Hoofdstuk e monitoring 2 Natuurwaarde 2



Dovnload 0.54 Mb.
Pagina1/9
Datum27.08.2016
Grootte0.54 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

Hoofdstuk E monitoring 2

Natuurwaarde 2

1 Beschrijving 2

1.1 Definitie en afbakening 2

1.2 Belang en toepassing 2

1.3 Onderzoeksthema’s 2

2 Onderzoek 3

2.1 Wat kunt u onderzoeken? 3

2.1.1 De basismonitoring 3

2.1.2 De uitbreidingsmodules 4

2.2 Vereiste tijdbesteding en kennis 5

2.3 Uitvoeringsfrequentie 7

2.4 Monitoring van hogere planten


(deel van basismonitoring) 8

2.4.1 Wat kunt u onderzoeken? 8

2.4.2 Hoe pakt u het aan? 9

2.5 Waarnemen van dagvlindersoorten


(deel van basismonitoring) 9

2.5.1 Wat kunt u onderzoeken? 9

2.5.2 Hoe pakt u het aan? 11

2.6 Karteren van broedvogels


(deel van basismonitoring) 12

2.6.1 Wat kunt u onderzoeken? 12

2.6.2 Hoe pakt u het aan? 14

2.7 Onderzoek naar amfibieën


(deel van basismonitoring) 15

2.7.1 Wat kunt u onderzoeken? 15

2.7.2 Hoe pakt u het aan? 18

2.8 Diversiteitindices


(deel van basismonitoring) 19

2.8.1 Wat kunt u onderzoeken? 19

2.9 Uitbreidingsmodules 22

2.9.1 Een meer diepgaande monitoring van dagvlinders 22

2.9.2 Paddenstoelen 24

2.9.3 Mossen en korstmossen 24

2.9.4 Reptielen 25

2.9.5 Niet-vliegende zoogdieren 26

2.9.6 Vleermuizen 26

2.9.7 Vissen 27

2.9.8 Invertebraten 28

2.9.9 Gestandaardiseerde evaluatie van de structuurrijkdom van bosbestanden 32

3 Aanbevelingen 38

3.1 Wat wordt er minimaal verwacht? 38

3.2 Welke vragen moet het onderzoek beantwoorden? 38

4 Literatuurlijst 39


Hoofdstuk E monitoring

Natuurwaarde

1Beschrijving

1.1Definitie en afbakening


Het monitoren van natuurwaarde handelt over de evolutie en de opvolging van de biotiek in een park. Bij het monitoren van de biotische componenten (planten, dagvlinders, structuur van het bos,…) wordt zoveel mogelijk volgens een gestandaardiseerde methodiek gewerkt. Dit wil zeggen dat u een opnamemethode gebruikt die herhaalbaar en vergelijkbaar is tussen verschillende parken en in de tijd.

1.2Belang en toepassing


Monitoring is nodig om het beheer op te volgen en te kunnen bijsturen. De resultaten van dit onderzoek hebben dan ook een rechtstreekse invloed op het beheer. Om het beheer te evalueren is het nodig om de monitoring van een bepaalde soortengroep te herhalen in de tijd. Deze herhaling varieert afhankelijk van de soortengroep tussen de 5 tot 20 jaar. Om deze evolutie van de biotiek objectief te beoordelen is het essentieel om met gestandaardiseerde methodes te werken.
De monitoring van de biotiek geeft u twee soorten van informatie:
Indices: Indices worden berekend met alle verzamelde gegevens en worden gebruikt om een algemeen beeld te krijgen van het park en parken onderling met elkaar te vergelijken. Het nadeel van indices is dat ze berekend worden voor heel het park en niet plaatsgebonden zijn. Een stijging van een index is ook niet altijd een teken van goed beheer. Zo kan de index voor plantendiversiteit stijgen doordat de beheerder allerlei planten aanplant, dit terwijl de spontaan aanwezige soorten verdwijnen. Indices moeten daarom altijd geïnterpreteerd worden, samen met de gevens van waaruit ze zijn berekend.
Plaatsgebonden informatie: Deze informatie is nodig om het beheer te evalueren, het vertelt de beheerder welke soorten op welke plaats zijn verdwenen of bijgekomen. Door aan de soortgegevens ecologische informatie te koppelen is een evaluatie van het beheer mogelijk en kan het beheer indien nodig bijgestuurd worden. Indien u ook nog de aantallen schat, kunt u wijzigingen in de abundantie vaststellen, wat een nog betere evaluatie toelaat.
Monitoring is nodig, maar arbeidsintensief en duur. Daarom beschrijven we een deel basismonitoring dat in elk park moet worden uitgevoerd. Indien voldoende interesse, kennis en middelen beschikbaar zijn, kan behalve deze basismonitoring een meer uitgebreide monitoring worden uitgevoerd.


1.3Onderzoeksthema’s


Het monitoren van de biotiek is gericht op volgende aspecten:
Aantal soorten van een bepaalde groep: Door het park goed te onderzoeken is het mogelijk een idee te krijgen van welke soorten in het park aanwezig zijn. Het resultaat van dit type onderzoek is een soortenlijst van een bepaalde soortengroep voor heel het park, of voor delen van het park. Bij herhaling van dit onderzoek is het mogelijk veranderingen in de soortensamenstelling vast te stellen.
Aantal soorten van een bepaalde groep en hun abundantie: Behalve het aantal soorten is het vaak belangrijk te weten hoeveel individuen van een bepaalde soort aanwezig zijn. Hiervoor moet er een schatting van de populatiegrootte worden gemaakt. Bij herhaling van dit onderzoek is het mogelijk veranderingen in de populatiegrootte en in de soortensamenstelling vast te stellen.
Lokatie van bepaalde soorten: Door het karteren van soorten is het mogelijk te weten welke soorten waar voorkomen. Bij herhaling van het onderzoek is het dan mogelijk na te gaan waar in het park welke soorten zijn verdwenen of bijgekomen. Hierdoor kan men plaatsgericht zijn beheer bijsturen.
Indices: Met de verzamelde gegevens is het mogelijk om indices te berekenen. Hiervoor gebruikt u gegevens van het hoofdstuk C, Studie, deel biotiek en van dit deel, Monitoring van de natuurwaarde. Er zijn 3 soorten indices:


  • diversiteitindices: Hiervoor gebruikt u de Shannon-Wienerindex. Deze index houdt rekening met het aantal soorten (of terreineenheden) en met hun abundantie.

  • verzadigingsindices: De verzadingsindices werken met soortenlijsten. Bij verzadigingsindices deelt u steeds het aantal waargenomen soorten door het maximale aantal soorten. Zo komen in Vlaanderen 72 vlindersoorten voor, dit is dus het maximale aantal vlindersoorten dat u kunt waarnemen. Wanneer u nu 20 vlindersoorten vindt in een park heeft u een verzadigingsindex voor vlinders van 20/72 = 0,28.

  • authenticiteitindices voor de structuurrijkdom van bossen: Kennis over de structuurrijkdom is belangrijk, omdat structuurrijkdom rechtstreeks in verband staat met biodiversiteit. Daarom werd voor de evaluatie en monitoring van de structuurrijkdom van bosbestanden een authenticiteitindex ontwikkeld. De berekening van deze authenticiteitindex gebeurt met een combinatie van structuurkenmerken en plantensoorten. Bij structuurkenmerken denken we o.a. aan de dikte van de bomen, het aantal vegetatielagen, de aanwezigheid van dood hout.


Bosbeheerplan
Wanneer de terreineenheden hakhout, middelhout, parkhout, hooghout, naaldhout en gemengd bos openbaar boseigendom is, of in privé-eigendom en aaneengesloten oppervlakte van 5 ha of meer vormen, moet er een goedgekeurd bosbeheerplan zijn. De richtlijnen voor het opstellen van het bosbeheerplan kunt u aanvragen bij hendrik.borgloo@lne.vlaanderen.be. De bosbouw- en vegetatiemetingen die nodig zijn voor dit beheerplan vindt u terug in het hoofdstuk monitoring.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina