Hoofdstuk e monitoring 2 Natuurwaarde 2



Dovnload 0.54 Mb.
Pagina6/9
Datum27.08.2016
Grootte0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

2.6Karteren van broedvogels2
(deel van basismonitoring)

2.6.1Wat kunt u onderzoeken?


Het vaststellen van een broedgeval van een vogel gebeurt door het herhaaldelijk lopen van een vaste route door het park. Deze route moet u minstens 7 maal per jaar lopen. Belangrijk bij het karteren van broedvogels is het gedrag van de waargenomen vogels. Enkel waarschijnlijke en zekere broedgevallen worden gekarteerd.
Door het uitvoeren van deze monitoring zal u beschikken over een kaart met daarop de broedvogels van het park. U zult dus de aantallen broedvogels kennen en ook hun broedlokatie. Bij het herhalen van deze monitoring kunt u veranderingen in aantallen maar ook in lokatie vaststellen. Om deze veranderingen te koppelen aan het beheer is ecologische informatie over de broedvogels nodig. Indien u hierover niet beschikt kunt u deze opzoeken of u kunt de gegevens laten onderzoeken door een specialist. Deze gegevens worden dan gebruikt om het beheer aan te passen indien nodig.

2.6.1.1Uitzetten van een vaste route

In het park wordt een vaste route uitgezet, die later niet meer mag gewijzigd worden. De route moet zodanig gelegd worden dat het ganse park grondig en fijnmazig onderzocht wordt op de aanwezigheid van broedvogels, waarbij ook zachte geluiden overal waarneembaar zijn. De lokale dichtheid van de route hangt bijgevolg af van de dichtheid van de vegetatie: hoe dichter de vegetatie, hoe kleiner de gehoorafstand en hoe dichter het terrein moet doorkruist worden. In open en overzichtelijk terrein kan de gehoorafstand tijdens rustig weer ongeveer 100 m bedragen, zodat open terreinen ongeveer om de 200 m moeten worden doorkruist. In structuurrijke of soortenrijke bosbestanden en moerassen bedraagt de gehoorafstand vaak niet meer dan 25 tot 50 m en moet het terrein om de 50 tot 100 m worden doorkruist. De route wordt best zodanig gekozen dat deze een lus vormt. Voor een goede oriëntatie wordt de route best goed op papier beschreven aan de hand van permanente herkenningspunten. De route en de herkenningspunten worden vastgelegd op kaart.



2.6.1.2Het lopen van de route

Voor een volledige inventarisatie moet de route minstens 7 keer (vogelarm gebied) tot 10 keer (vogelrijk gebied) in hetzelfde jaar worden gelopen. De vereiste tijd voor 1 ronde is afhankelijk van de kennis en ervaring van de waarnemer, de grootte van het park, de vogelrijkdom en de tijd van het jaar en bedraagt gemiddeld ongeveer 3 uur. De inventarisaties gebeuren normaal gezien in de maanden maart tot juni. Voor vroege en late broedvogels kunnen ook bezoeken nodig zijn in februari (bijv. Kruisbek, Bosuil) en juli (bijv. Boomvalk, Huiszwaluw). Tussen 2 opeenvolgende bezoeken zitten gewoonlijk 10 dagen. De meeste bezoeken gebeuren bij zonsopgang (start 1 uur tot een half uur voor zonsopgang), aangevuld met 2 nachtbezoeken (noodzakelijk voor het opsporen van uilen, rallen e.d.). Een nachtbezoek is korter dan een bezoek bij zonsopgang en eindigt wanneer de eerste zangvogels beginnen te zingen.

Een inventarisatie gebeurt best bij weinig wind, geringe bewolking en niet te hoge of te lage temperaturen. Een hoge luchtvochtigheid kan, vooral bij lage temperaturen, een gunstige invloed uitoefenen op de zangactiviteit; hetzelfde geldt voor lichte motregen bij zacht, windstil weer en (soms) droge perioden tussen regenbuien in. Inventariseren tijdens slecht weer (harde neerslag, veel wind, koude) is niet zinvol, maar kan niet altijd vermeden worden bij langdurige periodes met slecht weer.
De route wordt best niet altijd op dezelfde manier gelopen. Een goede werkwijze is 3 punten op de route te kiezen (op ongeveer 1 uur gaans van elkaar) en bij elk bezoek afwisselend op een ervan te starten. Zo wordt voorkomen dat sommige delen van het park altijd vroeg of laat op de ochtend (of avond) worden onderzocht. Indien aanwezig, is het verstandig om eerst poelen, sloten, vaarten, plassen of vennen te tellen, en pas daarna het omliggende gebied. Het lopen van de route gebeurt best in een constant en rustig tempo. Op vogelrijke plekken kan even worden gestopt om alle individuen te registreren en zo nodig kan even van de route worden afgeweken of iets worden teruggelopen.

2.6.1.3Het registreren van de waarnemingen

Tijdens het lopen van de route worden de geldige en uitsluitende waarnemingen als volgt geregistreerd:



  • alle geldige waarnemingen worden per bezoek nauwkeurig op een veldkaart aangeduid. Om te bepalen of een waarneming geldig is, wordt gebruik gemaakt van de methodiek uit de Atlas van de Vlaamse broedvogels (Vermeersch et al. 2004): geldige waarnemingen zijn waarnemingen die waarschijnlijk (code 2) of zeker (code3) op broeden wijzen (Tabel 7). Mogelijke broedgevallen (code1) worden niet genoteerd, om doortrekkende of toevallig passerende individuen zo veel mogelijk uit te sluiten.

  • de soortnaam, het type waarneming en het gedrag van de vogel (Tabel 8) worden genoteerd.

  • alleen uitsluitende waarnemingen worden genoteerd. Dit zijn waarnemingen waarbij het met zekerheid om een ander individu gaat. Indien hierover geen zekerheid bestaat, wordt de waarneming niet genoteerd of wordt er duidelijk bij genoteerd dat het mogelijk om hetzelfde individu gaat.

Tabel 7 Overzicht van de verschillende broedzekerheidscategorieën die gehanteerd worden tijdens het veldwerk.



Code 1 :

Mogelijk broedend




  • Een soort waargenomen in het broedseizoen, in het broedbiotoop

  • Eenmalige waarneming van zingende of baltsende vogel in het broedseizoen in het broedbiotoop

Code 2 :

Waarschijnlijk broedend




  • Waarneming van een paar in geschikt broedbiotoop in het broedseizoen

  • Territoriumgedrag (zang, gevechten) op ten minste 2 dagen, die meer dan een week uit elkaar liggen, op dezelfde plaats vastgesteld

  • Baltsend paar (ook paring) in het territorium

  • Bezoek van vogel aan waarschijnlijke nestplaats

  • Angstkreten of ander gedrag (alarmeren) dat wijst op de aanwezigheid van een nest of jongen

  • Vogel met broedvlekken (naakte huid die in direct contact met de eieren wordt gebracht)

  • Transport van nestmateriaal, nestbouw of uithakken van een nestholte

Code 3 :

Zeker broedend




  • Afleidingsgedrag

  • Pas gebruikt nest of verse eierschalen gevonden

  • Pas uitgevlogen jongen van nestblijvers of donsjongen van nestvlieders

  • Bezoek door de ouders aan nest met onbekende inhoud, waarneming van broedende vogel

  • Transport van ontlastingspakketje of voedsel voor de jongen

  • Nest met eieren, nest met jongen of jongen in het nest gehoord

Tabel 8 De 5 types van waarnemingen en gedrag.

Type waarneming en gedrag

Omschrijving

Volwassen individu in broedbiotoop

- Enkele vogel met ‘binding’

Waarneming van volwassen individuen in geschikt broedbiotoop. Vooral van belang in de periode waarin geen doortrek voorkomt (periode tussen de datumgrenzen*). Waarnemingen van groepen in de periode tussen de datumgrenzen worden in paren opgesplitst.

Paar in broedbiotoop

- Samen optrekkend

- Twee individuen samentrekken



Waarneming van paren in geschikt broedbiotoop. Vooral van belang in de periode waarin geen doortrek voorkomt (periode tussen de datumgrenzen). Bij vogels zonder duidelijke geslachtsverschillen wordt er meestal van uitgegaan dat 2 vogels in elkaars nabijheid (zonder agressie) een paar vormen. Bij twijfel noteren als 2 individuen. Waarnemingen van groepen in de periode tussen de datumgrenzen worden in paren opgesplitst.

Territoriaal gedrag

- Zang, balts, dreigen

Territorium-indicerende waarnemingen in broedbiotoop. Waarnemingen die wijzen op de aanwezigheid van een territorium. Voorbeelden: zang, balts, baltsvoedering, territoriumroep, paring, imponeervluchten, dreigen en vechten.

Nest-aanduidend gedrag

- Kennelijk nest (gedrag)

- Alarm


- Nestbouw

- Ouders met pas uitgevlogen jongen

- Waarschijnlijke broedplaats


Nest-indicerende waarnemingen. Waarnemingen die wijzen op de aanwezigheid van een nest of jongen, zoals alarmeren, afleidingsgedrag, aanvallen van een predator, nestbouw, transport van nestmateriaal, transport van voedsel voor de jongen,…

Nestvondst

- Nest met eieren of jongen

- Nest met broedende vogel



Nestvondsten. Alle vondsten van nesten met eieren of jongen.

*: datumgrenzen: de periode waarbinnen voor de soort geen trek plaatsvindt.

2.6.2Hoe pakt u het aan?


stap 1 Zet de vaste looproute uit en duid deze aan op kaart. Breng indien nodig permanente merktekens aan in het veld om de route goed terug te kunnen vinden.

stap 2 Loop de route voor een eerste maal in maart. Voor vroege broedvogels kan een bezoek in februari gewenst zijn.

stap 3 Noteer tijdens het lopen van de route alle geldige waarnemingen en duid deze aan op een veldkaart. Enkel waarnemingen die duidelijk over verschillende individuen gaan worden genoteerd.

stap 4 Herhaal stap 2 en 3 minstens 7 keer (vogelarm gebied) tot 10 keer (vogelrijk gebied) in de loop van het broedseizoen. Tot juni kunt u de route lopen, voor late broedvogels zijn waarnemingen in juli ook nuttig.

stap 5 Groepeer alle waarnemingen van de verschillende rondes en maak een kaart en een lijst met daarop waarschijnlijke en zekere broedgevallen.



1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina