Hoofdstuk e monitoring 2 Natuurwaarde 2


Diversiteitindices (deel van basismonitoring)



Dovnload 0.54 Mb.
Pagina8/9
Datum27.08.2016
Grootte0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

2.8Diversiteitindices
(deel van basismonitoring)




2.8.1Wat kunt u onderzoeken?


Aan de hand van voorgaand onderzoek en met de gegevens die verzameld zijn in hoofdstuk C, Studie, deel Biotiek is het mogelijk een aantal indices te berekenen. Volgende indices kunt u berekenen:


  • de terreineenhedendiversiteitindex

  • de soortendiversiteitindex van hogere planten

  • de verzadigingsindex voor dagvlinders, broedvogels en amfibieën



2.8.1.1Terreineenhedendiversiteit


Wat kunt u onderzoeken?
De terreineenhedendiversiteitindex wordt berekend aan de hand van de verschillende aanwezige terreineenheden en hun oppervlakte (of lengte of aantal). Deze gegevens zijn al opgenomen in hoofdstuk A, Identificatie of in hoofdstuk C, Studie, deel Biotiek.
Door gebruik te maken van de Shannon-Wienerindex (H) worden 3 indices berekend. Namelijk voor vlakvormige, lijnvormige en puntvormige terreineenheden, omdat die ieder in verschillende eenheden worden begroot (vlakvormige in oppervlakte (m²), lijnvormige in lengte (m) en puntvormige in aantal). De Shannon-Wienerindex voor de terreineenhedendiversiteit wordt dan als volgt berekend:

Met:


i = i-de terreineenhedentype

s = aantal types terreineenheden

ni = oppervlakte, lengte of aantal van de i-de terreineenheid

N = totale oppervlakte, lengte of aantal

ln = natuurlijk logaritme
Zoals uit de formule blijkt kan deze index stijgen door:


  • een hoger aantal terreineenheden

  • een meer gelijke spreiding van de oppervlakte (of lengte of aantal, voor lijn- en puntvormige terreineenheden)

Aangezien deze index voor één park weinig zegt over de diversiteit van vlak-, lijn- of puntvormige terreineenheden, wordt de verhouding gemaakt tussen de berekende diversiteit en de maximale diversiteit. De maximale diversiteit vindt u wanneer alle onderscheiden terreineenheden aanwezig zijn in het park en elk met een gelijke oppervlakte, lengte of aantal. De maximale Shannon-Wienerindex wordt dan als volgt berekend:



met smax = het aantal onderscheiden terreineenheden
Het maximale aantal te onderscheiden vlak-, lijn-, puntvormige terreineenheden is bepaald door de indeling die u terugvindt in hoofdstuk A, Identificatie. Deze indeling onderscheidt 34 types van vlakvormige terreineenheden, 21 lijnvormige en 7 puntvormige. De maximale indices die hieraan gebonden zijn vindt u terug in Tabel 13. Hmax blijft gelijk voor alle parken.
Tabel 13 Waarde van Hmax voor vlak-, lijn- en puntvormige terreineenheden.




Maximaal aantal types terreineenheden (s)

Hmax=lns

Vlakvormige terreineenheden

34

3.53

Lijnvormige terreineenheden

21

3.04

Puntvormige terreineenheden

7

1.95

De verhouding H / Hmax geeft het percentage weer van de maximale diversiteit voor vlak-, lijn- of puntvormige terreineenheden. Deze verhouding noemen we de 'verzadigingsindex'.


Er dient wel benadrukt te worden dat deze maximale diversiteit geen doel is voor het beheer. Er is trouwens geen enkel park waar alle onderscheiden terreineenheden samen voorkomen, laat staan elk met een zelfde aandeel. De verzadigingsindex wordt hier enkel gebruikt om de diversiteit uit te drukken als een percentage. Een percentage zegt immers meer dan een getal ergens variërend tussen 0 en 4. De totale verzadigingsindex (St) voor alle terreineenheden samen kan dan worden berekend als het gewogen gemiddelde van de drie afzonderlijke indices:

Met:

Svl = verzadigingsindex van vlakvormige terreineenheden

nvl = aantal vlakvormige terreineenheden

Sli = verzadigingsindex van lijnvormige terreineenheden

nli = aantal lijnvormige terreineenheden

Spu = verzadigingsindex van puntvormige terreineenheden

npu = aantal puntvormige terreineenheden

nt = totaal aantal terreineenheden


Deze terreineenhedendiversiteitindex zegt u iets over de structuurdiversiteit van het park. Een hoge structuurdiversiteit staat echter niet altijd gelijk met een hoge biologische diversiteit. Zo kan de structuurdiversiteit stijgen wanneer men beslist in een park een stuk van een bos te kappen voor een verharde parking (als de terreineenheid verharde parking nog niet aanwezig was in het park). Of dit de biologische diversiteit in het park ten goede komt is nog maar zeer de vraag.
Ook kan men de structuurdiversiteit in het park laten stijgen door zeer veel verschillende terreineenheden met een kleine oppervlakte aan te leggen. Echter heel wat wilde organismen hebben een bepaalde oppervlakte nodig om te overleven. Het creëren van zeer veel verschillende types terreineenheden is dus niet altijd goed voor de biologsche diversiteit.
Hoe pakt u het aan?
stap 1 Download de Excel-file “terreineenheden” via de website www.harmonischparkengroenbeheer.be.

stap 2 Vul op deze file de 3 werkbladen vlak-, lijn-, puntvormige elementen in.

stap 3 De Excel-file berekent voor u de diversiteitindex en de verzadigingsindex voor vlak-, lijn-, en puntvormige elementen afzonderlijk. Ook het aantal verschillende types terreineenheden wordt gegeven.

stap 4 Vul het werkblad “totale verzadigingsindex” in met de berekende gegevens van vorige werkbladen. De totale verzadigingsindex wordt nu berekend.



2.8.1.2Soortendiversiteit


Wat kunt u onderzoeken?
Voor de soortendiversiteit van hogere planten wordt ook met de Shannon-Wienerindex gewerkt. Dit op basis van de gemiddelde bedekking van alle proefvlakken voor de soort, uitgedrukt in percentage. Er wordt dus een index berekend voor de bomen en struiken en een voor de kruidachtige soorten. De diversiteitindex voor alle plantensoorten samen (Hp) kan dan worden berekend als het gewogen gemiddelde van de index voor bomen en struiken en de index voor de kruidachtige soorten:

i = i-de soort

s = aantal soorten

ni = sommatie van alle bedekkingen van soort i

N = aantal proefvlakken waar soort i in voorkomt

ln = natuurlijk logaritme

met:

Hbs = diversiteitindex voor bomen en struiken

nbs = aantal proefvlakken van 100 m²

Hkr = diversiteitindex voor kruidachtige soorten

Nkr = aantal proefvlakken van 4 m²

ntot = totaal aantal proefvlakken


Deze index vertelt u iets over de plantendiversiteit in heel het park van zowel aangeplante als spontane soorten. Vermits ook aangeplante soorten worden opgenomen kan de beheerder de soortendiversiteit kunstmatig doen stijgen. Zo kan in een hooiland waar de spontane natuurlijke soorten verdwijnen, de diversiteitindex toch gelijk blijven of zelfs stijgen door soorten aan te planten. Het verdwijnen van de natuurlijke soorten duidt echter op een slecht beheer, wat niet wordt opgelost door het aanplanten van soorten. Deze index heeft als functie vergelijkingen tussen parken en in tijd mogelijk te maken. Conclusies i.v.m. het beheer kan men beter nemen door het bestuderen van de vegetatieopnames. Deze zijn namelijk plaatsgebonden.


Hoe pakt u het aan?
stap 1 Neem de Excel-file “opnames_planten”. Deze heeft u reeds ingevuld nadat u de vegetatieopnames heeft uitgevoerd.

stap 2 In de Excel-file worden de diversiteitindices voor kruidachtige planten en voor bomen en struiken automatisch berekend.

stap 3 Vul het het derde werkblad (“diversiteit alle soorten”) van de Excel-file in. De diversiteitindex voor alle plantensoorten wordt nu berekend.

2.8.1.3De verzadigingsindex voor dagvlinders, broedvogels en amfibieën


Wat kunt u onderzoeken?
Voor dagvlinders, broedvogels en amfibieën kan een soort van verzadigingsindex worden berekend voor het gevonden aantal soorten ten opzichte van het aantal soorten in Vlaanderen. In Vlaanderen komen 72 soorten dagvlinders, 13 soorten amfibieën en 169 soorten broedvogels voor. Niet alle soorten die in Vlaanderen voorkomen, komen daarom voor in parken.
Deze verzadigingsindices vertellen u iets over de aanwezige soorten in het park en maken vergelijkingen tussen verschillende parken mogelijk. Ze worden echter berekend voor heel het park en zijn dus niet plaatsgebonden. Wanneer de monitoring van deze soorten wordt herhaald kunt u nagaan of de index gestegen is of niet. Een daling van een van de indices geeft aan dat er soorten verdwenen zijn. De beheerder gaat dan best na welke soorten verdwenen zijn en wat hiervan de oorzaak is. Hiervoor gebruikt u de gegevens van de monitoring van deze soorten.
Hoe pakt u het aan?
stap 1 Neem de soortenlijsten van dagvlinders, broedvogels en amfibieën. Deze werden aangemaakt tijdens vorige onderzoeken.

stap 2 Deel het aantal gevonden soorten door:



  • 72 voor dagvlinders

  • 169 voor broedvogels

  • 13 voor amfibieën.

stap 3 De verkregen cijfers zijn de verzadigingsindices voor de verschillende groepen.

2.9Uitbreidingsmodules


De monitoring van de natuurwaarde kan ook voor andere soortengroepen worden uitgevoerd dan voor deze beschreven in de basismonitoring. Ook is het mogelijk dat u de structuurdiversiteit van de bosbestanden of de populatiegrootte van de dagvlinders wil monitoren. De hierna beschreven modules zullen u hierbij helpen, maar zijn niet zo diepgaand uitgewerkt als deze voor de basismonitoring. Voor een meer uitgebreide bespreking van deze methodieken worden een aantal nuttige literatuurverwijzingen meegegeven.

2.9.1Een meer diepgaande monitoring van dagvlinders

2.9.1.1Wat kunt u onderzoeken?

Om dagvlinders beter op te volgen kunt u:



  • de relatieve populatiegrootte monitoren

  • soortgerichte routes lopen

  • vlindereitjes tellen


Monitoring van de relatieve populatiegrootte3
Voor monitoring van de relatieve populatiegrootte van de verschillende soorten dagvlinders in het park volstaat het niet om slechts 5 tot 10 keer per seizoen de route te lopen, zoals voorzien wordt in de basismodule. In dat geval is het nodig om van 1 april tot 30 september wekelijks de vaste route te lopen en per sectie voor elke soort het aantal waargenomen individuen te noteren. Het is niet nodig dat elke week op dezelfde dag geteld wordt. Indien een week niet kan geteld worden (bijvoorbeeld door ongunstige weersomstandigheden) is dit geen probleem en blijven de resultaten perfect bruikbaar. Het is ook toegestaan om méér dan een keer per week te tellen, maar 1 keer per week is wel de minimale telfrequentie die moet worden aangehouden. De vliegtijd van de meeste soorten dagvlinders bedraagt immers 4 tot 5 weken en indien minder vaak wordt geteld, bestaat het risico dat er voor bepaalde soorten te weinig tellingen beschikbaar zijn wanneer 1 of meer tellingen wegvallen bij aanhoudend slecht weer. Omdat de populatiegrootte van dagvlinders sterk kan schommelen afhankelijk van de weersomstandigheden, moet voor een volledige monitoring-ronde gedurende minstens 2 opeenvolgende seizoenen worden geïnventariseerd.
Werkwijze voor ongedetermineerde witjes
Enkele soorten witjes die veel op elkaar lijken (voornamelijk Klein koolwitje en Klein geaderd witje) kunnen vaak niet met zekerheid op naam gebracht worden. De werkwijze is dan als volgt:

  • Per dag wordt het aantal met zekerheid herkende witjes per soort opgeteld.

  • Volgens deze verhouding worden dan de ongedetermineerde witjes verdeeld.

Voorbeeld:

Er werden 10 Kleine geaderde witjes en 15 Kleine koolwitjes geteld. Indien er 5 ongedetermineerde witjes zijn waargenomen, dan worden deze verdeeld als 2 Kleine geaderde witjes en 3 Kleine koolwitjes.


Deze methode mag alleen voor de witjes worden toegepast.
Soortgerichte routes
Voor zeldzame en bedreigde soorten vermeld op de Rode Lijst van de dagvlinders in Vlaanderen kan het in bepaalde gevallen nuttig zijn om een soortgerichte route uit te zetten. Dit gebeurt op dezelfde manier als voor de algemene route, maar de soortgerichte route dient enkel te worden gelopen gedurende de vliegtijd van de desbetreffende soort. De route wordt uiteraard uitgezet op plaatsen waar de kans dat de soort gezien wordt het hoogst is. Dit is bijvoorbeeld langs plaatsen waar een specifieke waardplant voor de vlinder in kwestie groeit. De meest recente Rode lijsten kunt u terugvinden op de website van het INBO (http://www.inbo.be/), doorklikken naar Kenniscentrum / Beleid / Vlaams beleid / Soortenbeleid / Rode Lijsten.
Ei-telplots
Van twee in Vlaanderen voorkomende zeldzame vlindersoorten zijn de eitjes gemakkelijker te vinden dan de volwassen vlinders. Daarom is het voor deze soorten nuttig om een ei-telplot uit te zetten. Ei-telplots mogen maximaal zo groot zijn dat alle eitjes en waardplanten in maximaal 30 minuten kunnen geteld worden.

Een eerste soort is de Sleedoornpage (Thecla betulae), die kan verwacht worden in de zuidelijke helft van Vlaanderen, op plaatsen waar Sleedoorn groeit. Als ei-telplot kan een sleedoornheg worden gekozen, of een gedeelte van het park waar veel Sleedoorn groeit. De ei-telplot wordt 1 keer geïnventariseerd in de winter. Hierbij worden de takken van alle binnen de ei-telplot aanwezige Sleedoorns gecontroleerd op de aanwezigheid van eitjes. Per struik worden alle gevonden eitjes geteld, alsook het aantal aanwezige struiken.

Een tweede soort is het Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon), dat uitsluitend verwacht kan worden in de Kempen, op plaatsen waar de waardplant Klokjesgentiaan groeit. Als ei-telplot kan een stuk heide of blauwgrasland met Klokjesgentiaan van 10×10 meter worden gekozen. Alle eitjes en waardplanten worden 1 of 2 keer geteld in de periode vanaf de laatste week van juli tot half augustus.

2.9.1.2Meer informatie vindt u hier

Van Swaay CAM, 2005. Handleiding Landelijk Meetnet Vlinders. Rapport VS2005.042, De Vlinderstichting, Wageningen.


Rode lijst: INBO (http://www.inbo.be/), doorklikken naar Kenniscentrum / Beleid / Vlaams beleid / Soortenbeleid / Rode Lijsten.

2.9.2Paddenstoelen

2.9.2.1Wat kunt u onderzoeken?

Indien u tijdens het uitvoeren van de biologische survey (zie hoofdstuk C, deel Biotiek) groeiplaatsen van bijzondere paddenstoelen hebt aangetroffen, kan het interessant zijn om de aanwezige soortensamenstelling op deze groeiplaatsen verder te onderzoeken. Hiervoor wordt best beroep gedaan op de expertise van een paddenstoelenkenner (gespecialiseerd mycoloog).


Voor monitoring in parken volstaat het in principe om de aanwezigheid van alle soorten vast te stellen door groeiplaatsen van bijzondere paddenstoelen gericht te inventariseren. Optioneel kan per soort het aantal vruchtlichamen worden geteld.
Voor een volledige monitoring-ronde is het noodzakelijk om de groeiplaats minstens 3 keer gedurende 2 opeenvolgende jaren grondig te inventariseren. Hierbij worden alle aanwezige soorten gedetermineerd op basis van de zichtbare vruchtlichamen. De herhalingen zijn nodig omdat het aantal zichtbare soorten en het aantal vruchtlichamen sterk kan schommelen van jaar tot jaar en in de loop van het seizoen, afhankelijk van de hoeveelheid neerslag die in het voorjaar en de zomer valt. De inventarisatie gebeurt bij voorkeur in of kort na een warme, regenrijke periode met onweer, omdat in droge periodes weinig vruchtlichamen zichtbaar zijn.

2.9.2.2Meer informatie vindt u hier

Meer informatie in verband met mycologische verenigingen kan verkregen worden bij Ruben Walleyn (Ruben.walleyn@inbo.be).


2.9.3Mossen en korstmossen

2.9.3.1Wat kunt u onderzoeken?

Indien in het park veel mossen en/of korstmossen aanwezig zijn, kan het nuttig zijn de soortensamenstelling verder te onderzoeken. Het inventariseren van mossen en korstmossen vereist een grondige kennis en veel ervaring en wordt bij voorkeur uitgevoerd door kenners (gespecialiseerde bryologen en lychenologen).



2.9.3.2Hoe pakt u het aan?

stap 1 Doorloop het volledige park en inventariseer alle geschikte habitats. Plaatsen waar een rijke mossen- en korstmossenflora kan verwacht worden zijn:



  • oude bosbestanden (schors van oude bomen, waarbij vooral boomsoorten met neutrale of basische, sterk gegroefde schors interessant zijn, dood hout, strooisel, steilkantjes)

  • oude muren en gebouwen

  • oevers van sloten en vennen

  • kale bodems (tuinen en akkers)

  • schrale vegetaties (stuifzanden, heide, schraal grasland)

stap 2 Groeiplaatsen van zeldzame soorten worden aangeduid op kaart.

stap 3 Een volledige soortenlijst van het park wordt opgesteld met een schatting van de zeldzaamheid per soort (zie tabel 14). Hierbij wordt 1 exemplaar gedefinieerd als een toefje, pol of mat die tenminste op 1 m afstand van een ander toefje, pol of mat staat.
Tabel 14 Klasse voor het inschatten van de zeldzaamheid van mossen.

Aantal exemplaren

Code

1

A

2-5

B

>5

C

Opmerking: Voor sommige soorten volstaat velddeterminatie niet en moet microscopisch onderzoek gebeuren. Zeer zeldzame soorten, waarvan slechts 1 of enkele exemplaren worden gevonden, mogen niet worden ingezameld. In dat geval moet de determinatie ter plaatse worden bevestigd door andere bryologen. Indien van een zeldzame soort materiaal wordt ingezameld, dan wordt dit altijd bewaard in een herbarium.



2.9.3.3Meer informatie vindt u hier

Siebel HN, 2003. Inventarisatiehandleiding mossen. Buxbaumiella 65: 2-28. Deze handleiding kan gedownload worden van de website van de Bryologische en Lychenologische Werkgroep van de KNNV (http://www.blwg.nl).


Voor korstmossen bestaat momenteel nog geen handleiding, maar in principe kan min of meer dezelfde gestandaardiseerde methodiek als die voor de mossen worden gehanteerd. Voor meer informatie wordt eveneens verwezen naar bovenvermelde website.
Momenteel bestaat er nog geen Rode Lijst voor de mossen en de korstmossen in Vlaanderen. Voor Nederland is er wel een Rode Lijst voor de mossen en de korstmossen beschikbaar:

  • Siebel HN, Bijlsma RJ & Bal D, 2002. Bedreigde en kwetsbare mossen in Nederland. Toelichting op de Rode Lijst. LNV.

  • Aptroot A, van Dobben HF, van Herk CM & van Ommering G, 1998. Bedreigde en kwetsbare korstmossen in Nederland. Rapport IKC Natuurbeheer nr. 29. Wageningen.

Deze Rode Lijsten zijn naar verwachting ook grotendeels representatief voor Vlaanderen en kunnen in afwachting van een Vlaamse Rode Lijst als alternatief worden gebruikt.



2.9.4Reptielen

2.9.4.1Wat kunt u onderzoeken?

In parken met oude bosstructuren kan mogelijk Hazelworm voorkomen. De dieren houden zich vaak op in de overgangszones tussen bos en meer open vegetaties (grasland, heide), langs bospaden en in kapvlakten. Hazelwormen vindt u ook frequent langs holle wegen, houtwallen, weg-, spoorweg- en kanaalbermen en op kalkhellingen.



Levendbarende hagedis kan voorkomen in vochtige heide en in lijnvormige landschapselementen zoals bosranden, wegen en brandgangen in bossen, wegbermen, spoorwegtaluds, dijken, hagen, houtwallen en holle wegen.

De ringslag wordt als uitgestorven beschouwd in Vlaanderen. Ook de andere inheemse reptielensoorten (Gewone adder en Gladde slang) komen waarschijnlijk niet in Vlaamse parken voor.

De Muurhagedis is een Midden-Europese soort die momenteel op twee plaatsen in Vlaanderen (Heverlee en Muizen) werd geïntroduceerd en zich daar voorlopig weet te handhaven. De kans dat de soort vroeg of laat in parken opduikt is evenwel klein.
De bestaande populaties van reptielen in Vlaanderen zijn vrij goed gekend. Vaak zal in de praktijk het vaststellen van de aanwezigheid van een soort al volstaan. Deze aanwezigheid kan worden gecontroleerd door een geschikt substraat (bijv. een ondoorzichtige golfplaat van 1 m2) op de bodem te leggen in het mogelijke foerageergebied en na 1 week te controleren of er dieren onder aanwezig zijn. Deze methode werd ook reeds besproken in hoofdstuk C, deel Biotiek.

2.9.4.2Meer informatie vindt u hier

Voor meer informatie over de verspreiding van reptielen in Vlaanderen wordt verwezen naar de website van de amfibieën- en reptielenwerkgroep van Natuurpunt (http://www.hylawerkgroep.be).


Smit GFJ & Zuiderwijk A, 2003. Handleiding voor het monitoren van reptielen in Nederland. RAVON Werkgroep Monitoring, Amsterdam.
Rode lijst: INBO (http://www.inbo.be/), doorklikken naar Kenniscentrum / Beleid / Vlaams beleid / Soortenbeleid / Rode Lijsten.

2.9.5Niet-vliegende zoogdieren

2.9.5.1Wat kunt u onderzoeken?

Voor het inventariseren van niet-vliegende zoogdieren (Haas, Konijn, Vos, Bunzing, Eekhoorn, Ree,…) is het in principe noodzakelijk een beroep te doen op iemand die over gespecialiseerde kennis beschikt, al zullen voor een aantal gemakkelijk herkenbare soorten zichtwaarnemingen volstaan om de aanwezigheid te bevestigen. Het schatten van de populatiegrootte is moeilijk.


Andere gestandaardiseerde inventarisatiemethoden maken gebruik van ‘life-traps’, vallen waarin (kleine) zoogdieren levend gevangen worden. Deze valtypes hebben echter het nadeel dat de vallen om de 3 tot 4 uur moeten worden gecontroleerd om het risico op sterfte zo laag mogelijk te houden.

2.9.5.2Hoe pakt u het aan?

stap 1 In de maand april doorloopt u tweemaal het gehele park gedurende 1 uur. Eenmaal telt u binnen 3 uur na zonsopgang en eenmaal 3 uur voor zonsopgang. Bij elk bezoek registreert u alle waargenomen zoogdieren, waarbij dubbeltellingen worden vermeden. Ook wanneer u geen of weinig zoogdieren ziet blijft u een uur rondlopen.

stap 2 In de maanden juli en augustus herhaalt u deze werkwijze. In het totaal loopt u dus zesmaal door het park.

2.9.5.3Meer informatie vindt u hier

Buys J, 2002. Handleiding dichtheidsschatting dagactieve zoogdieren.

Te downloaden van de website van de Nederlandse Zoogdierenvereniging VZZ (http://www.vzz.nl).
Rode lijst: INBO (http://www.inbo.be/), doorklikken naar Kenniscentrum / Beleid / Vlaams beleid / Soortenbeleid / Rode Lijsten. De Eikelmuis (Eliomys quercinus) staat nog niet op de meest recente Rode Lijst, maar is momenteel eveneens zeldzaam geworden en te beschouwen als een aandachtssoort, waarvan de aanwezigheid zeker moet geregistreerd worden.

2.9.6Vleermuizen

2.9.6.1Wat kunt u onderzoeken?

Het inventariseren van vleermuizen is niet eenvoudig en kan enkel uitgevoerd worden door een ervaren vleermuizenkenner. Zowel de soorten als hun abundantie kunnen gemonitord worden.

Voor monitoring van vleermuizen bestaan 3 bruikbare methoden:


  • tellingen van zomerkolonies

  • tellingen van foeragerende vleermuizen in de zomer

  • wintertellingen


Tellingen van zomerkolonies
Zomerkolonies kunnen het beste worden gelokaliseerd door de inzwermende dieren op te sporen met een bat-detector. Met dit toestel is het mogelijk om de roepfrequenties van de verschillende soorten te onderscheiden. De meeste vleermuizen vertonen zwermgedrag tijdens het terugkeren naar de kolonie. Dit zwermen kan tot 20 minuten duren en is veel opvallender dan het uitvliegen van de dieren. Nadeel is dat u vroeg uit de veren moet want het zwermen gebeurt ongeveer 1 uur voor zonsopgang.
Een andere, iets minder geschikte methode is het tellen van uitvliegende dieren voor de kolonieplaatsen. De telling gebeurt op basis van zichtwaarnemingen, al kan een bat-detector als hulpmiddel worden gebruikt. Voor grote kolonies kan best gebruik worden gemaakt van een "klikteller".
Opmerking: een bewoonde kolonieplaats in een boomholte, grot of gebouw is soms te herkennen aan de aanwezigheid van uitwerpselen onder de invliegopening.
Tellingen van foeragerende vleermuizen in de zomer
Vleermuizen kunnen in de zomer ook geïnventariseerd worden tijdens het foerageren. Plaatsen waar vleermuizen bij voorkeur foerageren, zijn onder andere dreven, open plekken in het bos, waterlopen en waterpartijen. Monitoring gebeurt door middel van tellingen op vaste punten, transecten of een combinatie van beide (punt/transecttellingen) met behulp van een bat-detector. Een soort die met een bat-detector moeilijk op te sporen is omwille van een erg stille sonar is de Grootoorvleermuis. Indien in ijskelders, gebouwen of grotten afgebeten vleugels van vlinders worden aangetroffen, zijn dit echter meestal prooiresten van Grootoorvleermuis.
Wintertellingen
Ook tijdens de winter kunnen vleermuizen worden geteld. De meeste soorten vertoeven dan in kelders, gebouwen, mergelgroeven, enz. en zijn op dat moment in winterslaap. Omwille van het gevaar voor verstoring (met mogelijk sterfte tot gevolg) is het noodzakelijk dat de wintertellingen door een vleermuizenkenner gebeuren, en dat alle noodzakelijke veiligheidsmaatregelen in acht worden genomen!
Een aantal vleermuizen (Rosse vleermuis, Bosvleermuis, soms Grootoorvleermuis en Franjestaart) overwinteren ook in holle bomen en zijn dan uiterst kwetsbaar. In parken met oude bomen zou er pas mogen gekapt worden in de periode half september/half oktober en na onderzoek met bat-detector. Telling van boombewonende vleermuizen in de winter is enkel mogelijk met een boomcamera.

2.9.6.2Meer infomatie vindt u hier

Van Olmen M, Vanacker S & Hoffmann M, 2000. Hoe aandachtssoorten en grondwaterstanden opvolgen? Rapport IN.R.2000.3. 116 p.


Dijkstra V & Korsten E, 2005. Handleiding wintertellingen van vleermuizen. Voor het monitoren van vleermuizen in de winter. Zoogdiervereniging VZZ, Arnhem.
Rode lijst: Criel D, Lefevre A, Van Den Berge K, Van Gompel J & Verhagen R, 1994. Rode Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen. AMINAL, Brussel.
Tabel 15 Rode Lijst van de vleermuizen in Vlaanderen.

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Categorie Rode Lijst

Baardvleermuis

Myotis mystacinus

Vermoedelijk bedreigd

Bechsteins vleermuis

Myotis bechsteinii

Ernstig bedreigd

Bosvleermuis

Nyctalus leisleri

Ernstig bedreigd

Brandt's vleermuis

Myotis brandtii

Bedreigd

Franjestaart

Myotis nattereri

Vermoedelijk bedreigd

Grijze grootoorvleermuis

Plecotus austriacus

Bedreigd

Grootoorvleermuis

Plecotus auritus

Vermoedelijk bedreigd

Ingekorven vleermuis

Myotis emarginatus

Ernstig bedreigd

Meervleermuis

Myotis dasycneme

Bedreigd

Ruige dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii

Vermoedelijk bedreigd

Vale vleermuis

Myotis myotis

Ernstig bedreigd



2.9.7Vissen

2.9.7.1Wat kunt u onderzoeken?

Monitoring van vissen moet worden uitgevoerd door een specialist (ichtyoloog). Alleen wateren waarvoor tijdens de biologische survey een hoge of matige natuurwaarde werd vastgesteld (water niet zichtbaar vervuild of geëutrofieerd, minstens enkele water- of moerasplanten aanwezig), worden bemonsterd. Zowel de verschillende soorten als hun abundantie kunnen gemonitord worden.


In Vlaamse parken zijn 2 vangstmethodes geschikt, naargelang het type water.

  • elektrisch afvissen (wadend, vanaf de oever of vanuit een boot)

  • fuiken


Elektrisch afvissen
Voor monitoring in ondiepe wateren (ondiepe vijvers, poelen, grachten, sloten, beken,…) is elektrisch afvissen de meest geschikte methode. De methode is niet selectief (alle soorten kunnen worden gevangen), relatief eenvoudig, vergt weinig tijd en brengt de vissen weinig of geen schade toe (alleen bij zeer kleine exemplaren treedt mogelijk enige sterfte op).
In waterlopen wordt naargelang de breedte en structuur van de waterloop met 1, 2, 3 of 4 elektroden gevist:
Breedte waterloop:

  • tot 1,5 m 1 vangstelektrode

  • van 1,5 tot 4 m 2 vangstelektroden

  • van 4 tot 6 m 3 vangstelektroden

  • van 6 tot 8 m 4 vangstelektroden

Standaard wordt een strook van 100 m afgemeten en stroomopwaarts afgevist. Poelen worden volledig bemonsterd, in vijvers wordt een strook langsheen de oever van 100 m afgevist.


Fuiken
In diepe vijvers en putten kan het nodig zijn om bijkomend met fuiken te werken, omdat anders een deel van de soorten wordt gemist. De fuiken worden dwars op de oever geplaatst en blijven gedurende enkele dagen in het water.

2.9.7.2Meer informatie vindt u hier

Van Thuyne G & Belpaire C, 1997. Veldprotocol afvissingen. Rapport IBW.Wb.V.IR.97.56, 5p.


Simoens I, Breine J & Belpaire C, 2006. Monitoringsproject visfauna: Afleiden en beschrijven van systeemeigen referentieomstandigheden en/of maximaal ecologisch potentieel voor visgemeenschappen in elk Vlaams oppervlaktewaterlichaamtype, vanuit de – overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water – ontwikkelde beoordelingssystemen op basis van vismonitoring. IBW.Wb.V.R.2006.149, 109 p.
Rode lijst: INBO (http://www.inbo.be/), doorklikken naar Kenniscentrum / Beleid / Vlaams beleid / Soortenbeleid / Rode Lijsten.

2.9.8Invertebraten


De methodieken die voor monitoring van invertebraten worden gebruikt variëren naar gelang de soortengroep. Het inventariseren van invertebraten is echter niet eenvoudig en vaak moet voor elke soortengroep afzonderlijk beroep worden gedaan op een specialist. Meer informatie kan verkregen worden bij het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) via de website van het instituut (http://www.natuurwetenschappen.be).

2.9.8.1Bodemoppervlakte-actieve ongewervelden


Wat kunt u onderzoeken?
De bemonstering van de ongewervelden gebeurt door middel van een standaardset van drie bodemvallen (BV) en een standaardset van drie witte (KW) en drie gele (KG) vliegenvallen. De bodemvallen worden ingegraven, de vliegenvallen worden op de bodem of in de hoogte geplaatst. Alle vallen worden telkens in een bepaalde formatie geplaatst, ongeveer 4 m uit elkaar en volgens het volgende schema:
KG1 KW2 KG3

BV1 BV2 BV3

KW1 KG2 KW3
Ze worden voor iets meer dan de helft gevuld met een 3-5% water-formaldehydeoplossing waaraan enkele druppels vloeibare zeep worden toegevoegd om de oppervlaktespanning te verlagen. De vallen worden om de 14 dagen leeggemaakt. Deze methodiek laat toe zowel soorten als hun abundantie te monitoren.
Meer informatie vindt u hier
De Bruyn L, De Bakker D, Desender K, Engelen B, Mihaly F, Grootaert P, Jacobs W, Janssens F, Maelfait JP, Thys S, Verlinden L, De Schutter B & Coosemans J, 1999. Bosbodemklassificatie door middel van bodemfauna (Onderzoeksopdracht B&G/15/96). Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel.
Rode lijsten: INBO (http://www.inbo.be/), doorklikken naar Kenniscentrum / Beleid / Vlaams beleid / Soortenbeleid / Rode Lijsten.

2.9.8.2Houtbewonende (xylobionte) organismen


Wat kunt u onderzoeken?
Indien er veel dikke dode bomen in het park voorkomen kan het interessant zijn om houtbewonende (xylobionte) organismen te monitoren. Monitoring volgens een gestandaardiseerde methodiek gebeurt met behulp van vallen (venstervallen, lokvallen, eklektoren), waarbij het valtype afhangt van de soortengroep die bemonsterd wordt.
Meer informatie vindt u hier
Versteirt V, Desender K, Geudens G & Grootaert P, 2000. Determinatie en bioindicatie van bosgebonden ongewervelden. Ecologische standplaatskarakterisatie van bossen aan de hand van de keverfauna en verkennend onderzoek naar de potentiële waarde van integrale bosreservaten voor het behoud van xylobionte arthropoden. KBIN Rapport ENT.200.03&04.
De Bakker D, Desender K, Grootaert P & Baert L, 2001. Inventarisatie en determinatie van ongewervelden als ecologische indicatoren in Vlaamse integrale bosreservaten. 1. Het belang van integrale bosreservaten voor arboricole en bodembewonende spinnen en loopkevers. Onderzoeksopdracht Bos en Groen/19/99, AMINAL. Rapport KBIN ENT. 2001.01. Brussel, Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. 89p.

2.9.8.3Libellen


Wat kunt u onderzoeken?
Voor monitoring van libellen kan gebruik worden gemaakt van een methodiek die vergelijkbaar is met de methodiek voor monitoring van dagvlinders. De methodiek laat toe zowel de soorten als hun abundantie te bepalen.
Plaatsen waar een soortenrijke libellenfauna kan voorkomen zijn wateren waarvoor bij de biologische survey een hoge natuurwaarde werd vastgesteld (helder water, goed ontwikkelde oevervegetatie, veel waterplanten,…). Indien die in het park aanwezig zijn en indien in de zomer verschillende libellensoorten worden waargenomen, kan het interessant zijn om libellen te gaan monitoren.
Hoe pakt u het aan?
stap 1 Selecteer een aantal wateren met een hoge natuurwaarde.

stap 2 Leg langs een water dat geschikt is voor libellen een vaste transect uit van 100 m of twee transecten van elk 50 m. Duid deze transecten aan op een kaart.

stap 3 Voer minstens 4 tellingen uit per transect, tussen half april en eind oktober. De periode tussen twee tellingen moet minstens 2 weken bedragen.

stap 4 Bij elke telling wordt elk transect 2 maal gelopen. Eerst worden de juffers gedetermineerd en geteld, daarna de libellen.

stap 5 Maak na alle tellingen een samenvatting per transect met de soorten en hun aantallen.

stap 6 Maak een totale soortenlijst voor het park.


Opmerking: Op de dag van het tellen moet het zonnig weer zijn (minimum 15°C), moet de bewolking beperkt zijn (<40%), mag er niet teveel wind zijn en moet er geteld worden tussen 11 u en 16 u. Op warme dagen kan dit iets later en vroeger, maar zeker niet voor 10 u of na 18 u.
Meer informatie vindt u hier
Van Olmen M, Vanacker S & Hoffmann M, 2000. Hoe aandachtssoorten en grondwaterstanden opvolgen? Rapport IN.R.2000.3. 116 p.
Rode lijst: INBO (http://www.inbo.be/), doorklikken naar Kenniscentrum / Beleid / Vlaams beleid / Soortenbeleid / Rode Lijsten.

2.9.8.4Nachtvlinders


Wat kunt u onderzoeken?
Nachtvlinders kunnen op verschillende manieren gemonitord worden:

  • met behulp van een nachtvlinderval. Dat is een kist met een gat in het deksel waarin een reflector staat en een speciale lamp. In de kist liggen eierdozen. De vlinders komen ‘s nachts op het licht af, gaan de kist in en kruipen weg in de eierdozen. ‘s Morgens wordt de kist geopend en kunnen de vlinders gedetermineerd en geteld worden. Daarna worden ze weer losgelaten.

  • een andere methode is een laken spannen waarop een speciale lamp wordt gericht. De vlinders komen op dat licht af en kunnen worden bekeken.

  • vlinders die niet op licht afkomen kunnen met ‘smeer’ (een zoet mengsel met wat alcohol) worden gelokt.

  • dagactieve nachtvlinders, kunnen overdag worden geteld.

  • er kan ook worden gezocht naar eieren, rupsen en poppen.

Deze methodes zijn in de eerste plaats gericht op het bepalen van de aanwezige soorten en niet op het bepalen van de populatiegrootte.



2.9.8.5Regenwormen


Wat kunt u onderzoeken?
Monitoring van regenwormen kan op verschillende manieren gebeuren:


  • Steken van plaggen: Een plag (20×20×20 cm) wordt uitgestoken. In deze plag worden alle regenwormen per soort geteld. Eventueel wordt bijkomend formaline of mosterdextract in het steekgat gegoten, waarna de bovenkomende regenwormen eveneens worden geteld. Nadeel is dat met plaggen de graszode wordt verstoord.

  • Oktett-methode: Met stroomvelden worden de wormen naar boven gedreven. Nadeel daarvan is dan weer dat op zandbodems slechts 0-55% van de regenwormen worden gevonden die met het steken van plaggen gevonden worden. Voor andere bodems is het verschil kleiner.


Meer informatie vindt u hier
Gaia Bodemonderzoek (http://www.gaiabodem.nl/

2.9.8.6Slakken


Wat kunt u onderzoeken?
Gestandaardiseerde inventarisatiemethoden maken gebruik van linoleumplaten van 50×50 cm die op de bodem worden gelegd. De aanwezige slakken zullen zich onder deze platen ophouden gezien het koele en vochtige klimaat dat zich daar ontwikkelt. Indien gebruik gemaakt wordt van andere materialen is het vangstsucces niet steeds gegarandeerd. De linoleumplaten worden om de twee weken opgehaald en geïnventariseerd.
Een andere methode gaat uit van manuele bemonstering waarbij een bodemstaal van 25x25 cm tot 5 cm diep wordt uitgegraven en ex situ op slakken wordt gecontroleerd. Aanvullende gegevens kunnen bekomen worden uit bijvangsten in bodemvallen en eklektoren.

2.9.8.7Sprinkhanen, krekels, kakkerlakken en oorwormen


Wat kunt u onderzoeken?
Bij het onderzoek naar sprinkhanen en krekels geldt dezelfde regel als bij amfibieën: eerst luisteren, dan kijken daarna vangen. Met de hieronder beschreven methode worden zowel de soorten als hun abundantie gemonitord.
Er wordt uitsluitend geïnventariseerd tussen half juli en half september (wanneer alle soorten goed te determineren en inventariseren zijn, behalve de voornamelijk voorjaarsactieve Veldkrekel en Veenmol) én op zonnige, windluwe dagen (vanaf ca. 20 °C in de schaduw) tussen 10 u en 19 u.
Voor monitoring in vlakvormige terreineenheden wordt gebruik gemaakt van 1 proefvlak van 10x10 m voor percelen kleiner dan 1 ha, en van 2 proefvlakken van 10x10 m voor percelen groter dan 1 ha. De proefvlakken worden gekozen zodanig dat populaties van bijzondere soorten binnen het proefvlak vallen, liefst nabij de kern van de onderzoekspercelen. Voor monitoring in oevervegetaties worden proefvlakken van 10x2 m afgebakend. Soorten die enkel in de perceelsranden voorkomen kunnen geteld worden door een afgebakende en beschreven strook struiken of bomen van 10x2 m te onderzoeken door (door de takken) te ‘slepen’ of te kloppen. Wanneer de dieren tussen pollen of strooisel voorkomen worden 10 pollen onderzocht of 1 m² strooisel.
Volgende teltechnieken worden in ieder proefvlak in onderstaande volgorde toegepast:
1) Auditief: telling van het aantal zingende mannetjes van een bepaalde soort ‘met het blote oor’ (of met de bat-detector) binnen het proefvlak terwijl u stapvoets rond het proefvlak wandelt.
2) Visueel: terwijl u 5-maal stapvoets (!) op een afstand van één meter van een hoekpunt en vervolgens met tussenafstanden van 2 meter het proefvlak dwars - telkens in dezelfde ‘richting’ - doorkruist, waarbij alle exemplaren van een bepaalde soort op een meter afstand links en rechts geteld worden.
3) Wegvangen: gedurende 15 minuten worden handvangsten en gedurende 5 minuten sleepvangsten verricht waarbij zoveel mogelijk exemplaren binnen het proefvlak weggevangen worden. Tijdens het vangen worden de dieren in potjes gestopt (als ze uit het net dreigen te springen) om ze dan na de vangtijd te determineren.

Slepen van een proefvlak gebeurt vertrekkende van de randen, waarna geleidelijk naar het centrum gegaan wordt.


Hoe pakt u het aan?
stap 1 Zet de proefvlakken uit en duid ze aan op de kaart. Zorg er voor dat u het proefvlak later nog kan terugvinden.

stap 2 Ga naar een proefvlak en luister naar de zingende mannetjes, determineer en tel ze.

stap 3 Doorkruis het proefvalk zoals hierboven beschreven en determineer en tel de geziene soorten.

stap 4 Vang 15 minuten lang met de hand zoveel mogelijk exemplaren en stop ze in potjes.

stap 5 Vang 5 minuten lang met een sleepnet.

stap 6 Determineer en tel al de soorten gevangen met de hand en het net.

stap 7 Maak een samenvatting per proefvlak en per terreineenheid van de soorten en hun aantal.
Meer informatie vindt u hier
Thys N, 2000. Handleiding sprinkhaneninventarisatie en sprinkhanenmonitoring. Natuurpunt Educatie, Natuurpunt vzw. 13p.

Deze handleiding kan aangevraagd worden bij de auteur zelf: nobby.thys@natuurpunt.be



2.9.9Gestandaardiseerde evaluatie van de structuurrijkdom van bosbestanden

2.9.9.1Wat kunt u onderzoeken?

Kennis over de structuurrijkdom is belangrijk, omdat structuurrijkdom rechtstreeks in verband staat met biodiversiteit: hoe gevarieerder de structuur, hoe hoger de te verwachten soortenrijkdom is. Daarom werd voor de evaluatie en monitoring van de structuurrijkdom van bosbestanden een index (authenticiteitindex) ontwikkeld, waarvan de kenmerken volgens een gestandaardiseerde methodiek kunnen worden gemeten of ingeschat. De authenciteitindex kan op 2 niveaus berekend worden:




  • het standaardniveau waarbij met proefvlakken wordt gewerkt, geeft het meeste informatie

  • het basisniveau waarbij u een aantal kenmerken visueel zal inschatten (zonder proefvlakken).

Onder bosbestanden worden volgende terreineenheden gerekend: Hakhout (1), Middelhout (2), Parkhout (3), Hooghout (4), Naaldhout (5) en Gemengd bos (6).


Standaardniveau authenticiteitindex
Bij het standaardniveau van de authenticiteitindex worden een aantal kenmerken ingeschat en gemeten in vaste proefvlakken, die worden uitgezet en geïnventariseerd volgens de methodiek van de Vlaamse Bosinventarisatie. Deze methode past u dus toe waneer u een bosbeheerplan moet opstellen. Uitvoering van de methodiek vereist een meer gespecialiseerde kennis, vermits behalve boomsoorten en struiksoorten ook kruidachtige soorten worden genoteerd. De kenmerken die worden ingeschat zijn ingedeeld in 4 categorieën:

  • bosstructuur

  • boomlaag

  • kruid- en struiklaag

  • dood hout

Belangrijk is dat deze authenticiteitindex kan gebeuren met een combinatie van structuurkenmerken en plantensoorten. Hiermee wordt het volledig zichtbare en belangrijkste gedeelte van een bosecosysteem gevat. Bomen, struiken, kruiden en structuren zijn immers de belangrijkste dragers van het hele faunaspectrum en van het ecosysteem op zich.


Basisniveau authenticiteitindex
Het basisniveau van de authenticiteitindex kan worden berekend op basis van een aantal gemakkelijk visueel in te schatten kenmerken (de Basisindex). Hoewel onderhevig aan subjectiviteit, zijn de kenmerken zo algemeen en grof opgevat, dat fouten geminimaliseerd worden. De methode vereist geen proefvlakken, noch identificaties van soorten (behalve boomsoorten). De kenmerken die worden ingeschat zijn net zoals bij het standaardniveau ingedeeld in 4 categorieën:

  • bosstructuur

  • boomlaag

  • kruid- en struiklaag

  • dood hout



2.9.9.2Hoe pakt u het aan?


Standaardniveau authenticiteitindex
stap 1 Maak een algemene beschrijving van het bosbestand waarin u volgende gegevens vermeldt:

  • de kroonsluiting

  • de leeftijd van de bomen

  • het aantal etages (vegetatielagen)

  • het type van menging

De verschillende categorieën die u kunt gebruiken bij deze beschrijving vindt u terug in Tabel 17.

stap 2 Leg per 2 ha beboste parkoppervlakte 1 opname (verschillende proefvlakken). De opnames worden uitgezet in terreineenheden waarvan de oppervlakte groot genoeg is om een cirkelvormig proefvlak met straal R = 18 m in te leggen. Verschillende beboste terreineenheden mogen samengenomen worden om aan de 2 ha te komen. Let er hierbij op dat u terreineenheden samenneemt die op elkaar lijken.

stap 3 Markeer duidelijk het middelpunt van de opname en duid aan op kaart.

stap 4 Zet een proefvlak uit van 16m op 16 m (256 m²) met het middelpunt van dit proefvlak op het gemarkeerde middelpunt. Neem in dit proefvlak alle aanwezige kruidachtige soorten op en schat hun bedekking met de schaal van Londo of Braun-Blanquet (zie Tabel 6).



Opmerking: Indien u in het bosbestand al een proefvlak heeft gelegd tijdens het monitoren van hogere planten (zie vroeger) kunt u dit proefvlak in het grotere 16m op 16m proefvlak laten vallen waardoor u de gegevens van deze opname mee kunt gebruiken.

stap 5 Zoek voor elke plant de zeldzaamheidsklasse en de daarbij horende score op. De lijst met zeldzaamheidsklassen kan u downloaden via www.harmonischparkengroenbeheer.be.Tel alle waardes op om de zeldzaamheidsscore te bekomen van de opname.

stap 6 Zet 4 concentrische cirkelvormige proefvlakken uit zoals weergegeven in Figuur 5, met als middelpunt het vaste opnamepunt. Neem in elk proefvlak volgende gegevens op van bomen en struiken met een welbepaalde grootte:


  • A1: Cirkel met straal R = 2,25 m: zaailingen met hoogte <2 m

    • Boomsoort

    • Aantal individuen

    • Hoogteklasse (0-49 cm, 50-99 cm, 100-149 cm, 150-199 cm)

    • Verdeling (verspreid of groepsgewijs)

    • Verjongingswijze (natuurlijk, kunstmatig of gemengd)

  • A2: Cirkel met straal R = 4,5 m: bomen met omtrek op borsthoogte <22 cm en hoogte ≥2 m

    • Hakhout:

      • Boomsoort

      • Omtrek van de loten met omtrek ≥22 cm

      • Toestand: levend of dood

    • Bomen met omtrek op borsthoogte <22 cm en hoogte ≥2 m

      • Boomsoort

      • Aantal individuen

      • Toestand: levend of dood

  • A3: Cirkel met straal R = 9 m: bomen met 22 cm≤ omtrek op borsthoogte <122 cm

    • Boomsoort

    • Omtrek

    • Toestand: levend of dood

  • A4 Cirkel met straal R = 18 m: bomen met omtrek op borsthoogte >122 cm

    • Boomsoort

    • Omtrek

    • Toestand: levend of dood

    • Schat hoeveel diameterklassen van liggend dood hout aanwezig zijn. De diameterklassen vindt u terug in Tabel 16

    • Neem de lengte op van al het liggend dood hout met een diameter ≥ 40 cm


Figuur 5 De opname-eenheid voor de boom- en struiklaag.


Tabel 16, diameterklassen voor dood hout.

Diameterklassen (cm)

2-7

7-22

22-40

> 40

stap 7 Bereken de score voor de bosstructuur, de houtige vegetatie, de kruidlaag en het dood hout met behulp van Tabel 16. Hiervoor neemt u alle gegevens van de proefvlakken samen.

stap 8 Tel de verschillende scores op om zo de eindscore te bepalen van het standaardniveau van de authenticiteitindex.
Tabel 16 Scoresysteem voor het standaardniveau van de authenticiteitindex. DBH = Diameter op BorstHoogte (150cm).

BOSSTRUCTUUR
Maximale score:

Score
20

HOUTIGE VEGETATIE
Maximale score:

Score
25

KRUIDLAAG
Maximale score:

Score
25

DOOD HOUT
Maximale score:

Score
30

Kroonsluiting

Gesloten <1/3

Openingen 1/3 tot 2/3

Openingen >2/3


Leeftijd

1-60


61-100

101-160


>160

Ongelijkjarig


Aantal etages

1 etage


>1 etage
Boomsoortenmenging

Homogeen = 1 soort 100%

Groepsgewijs

Individueel




2

4



3

1

2



5

7

5



2

4

1



3

5
20





Aantal boomsoorten4

1-2


3-4

5-6


7-8

>8
Aantal zware bomen



(DBH 40-80 cm)

1-5


6-10

11-15


16-20

>20
Aantal zeer zware bomen



(DBH >80 cm)

1

2-3



>3
Aantal soorten in natuurlijke verjonging 5

1-4


5-8

9-12


>12
Standaardafwijking boomdiameter in cm6

10-15


16-20

21-25


26-30

31-35


>35


1

2



3

4

5


1

2



3

4

5


3

4



5

1

2



3

4

1



2

3

4



5

6
25



Aantal plantensoorten

1-5


6-10

11-15


16-20

21-25


26-30

31-35


36-40

41-45


>45
Zeldzaamheidsscore

1-5


6-10

11-15


16-20

21-25


26-30

>30
Aantal mossoorten

1-5

6-10


11-15

16-20


>20
Totale bedekking in %

6-25


26-50

51-75


>75


1

2



3

4

5



6

7

8



9

10

1



2

3

4



5

6

7



1

2

3



4

5

1



2

3

1


25

Staand dood hout
Grondvlak7 in m²/ha

<2

2-3,5


3,6-5

>5
Aantal zware bomen



(DBH ≥ 40 cm)

1

2-3



>3
Standaardafwijking boomdiameter in cm6

10-15


16-20

21-25


26-30

31-35


>35
Liggend dood hout
Stamlengte zware bomen in m
(DBH ≥ 40 cm)

1-10


11-20

>20
Aantal diameterklassen

1

2

3



4


1

2



3

4


3

4

5



1

2

3



4

5

6



3

5

7



2

4

6



8
30


Basisniveau authenticiteitindex
stap 1 Neem een exemplaar van het invulformulier voor de Basisindex (zie Bijlage 2).

stap 2 Ga op een kenmerkende plaats binnen het bosbestand staan.

stap 3 Beoordeel visueel alle kenmerken op het invulformulier. Antwoord door een kruisje te zetten in het overeenstemmende hokje (één kruisje per onderlijnd criterium).

stap 4 Bepaal de score voor de boomstructuur, boomlaag, kruid- en struiklaag en dood hout met behulp van Tabel 17.

stap 5 Tel de verschillende scores op om zo de waarde van de basisindex te krijgen.

2.9.9.3Meer informatie vindt u hier

Van Den Meersschaut D., Vandekerkhove K., Van de Kerckhove P., Delbecque F. & Van Slycken J., 2001. Selectie en evaluatie van indicatoren en uitwerking van een praktisch bruikbare methodologie voor de beoordeling van biodiversiteit in bossen. Eindrapport project Vlaams Impulsprogramma Natuurontwikkeling VLINA/C96/04. Rapport IBW Bb R.2001.009. 117 p.

Tabel 17 Scoresysteem voor het basisniveau van de authenticiteitindex (Van den Meersschaut et al. 2001).

BOSSTRUCTUUR
Maximale score:

Score
20

BOOMLAAG
Maximale score:

Score
25

KRUID- EN STRUIKLAAG
Maximale score:

Score
16

DOOD HOUT
Maximale score:

Score
30

Kronendak

Gesloten <1/3

Openingen 1/3 tot 2/3

Openingen >2/3


Aantal etages

1 etage


meerlagig (struiklaag of continu)
Menging boomlaag

Homogeen = 1 soort 100%

Beperkte bijmenging (max. 10%)

Groepsgewijs

Individueel
Leeftijd-ontwikkeling

Jongwas-staakhout

Jong / oud boomhout: Optimale fase-kaprijp

Oud – aftakelend

Ongelijkjarig

Impact aandeel exoten


In de boomlaag :

Niet dominant

Dominant

(N of G >50%)


In de struiklaag :

Niet dominant

Dominant

(>50% bedekkend)


2

4



3

2

4



1

2

3



5

2
4


7

5
20

0

- 3



0

- 3



Aantal boomsoorten

1-2


3-7

>7
Aantal zware bomen per ha (DBH 40-80 cm)

1-50

50-200


>200
Aantal zeer zware bomen per ha

(DBH >80 cm)

1-50


>50
Natuurlijke verjonging van inheemse soorten

1-5 soorten

>5

1

3



5

1

3



6

6

10


2

4


25

Soortenrijkdom kruidlaag

Geen kruidlaag

Soortenarme kruidlaag

Soortenrijke kruidlaag

(>5 ‘soorten’)

Zeer soortenrijke kruidlaag

(>20 ‘soorten’)
bodembedekking door kruidlaag en mossen

1-25%


25-90%

volledig
Mossen op de bosbodem

Neen

Ja



0

2

6


10

2

4



2

0

2



16

Staand dood hout
Niet aanwezig

Max. diameter. 20 cm

Max. diameter. 40 cm

Max. diameter. 80 cm

Max. diameter >80 cm
Indien grote hoeveelheid zwaar hout (>10 exemplaren van >40 cm per ha)


Liggend dood hout
Niet aanwezig

Max. diameter. 20 cm

Max. diameter. 40 cm

Max. diameter. 80 cm

Max. diameter >80 cm
Indien grote hoeveelheid zwaar hout (>10 exemplaren van >40 cm per ha


0

2



5

8

12



+ 3

0

2



5

8

12


+ 3


20




1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina