Hoofdstuk bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, emails, metaalpoeders en analoge producten, afbijt- en beitsmiddelen), kleurstoffen en pigmenten afdeling 4 Algemene bepalingen Artikel 4 1



Dovnload 118.98 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte118.98 Kb.
Hoofdstuk 5.4. BEDEKKINGSMIDDELEN (VERVEN, VERNISSEN, INKTEN, EMAILS, METAALPOEDERS EN ANALOGE PRODUCTEN, AFBIJT- EN BEITSMIDDELEN), KLEURSTOFFEN EN PIGMENTEN
Afdeling 5.4.1. Algemene bepalingen

Artikel 5.4.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de rubrieken 4 en 21 van de indelingslijst, zoals nader gepreciseerd in de hierna volgende afdelingen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de drooginstallaties die een integrerend deel uitmaken van de spuitcabine met als enig doel het drogingsproces te activeren en waarvan de objecttemperatuur de 100°C niet overschrijdt.



Artikel 5.4.1.2.
§ 1.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.4.1.1. te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen is:



  1. in een waterwingebied of in een beschermingszone type I, II of III;

  2. in een gebied ander dan een industriegebied.


§ 2.

Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.4.1.1. te exploiteren waarvan de bedrijfsgebouwen en/of opslagruimten gelegen zijn op minder dan 50 m afstand van:



  1. een woongebied;

  2. een parkgebied;

  3. een recreatiegebied

§ 3.

De verbodsbepalingen van §§ 1 en 2 gelden niet voor de bestaande inrichtingen of gedeelten ervan.


§ 4.

De verbodsbepalingen van §§ 1 en 2 gelden evenmin voor de in de derde klasse ingedeelde inrichtingen bedoeld in subrubriek 4.3 van de indelingslijst.


Artikel 5.4.1.3.
§ 1.

De productie en het gebruik van loodhoudende email is verboden.


§ 2.

Loodwit, loodsulfaat en andere witte loodhoudende pigmenten welke in de droge stof meer dan 2 % in gewicht berekend in metaaltoestand bevatten, alsmede verven of andere bedekkingsmiddelen die voormelde stoffen bevatten mogen:



  1. niet worden geproduceerd, opgeslagen noch gebruikt in een inrichting ingedeeld in de 3de klasse;

  2. in een inrichting ingedeeld in 1ste of 2de klasse slechts worden geproduceerd, opgeslagen en/of gebruikt mits uitdrukkelijk toegelaten in de milieuvergunning.


§ 3.

De productie en het gebruik van polychloorbifenylen- (PCB's) en polychloorterfenylen- (PCT's) houdende pigmenten, lakken, verven en andere bedekkingsmiddelen is verboden.


Artikel 5.4.1.4.
§ 1.

De exploitant van een inrichting waarin de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2 worden geproduceerd, gebruikt en/of opgeslagen, dient een register bij te houden waarin tenminste de volgende gegevens zijn vermeld:



  1. gegevens omtrent de vervaardigde, respectievelijk in de inrichting binnengekomen produkten: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, die in de inrichting wordt geproduceerd, respectievelijk binnengebracht;

  2. gegevens omtrent de opslag: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de aanduiding van de plaats samen met de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, waar deze produkten in de inrichting zijn opgeslagen;

  3. gegevens omtrent de afvoer uit de inrichting: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2:

    1. de in de inrichting zelf verwerkte hoeveelheid;

    2.  de naam van degene aan wie het product werd geleverd, de leveringsdatum, het nummer van de factuur en de geleverde hoeveelheid.


§ 2.

Het in § 1 bedoelde register wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthoudende ambtenaar en dit gedurende een periode van tenminste 3 jaar.


Artikel 5.4.1.5.

Onverminderd de voorschriften inzake gevaarlijke stoffen, dienen met betrekking tot de opslag in de inrichting van grondstoffen, tussenprodukten, produkten en reststoffen, de volgende voorschriften in acht genomen:



  1. de stoffen en producten mogen niet buiten de daartoe bestemde verwerkings- en opslagruimte worden opgeslagen; de hoeveelheid in de inrichting opgeslagen stoffen en producten mag niet meer bedragen dan de hoeveelheden overeenstemmend met de productie en/of het verbruik in de inrichting van één maand tenzij in de milieuvergunning, wanneer het om een 1ste of 2de klasse-inrichting gaat, grotere hoeveelheden zijn vergund;

  2. de zeer licht ontvlambare stoffen en de oxiderende stoffen, beiden gedefinieerd zoals in bijlage 7 bij titel I van het VLAREM, moeten binnen de inrichting in een afzonderlijk gebouw, ruimtelijk gescheiden van de andere gebouwen, opslagruimten en installaties, worden opgesteld; in de milieuvergunning kunnen minimumafstanden met betrekking tot voormelde ruimtelijke scheiding worden opgelegd;

  3. de constructie van de ruimten voor de behandeling en opslag van vloeibare stoffen en producten is zodanig dat accidenteel gemorste stoffen en lekvloeistoffen in een opvanginrichting terechtkomen en vervolgens, waar nodig, via opvanggoten naar één of meerdere opvangputten geleid worden; de opslag zelf in die ruimten van de niet inerte vaste stoffen in bulk die uitloogbare gevaarlijke stoffen bevatten, zoals gedefinieerd in afdeling 4.1.7. moet gebeuren volgens de voorschriften van die afdeling; de bovengrondse tanks en/of vaten zelf die gevaarlijke stoffen bevatten, zoals gedefinieerd in afdeling 4.1.7. en die geplaatst worden in die ruimten, moeten voldoen aan de voorschriften van die afdeling;

  4. de nodige voorzorgsmaatregelen dienen getroffen om te vermijden dat stoffen of producten met elkaar in contact komen waarbij gevaarlijke chemische reacties kunnen plaatsvinden of die met elkaar kunnen reageren onder vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen en dampen;
    bussen, vaten, tanks en recipiënten waarin stoffen of producten opgeslagen zijn die wegens hun aard en eigenschappen ruimtelijk gescheiden opgeslagen moeten worden, mogen niet in éénzelfde inkuiping worden geplaatst;

  5. de bussen, vaten, tanks en/of recipiënten:

    1. mogen enkel worden geplaatst in de daartoe voorziene compartimenten;

    2. moeten voorzien zijn van een duidelijk zichtbare en goed leesbare identificatie waaruit de aard van de stof of produkt die deze bevatten duidelijk blijkt;

    3. dienen de nodige voorzieningen te hebben om representatieve monsters van de inhoud te kunnen nemen;

    4. dienen dermate beveiligd dat ongevallen en lekken tijdens het overpompen van de stoffen maximaal worden vermeden;
      verborgen leidingen en/of verbindingskanalen met andere tanks of houders zijn verboden;
      in geval er vastgesteld wordt dat een bus, vat, tank of recipiënt lekt, moet de inhoud hiervan onmiddellijk in een andere geschikte houder worden overgepompt.

  6. de tanks welke gebruikt worden voor het opslaan van stoffen of producten die aanleiding kunnen geven tot toxische en/of hinderlijke dampen of die een dampdruk hebben van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35° C, moeten voorzien zijn van een doeltreffend systeem om zowel bij de opslag als bij het manipuleren elke vorm van luchtverontreiniging te vermijden;

  7. stoffen in bulk mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde compartimenten.


Artikel 5.4.1.6.
§ 1.

In de inrichting moeten de nodige interventiemiddelen, zoals absorptiemateriaal, overmaatse vaten, beschermingsmiddelen, enz., aanwezig zijn om in geval van lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.


§ 2.

De installaties voor de productie van lak, verf, drukinkten en/of pigmenten, voor de bereiding en/of het aanbrengen van bedekkingsmiddelen alsmede voor het thermisch behandelen van voorwerpen bedekt met bedekkingsmiddelen moeten opgesteld worden in een volledig van de opslagruimten door brandvrije muren afgescheiden lokaal. De vloer van dit lokaal moet voorzien zijn van een opvanggoot en één of meer opvangputten. De vloer, de opvanggoot en de opvangputten moeten uitgevoerd zijn in voor de erop terechtkomende stoffen ondoorlatend en chemisch inert materiaal.


§ 3.

De globale opvanginrichting van de volledige installatie, de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag, de inkuipingen, de compartimenten voor bulkafvalstoffen, de overlopen of veiligheidsuitlaten van de tanks, alsmede het opslaggebouw voor zeer licht ontvlambare stoffen en oxiderende stoffen, beiden gedefinieerd zoals in bijlage 7 bij titel I van het VLAREM, mogen op geen enkele manier rechtstreeks in verbinding staan met een openbare riolering, een grondwaterlaag, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewater.


§ 4.

De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag moeten regelmatig, en tenminste na elke calamiteit, geledigd worden. De bekomen afvalstroom moet op een aangepaste manier verwijderd worden.


Artikel 5.4.1.7.

Het is verboden ontvlambare stoffen of producten op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur de 40° C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.


Afdeling 5.4.2. Productie van lak, verf, drukinkten, kleurstoffen en/of pigmenten
Artikel 5.4.2.1.

De voorschriften van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubrieken 4.1, 21.1 en 21.2 van de indelingslijst.


Artikel 5.4.2.2.
§ 1.

De hele installatie dient ontworpen en in goede staat onderhouden dermate dat lekkages van stoffen en produkten alsmede de emissies van verontreinigende stoffen in de omgevingslucht maximaal worden voorkomen.


§ 2.

De nodige maatregelen dienen getroffen om de vorming van elektrostatische ladingen te voorkomen. Inzonderheid dienen daartoe alle metalen delen van de installaties, van de stofopzuiginstallatie en van de opslagtanks alsmede van de laad- en losinrichtingen geaard.


§ 3.

In geval er ontvlambare stoffen worden gebruikt en/of ontvlambare producten worden geproduceerd:



  1. mag de verwarming van de lokalen, waarin de installaties voor de produktie van lak, verf, drukinkten en/of pigmenten zijn ondergebracht, enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;

  2. dienen met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat in de in sub 1° bedoelde lokalen dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst;

  3. moeten de vluchtdeuren van de sub 1° bedoelde lokalen langs buiten opendraaien en dienen de doorgangen van elke hindernis vrijgehouden;

  4. mag in de sub 1° bedoelde lokalen een maximum hoeveelheid van gebruikte grondstoffen en gefabriceerde producten worden gestockeerd die overeenstemt met de behoeften, respectievelijk de productie van één dag;

  5. mogen in de sub 1° bedoelde lokalen geen werken worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken;

  6. is het verboden te roken in de sub 1° bedoelde lokalen; dit rookverbod dient in goed leesbare letters op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt;

  7. dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels van onbrandbare materialen te zijn.


Artikel 5.4.2.3.
§ 1.

Dampen, nevels en stofhoudende afvalgassen moeten op de plaats waar ze ontstaan worden opgezogen en zo nodig naar een zuiveringsinstallatie geleid en dienen vervolgens in de atmosfeer geloosd langs een schoorsteen met een zodanige hoogte dat de omgeving niet gehinderd wordt en die tenminste 1 meter hoger is dan de nok van het dak van de woningen, bedrijfs- en andere gebouwen die gewoonlijk door mensen bezet zijn, gelegen in een straal van 50 meter rond de schoorsteen. In de milieuvergunning kan een grotere minimumschoorsteenhoogte worden opgelegd. De exploitant voorziet in de schoorstenen en/of lozingskanalen de nodige openingen met het oog op de uitvoering in alle veiligheid van controlemetingen.


§ 2.

Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning en in afwijking van de algemene emissiegrenswaarden bepaald in hoofdstuk 4.4., zijn de hierna genoemde emissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3 en die betrekking hebben op de volgende omstandigheden: temperatuur 0° C, druk 101,3 kPa, droog gas, van toepassing op het geloosde afvalgas:

 


 parameter

emissiegrenswaarde




 stofdeeltjes totaal

10,0 mg/Nm³

 organische stoffen (totaal C)

100,0 mg/Nm³

 Sb + Pb + Cr + Cu + Mn + V + Sn

 5,0 mg/Nm³

 

In de milieuvergunning kan worden bepaald welke relevante parameters op kosten van de exploitant dienen gemeten, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een milieudeskundige erkend in de discipline "lucht", hetzij door voormelde milieudeskundige zelf. In de milieuvergunning kunnen daarenboven voor bepaalde stoffen emissiegrenswaarden uitgedrukt in massastromen (bv. g/uur of g/dag) worden opgelegd.

 
§ 3.

Met betrekking tot de meting en evaluatie van de meetresultaten van de in § 2 bedoelde emissiegrenswaarden, gelden de bepalingen van de meetstrategie vastgesteld in hoofdstuk 4.4.


Artikel 5.4.2.3bis.
§ 1.

De vloer, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Het afvalwater afkomstig van deze reinigingen dient opgevangen en zo nodig afgevoerd naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie.


§ 2.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning.


§ 3.

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.





Afdeling 5.4.3. Aanbrengen van bedekkingsmiddelen



Subafdeling 5.4.3.1. Algemene bepalingen



Artikel 5.4.3.1.1.



§ 1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubrieken 4.2 en 4.3 van de indelingslijst.





§ 2.

De bepalingen van deze subafdeling zijn niet van toepassing op het aanbrengen van bedekkingsmiddelen op romp, boven- en onderbouw en interne delen van vaartuigen voor zee- en binnenvaart, met uitzondering van de pleziervaartuigjes, wanneer dat aanbrengen gebeurt in de inrichtingen zoals bedoeld in rubriek 42 van de indelingslijst.





§ 3.

Voor wat het aanbrengen van bedekkingsmiddelen op volumineuze metalen constructies betreft, kunnen in de milieuvergunning van de bepalingen van deze subafdeling afwijkende voorwaarden worden opgelegd.





Artikel 5.4.3.1.2.

Tenzij anders in de milieuvergunning vermeld:



  1. dienen mechanische, thermische en chemische voorbehandeling van voorwerpen, te geschieden in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal dat door brandvrije muren van de opslagruimten voor stoffen, producten, tussenproducten en reststoffen alsmede van de lokalen waarin de bedekkingsmiddelen op de voorwerpen worden aangebracht is gescheiden;

  2. dienen pneumatisch, warm, airless en elektrostatisch spuiten, alsook emailleren en elektroforetisch lakken te geschieden in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal dat door brandvrije muren van de opslagruimten voor stoffen, producten, tussenproducten en reststoffen alsmede van de lokalen waarin de voorbehandeling van voorwerpen gebeurt, is gescheiden;

  3. de bepalingen van sub 1° en 2° zijn niet van toepassing op inrichtingen welke werken met het "in lijn"- of "lopende band"-principe.



Artikel 5.4.3.1.3.



§ 1.

Dampen, nevels die bij het verstuiven gevormd worden, moeten op de plaats zelf van hun ontstaan worden opgezogen, verwijderd, verdicht, opgeslorpt of te niet gedaan zodat zij niet kunnen:



  1. in het lokaal blijven hangen of zich in de belendende lokalen verspreiden;

  2. het gebuurte hinderen;

  3. bij toeval ontbranden zowel binnen als buiten het verstuivingslokaal.



§ 2.

De leidingen en buizen voor de ontruiming van de dampen en nevels die vrijkomen bij verstuiving worden zó aangelegd dat de neerslag, die er in ontstaat, gemakkelijk kan ontruimd worden. Zij worden regelmatig gereinigd met procédés die alle veiligheidswaarborgen bieden. Het is verboden ze met vlam of met elk ander procédé dat vonken kan verwekken, te reinigen, wanneer in de bestuivingsinstallatie ontvlambare stoffen worden gebruikt. Alle metalen delen ervan dienen geaard.





§ 3.

In geval er ontvlambare producten worden gebruikt :



  1. mag de verwarming van de lokalen waarin de installaties voor het aanbrengen van bedekkingsmiddelen zijn ondergebracht, enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;

  2. dienen met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat in de sub 1° bedoelde lokalen dicht bij de werkposten en de uitgangen geplaatst;

  3. moeten de vluchtdeuren van de sub 1° bedoelde lokalen langs buiten opendraaien en dienen de doorgangen van elke hindernis vrijgehouden;

  4. mag in de sub 1° bedoelde lokalen een maximum hoeveelheid van gebruikte grondstoffen en bedekkingsmiddelen worden gestockeerd die overeenstemt met de behoeften van één dag; van deze beperking mag om procestechnische redenen in de milieuvergunning gemotiveerd worden afgeweken;

  5. mogen in de sub 1° bedoelde lokalen geen werken worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken;

  6. is het verboden te roken in de sub 1° bedoelde lokalen; dit rookverbod dient in goed leesbare letters op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt;

  7. dienen de cabines voor verstuiving alsmede de dompelbakken en sproeitunnels met de aarde verbonden; deze cabines en tunnels alsmede de afvoerinstallaties van de dampen en nevels mogen geen dode ruimte vertonen in dewelke zich ontplofbare mengsels of ophopingen zouden kunnen vormen;

  8. dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels van onbrandbaar materiaal te zijn.



Artikel 5.4.3.1.4.



§ 1.

De aan de bron mechanisch afgezogen dampen en nevels, naverbrand of gefilterd hetzij door een watergordijn, hetzij door droge filters, hetzij door een inrichting met actieve koolstof, hetzij door enige andere doeltreffende zuiveringsinrichting, dienen in de open lucht geloosd langs een schoorsteen met een zodanige hoogte dat de omgeving niet gehinderd wordt en die tenminste 1 meter hoger is dan de nok van het dak van de woningen, bedrijfs- of andere gebouwen die gewoonlijk door mensen bezet zijn, gelegen in een straal van 50 meter rond de schoorsteen. In de milieuvergunning kan een grotere minimumschoorsteenhoogte worden opgelegd. De exploitant voorziet in de schoorstenen en/of lozingskanalen de nodige openingen met het oog op de uitvoering in alle veiligheid van controlemetingen.





§ 2.

Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning en in afwijking van de algemene emissiegrenswaarden bepaald in hoofdstuk 4.4., zijn de hierna genoemde emissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3 en die betrekking hebben op de volgende omstandigheden: temperatuur 0° C, druk 101,3 kPa, droog gas, van toepassing op de respectieve geloosde afvalgassen. Wanneer verschillende van deze afvalgassen langs eenzelfde schoorsteen of lozingskanaal in de open lucht worden geloosd, gelden alle emissiegrenswaarden voor elk van de respectieve emissies.



  1. Emissies van ventilatielucht:

    parameter

    emissiegrenswaarde

    organische oplosmiddelen
    voorinstallaties andere dan
    deze bedoeld sub 4° en 5° hierna

    90,0 mg/Nm3

  2. Emissies van dampen en nevels uit de voorbehandelingszone:

    1. bij mechanische voorbehandeling:

      parameter

      emissiegrenswaarde

      stofdeeltjes totaal
      bij een massastroom van:

       

      - <= 500 g/u

      150 mg/Nm3

      - > 500 g/u

      50 mg/Nm3

    2. bij thermische voorbehandeling:

      parameter

      emissiegrenswaarde

      stofdeeltjes totaal
      bij een massastroom van:

       

      - <= 500 g/u

      150 mg/Nm3

      - > 500 g/u

      50 mg/Nm3

      CO

      100,0 mg/Nm3

      zwaveldioxide (SO2)

      100,0 mg/Nm3

      stikstofdioxide (NOx)

      100,0 mg/Nm3

    3. bij chemische voorbehandeling

      parameter

      emissiegrenswaarde

      stofdeeltjes totaal
      bij een massastroom van:

       

      - <= 500 g/u

      150 mg/Nm3

      - > 500 g/u

      50 mg/Nm3

      som 1,1,1-trichloorethaan,
      per-, tri- en tetrachloor-
      ethyleen bij een massastroom
      van 2 kg/u of meer

      100,0 mg/Nm3

      methyleenchloride bij een
      massastroom van 3 kg/u of meer

      150,0 mg/Nm3

  3. Emissies van dampen en nevels uit de spuitzone of uit het spuitlokaal:

    parameter

    emissiegrenswaarde

    stofdeeltjes totaal
    bij een massastroom van:

     

    - <= 500 g/u

    150 mg/Nm3

    - > 500 g/u

    50 mg/Nm3

    organische oplosmiddelen:

     

    voor installaties andere dan
    deze bedoeld sub 4° en 5° hierna

    90,0 mg/Nm

  4. Voor installaties voor het in serie spuiten van carrosserieën van personenwagens gelden met betrekking tot de emissie van organische oplosmiddelen de volgende emissiegrenswaarden voor het afvalgas van de gehele installatie, met inbegrip van het conserveren, uitgedrukt in g per m2 ruwbouwcarrosserie:

    • spuiten in een toplaag 60,0 g/m2

    • basislak + vernisspuiten 120,0 g/m2

  1. Voor installaties voor het spuiten van vrachtwagens, vrachtwagencabines, bestelwagens, autobussen, autocars, aanhangwagens, opleggers en industriële carrosserieën worden de emissiegrenswaarden voor organische oplosmiddelen in het afvalgas van de gehele installatie vastgelegd in de milieuvergunning. Deze grenswaarden voor vluchtige organische stoffen gelden evenmin voor de onder subrubriek 4.3 vallende activiteit aanbrengen van een laklaag op voertuigen of een deel daarvan als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek, indien de exploitant kan aantonen dat enkel producten worden gebruikt die voldoen aan de, overeenkomstig de EG-richtlijn 2004/42/EG, door het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen, vastgestelde productnormen.

Voor inrichtingen zoals bedoeld in subafdeling 5.4.3.2. gelden deze grenswaarden voor vluchtige organische stoffen niet, als aangetoond kan worden dat de totale emissie van vluchtige organische stoffen niet meer bedraagt dan de beoogde emissie zoals bepaald in bijlage 5.59.2.

 

In de milieuvergunning kan worden bepaald welke relevante parameters op kosten van de exploitant dienen gemeten, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een milieudeskundige erkend in de discipline "lucht", hetzij door voormelde milieudeskundige zelf.


In de milieuvergunning kunnen daarenboven voor bepaalde stoffen emissiegrenswaarden uitgedrukt in massastromen (bv. g/u of g/dag) worden opgelegd.

 

Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, kunnen voormelde metingen mits voorafgaande schriftelijke toelating van de Afdeling Milieuvergunningen, worden vervangen door andere controles, zoals massabalansen, die toelaten de emissiewaarden met een gelijkwaardige nauwkeurigheid te bepalen.





§ 3.

Met betrekking tot de meting en evaluatie van de meetresultaten van de in § 2 bedoelde emissiegrenswaarden, gelden de bepalingen van de meetstrategie vastgesteld in hoofdstuk 4.4.





§ 4.

De vloer, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Het afvalwater afkomstig van deze reinigingen dient opgevangen en zo nodig, afgevoerd naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie.





§ 5.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning.





§ 6.

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.





Subafdeling 5.4.3.2. Overspuiten van voertuigen



Artikel 5.4.3.2.1.

De bepalingen van deze subafdeling gelden onverminderd de bepalingen van subafdeling 5.4.3.1. en hoofdstuk 5.59. Ze zijn van toepassing op de inrichtingen, bedoeld in punt 2° van de subrubriek 59.3 van de indelingslijst, maar ze gelden niet als de spuitactiviteiten rechtstreeks gekoppeld zijn aan de productie van nieuwe voertuigen binnen dezelfde inrichting.





Artikel 5.4.3.2.2.



§ 1.

Alle werkzaamheden die aanleiding kunnen geven tot emissie van geur, rook of stofdeeltjes moeten worden uitgevoerd binnen in een gebouw. Tijdens deze werkzaamheden zijn ramen en deuren van het gebouw gesloten.





§ 2.

Alle emissies naar de lucht, met uitzondering van stoom of waterdamp, moeten kleurloos zijn en zonder zichtbare mist of druppels.





§ 3.

Alle spuitwerk moet in een spuitcabine uitgevoerd worden. Dat is een volledig gesloten ruimte waarvan de afgezogen lucht via stoffilters naar buiten wordt geleid en die geconstrueerd is om het spuiten van voertuigen onder gecontroleerde omstandigheden te doen plaatsvinden.





§ 4.

In afwijking van § 3 mag het verspuiten van grondverven in een voorbehandelingsruimte gebeuren als de grondlagen nog nageschuurd moeten worden en het spuitwerk zich beperkt tot één onderdeel per voertuig. De voorbehandelingsruimte is een afgeschermde ruimte waarvan de lucht afgezogen wordt en via stoffilters naar buiten wordt geleid.





§ 5.

Als de spuitcabine uitgerust is met een actief koolfilter, dan:



  1. moeten de afgassen die ontstaan bij het spuiten in de voorbehandelingsruimte naar een actief koolfilter geleid worden;

  2. moet die zo vaak vervangen of geregenereerd worden, dat de goede werking ervan gegarandeerd is.



§ 6.

Bij defecten of pannes van installatie of apparatuur die kunnen leiden tot abnormale emissies moeten de werkzaamheden onmiddellijk gestaakt worden. De werkzaamheden worden pas hervat als de normale werking opnieuw kan worden gegarandeerd.





§ 7.

Alle personeel dat spuitwerk uitvoert, moet de noodzakelijke opleiding krijgen, alsook alle instructies met betrekking tot hun verplichtingen in verband met de controle van de installatie en van de emissies in de lucht.





Artikel 5.4.3.2.3.



§ 1.

Elektrische of andere gereedschappen die stofemissies kunnen veroorzaken moeten voorzien zijn van afzuiging naar stoffilters. Waar abrasieve straalapparatuur wordt toegepast, moet het extract van zulke installaties worden afgevoerd naar stoffilters.





§ 2.

Het mengen van de bedekkingsmiddelen en het reinigen van de apparatuur moet steeds in een ruimte gebeuren, voorzien van een afzuiging naar stoffilters.





§ 3.

Tenzij het anders vermeld wordt in de milieuvergunning en in afwijking van de emissiegrenswaarden, bepaald in hoofdstuk 4.4, zijn de hierna genoemde emissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3, van toepassing voor de emissie van stofdeeltjes totaal, in volgende omstandigheden: temperatuur 0 °C, druk 101,3 kPa, droog gas:

 


— spuiten 

10 mg/Nm3 

— reinigen apparatuur 

10 mg/Nm3 

— mengen van bedekkingsmiddelen  

10 mg/Nm3 

— abrasief stralen 

50 mg/Nm3 

— andere bronnen 

50 mg/Nm3 

 

 

      





§ 4.

Voor elke spuitcabine houdt de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthoudende overheid, waarin aangetoond wordt dat aan de emissiegrenswaarde 10 mg/Nm3 voor het spuiten, zoals vermeld in § 3, voldaan is. Dit verslag wordt opgesteld door een milieudeskundige, erkend in de discipline lucht en bevat minstens de volgende elementen:



  1. het verslag van een meting waaruit blijkt dat de emissiegrenswaarde gehaald wordt;

  2. een beschrijving van de voorwaarden die bij de exploitatie nageleefd moeten worden zodat de emissiegrenswaarde te allen tijde gerespecteerd kan worden.

De exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt.

 

In plaats van dit verslag kan ook een verslag aanvaard worden van een identieke spuitcabine. In dat geval moet de exploitant een attest toevoegen van de leverancier waarin die bevestigt dat de spuitcabine identiek is aan de cabine waarover het verslag werd opgesteld.





§ 5.

Met betrekking tot de meting en evaluatie van de meetresultaten van de in § 3 bedoelde emissiegrenswaarden, gelden de bepalingen van de meetstrategie, vastgesteld in hoofdstuk 4.4.





§ 6.

Bij de exploitatie van de spuitcabines worden de voorwaarden nageleefd die beschreven zijn in het verslag, vermeld in § 4.





§ 7.

De spuitcabine mag niet onder een positieve druk staan die groter is dan 267 Pa. Elke spuitcabine is daarom uitgerust met een drukmeter die telkens aan het begin van een spuitcyclus wordt gecontroleerd. Er moet tevens een geluidsalarm in de spuitinstallatie aanwezig zijn, dat een signaal geeft in geval van een te grote overdruk.





§ 8.

Alle droge, stofferige materialen moeten in gesloten recipiënten worden bewaard.





Artikel 5.4.3.2.4.



§ 1.

Alle spuitwerk moet worden uitgevoerd met toestellen die een aanbrengrendement hebben van ten minste 65 %. Tijdens het spuiten wordt de luchttoevoer ingesteld zodat een druk van 70 kPa aan de luchtkap van het spuitpistool niet overschreden wordt. Elke inrichting beschikt over een meettoestel om die druk te kunnen meten.

 

Andere spuitapparatuur mag gebruikt worden, als aangetoond kan worden dat bedekkingsmiddelen kunnen worden aangebracht met een spuitrendement van ten minste 65 %.





§ 2.

Bij het reinigen van spuitpistolen en -installaties moet steeds een recipiënt aangebracht worden om de spoelvloeistoffen op te vangen. Als hierbij organische oplosmiddelen gebruikt worden, moet de reiniging steeds in een volledig gesloten automatisch reinigingsapparaat gebeuren, of in een andere schoonmaakmachine met gelijke of lagere emissies.





§ 3.

Testen van het spuitpistool en proefspuiten na het schoonmaken moet worden uitgevoerd in de schoonmaakmachine die een afzuiging bevat, of in een aparte ruimte die ook voorzien is van een afzuiging.

 

Bovendien moet een recipiënt worden aangebracht om de verspoten bedekkings- of schoonmaakmiddelen op te vangen.





§ 4.

Recipiënten die oplosmiddelhoudende producten of afval bevatten, moeten goed gesloten worden bewaard. Schoonmaakdoeken die doordrenkt zijn met organische oplosmiddelen moeten na gebruik in gesloten containers worden bewaard.





§ 5.

Washprimers op basis van organische oplosmiddelen mogen enkel worden gebruikt als ze noodzakelijk zijn voor de aanhechting van opeenvolgende lagen op blote metalen, op aluminium, zinkplaat of gegalvaniseerde metalen. Het gebruik van zulke washprimers moet worden beperkt tot ten hoogste 5 volumepercent van alle bedekkingsmiddelen, uitgezonderd wanneer beitsprimer wordt aangebracht als eerste laag op aluminium en uitgezonderd voor voertuigen met een massa die groter is dan 3,5 ton.





Artikel 5.4.3.2.5.

Voor inrichtingen die al voor 1 januari 2004 reglementair in bedrijf gesteld waren, gelden de bepalingen van deze subafdeling vanaf 31 oktober 2005. § 4 van artikel 5.4.3.2.3 geldt evenwel voor deze inrichtingen pas vanaf 1 januari 2007.





Afdeling 5.4.4. Thermisch behandelen van voorwerpen bedekt met bedekkingsmiddelen



Artikel 5.4.4.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 4.4 van de indelingslijst.





Artikel 5.4.4.2.



§ 1.

Tenzij anders in de milieuvergunning vermeld, dienen het emailleren en moffelen van voorwerpen te geschieden in een afzonderlijk uitsluitend daartoe bestemd lokaal dat door brandvrije muren van de opslagruimten voor stoffen, producten, tussenproducten en reststoffen alsmede van de lokalen waarin de voorbehandeling van voorwerpen of het aanbrengen van een bedekkingsmiddel gebeurt, is gescheiden.

 

Voormelde bepaling is niet van toepassing op inrichtingen die werken met het "in lijn"- of "lopende band"-systeem.





§ 2.

De verwarmingsinstallatie van de emailleer-, moffel- of droogovens is zodanig geregeld dat een overmatige verwarming onmogelijk is, en brand- en ontploffingsgevaar wordt vermeden. Het in de oven te behandelen voorwerp mag geen onderdelen of stoffen bevatten die bij verwarming brand of een ontploffing kunnen veroorzaken.

 

De tunnels alsmede de afvoerinstallaties van de dampen en nevels mogen geen dode ruimte vertonen in dewelke zich ontplofbare mengsels of ophopingen zouden kunnen vormen. De schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels zijn van onbrandbaar materiaal.





§ 3.

Dampen en nevels die bij het emailleren, moffelen of drogen gevormd worden, moeten op de plaats zelf van hun ontstaan worden opgevangen en naar een zuiveringsinstallatie geleid. Zij dienen in de open lucht geloosd langs een schoorsteen met een zodanige hoogte dat de omgeving niet gehinderd wordt en die tenminste 1 meter hoger is dan de nok van het dak van de woningen, bedrijfs- of andere gebouwen die gewoonlijk door mensen bezet zijn, gelegen in een straal van 50 meter rond de schoorsteen.

 

In de milieuvergunning kan een grotere minimumschoorsteenhoogte worden opgelegd.



 

De exploitant voorziet in de schoorstenen en/of lozingskanalen de nodige openingen met het oog op de uitvoering in alle veiligheid van controlemetingen.





§ 4.

Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning en in afwijking van de algemene emissiegrenswaarden bepaald in hoofdstuk 4.4., zijn de hierna genoemde emissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3 en die betrekking hebben op de volgende omstandigheden:



  • temperatuur 0° C,

  • druk 101,3 kPa,

  • droog gas,

  • zuurstofgehalte van 18 % als naverbranding gebruikt wordt als afvalgasreinigingstechniek

  • zuurstofgehalte van 21 % bij ovens zonder naverbranding

van toepassing op de respectieve geloosde afvalgassen:

 


parameter

emissiegrenswaarde

stofdeeltjes totaal:

 

  • bij pyrolyseovens:

30,0 mg/Nm3

  • in de overige gevallen:

3,0 mg/Nm3

CO: richtwaarde

100,0 mg/Nm3

zwaveldioxide (S02)

100,0 mg/Nm3

organische stoffen (totaal C)

50,0 mg/Nm3

stikstofdioxide (NOx): richtwaarde

100,0 mg/Nm3

 

  • in die gevallen waar naverbranding wordt toegepast als behandelingstechnologie, moet de concentratie van de stikstofoxiden, organische stoffen en koolstofmonoxide worden bepaald tijdens een meetcampagne als functie van de temperatuur in de naverbrander

  • op basis van de interpretatie van deze metingen  wordt de optimale temperatuur gekozen waarbij voldaan is aan de vermelde emissiegrenswaarde met betrekking tot de emissie aan organische stoffen (totaal C)

  • de naverbranding moet ingesteld worden op de optimale temperatuur en deze zal continu worden geregistreerd.

In de milieuvergunning kan worden bepaald welke relevante parameters op kosten van de exploitant dienen gemeten hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een milieudeskundige erkend in de discipline "lucht", hetzij door voormelde milieudeskundige zelf.
In de milieuvergunning kunnen daarenboven voor bepaalde stoffen emissiegrenswaarden uitgedrukt in massastromen (bv. g/u of g/dag) worden opgelegd.



§ 5.

Met betrekking tot de meting en evaluatie van de meetresultaten van de in § 4 bedoelde emissiegrenswaarden, gelden de bepalingen van hoofdstuk 4.4. terzake "Meetstrategie inzake luchtverontreinigende stoffen".





§ 6.

De vloer, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Het afvalwater afkomstig van deze reinigingen dient opgevangen en zo nodig, afgevoerd naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie.





§ 7.

Onverminderd  de bepalingen van hoofdstuk 4.5 zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning.





§ 8.

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina