Hoofdstuk e monitoring 2 Natuurwaarde 2


Waarnemen van dagvlindersoorten1 (deel van basismonitoring)



Dovnload 0.54 Mb.
Pagina5/9
Datum27.08.2016
Grootte0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

2.5Waarnemen van dagvlindersoorten1
(deel van basismonitoring)

2.5.1Wat kunt u onderzoeken?


De methodiek bestaat erin een vaste looproute af te leggen, waarlangs alle binnen een bepaalde afstand waargenomen soorten dagvlinders genoteerd worden. Het parcours van de route loopt langs de plaatsen in het park die het meest interessant zijn voor dagvlinders. Bij het kiezen van de route kan gebruik worden gemaakt van de gegevens die tijdens de biologische survey werden verzameld (zie hoofdstuk C, Studie, deel Biotiek).
In deze module wordt enkel het aantal soorten gemonitord. Informatie over het monitoren van de populatiegrootte vindt u terug in de uitbreidingsmodules. Beide modules verschillen enkel in het aantal keer dat de route gelopen wordt (bij de uitbreiding minstens 1 maal per week). Verder vindt u in de uitbreidingsmodule over vlinders informatie over soortspecifieke routes en het tellen van vlindereitjes.
Wanneer u deze monitoring herhaalt, kunt u vaststellen welke vlinderssoorten er verdwenen of bijgekomen zijn op een bepaalde lokatie. Dit geeft u plaatsgeboden informatie over het gevoerde beheer. Hiervoor is wel ecologische kennis van de soorten nodig. Indien u hierover niet beschikt kan u deze opzoeken of een specialist ter zake raadplegen. Wanneer u ook de aantallen per vlindersoort monitort kunnen nog betere conclusies getrokken worden. In de uitbreidingsmodules staat hoe u dit kunt monitoren. Deze conclusies worden dan gebruikt om het beheer aan te passen indien nodig.

2.5.1.1Uitzetten van een vaste looproute

In het park wordt eerst een vaste looproute uitgezet. Het parcours van de route moet vooraf zorgvuldig worden uitgestippeld, want eens met de monitoring gestart werd mag de route niet meer gewijzigd worden. De route moet aan volgende voorwaarden voldoen:



  • de route is maximaal 1000 m lang en wordt onderverdeeld in homogene secties van 50 m lengte.

  • de route moet zoveel mogelijk door één landschapstype lopen. In de praktijk zullen dit voornamelijk de open vegetaties zijn (gazon, hooiland, ruigte,…), maar ook een route die uitsluitend door gesloten vegetaties (bijvoorbeeld bos) loopt is mogelijk. Indien u door een ander landschapstype moet passeren, mag de route worden gesplitst in 2 of meer korte routes. De secties moeten dus niet noodzakelijk op elkaar aansluiten.

  • de route moet zo veel mogelijk lopen langs de plaatsen waar de kans op het waarnemen van dagvlinders het hoogst is. In de praktijk zijn dit vooral de open vegetaties waarvoor tijdens de biologische survey een hoge natuurwaarde werd vastgesteld (kruidlaag bestaande uit een bloemrijk grasland met veel wilde bloemen, soortenrijke ruigtes, goed ontwikkelde heide, …), maar ook langs structuurrijke en soortenrijke bosranden. Routes door bosbestanden worden bij voorkeur op de lichtrijkere paden gelegd.

  • begin- en eindpunt van de route worden best zo dicht mogelijk bij elkaar gelegd. Op die manier kan min of meer een rondje worden gelopen, wat tijd bespaart.

  • de individuele secties worden zo homogeen mogelijk gehouden wat betreft structuur en vegetatie. Als er geen homogene sectie van 50 meter lengte kan worden uitgezet, wordt de route een stukje doorgelopen, zonder dat vlinders worden geteld (bijvoorbeeld wanneer door een strook bos moet worden gelopen om naar een ander gedeelte van een route door open vegetaties te gaan). Zodra de mogelijkheid van een volledige sectie weer aanwezig is, wordt de telling hervat.

  • er wordt geen minimum aantal secties vooropgesteld. Eén sectie van 50 m mag dus in principe, maar om de gegevens statistisch te kunnen verwerken zijn minimaal 3 secties nodig. Het streefdoel is 15 tot 20 secties van 50 m per route. Het aantal secties dat kan gelegd worden zal afhankelijk zijn van de oppervlakte van het park. Per ha kunnen in principe maximaal ongeveer 3 secties van 50 m gelegd worden. In parken met weinig of geen open vegetaties kan de route door het bos worden gelegd, al is de kans op het waarnemen van vlinders daar kleiner. Eenmaal de secties zijn vastgelegd en de route in gebruik is, mogen de secties niet meer gewijzigd worden.

  • opdat de route gemakkelijk herkenbaar zou zijn, wordt de route best zoveel mogelijk op bestaande paden gelegd en gedetailleerd beschreven aan de hand van op het terrein duidelijk zichtbare herkenningspunten. Indien onvoldoende natuurlijke herkenningspunten aanwezig zijn, kunnen permanente merktekens als oriëntatiepunt worden aangebracht. Voor elke sectie wordt best een beschrijving gemaakt van het landschap, de plantengroei en het beheer. De route, de secties en de herkenningspunten worden ook ingetekend op kaart.

In grote parken (>50 ha) of parken die veel waardevolle habitats voor dagvlinders herbergen, kunnen zo nodig 2 vaste routes van maximaal 1000 m worden uitgezet.


2.5.1.2Het lopen van de route


De basisvereiste is dat de algemene route tussen 1 april en 30 september minstens 5 tot 10 keer wordt gelopen in een constante, rustige wandelpas. Tussen twee opeenvolgende tellingen liggen ongeveer 2 weken. Indien bij het lopen van de route een vlinder niet meteen kan herkend worden, wordt zo nodig even stilgestaan om na te gaan om welke soort het gaat. Het lopen van de route neemt gemiddeld ongeveer 30 minuten in beslag voor een route van 1000 m lengte.
Er wordt geteld binnen een strook van 5 m breed (2,5 m links en rechts), 5 m voor en 5 m boven de waarnemer (Figuur 1). Eventuele waarnemingen buiten de route worden apart genoteerd, maar deze worden niet gebruikt voor het berekenen van de diversiteitindex.
Er wordt alleen geteld tussen 10u00 en 17u00. Het is echter aan te raden de telling steeds op hetzelfde tijdstip van de dag uit te voeren. Bij een temperatuur van 13 tot 17°C wordt alleen geteld bij een bewolking ≤50%. Bij een temperatuur boven 17°C kan ook bij meer dan 50% bewolking worden geteld. Bij een temperatuur lager dan 13°C wordt niet geteld. Ook bij een windkracht van meer dan 5 beaufort wordt niet geteld (dit is wanneer de grote takken van bomen bewegen door de wind). Ook bij neerslag wordt niet geteld.

Figuur 1 Denkbeeldige telkooi van 5×5×5 meter voor monitoring van dagvlinders (Van Swaay 2005).



2.5.2Hoe pakt u het aan?


stap 1 Zet de vaste looproute uit en duid deze aan op kaart. Breng indien nodig permanente merktekens aan in het veld.

stap 2 Duid de verschillende homogene secties aan op kaart en geef ze een nummer.

stap 3 Maak een beschrijving van de secties wat betreft landschap, vegetatie en beheer.

stap 4 Loop de route minstens 5 tot 10 keer tussen 1 april en 30 september.

stap 5 Noteer per doorgang en per sectie alle waargenomen soorten die binnen de denkbeeldige telkooi aanwezig zijn.

stap 6 Verzamel alle gegevens per sectie van 50 m en maak een soortenlijst per sectie.

stap 7 Maak een totale soortenlijst van dagvlinders voor het park.
Opmerking: Als er in de week voorafgaand aan de telling een beheersactiviteit (bijvoorbeeld maaien) heeft plaatsgevonden, dan wordt dat ook per sectie genoteerd. De soortensamenstelling van de dagvlinders kan hierdoor immers drastisch wijzigen.




1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina