of voor het afdekken van personen van wie de kleding in brand is geraakt.
Toepassing:

  • Brandklasse F




Hoofdbluswerking

  • Afdekkend

Nevenbluswerking

  • Verstikkend


Droge stijgleiding

Wanneer er in een hoog of groot gebouw een brand zou uitbreken, is het heel goed mogelijk dat er bij de blussing door de brandweer veel kostbare tijd verloren gaat door het uitrollen en/of naar boven brengen van slangen. Om dit te vermijden zijn in bepaalde gebouwen droge stijgleidingen noodzakelijk. Deze stijgleidingen bestaan uit stalen buizen met voedings en brandslangaansluitingen.

De brandweer kan op die manier met de pomp van een blusvoertuig de benodigde hoeveelheid water in korte tijd op de betreffende gewenste plaats krijgen.
De aanwezigheid van een droge stijgleidingen is verplicht bij:

  • Gebouwen waarvan de hoogste verdiepingsvloer 20 meter boven het maaiveld ligt (afhankelijk van de indeling en afmeting)

  • Een zeer uitgestrekt gebouw

  • Een gebouw dat door brandweervoertuigen moeilijk rondom te bereiken is

  • Er moet dan wel binnen de directe nabijheid (40 meter) een brandkraan bevinden




Naast de kleine blusmiddelen bestaan er ook automatische brandblusinstallaties. Dit wordt ook wel een stationaire blusinstallatie genoemd. Het is een installatie die vast in een gebouw is aangebracht en die is aangesloten op een brandmeldinstallatie/centrale.

Deze centrale bevindt zich meestal in de loge, bij de receptie of de centrale post van de bedrijfsbeveiligingsdienst. Automatische brand en storingsmeldingen, komen via een optisch (flitslamp) en akoestisch geluid (signaal) binnen.

Een gebruiker mag alleen het akoestische signaal afzetten. Het optische mag alleen met toestemming van de brandweer worden uitgeschakeld.

Een automatische brandmelder is ook een handbrandmelder. Dat is het rode kastje aan de muur met aan de voorkant een glaasje. Door het glaasje in te slaan, wordt een brand gemeld.

Soms wordt een melding rechtstreeks en automatisch aan de brandweer doorgegeven. Dit is verplicht bij zieken en verzorgingshuizen.
Automatische brandblusinstallaties

  • Sprinklerinstallatieis omschreven

  • Blusgasinstallatiewordt gebruikt in ruimtes waar geen nevenschade door blusstof mag ontstaan. De installatie bestaat uit een leidingnet dat is aangesloten op één of meerdere gasflessen. Op de leidingen zitten afblaasmonden, waardoor het blusgas vrijkomt. Dit is meestal onder de vloer in laboratoria of computerruimten.

  • Blusschuiminstallatiewordt gebruikt bij overslagplaatsen en opslagtanks van brandbare vloeistoffen. Zelfde principe als bij blusgassen met leidingnet en afblaasmonden.

  • Bluspoederinstallatiewordt niet zoveel gebruikt. Gebruik komt overeen met de andere.

Niet iedere brandmelding betekent dat er brand is. Er kan sprake zijn van een storing of van vuur waarvoor de brandweer niet gealarmeerd hoeft te worden. We moeten dan wel controleren of er sprake is van loos (=vals) alarm.

Loos alarm kent twee vormen:

  1. Ongewenst alarm – De melding wordt veroorzaakt door roken, lassen of met opzet een valse melding door middel van de handbrandmelder.

  2. Onecht alarm – De melding wordt veroorzaakt door een storing


Als er sprake is van een loos alarm en als daarbij sprake is van rechtstreekse doormelding naar de brandweer, moet de brandweer zo snel mogelijk worden geïnformeerd om te voorkomen dat ze onnodig uitrukt. In dit geval mag je wel zelf het akoestische signaal afzetten. Bij een storing dient dan de technische dienst of leverancier van de installatie te worden gewaarschuwd.
Belangrijke begrippen
Aggregatietoestand

De vorm waarin een stof voorkomt: vast, vloeibaar of gasvormig.
Arm mengsel

Een mengsel van gas en lucht dat niet brandbaar en niet explosief is.
Blusdeken

Deken voor het doven van vlammen, het inwikkelen van in brand geraakte personen en voor afscherming en afdekking.
Blusmiddelen

Hulpmiddelen die gebruikt worden voor het blussen van branden.
Bluspoeder

Blusstof in poeder vorm.
Blusschuim

Blusstof die bestaat uit schuim en is gevormd uit een blusschuimvormend middel, water en lucht.
Blusstof

Vaste, vloeibare of gasvormige stof die geschikt is voor het blussen van brand.
Blustoestel

Toestel voor het bewaren en verspuiten van een blusstof.
Bluswerking

Uitwerking van een blusstof op een brand.



Bovenste explosiegrens (BEG)

De hoogste concentratie van een brandbaar gas, damp of stofvormige vaste stof waarbij een explosie mogelijk is.
Brand

Een verbrandingsproces dat zich op een plaats bevindt waar het niet thuishoort, ongewenste schade veroorzaakt, ongewenst en niet onder controle is.
Brand en sluitronde

Ronde die meestal aan het eind van de dag, binnen een half uur na vertrek van het laatste personeel, wordt gelopen. Er wordt met name gelet op alles wat met brand en brandpreventie te maken kan hebben, ongewenste personen in het object, ramen en deuren, verlichting, zonneschermen, waardevolle, vertrouwelijke of geheime informatie op informatiedragers.
Brandbare stof

Stof die tot ontbranding kan komen, brandbaar is. We onderscheiden vaste, vloeibare en gasvormige branden.
Brandcontroleronde

Ronde waarin gecontroleerd wordt of er situaties zijn die brand kunnen veroorzaken en of de hulpmiddelen die branduitbreiding en slachtoffers moeten voorkomen, bereikbaar en bruikbaar zijn.
Branddeur

Een zware, van onbrandbaar materiaal gemaakte deur die een brand minstens 60 minuten moet tegenhouden.
Branddoorslag

Uitbreiding van een brand naar andere ruimtes via wanden, plafonds en vloeren.
Branddriehoek

De drie verbrandingsfactoren, zuurstof, ontbrandingstemperatuur en brandbare stof.


Brandklasse

Een groep brandbare stoffen die dezelfde aggregatietoestand hebben.

We onderscheiden de brandklassen:

  • AVaste stoffen

  • BVloeistoffen

  • CGassen

  • DMetalen

  • FVetten

Ezelsbruggetje: VVGMV

  • E – Elektriciteit (bestaat niet meer)

Brandoverslag

Uitbreiding van een brand naar een naastgelegen object via openstaande deuren, ramen en andere gaten.
Brandslanghaspel

Een brandslang opgerold op een haspel met een minimale lengte van 20 meter en een maximale lengte van 30 meter.
Brandvierhoek

De drie belangrijkste verbrandingsfactoren: zuurstof, ontbrandingstemperatuur en brandbare stof plus de mengverhouding.
Brandvijfhoek

De drie belangrijkste verbrandingsfactoren: zuurstof, ontbrandingstemperatuur en brandbare stof plus de mengverhouding en een katalysator.
Brandvoortplanting

Zie vlamoverslag.
Brandwerende deur

Een deur met een brandwerendheid van minstens 30 minuten die in combinatie met brandwerende wanden gebruikt wordt bij compartimentering.
Brandwerende wand

Een wand met een brandwerendheid van minstens 30 minuten die in combinatie met brandwerende wanden gebruikt wordt bij compartimentering.
Chemische explosie

Zie scheikundige explosie.
Compartimentering

Een grote ruimte opsplitsen in kleinere ruimtes met behulp van (brandwerende) deuren en (brandwerende) wanden met als doel goederen beter te kunnen beveiligen en/of snelle uitbreiding van brand te voorkomen.
Differentiaalmelder

Een temperatuurmelder die een melding geeft als de temperatuur binnen een bepaalde tijd te snel stijgt.
Draagbaar blustoestel

Verplaatsbaar blustoestel met een totaal gewicht van maximaal 20 kg.
Drijfgas

Onbrandbaar gas waarmee de vulling van een blustoestel over overdruk gebracht en uitgedreven wordt.

Drijfgaspatroon

Metalen cilinder die is gemonteerd in of tegen een draagbaar blustoestel, waarin het gas voor het uitdrijven van de vulling van het toestel is opgeslagen.
Evalueren

Achteraf beoordelen of er goed en verstandig is gehandeld.
Explosiegebied

Het ideale mengsel van gas en lucht dat brandbaar en explosief is en zich bevindt tussen de onderste explosiegrens (OEG) en de bovenste explosiegrens (BEG)
Handbrandmelder

Een kastje dat zich op strategische plaatsen in een object bevindt en waarbij door het indrukken van een glaasje een rechtstreekse brandmelding plaatsvindt naar de brandmeldcentrale.
Hoofdbluswerking

De belangrijkste werking van een blusstof op een brand.
Ideaal mengsel

Een mengsel tussen gas en lucht dat brandbaar en explosief is.
Ionisatiemelder

Een melder die met behulp van radioactiviteit de samenstelling van de lucht meet en op de elektrisch geladen deeltjes (ionen) van onzichtbare verbrandingsgassen reageert en een melding geeft.
Katalysator

Stof met een positieve werking (brengt het proces op gang) of een negatieve werking (stopt het proces) op het verbrandingsproces.
Kleine blusmiddelen

Hulpmiddelen bij het blussen van beginnende en kleine branden.
Koolzuurgas

Gasvormige blusstof (CO2) die blust door verstikking.
Legionellabacterie

Een bacterie die voorkomt in zoet water en zich het snelst vermenigvuldigt in stilstaand leidingwater met een temperatuur tussen de 25o en 55o Celsius.

Besmetting met de legionellabacterie vindt plaats via de longen, waarschijnlijk door het inademen van de bacterie in zeer kleine druppeltjes water die in de lucht verspreid zijn. De bacterie veroorzaakt de veteranenziekte.
Loos alarm (vals alarm)

Een al dan niet opzettelijke onechte of ongewenste brandmelding zonder dat er brand is.

Maximaalmelder

Een temperatuurmelder die een melding geeft wanneer de temperatuur boven een vooraf ingestelde temperatuur komt.
Natuurkundige explosie

Een explosie die wordt veroorzaakt door een te hoge druk.
Nevenbluswerking

De bijwerking van een blusstof op een brand.
Onderste explosiegrens (OEG)

De laagste concentratie van een brandbaar gas, damp of stofvormige vaste stof waarbij een explosie mogelijk is.
Onecht alarm

Een alarm waarbij geen sprake is van rook of vuur en dat is veroorzaakt door een technische storing.
Ongewenst alarm

Een alarm dat het gevolg is van brandverschijnselen die niet worden veroorzaakt door een brand.
Ontbrandingstemperatuur

De laagste temperatuur die een brandbare stof nodig heeft om te kunnen branden.
Onvolledige verbranding

De verbranding die plaatsvindt als er geen sprake is van een juiste mengverhouding. Dit is met name het geval als er onvoldoende zuurstof is. Bij dit proces komt koolmonoxide (CO) vrij.
Optische rookmelder

Een melder die reageert op de zichtbare verbrandingsgassen (roetdeeltjes in rook) die bij een verbrandingsproces vrijkomen.
Rijk mengsel

Een mengsel tussen gas en lucht dat wel brandbaar is maar niet explosief.
Scheikundige explosie

Een explosie die wordt veroorzaakt door een verbranding (een vonk of een vlam).
Sprinklerinstallatie

Een installatie die bestaat uit een netwerk van leidingen aan het plafond. Dit netwerk is aangesloten op het waterleidingnet. Op de vertakkingen van het leidingnetwerk zijn sprinklerkoppen gemonteerd die voorkomen dat het water eruit stroomt. Een sprinklerkop wordt afgesloten door een temperatuurgevoelig element (smeltzekering) dat bij een temperatuur kapot gaat waarna er water uit de kop stroomt.

Stralingsmelder

Wordt ook wel vlammenmelder genoemd en reageert op het flakkeren van vlammen en op de infrarode of ultraviolette straling die door de vlammen worden afgegeven.
Temperatuurmelder

Deze melder wordt ook wel thermomelder genoemd. Hij reageert op verhoging van de temperatuur. We onderscheiden de differentiaalmelder en de Maximaalmelder.
Verbranding

Een verbrandingsproces dat onder controle is en gewenst.
Verbrandingsfactoren (branddriehoek)

De drie elementen zuurstof, ontbrandingstemperatuur en brandbare stof die voor een verbrandingsproces tegelijkertijd aanwezig moeten zijn.
Veteranenziekte

Een ziekte die begint met griepverschijnselen zoals hoofdpijn, spierpijn en een ziek gevoel. De ziekte kan goed worden behandeld met antibiotica, maar als dat niet het geval is kan de ziekte longontsteking, hoge koorts en zelfs de dood tot gevolg hebben.
Volledige verbranding

De verbranding die plaatsvindt bij een juiste (meng)verhouding tussen de drie verbrandingsfactoren. Daarbij is met name voldoende zuurstof belangrijk. Bij dit proces komt kooldioxine (CO2) vrij.
Zelfontbrandingstemperatuur

De ontbrandingstemperatuur die zonder ontstekingsbron wordt bereikt in de gehele brandbare stof.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina