Hoofdstuk e monitoring 2 Natuurwaarde 2



Dovnload 0.54 Mb.
Pagina2/9
Datum27.08.2016
Grootte0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

2Onderzoek

2.1Wat kunt u onderzoeken?


De monitoring van de natuurwaarde bestaat uit 2 delen. Een deel basismonitoring, dat voor iedereen verplicht is, en een aantal uitbreidingsmodules. Deze uitbreidingsmodules kunnen worden uitgevoerd indien voldoende tijd, kennis en middelen beschikbaar zijn. De meeste van deze uitbreidingsmodules vereisen een specifieke kennis en zullen moeten worden uitgevoerd door specialisten.

2.1.1De basismonitoring


Het deel basismonitoring bestaat uit volgende modules:

Opnames van hogere planten
Het opnemen van vaatplanten gebeurt door middel van permanente kwadraten. In deze proefvlakken worden alle aanwezige plantensoorten gedetermineerd en wordt hun bedekking geschat. Zo zult u van verschillende locaties in het park een goed beeld verkrijgen van de aanwezige planten. Mits de proefvlakken goed gelokaliseerd zijn, kunt u na een aantal jaar de opnames opnieuw maken. Met deze gegevens is de evaluatie van het beheer mogelijk.
Waarnemen van dagvlindersoorten
Het waarnemen van dagvlindersoorten gebeurt door het lopen van een vaste route. Op deze route worden alle dagvlindersoorten opgenomen. Mits de route goed is vastgelegd kunt u deze meting na een aantal jaar herhalen, wat evaluatie van het beheer mogelijk maakt.
Karteren van broedvogels
Het karteren van broedvogels gebeurt door het lopen van een vaste route. De toegepaste methodiek is deze van de atlas van de Vlaamse broedvogels (2004). Het resultaat van dit onderzoek is een kaart met alle broedvogels op. Hiermee kunt u de soortenlijst maken en de abundantie schatten. Ook hier is het van belang dat de route goed is vastgelegd om herhalingen mogelijk te maken.
Onderzoek naar amfibieën
Bij dit onderzoek probeert u de aanwezige soorten en hun abundantie vast te stellen. U onderzoekt enkel wateren met een matige of hoge natuurwaarde. Voor het onderzoek gebruikt u drie methoden:


Berekenen van indices
Met de informatie verkregen door voorgaande onderzoeken en deze van het hoofdstuk C, Studie, deel Biotiek is het mogelijk een aantal indices te berekenen.


  • met de oppervlakte en het type van elke terreineenheid kunt u de terreineenhedendiversiteitindex berekenen met de Shannon-Wienerindex.

  • met de gestandaardiseerde opnames van hogere planten berekent u een soortendiversiteitindex voor hogere planten, ook met de Shannon-Wienerindex.

  • met de opname van vlinders, broedvogels en amfibieën berekent u een verzadigingsindex

Voor een aantal parken in Vlaanderen werd de terreineenhedendiversiteitindex reeds berekend, zie Tabel 1. Uit deze berekeningen blijkt dat de meeste parken een totale verzadingsindex (St) hebben tussen de 40 en 60 %. Parken die vrij klein zijn (< 5 ha) hebben waarschijnlijk een veel lagere totale verzadigingsindex, rond de 10 % of lager. Maar hiervan is er maar 1 voorbeeld in Tabel 1. Hoe de totale verzadigingsindex juist berekend wordt vindt u terug onder punt 2.8.


In een park is een hoge terreineenhedendiversiteitindex geen doel op zich. Het is beter minder terreineenheden te behebben die goed zijn ontwikkeld, dan veel verschilende terreineenheden die minder goed zijn ontwikkeld omdat ze te klein zijn.
Tabel 1 Totale verzadigingsindex en de oppervlakte van enkele parken

 Park

Inex (St)

Oppervlakte (ha)

Jongensstad

10,6

3,89

St-Trudopark

54

6,3

Frankveld

41,3

7,3

Prins Karelpark

50,7

7,7

Paelsteenveld

42,1

9,8

Sint-Bernarduspark

45,3

14,2

Coloma

52,3

15,1

Zevenbronnen

43,4

20

Municipaal park Zoersel

42

20

Balokken

50,9

23,6

Municipaal park Loppem

59

25

Schaveyspark

35,3

32,9

Ter Rijst

55,4

34,5

Groenenberg

39,4

44,9

Gaasbeek

41

48,8

Vordestein

60,5

107,8


2.1.2De uitbreidingsmodules


In de uitbreidingsmodules vindt u informatie over:
Het tellen van dagvlinders
In deze uitbreidingsmodule wordt uitgelegd hoe u de abundantie van de dagvlindersoorten kunt monitoren. Indien u specifiek aandacht wil besteden aan dagvlinders of wil nagaan of bepaalde zeldzame soorten aanwezig zijn, is het aangeraden om ook deze module uit te voeren. Wanneer u deze module uitwerkt is het niet meer nodig de module “waarnemen van dagvlindersoorten” uit te voeren.
Opmeten van de structuurrijkdom van bossen
Het opmeten van de structuurrijkdom gebeurt door het berekenen van een authenticiteitindex. Deze kan gemeten worden op standaardniveau of op basisniveau.

Voor het standaardniveau wordt gebruik gemaakt van cirkelvormige proefvlakken waarin u de boomsoorten en hun omtrek opmeet. Ook de kruidlaag wordt opgenomen via een proefvlak. Andere kenmerken van het bosbestand die worden opgenomen zijn o.a. kroonsluiting en hoeveelheid dood hout.

Het basisniveau is een vereenvoudiging hiervan. Op dit niveau wordt er niet gewerkt met proefvlakken maar worden visueel een aantal kenmerken ingeschat.
Informatie over het opnemen van ander soortengroepen
Onder deze module vindt u informatie over het monitoren van:


  • Mossen en korstmossen

  • Paddenstoelen

  • Zoogdieren

  • Vleermuizen

  • Reptielen

  • Vissen

  • Ongewervelden zoals o.a. sprinkhanen, nachtvlinders, regenwormen, bodemactieve ongewervelden.





1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina