Hoofdstuk e monitoring 2 Natuurwaarde 2



Dovnload 0.54 Mb.
Pagina9/9
Datum27.08.2016
Grootte0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

3Aanbevelingen

3.1Wat wordt er minimaal verwacht?


Minimaal worden alle modules van de basismonitoring uitgevoerd. Dit zijn:


  • Opnemen van hogere planten met behulp van permanente kwadraten. Voor kruidachtige soorten minimum 5 proefvlakken van 4 m² per ha. Voor bomen en struiken 1 proefvlak van 100 m² per ha.

  • Waarnemen van dagvlindersoorten door het lopen van een vaste route. Deze route is maximaal 1000 meter lang en heeft minimaal 3 secties van 50 m. Het streefdoel is echter 15 tot 20 secties van 50 m per route.

  • Karteren van broedvogels door het lopen van een vaste route. De route moet zodanig gelegd worden dat het ganse park grondig en fijnmazig onderzocht wordt op de aanwezigheid van broedvogels.

  • Onderzoek naar amfibieën in de wateren met een matige of hoge natuurwaarde. De geselecteerde wateren moeten een representatief beeld geven van alle aanwezige wateren in het park.

  • Berekenen van de terreineenhedendiversiteitindex

  • Berekenen van de soortendiversiteitindex voor planten

  • Berekenen van de verzadigingsindex voor vlinders, broedvogels en amfibieën.



3.2Welke vragen moet het onderzoek beantwoorden?


  • Welke soorten planten, dagvlinders, broedvogels en amfibieën zijn aanwezig in het park?

  • Hoe groot zijn de populaties van de aanwezige planten, broedvogels en amfibieën?

  • Waar in het park zijn er belangrijke lokaties voor dagvlinders, broedvogels en amfibieën?

  • Hoe groot is de diversiteit aan terreineenheden, wilde planten, broedvogels, dagvlinders en amfibieën in het park t.o.v. andere parken?

  • Wat is de referentiesituatie wat betreft planten, dagvlinders, broedvogels en amfibieën? Dit om de evolutie in de tijd te kunnen evalueren.

4Literatuurlijst


Plantengidsen en flora’ s:
Lambinon, J., De Langhe, J-E., Delvosalle, L. & Duvigneaud, J.

Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord – Frankrijk en de aangrenzende gebieden.

Nationale Plantentuin van België, 1998, 1091 p.

(standaardwerk, maar enkel voor ervaren botanisten)


Van der Meyden, R.

Heukels’ Flora van Nederland

Wolters – Noordhoff, 2005, 684 p.

(ook een gewone flora, met de nieuwe systematiek van de vaatplanten)

Eggelte, H.,

Veldgids Nederlandse Flora.

KNNV – Uitgeverij, 2000, 424 p.

(alternatieve flora, soms zeer handig)


Blamey, M. & Grey – Wilson, C.,

De geïllustreerde flora.

Tirion, 2003, 543 p.

(zeer mooi, maar dik en niet handig in het veld)


Aichele, D.,

Wat bloeit daar?

Tirion, 2001, 425 p.

(zeer eenvoudig, voor beginners, maar lang niet volledig)


Verloove, F.,

Ingeburgerde Plantensoorten in Vlaanderen.

Brussel, 2002, Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 20

(enkel voor uitheemse probleemsoorten)


Baudouin, J.C., De Spoelberch, Ph., Van Meulder, J., & Jacobs, R.

Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987 – 1992.

Stichting Spoelbergh – Artois, 1992, 511 p.

(enkel bomen)


Weeda, E.J., Westra, R., Westra, C., Westra, T.,

Nederlandse oecologische flora, wilde planten en hun relaties

IVN, VARA & VEWIN, 1985, 5 delen
Schaminée, J.H.J., Strotelder, A.H.F. & Westhoff, V.

De vegetatie van Nederland

Uppsalla-Leiden, opalus Press, 1995-1999, 5 delen, 1742 p.

(standaardwerk over fytosociologie)


Vlindergidsen
Wynhoff, I., Van Swaay, C. & van der Made, J.

Veldgids dagvlinders.

KNNV Uitgeverij, 2001, 224 p.
Anonymus

Vlinders van Europa.

ANWB –Natuurgids, 2000, 192 p.

Amfibieëngidsen
Willock, R.

Herken paddemanders en slangedissen. Daar kikker je van op.

Hyla amfibieën- en reptielenwerkgroep, 2004, 78 p.

(met tekeningen van adulten, larven en eieren)


Vervust, B.

Determinatietabel voor amfibieën en reptielen.

J.N.M. – A.R.W.G., 1998, 47 p.
Lenders H., Marijnissen, C. & Felix, R.

Waarnemen en herkennen van Amfibieën en Reptielen in het veld.

Stichting Ravon, 1993, 80 p.
Stumpel, T. & Strijbosch, H.,
Veldgids amfibieën en reptielen

KNNV Uitgeverij, 2006, 320 p.


(voor Centraal- en West-Europa)
Nöllert, A. & Nöllert, C.,

Amfibieëngids voor Europa.

Tirion, 2001, 382 p.

(zeer uitgebreid, maar met foto’ s)


Vogelgidsen
Mullarney, K., Svensson, L., Zetterström, D. & Grant, P.J.,

ANWB Vogelgids van Europa

Tirion, 2003, 400 p.
Jonsson, L.,

Vogels van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten

Tirion, 1993, 560 p.
Atlassen
Bauwens, D. & Claus, K.,

Verspreiding van amfibieën en reptielen in Vlaanderen.

De Wielewaal, 1996,
Maes, D. & Van Dyck, H.,

Dagvlinders in Vlaanderen. Ecologie, verspreiding en behoud.

Stichting Leefmilieu i.s.m. Instituut voor Natuurbehoud en Vlaamse Vlinderwerkgroep, 1999, 480 p.
Van Landuyt, W., Hoste, I., Vanhecke, L., Van den Bremt, P., Vercruysse, W. & De Beer, D.,

Atlas van de flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest.

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Nationale Plantentuin van België & Flo.Wer, 2006, 1007 p.
Verkem, S.., De Maeseneer, J., Vandendriessche, B., Verbeylen, G. & Yskout, S.,

Zoogdieren in Vlaanderen, Ecologie en verspreiding van 1987 tot 2002

Natuurpunt Studie & JNM-Zoogdierenwerkgroep, 2003, 451 p.
Monitoring
Afdeling Bos & Groen

Inhoudelijke richtlijnen voor de opmaak van een uitgebreid bosbeheerplan.

2003

Buys J.,


Handleiding dichtheidsschatting dagactieve zoogdieren. 3p.
De Bakker, D., Desender, K., Grootaert, P. & Baert, L.,

Inventarisatie en determinatie van ongewervelden als ecologische indicatoren in Vlaamse integrale bosreservaten. 1. Het belang van integrale bosreservaten voor arboricole en bodembewonende spinnen en loopkevers. Onderzoeksopdracht Bos en Groen/19/99, AMINAL. Rapport KBIN ENT. 2001.01.

Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, 2001 89p.
De Bruyn, L., De Bakker, D., Desender, K., Engelen, B., Mihaly, F., Grootaert P., Jacobs, W., Janssens, F., Maelfait, J.P., Thys S., Verlinden L., De Schutter, B. & Coosemans, J.,

Bosbodemklassificatie door middel van bodemfauna. Onderzoeksopdracht B&G/15/96.

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1999
Dijkstra, V. & Korsten, E.,

Handleiding wintertellingen van vleermuizen. Voor het monitoren van vleermuizen in de winter.

Zoogdiervereniging VZZ, 2005
Govaere, L. & Vandekerkhove, K.,

Specifiek biotoop- en soortenbeheer in bossen: methodologische ondersteuning. Deel I: Methodieken voor evaluatie van de bestandsstructuur en inventarisatie van bijzondere biotopen en soorten. (Rapport IBW.Bb.R.2005.007.)

Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer. 2005
Smit, G;F.J. & Zuiderwijk, A.,

Handleiding voor het monitoren van reptielen in Nederland.

RAVON Werkgroep Monitoring, 2003
Thys, N. ,

Handleiding sprinkhaneninventarisatie en sprinkhanenmonitoring.

Natuurpunt Educatie, Natuurpunt vzw. 2000, 13p.
Siebel, H.N.,

Inventarisatiehandleiding mossen.

Buxbaumiella 2003, 65: 2-28.
Van Den Meersschaut, D., Vandekerkhove, K., Van de Kerckhove, P., Delbecque, F. & Van Slycken, J.,

Selectie en evaluatie van indicatoren en uitwerking van een praktisch bruikbare methodologie voor de beoordeling van biodiversiteit in bossen. Eindrapport project Vlaams Impulsprogramma Natuurontwikkeling VLINA/C96/04. (Rapport IBW Bb R.2001.009.)

Instituut voor Bos- en wildbeheer,2001, 5p.
Van Olmen, M., Vanacker, S. & Hoffmann, M.,

Hoe aandachtssoorten en grondwaterstanden opvolgen? (Rapport IN.R.2000.3.)

Instituut voor Natuurbehoud, 2000, 116 p.
Van Swaay, C.A.M.,

Handleiding Landelijk Meetnet Vlinders. (Rapport VS2005.042)

De Vlinderstichting, 2005
Van Thuyne, G. & Belpaire, C.,

Veldprotocol afvissingen. (Rapport IBW.Wb.V.IR.97)

Instituut voor Bos- en Wildbeheer, 1997, 5p.

Bijlage 1 Invulformulier voor de Basisindex.




Invulformulier voor de Basisindex

 

 

Park:

Datum:

Waarnemer:

Letter-cijfercombinatie bosbestand:







BOSSTRUCTUUR




 

BOOMLAAG




 

KRUID- EN STRUIKLAAG




 

DOOD HOUT




 





































Kronendak




 

Aantal boomsoorten




 

Soortenrijkdom kruidlaag8







Staand of hangend dood hout




 

Gesloten




 

1-2




 

Geen kruidlaag







 




 

Openingen 1/3 tot 2/3




 

3-7




 

Soortenarme kruidlaag (1-5 ‘soorten’)







Niet aanwezig




 

Openingen >2/3




 

>7




 

Soortenrijke kruidlaag







Max. omtrek <60 cm




 

 




 

 




 

(>5 ‘soorten’)







Max. omtrek 60-120 cm




 

Aantal etages




 

Aantal zware bomen per ha




 

Zeer soortenrijke kruidlaag







Max. omtrek 120-250 cm




 

1 etage




 

(omtrek 120-250 cm)




 

(>20 ‘soorten’)







Max. omtrek >250 cm




 

Meerlagig (struiklaag of continu)




 

Geen




 










 




 

 




 

1-50 (≤1 boom per 200 m²)




 

Bodembedekking door kruidlaag







Kruis aan indien grote hoeveelheid




 

Menging boomlaag




 

50-200




 

en mossen







zwaar dood hout (>10 exemplaren




 

Homogeen (= 1 soort 100%)




 

>200 (>1 boom per 50 m²)




 

1-25%







van >120 cm omtrek per ha)




 

Beperkte bijmenging (max. 10%)




 

 




 

25-90%







aanwezig




 

Groepsgewijs




 

Aantal zeer zware bomen per ha




 

volledig













 

Individueel




 

(omtrek >250 cm)




 










Liggend of gestapeld dood hout




 

 




 

Geen




 

Mossen op de bosbodem







 




 

Leeftijd - ontwikkeling




 

1-50 (≤1 boom per 200 m²)




 

Neen







Niet aanwezig




 

Jongwas - staakhout




 

>50 (>1 boom per 200 m²)




 

Ja







Max. omtrek <60 cm




 

Gelijkjarig, jonge tot volgroeide bomen




 

 




 







 

Max. omtrek 60-120 cm




 

Gelijkjarig, oude monumentale bomen




 

Natuurlijke verjonging van




 










Max. omtrek 120-250 cm




 

Ongelijkjarig9




 

inheemse boomsoorten




 










Max. omtrek >250 cm




 







 

Geen




 










 




 

Impact aandeel exoten




 

1-5 soorten




 










Kruis aan indien grote hoeveelheid




 

 




 

>5 soorten




 










zwaar dood hout (>10 exemplaren




 

In de boomlaag:




 

 




 










van >120 cm omtrek per ha)




 

Niet dominant




 

 




 










aanwezig




 

Dominant (stamtal of grondvlak >50%)




 

 




 










 




 

 




 

 




 










 




 

In de struiklaag:




 

 




 










 




 

Niet dominant




 

 




 










 




 

Dominant (>50% bedekkend)




 

 




 










 




 




1 De hier voor gestelde werkwijze is gebaseerd op: Van Swaay CAM, 2005. Handleiding Landelijk Meetnet Vlinders. Rapport VS2005.042, De Vlinderstichting, Wageningen.


2 De hier voorgestelde werkwijze is gebaseerd op:

Van Dijk AJ, 2004. Handleiding Broedvogel Monitoring project (Broedvogelinventarisatie in proefvlakken). SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.

Vermeersch G, Anselin A, Devos K, Herremans M, Stevens J, Gabriëls J & Van der Krieken B, 2004. Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 23, Brussel.


3 De hier voorgestelde werkwijze is gebaseerd op: Van Swaay CAM, 2005. Handleiding Landelijk Meetnet Vlinders. Rapport VS2005.042, De Vlinderstichting, Wageningen.


4 Enkel boomsoorten van de proefvlakken A2, A3 en A4 tellen mee.

5 Enkel boomsoorten van proefvlak A1 tellen mee.

6 Alleen bomen met diameters ≥7 cm worden meegenomen in de berekening.

7 Grondvlak is gelijk aan de oppervlakte van alle stammen doorgesneden op 150 cm hoogte.

8 De opname dient te gebeuren in de meest geschikte periode van het jaar. In bossen met veel voorjaarsflora is dit van april tot mei, in andere bossen van mei tot juli.

9 Verschillende fases aanwezig, bomen van verschillende leeftijden (jonge, volgroeide en monumentale bomen) komen door elkaar voor.





1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina