Hoofdstuk e monitoring 2 Natuurwaarde 2


Onderzoek naar amfibieën (deel van basismonitoring)



Dovnload 0.54 Mb.
Pagina7/9
Datum27.08.2016
Grootte0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

2.7Onderzoek naar amfibieën
(deel van basismonitoring)

2.7.1Wat kunt u onderzoeken?


Het onderzoek naar amfibieën is gericht op het beantwoorden van twee vragen:
Welke amfibieën komen voor in de wateren van het park?

Zijn deze soorten zeldzaam, algemeen of zeer algemeen?


Om de aanwezigheid van amfibieën vast te stellen en hun aantal in te schatten kunt u:


  • luisteren (plonzen tellen en luisteren naar koren)

  • kijken (naar volwassen dieren, naar larven en juvenielen, naar eieren)

  • vangen (met schepnet)

Wanneer u een water onderzoekt zult u eerst luisteren, dan kijken en daarna vangen.


Bij het herhalen van deze monitoring zal u veranderingen kunnen vaststellen in de aanwezige soorten en hun aantal per onderzocht water. Deze veranderingen moeten gebruikt worden om het beheer te evalueren en indien nodig bij te sturen. Om deze gegevens goed te interpreteren is voldoende ecologische kennis nodig van de aanwezige amfibieënsoorten. Vooral de soortenlijsten en abundanties per water zijn belangrijk om het beheer plaatsgebonden aan te passen.

2.7.1.1Luisteren


Beluisteren van koren
Elk water dat bezocht wordt, moet voorzichtig worden benaderd. Op enkele meters van de oever blijft de waarnemer stilstaan en luisteren. Op dat moment kunnen roepende mannetjes gehoord worden (Groene kikker, Bruine kikker, Heikikker, Boomkikker, Gewone pad, Rugstreeppad, Knoflookpad, Vroedmeesterpad). De populatiegrootte kan worden ingeschat aan de hand van de koorindex (zie verder).
Voor- en nadelen van het beluisteren van koren:
+ met tellen van roepende dieren is een goede aantalschatting mogelijk

+ geringe verstoring van de voortplantingsplek

- alleen schattingen van mannetjes

- niet voor alle soorten toepasbaar

- voor sommige soorten alleen tijdens een korte periode toepasbaar (Knoflookpad en Heikikker)

- afhankelijk van de juiste tijd en de juiste omstandigheden


Plonzen tellen
Wanneer het water dichter benaderd wordt, verraden Groene kikkers zich gewoonlijk door van de oever in het water te springen. Er kan dan een aantalschatting gebeuren door rustig de oever af te lopen en het aantal plonzen te tellen.
Voor- en nadelen van het tellen van plonzen:
+ eenvoudige methode, vooral geschikt voor inventarisatie van sloten

+ overdag toe te passen

+ verstoring blijft beperkt

- alleen voor groene kikkers toepasbaar

- niet alle dieren worden gezien

- afzonderlijke soorten groene kikkers zijn niet te onderscheiden



- verwarring met Bruine kikker is mogelijk. Daarom wordt best vanaf mei pas geteld, dan heeft de Bruine kikker de omgeving van het water al verlaten, de Groene kikker nog niet

2.7.1.2Kijken


Volwassen dieren
Vooral watersalamanders (maar in mindere mate de Kamsalamander) kunnen goed met zichtwaarnemingen geïnventariseerd worden. Ook bepaalde kikkers en padden zijn goed op het zicht te inventariseren. Een overzicht per soort met aanduiding van het beste moment (overdag of ’s avonds) is weergegeven in Tabel 7
Tabel 9 Beste waarnemingsmoment voor de verschillende soorten amfibieën

Soort

Beste waarnemingsmoment

overdag

s avonds

Vuursalamander




*

Watersalamanders




*

Gewone pad

*

*

Rugstreeppad




*

Knoflookpad




*

Vroedmeesterpad




*

Bruine kikker

(*)

*

Groene kikkers

*

*

Heikikker

(*)

*

Boomkikker




*


Eieren
De eieren van bepaalde soorten amfibieën zijn goed te herkennen. In Figuur 2 zijn de verschillende types eisnoeren, eiklompen en eitjes van amfibieën voorgesteld. Bij bezoeken overdag kan de aanwezigheid van de meeste soorten amfibieën worden vastgesteld door het water op eieren, eiklompen of eisnoeren te inventariseren. Onder bepaalde omstandigheden kunnen veel eieren afsterven en vervolgens beschimmelen. Het gelei dat de kern omgeeft wordt dan troebel, terwijl de kern zelf wit wordt en tenslotte uit elkaar valt. Veelvuldige waarnemingen van beschimmelde eieren worden best genoteerd. Indien er een achteruitgang is, kan dit een aanwijzing geven over de oorzaak.

Figuur 2 Eisnoeren, eiklompjes en eitjes van amfibieën.


Larven en juvenielen
Larven kunnen soms in grote aantallen in het water waargenomen worden. Op die manier kunt u zich een idee vormen van de grootte van een populatie van een soort. Probleem is dat de larven van sommige soorten niet eenvoudig op het zicht uit elkaar te houden zijn. Van sommige soorten (Knoflookpad, Boomkikker) houden de larven zich ook vooral in dieper water op.

Vlak na de metamorfose blijven de juvenielen vaak nog een aantal dagen in de buurt van het water, waar ze dan gemakkelijk waargenomen kunnen worden.


Voor- en nadelen van kijken:
+ eenvoudige methode

+ voor alle soorten

+ voor alle levensstadia

+ verstoring is beperkt

+ alleen zaklamp nodig

- beperkt bruikbaar bij sterk begroeide of grote wateren

- De Kamsalamander, een soort die dieper water (minimaal 50 cm) nodig heeft, kan over het hoofd worden gezien

2.7.1.3Vangen

Het gebruik van een schepnet kan een aanzienlijke verstoring van het water met zich meebrengen. In veel gevallen worden met netvangsten ook niet meer soorten ontdekt dan met een goed uitgevoerde zicht- en geluidsinventarisatie. Daarom wordt het gebruik van een schepnet beperkt. In troebele of dichtbegroeide wateren is een schepnet echter een onmisbaar hulpmiddel. Per 10 meter oeverlengte wordt 1 keer geschept, met een maximum van 10 scheppen per water. Er wordt niet geschept op plekken met een kwetsbare vegetatie. Bij elke schepbeurt wordt het schepnet éénmaal ver in het water gestoken en in een vlotte beweging vlak boven de bodem naar de kant gehaald. Het net wordt voorzichtig op de oever gelegd en doorzocht, alle individuen worden per soort geteld. Na het doorzoeken wordt de volledige inhoud terug in het water geplaatst. Om verspreiding van ziektes te voorkomen is het aan te raden het schepnet voor en na gebruik steeds te ontsmetten met alcohol.


Niet alle schepnetten zijn geschikt voor het inventariseren van amfibieën. Een goed schepnet is voldoende groot en stevig, en heeft een maaswijdte van 3 tot 8 mm, een vlakke voorzijde en een lange steel (Figuur 4). Op de website van de Nederlandse Amfibieënwerkgroep worden 2 standaardschepnetten (50×40 cm met steel 140 cm en 55×70 cm met steel 200 cm) te koop aangeboden (http://www.ravon.nl/schepnetten.html).

Figuur 3 Standaardschepnetten voor het bemonsteren van amfibieën (http://www.ravon.nl/schepnetten.html).



2.7.1.4Inschatten van de populatiegrootte

Het bepalen van het aantal kikkers, padden en salamanders is geen eenvoudige opgave. De kans dieren te zien, verandert gedurende het seizoen en is per situatie verschillend. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat in weinig begroeid water volwassen salamanders goed waar te nemen zijn, terwijl op een andere locatie het inventariseren van eieren of larven meer succes heeft. Voor het inschatten van de populaties wordt daarom gewerkt met 4 ruwe klassen, zie Tabel 10. Tabel 10 werkt met het aantal volwassen individuen, wanneer u dus eieren of larven telt zult u zelf moeten schatten hoeveel volwassen individuen aanwezig zijn.


Tabel 10. De 4 klassen om de populatiegrootte te schatten

Klasse

Status

Toelichting

-

Ontbreekt

Aanwezigheid van de soort niet aangetoond

1

Zeldzaam

Waarschijnlijk hooguit enkele volwassen dieren aanwezig

2

Algemeen

Waarschijnlijk enkele tientallen volwassen dieren aanwezig

3

Zeer algemeen

Waarschijnlijk meer dan honderd volwassen dieren aanwezig

Indien gewerkt wordt met telling van roepende mannetjes, dan wordt de populatiegrootte bepaald aan de hand van de koorindex (Tabel 11).


Tabel 11 Koorindex voor het schatten van de populatiegrootte

Klasse

Status

Toelichting

-

Ontbreekt

Er zijn geen roepende dieren te horen

1

Zeldzaam

Enkele individuele dieren kwaken, de roepen zijn goed van elkaar te onderscheiden

2

Algemeen

Het gekwaak van de individuele dieren is te onderscheiden, maar er is sprake van geluidsoverlap

3

Zeer algemeen

Volledige koorvorming; de geluiden zijn niet meer apart te onderscheiden maar overlappen en vormen een continu geluid


2.7.2Hoe pakt u het aan?


stap 1 Selecteer maximum 10 tot 15 wateren als vaste onderzoekslocatie. De geselecteerde wateren moeten een representatief beeld geven van alle aanwezige wateren in het park. Alleen wateren waarvoor een matige of hoge natuurwaarde werd vastgesteld worden onderzocht. Wateren met een lage natuurwaarde worden niet onderzocht.
Opmerking: Een water bestaat uit een in het veld herkenbare eenheid. Bij vijvers of poelen is dit eenvoudig vast te stellen, bij sloten of moerassige gebieden is dit moeilijker. Regel is dat twee wateren als eenzelfde eenheid worden aanzien indien ze minstens 1 keer per jaar met elkaar in verbinding staan én hetzelfde karakter hebben. Een sloot en een beek die daarin uitmondt zijn dus twee verschillende eenheden. Bij twijfel is het aan de waarnemer om een beslissing te nemen.
stap 2 Teken de ligging van de wateren in op kaart en geef elk water een uniek nummer.

stap 3 Bezoek elk geselecteerd water 4 maal. Bij elk bezoek geldt de stelregel eerst luisteren, dan kijken, daarna vangen.



  • 1 keer in maart: dagbezoek. Goede periode voor het zoeken van eieren en tellen van volwassen dieren (zie ook Tabel 12)

  • 1 keer in april – begin mei: avondbezoek. Goede periode voor het luisteren naar koren en tellen van volwassen dieren (zie ook Tabel 12)

  • 1 keer eind mei – begin juni: avondbezoek. Goede periode voor het luisteren naar koren en tellen van volwassen dieren (zie ook Tabel 12)

  • 1 keer in juli – augustus: dagbezoek. Goede periode voor het zoeken naar larven en juvenielen (zie ook Tabel 12).

stap 4 Noteer bij elk bezoek per water de waargenomen soorten, hun levensstadia en een schatting van de populatiegrootte.

stap 5 Breng alle gegevens van de 4 bezoeken samen en maak per geselecteerd water een eindrapport met daarin de aanwezige soorten en hun populatiegrootte. De populatiegrootte in het eindrapport is de hoogst vastgestelde van de 4 bezoeken.

stap 6 Maak een totale soortenlijst van amfibieën voor het park.

Tabel 12 Periode waarin de verschillende levensstadia van de verschillende amfibieën goed waar te nemen zijn.







1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina