Hoofdstuk b – nomenclatuur van de weg – lexicon classificatie van de wegen b nomenclatuur van de weg



Dovnload 51.23 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte51.23 Kb.

TB 2000 B.



HOOFDSTUK B – NOMENCLATUUR VAN DE WEG – LEXICON

B1. CLASSIFICATIE VAN DE WEGEN

B.2. NOMENCLATUUR VAN DE WEG


B.2.1. Algemene definities




B.2.2. Bovenaanzicht van de wegdelen




B.2.3. Delen van het platform




B.2.4. Sloten, lijnvormige elementen en plaatselijke elementen




B.2.5. Speciaal ingerichte delen van de bermen




B.2.6. Onderdelen van de weg in dwarsdoorsnede




B.2.7. Onderdelen van de funderingsgrond




B.2.8. Onderdelen van de rijbaan of van een verhard deel




B.2.9. Onderdelen van het bermlichaam en van het taludlichaam




B.2.10 Types wegdekken (verhardingen)




B.3. LEXICON


B1. CLASSIFICATIE VAN DE WEGEN

In het onderhavige bestek worden twee categorieën wegen onderscheiden:

  • Wegen voor zwaar verkeer, waarvan de autosnelwegen en de wegen met twee banen in beide richtingen deel uitmaken.

  • Andere wegen.



B.2. NOMENCLATUUR VAN DE WEG

De definities van de nomenclatuur worden gegeven vanuit het standpunt van de wegenbouw. Gezien vanuit het standpunt van het gebruik van de weg, of van een deel ervan, vallen deze definities slechts samen wanneer dit gebruik niet door een horizontale of verticale signalisatie werd gewijzigd.



B.2.1 Algemene definities




B.2.1.1. WEGGEBIED

Een deel van het openbare domein, bestemd voor de weg en zijn aanhorigheden, alsook de overmaat van de innemingen die tijdelijk ter beschikking van de Aannemer worden gesteld.



B.2.1.2. WEG

Generieke term die verwijst naar het geheel van de inrichtingen die het verkeer van voertuigen, voetgangers en dieren mogelijk maken.




B.2.2. Bovenaanzicht van de wegdelen


B.2.2.1. PLATFORM

Het deel van de weg dat de rijbaan (-banen), de verharde zijstroken en de wegbermen omvat.

De breedte van het platform is de breedte van de horizontale projectie van het platform, loodrecht op de wegas gemeten.




Het platform wordt als volgt begrensd:


  • voor een weg in ophoging: door de kruinlijnen van de taluds

  • voor een weg in uitgraving: door de tenen van de taluds

  • voor een weg op maaiveldhoogte: door de grenzen van de wegbaan.


B.2.2.2. TALUDS
Het deel van de weg waarvan het oppervlak een dwarshelling van minstens 16,66% of een schuinte van hoogstens 24/4 vertoont.

De helling van het talud is de tangens van de hoek die wordt gevormd door het talud en het horizontale vlak. Ze wordt uitgedrukt in %.

De schuinte van het talud is de tangens van de hoek die wordt gevormd door het talud en het verticale vlak. Ze wordt uitgedrukt door een breuk met 4 als teller.

Men onderscheidt twee soorten taluds:

- het ophogingstalud: een talud gelegen in een ophogingszone


  • het uitgravingstalud: een talud gelegen in een uitgravingszone.


B.2.2.3. BERM
Het deel van de weg waarvan het oppervlak een dwarshelling van minder dan 16,66% vertoont of een schuinte van meer dan 24/4, en dat zich tussen een talud en de grens van de wegbaan bevindt of dat de helling van een talud onderbreekt.

Wanneer de berm d.m.v. een afronding (een ‘neus’) met het talud is verbonden, wordt hij begrensd door de verticale projectie van de snijlijn van de tangens.


Men onderscheidt de volgende soorten bermen:

  • Tussensteunberm: berm die de helling van een talud onderbreekt.

  • Onderberm: berm die zich aan de onderzijde van een talud in ophoging bevindt

  • Bovenberm: berm die zich aan de bovenzijde van een talud in uitgraving bevindt


B.2.3. Delen van het platform




B.2.3.1. RIJBAAN

Het beklede deel van het platform bestemd voor het verkeer van voertuigen.


Men onderscheidt:

  • De railstrook: het deel van de rijbaan dat door sporen wordt ingenomen. Deze strook mag door alle voertuigen worden gebruikt (zie fig. B.1)

  • De rijstrook: dit is de strook van de weg die het verkeer van één rij voertuigen mogelijk maakt. Een rijstrook kan worden voorbehouden voor bepaalde gebruikers of voor een bepaald gebruik (rijstrook voor autobussen, enz.) en kan als zodanig worden aangegeven.



B.2.3.2. VERHARDE RIJSTROOK




Het aan de rijbaan grenzende, speciaal verharde deel dat bestemd is voor het tijdelijk plaatsen van voertuigen.


Dit deel wordt eveneens de verharde berm genoemd wanneer het langs de zijkant aan de buitenberm grenst.
Men onderscheidt:

  • De vluchtstrook (of pechstrook): een zone die de voertuigen de mogelijkheid biedt de rijbaan te verlaten en zich tijdelijk aan de kant te zetten indien dit nodig is.

  • De stationeerstrook: zone bestemd voor het stationeren van voertuigen.

  • Uitwijkzone: zone van beperkte lengte, die ruimte biedt aan voertuigen die voor een kort oponthoud stilstaan.

Op een smalle rijbaan wordt een uitwijkzone die een voertuig de mogelijkheid biedt te parkeren en zo de weg vrij te maken voor andere voertuigen een wisselplaats genoemd.


B.2.3.3. WEGBERM
Het deel van het platform dat zich buiten de rijbanen en de verharde rijstroken bevindt. Een berm kan sloten (§ B.2.4.1.) en speciaal ingerichte delen (§ B.2.5.) bevatten.

Men onderscheidt de volgende soorten bermen:



  • Middenberm: wegberm tussen de middelste rijbanen van een weg met een even aantal rijbanen.

  • Tussenberm: wegberm tussen twee rijbanen van een weg met verscheidene rijbanen, de middenberm uitgezonderd.

  • Buitenberm (of niet-verharde berm): wegberm die zich tussen de grens van het platform en de buitengrens van de verharde rijstrook (of van de rijbaan indien er geen verharde zijstrook is) bevindt.

De zijberm bestaat uit de verharde rijstrook (verharde berm) en de buitenberm.



B.2.4. Sloten, lijnvormige elementen en plaatselijke elementen
B.2.4.1. SLOOT
Het deel van de weg dat gevormd wordt door een open sleuf in het terrein, die bestemd is om water op te vangen en af te voeren.
Men onderscheidt de volgende soorten sloten:

  • Bermsloot: sloot gelegen in een wegberm.

  • Teensloot: sloot gelegen in een onderberm.

  • Kruinsloot: sloot gelegen in een bovenberm.


B.2.4.2. LIJNVORMIG ELEMENT
Lijnvormig element aan het oppervlak van de weg, zoals: kantopsluiting, afvoergeul, kantstrook, straatgoot, veiligheidsstootband, enz.

B.2.4.3. PLAATSELIJK ELEMENT

Element van geringe afmetingen in het wegoppervlak zoals; straatkolk, rooster, rioolluik, deksel, sterfput, brandkraanmond, hydrant, verkeerstekenpaal, verlichtingspaal, grenspaal, verkeerszuil, enz...

In de zin van de onderhavige terminologie maken de lijnvormige elementen slechts deel uit van de rijbaan indien ze erin geïntegreerd zijn. Normaal gesproken maken ze deel uit van een berm. Wanneer ze aan de rijbaan grenzen en er zich op die plaats een verharde zijstrook bevindt, maken ze deel uit van deze zone.

Wanneer de rijbaan (eventueel de verharde zijstrook) begrensd wordt door een hoge berm, worden de lijnvormige elementen gelegen op het niveau van de rijbaan (de verharde zijstrook) beschouwd als erin geïntegreerd.



B.2.5 Speciaal ingerichte delen van de bermen
B.2.5.1. SPECIALE BEDDING

Het deel van de berm dat uitsluitend bestemd is voor voertuigen van het openbare vervoer en andere toegelaten voertuigen.


De speciale bedding verschilt van de eigenlijke bedding die geen deel uitmaakt van de weg.
B.2.5.2. RUITERPAD
Het deel van de wegberm dat ingericht is voor ruiters en dat als zodanig is aangegeven.
B.2.5.3. FIETSPAD
Het al of niet verhoogde deel van de wegberm dat ingericht is voor fietsers en bromfietsers en dat als zodanig is aangegeven.

B.2.5.4. VOETPAD

Het al of niet verhoogde deel van de wegberm dat ingericht is voor voetgangers.



B.2.5.5. VERKEERSEILAND

Berm met een beperkte lengte.


Men onderscheidt de volgende soorten verkeerseilanden:

  • Vluchtheuvel: verhoogd of beschermd verkeerseiland dat de veiligheid van de voetgangers moet verzekeren

  • Verkeersgeleider: verkeerseiland dat het verkeer moet geleiden.



B.2.6. Onderdelen van de weg in dwarsdoorsnede (zie fig. B.2.)

B.2.6.1. BAANBED

Dit is de zone die het funderingsterrein van het weglichaam scheidt.


B.2.6.2. FUNDERINGSTERREIN

De natuurlijke of behandelde materialen, die ter plaatse aanwezig of na de uitvoering van de grondwerken aangevoerd zijn en die het weglichaam dragen.

De materialen die het funderingsterrein vormen, worden aangeduid met de term funderingsondergrond.
B.2.6.3. WEGLICHAAM
De totaliteit van de lagen begrepen tussen de aardebaan en het oppervlak van de weg.
Men onderscheidt:


  • Het baanlichaam (of het lichaam van een ander verhard deel): de lagen begrepen tussen het baanbed en het oppervlak van de weg of het beschouwde verharde deel dat van onder naar boven bestaat uit de onderfundering, de fundering en de verharding.




  • Het bermlichaam: de totaliteit van de lagen van de niet-verharde delen, begrepen tussen de aardebaan en het oppervlak van de berm.

De lagen van het baanlichaam (of van een ander verhard deel) kunnen onder het oppervlak va de aangrenzende berm doordringen; de grens tussen het baanlichaam (of het lichaam van het beschouwde verharde deel) en het bermlichaam loopt dus niet noodzakelijk verticaal.



B.2.7. Onderdelen van de funderingsgrond

B.2.7.1. NATUURLIJKE ONDERGROND




De materialen die vóór de werken ter plaatse aanwezig zijn.

B.2.7.2. WEGBAAN

Het deel van het natuurlijke terrein dat door de weg wordt ingenomen (rijbaan, talud, berm en sloten).

De breedte van de wegbaan is de breedte van de horizontale projectie van de wegbaan, loodrecht op de wegas gemeten; ze stemt overeen met de grenzen van de grondwerken.



B.2.7.3. ZATE VAN DE OPHOGINGEN

Het deel van de weg bestaande uit behandelde materialen die ter plaatse aanwezig of aangevoerd zijn, tussen de uitgraving (bij onderbreken daarvan: het natuurlijke terrein) en de ophoging.



B.2.7.4. OPHOGING

Het deel van de weg dat bestaat uit aangevoerde, gespreide en verdichte materialen tussen de zate van de ophogingen en de aardebaanlaag (bij ontbreken hiervan: de aardebaan).



B.2.7.5. AARDEBAANLAAG

De bovenste laag van de funderingsgrond bestaande uit geselecteerde materialen of verwezenlijkt door een speciale behandeling die de grond moet verbeteren.



B.2.7.6. AARDEBAAN OF GRONDOPPERVLAK
Oppervlak van de funderingsgrond.
De breedte van de aardebaan of het grondoppervlak valt samen met het aanlegvlak.

Het baanbed van een verhard deel is het deel van de aardebaan of het grondoppervlak waarop het beschouwde verharde deel wordt aangebracht.



B.2.7.7. UITGRAVING

Het volume dat oorspronkelijk door het natuurlijke terrein wordt ingenomen en dat wordt uitgegraven tussen het aanlegvlak en de aardebaan.


B.2.7.8. SLEUF
Het volume dat oorspronkelijk door het natuurlijke terrein wordt ingenomen en dat wordt uitgegraven voor de aanleg van aanverwante werken.
De greppel bestaat uit een lange sleuf.

B.2.8. Onderdelen van de rijbaan of van een verhard deel


B.2.8.1. ONDERFUNDERING

Het deel van het baanlichaam (of van een ander verhard deel) dat tussen het baanbed en de fundering ligt en functies zoals de volgende moet vervullen: scheiding, drainering, vorstwering, anticapillariteit en draagkracht.

De lagen van de onderfundering worden onderlagen genoemd.


B.2.8.2. FUNDERING
Het deel van het baanlichaam (of van een ander verhard deel) dat tussen de onderfundering (bij ontbreken daarvan: het baanbed) en de verharding ligt en dat uit een of meerdere lagen bestaat.
De lagen van de fundering worden funderingslagen of basislagen genoemd.

B.2.8.3. VERHARDING
Het deel van het baanlichaam (of van een ander verhard deel) dat tussen de fundering en het oppervlak van de baan of van het beschouwde verharde deel ligt en dat uit een of meerdere onderlagen en een toplaag bestaat.
Al deze lagen samen worden verhardingslagen genoemd.
Men onderscheidt de volgende lagen:


  • De onderlaag: de laag van de verharding die zich bevindt onder de laag die bestemd is om bereden te worden

  • De toplaag (of slijtlaag): de bovenste laag van de verharding die door het verkeer wordt bereden.


B.2.8.4. OPPERVLAKTBEHANDELING
Behandeling die, met of zonder toevoeging van materialen, op het oppervlak van een laag wordt toegepast om de eigenschappen van voornoemde laag te verbeteren; deze behandeling kan plaatsvinden hetzij bij de uitvoering, hetzij later.


B.2.9. Onderdelen van het bermlichaam en van het taludlichaam


B.2.9.1. TUSSENLAAG
Het deel van het bermlichaam of van het taludlichaam dat tussen de aardebaan en de afdekking ligt.
Er kunnen verscheidene tussenlagen zijn.

B.2.9.2. AFDEKKING

Het bovenste deel van het berm- of het taludlichaam, bestaande uit een of meer lagen teelaarde (afkomstig van uitgraving of aanvoer), korrelige materialen of enige andere afwerking.



B.2.10. Types wegdekken (verhardingen)
B.2.10.1. SOEPEL WEGDEK
Wegdek bestaande uit materialen omgeven door koolwaterstofbindmiddelen.

B.2.10.2. HARD WEGDEK

Wegdek uit al of niet gewapend beton.


Indien het woord ‘beton’ alleen wordt gebruikt, vervangt het de term ‘cementbeton’.
B.2.10.3. BESTRATING EN PLAVEISEL
Wegdek waarvan de toplaag bestaat uit elementen zoals plaveien, tegels, platen, die volgens een bepaald verband worden geplaatst.


B.3 LEXICON


B.3.1. DEMONTAGE

Het selectieve afbraakwerk dat gekenmerkt wordt door het verwijderen - zonder schade te veroorzaken – gevolgd door het reinigen en sorteren van de materialen of voorwerpen, waardoor deze opnieuw gebruikt of opgeslagen kunnen worden.



B.3.2. OPSLAG

Operatie die het eventuele uitgraven, laden, vervoeren en lossen omvat van materialen of voorwerpen die afkomstig zijn van de bouwplaats en die eigendom zijn van de Opdrachtgevende Macht.


Het lossen gebeurt hetzij op de opslagplaats die door de Leidende Ambtenaar is aangeduid en die zich binnen grenzen van het Brusselse hoofdstedelijke gewest bevindt, hetzij op de bouwplaats, voor latere valorisatie.
B.3.3. UIT OPSLAG NEMEN
Operatie bestaande uit het eventueel uitgraven en laden in de opslagplaats, gevolgd door het vervoeren naar en lossen van de betreffende elementen op de plaats van gebruik.

B.3.4. LEVERING

Operatie bestaande uit het aanschaffen, ophalen of eventueel uitgaven, laden, vervoeren en lossen op de plaats van gebruik, in een definitieve opslagplaats of in een voorlopige opslagplaats voor latere ophaling.

De levering in de opslagplaats moet gebeuren volgende de instructies van de Leidende Ambtenaar.

B.3.5. AFBRAAK

Het eventueel vereiste uitgraven en het aanvullen onder de aardebaan, het blootleggen met alle mogelijke middelen van de materialen of voorwerpen die het Bestuur niet in eigendom wenst te houden.


B.3.6. SELECTIEVE AFBRAAK
De georganiseerde afbraak met het oog op de gescheiden terugwinning, op de bouwplaats zelf, van de materialen of voorwerpen die dankzij hun homogeniteit gevaloriseerd kunnen worden.

De termen "puin" en "afvalstoffen" zijn bepaald in § A2.4.1


B.3.7. FREZEN

De speciale selectieve afbraak om het bovenste deel van een bekleding los te maken met behulp van een machine die voorzien is van een trommel met horizontale as, uitgerust met snijwerktuigen.



B.3.8. AFVOER (eveneens verwijderen buiten de bouwplaats of het openbare domein)
Het laden, vervoeren en lossen van het puin, de afvalstoffen, de materialen of voorwerpen die het Bestuur niet in eigendom wenst te houden, buiten de bouwplaats op opslagplaatsen waarvoor de Aannemer op zijn kosten zorgt of op de site van een recyclageinstallatie
B.3.9. GRONDWERK
De operaties verbonden aan uitgraven en aanvullen.
Men onderscheidt:


  • Algemeen grondwerk: grondwerk dat de massale verplaatsing van de materialen inhoudt




  • Bijzonder grondwerk: grondwerk waarbij het om een gering volume gaat in vergelijking met het algemene grondwerk en dat afzonderlijk daarvan wordt uitgevoerd.


B.3.10. UITGRAVING

Operatie bestaande uit de uitgraving volgens het voorgeschreven profiel, het laden, vervoeren en lossen van de grondwerkmaterialen.

Uitgraafwerken worden noodzakelijkerwijze gevolgd door aanvulwerken, opslagwerken of afvoerwerken.

B.3.11. AANVULLING




Operatie bestaande uit het spreiden van de materialen in lagen en het verdichten ervan volgens het voorgeschreven profiel.



B.3.12. TERM DIE DE AARD VAN DE GROND DEFINIEERT

B.3.12.1. LOSSE GROND
Grond waarvan de uitgraving geen voorafgaand losmaken d.m.v. houweel of explosieven vereist. De eventuele rotsachtige elementen van meer dan 0,5 m³ uit één stuk worden voor hun eigen volume geteld.
B.3.12.2. ROTSACHTIGE GROND
Grond waarvoor het Bestuur van mening is dat de rotsachtige volumes die voorafgaand losgemaakt moeten worden, overwegen.
TEKENINGEN
SPORENZONE

ONDERDELEN VAN HET PLATFORM – RIJBAAN


1 OVERSCHRIJDBARE SPECIALE BEDDING
BETONNEN KANTLAAG

SPOOR


VERHARDING

TRAVERSE


(*) 50 cm OF VOLGENS OVEREENKOMST RCB / MIVB
VERHARDING RIJBAAN

FUNDERING EN ONDERFUNDERING


PLAATSINGSLAAG

STEENSLAGBETON

STEENSLAG 2/14
2 OVERSCHRIJDBARE BEDDING
MARKERING OP WEGDEK

WITTE LIJN

SPOOR

TRAVERSE


(*) 50 cm OF VOLGENS OVEREENKOMST RCB / MIVB
ZAAGLIJN OP EEN DIEPTE VAN 10 cm

+ VOEGVULLINGSPRODUCT


TOPLAAG

ONDERLAGEN

FUNDERING EN ONDERFUNDERING
STEENSLAGBETON

STEENSLAG 2/14


3 ZONE MET GEDIFFERENTIEERDE BEKLEDINGEN (??)
BETONNEN KANTLAAG

SPOOR


VERHARDING

TRAVERSE


(*) 50 cm OF VOLGENS OVEREENKOMST RCB / MIVB
VERHARDING RIJBAAN

FUNDERING EN ONDERFUNDERING


PLAATSINGSLAAG
STEENSLAGBETON

STEENSLAG 2/14


Fig. B.1

ONDERDELEN (??) VAN DE WEG IN DWARSAANZICHT


TYPEDOORSNEDE WEG IN UITGRAVING
NATUURLIJKE ONDERGROND

TOPLAAG


ONDERLAGEN

VERHARDING

FUNDERINGSLAAG

ONDERFUNDERINGSLAAG

NATUURLIJKE OF BEHANDELDE MATERIALEN (AARDEBAANLAAG)

BAANBED OF AARDEBAAN


AARDEBAAN OF ZATE VAN DE WEG

FUNDERINGSGROND

WEGLICHAAM
TOPLAAG

ONDERLAGEN


BERMEN OF VOETPAD

NATUURLIJKE ONDERGROND

BAANBED OF AARDEBAAN
AARDEBAAN OF ZATE VAN DE WEG
TYPEDOORSNEDE WEG IN OPHOGING
TOPLAAG

ONDERLAGEN


VERHARDING

FUNDERINGSLAAG

ONDERFUNDERINGSLAAG

AANVULLING

NATUURLIJKE ONDERGROND OF ZATE VAN DE OPHOGING
AARDEBAAN OF ZATE VAN DE WEG
FUNDERINGSGROND

WEGLICHAAM


TOPLAAG

ONDERLAGEN


BERMEN OF VOETPAD
BAANBED OF AARDEBAAN

AARDEBAAN OF ZATE VAN DE WEG







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina