Hoofdstuk e monitoring 2 Natuurwaarde 2



Dovnload 0.54 Mb.
Pagina4/9
Datum27.08.2016
Grootte0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

2.3Uitvoeringsfrequentie


De basismonitoring wordt bij de opmaak van het beheerplan standaard uitgevoerd. Om de 20 jaar is het dus verplicht om deze monitoring te herhalen. Indien voor een bepaalde soortengroep hoge potenties aanwezig zijn is het echter beter deze volgens de optimale frequentie te monitoren. De optimale frequentie voor monitoring hangt af van de snelheid waarmee de soortengroep reageert op wijzigingen in het beheer. Voor soortengroepen die gevoelig zijn voor veranderingen in het beheer is een hogere frequentie vereist om het beheer te kunnen evalueren. In Tabellen 4 en 5 is de optimale frequentie voor monitoring van de basismodules en de uitbreidingsmodules weergegeven.
Tabel 4 Optimale frequentie voor de basismonitoring

Soortengroep

Optimale frequentie

Hogere planten

10 jaar


5 jaar

Dagvlinders

5 jaar

Broedvogels

5 jaar

Amfibieën

5 jaar

Structuurdiversiteit

10 jaar

De populatiegrootte van bepaalde soortengroepen (dagvlinders, paddenstoelen,…) kan sterk schommelen tussen opeenvolgende seizoenen ingevolge de weersomstandigheden. Daarom is het nodig dat gedurende 2 opeenvolgende seizoenen wordt geïnventariseerd om een correcte inschatting te verkrijgen van de soortensamenstelling en de populatiegrootte. De soortengroepen waarvoor dit het geval is, zijn in Tabel 5 aangeduid met (*).


Tabel 5 Optimale frequentie voor monitoring van de uitbreidingsmodules

Soortengroep

Optimale frequentie

Dagvlinders

5 jaar (*)

Authenticiteitindex

10 jaar

Mossen en korstmossen

10 jaar

Paddenstoelen

10 jaar (*)

Zoogdieren zonder vleermuizen

10 jaar

Vleermuizen

5 jaar

Reptielen

10 jaar

Vissen

10 jaar

Invertebraten:

  • Bodemoppervlakte-actieve ongewervelden

  • Xylobionten

  • Libellen

  • Sprinkhanen

  • Nachtvlinders

  • Regenwormen

  • Slakken

  • Springstaarten

  • Aquatische macrofauna

20 jaar


20 jaar

5 jaar (*)

5 jaar (*)

5 jaar (*)

20 jaar

20 jaar


20 jaar

10 jaar


(*) Bemonstering gedurende 2 opeenvolgende seizoenen noodzakelijk.
Uitvoeren van opnames in het kader van monitoring is arbeidsintensief. Eventueel kan beroep worden gedaan op vrijwilligers aangesloten bij lokale werkgroepen of op studiebureaus voor het uitvoeren van de opnames. Voorwaarde is wel dat de gestandaardiseerde methodieken voor elke soortengroep op de correcte manier worden uitgevoerd.

2.4Monitoring van hogere planten
(deel van basismonitoring)

2.4.1Wat kunt u onderzoeken?


De monitoring van hogere planten gebeurt met permanente kwadraten. Dit zijn proefvlakken met een vaste, gekende positie. Het is zeer belangrijk dat deze positie goed gekend en gemarkeerd is en blijft, zodanig dat u ze na 5 of 10 jaar terugvindt. In deze proefvlakken worden alle planten gedetermineerd en hun individuele bedekking geschat.
Aangezien heel wat kruidachtige soorten slechts gedurende een korte periode bloeien, zal de inventarisatie op sommige plaatsen twee maal moeten gebeuren, éénmaal in het voorjaar en éénmaal in de zomer. In de zomer zijn immers verschillende voorjaarsbloeiers al verdwenen, terwijl in het voorjaar veel soorten nog niet te herkennen zijn of hun volwassen grootte nog niet bereikt hebben waardoor hun bedekking onderschat wordt. Om het terreinwerk zo efficiënt mogelijk te laten gebeuren, wordt in het voorjaar eerst gekeken in welke proefvlakken er effectief voorjaarsbloeiers staan en enkel die proefvlakken worden dan geïnventariseerd. In de zomer worden alle proefvlakken geïnventariseerd. Zomer- en voorjaarslijsten worden nadien samengevoegd. Als een bepaalde soort in een proefvlak zowel in de lente als in de zomer wordt opgenomen, wordt de hoogste bedekking van deze soort genomen.
Na de vegetatieopnamen is het mogelijk om een soortenlijst van de hogere planten voor het park op te stellen. Wel moet u zich goed realiseren dat deze lijst niet volledig zal zijn omdat de parken slechts gedeeltelijk bemonsterd worden. Een volledige inventarisatie is echter niet haalbaar in de praktijk. Aangezien alle parken op dezelfde manier worden onderzocht, is dit soortenaantal toch een objectieve maat voor de biodiversiteit. Men mag verwachten dat een park dat in enkele geselecteerde proefvlakken meer soorten bevat dan een ander park, ook in het geheel soortenrijker zal zijn.
Wanneer het opnemen van de vegetatie herhaald wordt, kunt u aan de hand van veranderingen in de soortensamenstelling en de abundantie het beheer plaatsgebonden evalueren (en indien nodig wijzigen). Belangrijk hierbij is dat op juist dezelfde lokaties de vegetatieopnames herhaald worden. Voor het interpreteren van deze vegetatiekundige gegevens is heel wat ecologische kennis nodig. Indien u deze niet heeft, kunt u deze opzoeken of neemt u contact op met een specialist ter zake.
Let op: De proefvlakken die in bosbestanden gelegd worden kunnen gedeeltelijk gebruikt worden voor het bepalen van het standaardniveau authenticiteitindex. De werkwijze voor het bepalen van deze index en ook de positie van het proefvlak vindt u terug in de uitbreidingsmodules.
Verdeling en grootte van de proefvlakken
Van de proefvlakken wordt 30% verdeeld over de lijnvormige terreineenheden en 70% over de vlakvormige. Dit betekent dat relatief veel proefvlakken in de lijnvormige terreineenheden liggen, maar deze terreineenheden (wegbermen, oevers, enz.) herbergen vaak de meeste soorten. Het aantal proefvlakken wordt gelijkmatig verdeeld in verhouding tot het aandeel van de verschillende vlak- of lijnvormige terreineenheden. Binnen elke terreineenheid worden de proefvlakken willekeurig gekozen.
De grootte en de totale oppervlakte die onderzocht worden zijn:
Voor kruidachtige soorten:

  • grootte van het proefvlak = 4 m²

  • totaal te onderzoeken parkoppervlakte = 0,2% (= 5 proefvlakken van 4 m² per ha).


Voor bomen en struiken:

  • grootte proefvlak = 100 m²

  • totaal te onderzoeken parkoppervlakte = 1% (= 1 proefvlak van 100 m² per ha).



2.4.2Hoe pakt u het aan?


stap 1 Teken de ligging en vorm van het proefvlak nauwkeurig in op kaart en markeer het proefvlak op het terrein met een paaltje in het centrum of op een van de hoekpunten zodat de exacte ligging later kan teruggevonden worden.

stap 2 Geef het proefvlak een uniek nummer.

stap 3 Noteer de datum waarop de opname gebeurt.

stap 4 Determineer alle kruidachtige of houtachtige soorten en schat hun bedekking. Hiervoor kunt u gebruik maken van de schaal van Londo of van Braun-Blanquet (zie Tabel 6). Een lijst van goede determinatiewerken vindt u achteraan.

stap 5 Download de Excel-file “opnames_planten” via de website, www.harmonischparkengroenbeheer.be.

stap 6 Nadat u alle opnames gemaakt hebt vult u de werkbladen in de Excel-file “opnames_planten” in. Bij proefvlakken die zowel in de lente als in de zomer zijn opgenomen neemt u de hoogste bedekking per soort die is waargenomen. De opnames van stuiken en bomen en deze van kruidachtige planten worden in 2 verschillende werkbladen ingevuld.


Let op: Zoals al vermeld hierboven is het nodig de proefvlakken tweemaal op te nemen indien er voorjaarsbloeiers aanwezig zijn.
Tabel 6 Opnameschaal van Londo en Braun-Blanquet

Symbool

Londo

Bedekking (%)

Londo

Gemiddelde bedekking

Londo

Symbool

Braun-Blanquet

Bedekking (%)
Braun-Blanquet


Aantal Individuen

Braun-Blanquet

Gemiddelde bedekking

Braun-Balnquet

0.1

<1

0,5

r

<5

Zeer weinig (1 of 2)

0,5

0.2

1 tot 3

2

+

Weinig (<20)

2

0.4

3 tot 5

4

1

Talrijk (20-100)

4

1

5 tot 15

10

2

5 tot 25

Willekeurig

15

2

15 tot 25

20

3

25 tot 35

30

3

25 tot 50

Willekeurig

37,5

4

35 tot 45

40

5-

45 tot 50

47,5

5+

50 tot 55

52,5

4

50 tot 75

Willekeurig

62,5

6

55 tot 65

60

7

65 tot 75

70

8

75 tot 85

80

5

75 tot 100

Willekeurig

87,5

9

85 tot 95

90

10

95-100

97,5





1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina