Hoofdstuk IX. Verschijning van de partijen voor de arbeidsgerechten



Dovnload 45.24 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte45.24 Kb.
HOOFDSTUK IX. VERSCHIJNING VAN DE PARTIJEN VOOR DE ARBEIDSGERECHTEN 1
Jan Herman
Raadsheer in het Arbeidshof te Gent

Inhoud



Afdeling 1. Inleiding 2

Afdeling 2. Verschijning van natuurlijke personen 2

§ 1. Algemeen 2

§ 2. Echtgenoot of bloed- of aanverwanten 3

§ 3. Advocaat of vertegenwoordiger van een representatieve werknemers­organisatie 3

§ 4. Vertegenwoordiger van een representatieve organisatie van zelfstandigen 4

§ 5. Geschillen inzake maatschappelijke integratie en maatschappelijke dienstverlening 5



Afdeling 3. Verschijning van rechtspersonen 5

Afdeling 4. Geschillen 7

Afdeling 5. Besluit 7


Afdeling 1.Inleiding





  1. Een onderscheid moet worden gemaakt tussen het mandaat om een persoon in rechte te vertegenwoordigen en het mandaat om namens een partij een geschil in te leiden of een zaak in te schrijven op de rol.2

  2. Wat de verschijning van partijen voor de arbeidsgerechten betreft, moet een onderscheid worden gemaakt tussen de verschijning van natuurlijke personen en de verschijning van rechtspersonen.

In beide gevallen kan de vertegenwoordiging van een partij aanleiding geven tot een geschil.




Afdeling 2.Verschijning van natuurlijke personen



§ 1.Algemeen


  1. Een partij mag altijd in persoon verschijnen. Wenst zij dat niet te doen, dan kan zij zich overeenkomstig de bepalingen van artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek3 laten bijstaan (wat betekent dat ook de partij zelf aanwezig is op de terechtzitting) of vertegenwoordigen (waarbij de partij zelf ook wel fysiek aanwezig kan zijn op de zitting, doch dan veeleer als lid van het ‘publiek’).4

Een partij die zelf verschijnt, mag zelf “haar conclusies en verweermiddelen voordragen”.5 De rechter kan de partijen “evenwel de uitoefening van dit recht ontzeggen, indien hij bevindt dat zij door drift of onbedrevenheid buiten staat zijn hun zaak met de vereiste betamelijkheid of met de nodige duidelijkheid te bespreken”.6


De bepalingen inzake bijstand en vertegenwoordiging moeten beperkend uitgelegd worden.7


  1. Artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek sluit aan bij het traditionele onderscheid tussen het recht om een partij te vertegenwoordigen en het recht om te pleiten. Dit laatste recht bestaat slechts, wanneer de wet het uitdrukkelijk toekent.8

Omvat het recht om een persoon te vertegenwoordigen ook het recht om hem bij te staan? Alleen in artikel 578, § 3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek9 is het recht op bijstand uitdrukkelijk vermeld. De vraag moet bevestigend worden beantwoord.10 Een volmacht lijkt hiervoor niet vereist. Gelet op de aanwezigheid van de partij zelf zal wel blijken of die met de bijstand instemt. Is bijstand van andere personen dan diegenen die de betrokkene mogen vertegenwoordigen, toegestaan? Het lijkt van niet, ofschoon de rechter in de praktijk soms een soepele houding aanneemt.11 Tot een inbreuk op het pleitmonopolie van advocaten en ander bij wet bedoelde personen12 mag dit zeker niet leiden.




§ 2.Echtgenoot of bloed- of aanverwanten





  1. Een natuurlijke persoon mag onder andere voor de arbeidsgerechten vooreerst vertegenwoordigd worden door zijn echtgenoot13 of een bloed- of aanverwant.14 De niet-gehuwde levenspartner komt dus niet in aanmerking,15 wel een achterneef van de echtgenoot!

Twee voorwaarden moeten daartoe vervuld zijn. De vertegenwoordiger moet in het bezit zijn van een geschreven volmacht.16 De rechter moet hem bovendien toelaten.




  1. Pleiten mag deze vertegenwoordiger niet, enkel uitleg verschaffen,17 doch men kan die regel soepel toepassen.


§ 3.Advocaat of vertegenwoordiger van een representatieve werknemers­organisatie





  1. Een partij kan altijd “bij advocaat” verschijnen.18 Alleen advocaten hebben overigens het recht te pleiten.19




  1. Artikel 728, § 3, eerste lid, Ger.W. wijkt af van die regel en bepaalt dat een werknemer20 zich voor de arbeidsgerechten mag laten vertegenwoordigen door een afgevaardigde van een representatieve organisatie van werknemers. De rechter beoordeelt of een organisatie ‘representatief’ is.21

Verre van zich tot een loutere vertegenwoordiging te moeten beperken, mag de afgevaardigde in naam van de aangeslotene “alle handelingen verrichten die bij deze vertegenwoordiging behoren, pleiten en alle mededelingen ontvangen betreffende de behandeling en de berechting van het geschil”.22


De partij moet geen lid zijn van de organisatie die haar verdedigt.23 Of een vakbondsvertegenwoordiger in arbeidsrechtelijke geschillen ook kan optreden voor de erfgenaam van de overleden werknemer, wordt betwist.24
De werknemer moet aan zijn vertegenwoordiger een geschreven volmacht bezorgen.25 De termen hiervan moeten ruim genoeg zijn om betwistingen te vermijden, bijvoorbeeld over het recht op hoger beroep in te stellen.26 Geen enkele bepaling belet dat de volmacht pas in het dossier van de rechtspleging wordt opgenomen op de dag waarop de debatten gesloten worden.27 Voor de procedure in hoger beroep is een nieuwe volmacht vereist.


§ 4.Vertegenwoordiger van een representatieve organisatie van zelfstandigen





  1. “Op dezelfde wijze” mag de zelfstandige28 vertegenwoordigd worden “in geschillen betreffende zijn eigen rechten en verplichtingen in die hoedanigheid of in de hoedanigheid van mindervalide”29 door een afgevaardigde van een representatieve organisatie van zelfstandigen.30 Of een organisatie representatief is, beoordeelt de rechter.31


§ 5.Geschillen inzake maatschappelijke integratie en maatschappelijke dienstverlening





  1. Bij geschillen over het recht op maatschappelijke integratie of maatschappelijke dienstverlening32 mag de betrokkene zich bovendien33 doen bijstaan of vertegenwoordigen door “een afgevaardigde van een maatschappelijke organisatie die zich over de groep van de in de desbetreffende wetgeving bedoelde personen ontfermt”.34 De rechter oordeelt of een maatschappelijke organisatie voldoet aan die vereiste.35

De vraag rijst of deze afgevaardigde wel “op dezelfde wijze” als de werknemers­vertegenwoordiger mag optreden, d.w.z. mag pleiten. Hoe dan ook is een (geschreven) volmacht vereist.




Afdeling 3.Verschijning van rechtspersonen





  1. Wanneer een partij niet in persoon wenst te verschijnen, moet zij zich in beginsel laten vertegenwoordigen door een advocaat. Voor de arbeidsgerechten is voor welbepaalde rechts­per­so­nen uitzonderlijk wel een vertegenwoordiging op een andere wijze mogelijk. Deze bepalingen moeten beperkend uitgelegd worden.

Publieke rechtspersonen die zich niet willen laten vertegenwoordigen door een advocaat, moeten “in persoon” verschijnen, d.w.z. door middel van hun organen.36 In de praktijk gebeurt dit nooit. De vraag rijst of zij zich door een ambtenaar kunnen laten vertegenwoordigen. Hiertoe is in elk geval een bijzondere wetsbepaling vereist. Die vindt men terug in artikel 49, zevende lid, van de Pensioenwet Werknemers.3738 De “leidend ambtenaar” is het orgaan van de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen dat de instelling vertegenwoordigt en rechtsgeldig in haar naam en voor haar rekening optreedt. Met instemming van het beheerscomité mag hij zijn bevoegdheid om de Hulpkas te vertegenwoordigen voor de arbeidsgerechten aan één of meer leden van het personeel overdragen.39 Er werd echter geoordeeld dat geen enkele wettelijke bepaling de Koning toelaat af te wijken van de regels van het Gerechtelijk Wetboek en dat deze bepaling bijgevolg nietig is.40


Bij geschillen over het recht op maatschappelijke integratie of over het recht op maatschappelijke dienstverlening41 mag het OCMW zich laten vertegenwoordigen door “een afgevaardigd effectief lid of personeelslid”.42 Welke bevoegdheden deze vertegenwoordigers hebben en of zij een geschreven volmacht moeten bezitten, bepaalt de wet niet.43


  1. Wanneer een representatieve werknemersorganisatie kan optreden als procespartij, moet zij zich laten vertegenwoordigen door een advocaat, tenzij zij wenst te verschijnen door middel van haar organen.44 Uitzonderlijk mag zij zich door een “afgevaardigde” doen vertegen­woordigen, met name in de geschillen inzake ondernemingsraden en comités voor preventie en bescherming op het werk. Die afgevaardigde moet beschikken over een geschreven volmacht. Hij mag namens de organisatie waartoe hij behoort, alle handelingen verrichten die bij de vertegenwoordiging horen, een verzoekschrift indienen, pleiten en alle mededelingen ontvangen betreffende de rechtsingang, de behandeling en de berechting van het geschil.45


Afdeling 4.Geschillen





  1. De regels op het gebied van de vertegenwoordiging van de partijen raken de openbare orde en de rechter kan ambtshalve eisen dat zij worden gerespecteerd.46 De rechter mag de aanwezigheid van een (geschreven) volmacht én de draagwijdte van die volmacht nagaan. Dit is bijvoorbeeld van belang bij afstand van geding of doorhaling van een zaak.

Van advocaten mag de rechter nochtans niet ambtshalve nagaan of zij hiervoor over een bijzondere én geschreven volmacht beschikken.47




Afdeling 5.Besluit


  1. De wetgever staat een aantal uitzonderingen toe op het beginsel dat een partij in persoon of bij advocaat moet verschijnen. Voor zover die uitzondering ten behoeve van de rechtsonderhorige wordt gemaakt, probeert de wetgever aldus de drempel tot de rechter te verlagen. De gemaakte uitzonderingen doen afbreuk aan het pleitmonopolie van de advocaten. Wie geen beroep doet op een advocaat, heeft echter geen recht op een rechtsplegings­vergoeding.48 Die regel schendt het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel niet.49

Daarnaast staat de wetgever nog toe dat bepaalde verenigingen of organisaties in rechte optreden voor hun leden.50



1 Zie J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, nrs. 479-494.

2 J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, nr. 479.

3 De paragrafen 3 en 4 van die wetsbepaling hebben uitsluitend betrekking op de procedures voor de arbeidsgerechten.

4 Maar de rechter kan altijd bij wijze van onderzoeksmaatregel bevelen dat een partij persoonlijk verschijnt (zie de artikelen 992-1004 Ger. W.).

5 Art. 758 eerste lid Ger. W.

6 Art. 758 tweede lid Ger. W.

Voor een (zeer zeldzame) toepassing kan worden verwezen naar Arbh. Luik 23 januari 1998, Soc. Kron. 1998, 540, waarbij het hof de zaak verwees naar de bijzondere rol om de aanduiding van een raadsman door de stafhouder van de Orde van Advocaten mogelijk te maken.



7 Arbh. Bergen 24 februari 1995, J.T.T. 1996, 221 waarbij de appèlrechters het vonnis van de arbeidsrechtbank (Arbrb. Charleroi 22 februari 1994, J.T.T. 1994, 340), vernietigen; Arbrb. Gent 24 februari 1989, R.W. 1988-89, 1198.

8 Wat het – moeilijk te maken - onderscheid tussen ‘pleiten’ en het geven van mondelinge uitleg betreft, kan worden verwezen naar P. Mahaux, concl. voor Cass. 19 mei 1972, A.C. 1972, 880.

Voor de (non)interventie van de rechter tijdens de pleidooien kan men refereren aan X. Malengrau, “À propos des usages dans les tribunaux. Quelques réflexions sur le rôle du juge à l’audience civile”, J.T. 2000, 673-676.



9 Infra afdeling 2 § 5. Geschillen inzake maatschappelijke integratie en maatschappelijke dienstverlening.

10 Qui peut le plus, peut le moins.

11 Zie bijvoorbeeld Arbrb. Charleroi 22 februari 1994, J.T.T. 1994, 340, wel vernietigd door Arbh. Bergen 24 februari 1995, J.T.T. 1996, 221.

12 Infra afdeling 2 § 3. Advocaat of vertegenwoordiger van een representatieve werknemersorganisatie, § 4. Vertegenwoordiger van een representatieve organisatie van zelfstandigen en § 5. Geschillen inzake maatschappelijke integratie en maatschappelijke dienstverlening.

13 Het geslacht van de echtgenoot doet niet ter zake.

14 Art. 728 § 2 Ger. W.

De bloed- of aanverwantschap moet in voorkomend geval bewezen worden.



15 De partner komt ook niet in aanmerking, wanneer hij “samenwoont” in de zin van de artikelen 1475-1479 van het Burgerlijk Wetboek.

16 Een nieuwe volmacht is vereist voor elke zitting waarop de partij wordt vertegenwoordigd.

17 J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, nr. 485.

18 Art. 728 § 1 Ger. W.

19 Art. 440 eerste lid Ger. W.

20 De wet heeft het over “de arbeider of bediende”. Het gaat om alle arbeidsrechtelijke geschillen en alle geschillen van sociale zekerheid waarin een persoon in zijn hoedanigheid van werknemer (of zijn rechthebbende) is betrokken. In de praktijk wordt aangenomen dat het ook kan gaan om geschillen in de hoedanigheid van mindervalide of van gerechtigde op sociale bijstand (vgl. infra afdeling 2 § 4. Vertegenwoordiger van een representatieve organisatie van zelfstandigen en § 5. Geschillen inzake maatschappelijke integratie en maatschappelijke dienstverlening). Het is dus zeker niet vereist dat de partij nog daadwerkelijk werknemer zou zijn tijdens het geding (Arbh. Gent afd. Brugge 10 december 1998, Inf. RIZIV 2000, 59, Soc. Kron. 2000, 542).

21 Een beperking tot ABVV, ACLVB en ACV is er niet.

22 De stelling dat hij geen gebruik zou mogen maken van de schriftelijke verschijning bedoeld bij artikel 729 Ger. W. (zie J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, nr. 485, en de in voetnoot 37 aangehaalde verwijzingen), lijkt hiermee niet in overeenstemming te zijn en zou vragen doen rijzen nopens de gelijke behandeling van de partijen. Hetzelfde geldt met betrekking tot het gebruik van de schriftelijke procedure bedoeld bij artikel 755 Ger. W. (zie nochtans J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, nr. 485, voetnoot 37bis) of de kennisgeving van een schriftelijk advies van het openbaar ministerie. Er werd geoordeeld dat hij in elk geval een beroep kan doen op artikel 747, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek (Vz. Arbrb. Brussel 30 oktober 1998, J.dr.jeun. 2000, nr. 191, 45).

23 Arbh. Gent afd. Brugge 10 december 1998, Inf. RIZIV 2000, 59, Soc. Kron. 2000, 542.

24 Pro Arbh. Luik 5 oktober 1990, J.T.T. 1991, 151; contra Arbrb. Gent 24 februari 1989, R.W. 1988-89, 1198.

25 J. Petit (J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, nr. 485) werpt wel de vraag op of een geschrift wel vereist is.

26 Arbh. Gent afd. Brugge 10 december 1998, Inf. RIZIV 2000, 59, Soc. Kron. 2000, 542.

27 Strikt genomen legt de wet de neerlegging van de volmacht zelfs niet op.

28 De wet heeft het over “de zelfstandige arbeider”.

29 De zelfstandige kan zich dus niet hierop beroepen in zijn hoedanigheid van werkgever.

30 Art. 728 § 3 tweede lid Ger. W.

31 Hij zal zich laten leiden door de vraag of de organisatie representatief is in de zin van artikel 95, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 dat het Sociaal Statuut der Zelfstandigen uitvoert, en of zij kandidaten mag voordragen voor de raad van bestuur van het RSVZ (zie J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, nr. 489).

32 “Inzake de betwistingen betreffende de toekenning van maatschappelijke dienstverlening, de herziening, de weigering, de terugbetaling door de rechthebbende, en de toepassing van de administratieve sancties bepaald door de wetgeving ter zake” (art. 580, 8°, d, Ger. W.).

33 De betrokkene behoudt de mogelijkheid om zich te doen bijstaan of vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie of organisatie voor zelfstandigen, naargelang van het geval (Verslag namens de Commissie voor de Volksgezondheid en het Leefmilieu bij het wetsontwerp houdende een urgentieprogramma voor een meer solidaire samenleving, Parl St. Kamer 1990-91, nr. 630/5, 62).

34 Art. 728 § 3 derde lid Ger. W.

35 Het gaat om een ruim begrip (zie Verslag namens de Commissie voor de Volksgezondheid en het Leefmilieu bij het wetsontwerp houdende een urgentieprogramma voor een meer solidaire samenleving, Parl. St. Kamer 1990-91, nr. 630/5, 63).

Voor een geval van aanvaarding van de vertegenwoordiging door een organisatie die de bescherming van de rechten van de minderjarigen tot doel heeft, kan worden verwezen naar Arbrb. Nijvel 17 maart 1998, J.dr. jeun. 1998, nr. 175, 34, noot K. Grosjean. Ook een vertegenwoordiging door de directeur van een onthaaltehuis voor daklozen werd reeds aanvaard (Arbh. Luik 3 juni 1997, Soc. Kron., 198, 538).



36 Artikel 10 Wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut van sociale zekerheid en sociale voorzorg bepaalt dat de persoon belast met het dagelijks beheer, de instelling vertegenwoordigt in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, en rechtsgeldig in haar naam en voor haar rekening optreedt (zie D. Torfs, “De vertegenwoordiging van socialezekerheidsinstellingen voor de arbeidsrechtbanken” (noot onder Cass. 17 januari 2000), Soc. Kron. 2000, 529-530).

37 De administrateur-generaal die de instelling vertegenwoordigt en in haar naam en voor haar rekening optreedt, kan, met instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om de instelling te vertegenwoordigen voor de gewone gerechten aan één of meer leden van het personeel overdragen.

38 Deze wetsbepaling werd gewijzigd bij artikel 19 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, B.S., 31 augustus 2000 om een einde te maken aan een controverse in de rechtspraak (zie J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, nr. 491). Deze werd beslecht door een arrest van 17 januari 2000 (J.T.T. 2000, 285, noot A. Debrule, Soc. Kron. 2000, 526, noot D. Torfs) waarbij het Hof van Cassatie besliste dat deze vertegenwoordiging met toepassing van de vroegere wetsbepaling niet mogelijk was.

39 Art. 20 laatste lid Werkloosheidsbesluit 1991.

40 Arbh. Bergen 11 oktober 2002, J.T.T. 2003, 81; J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, nr. 491; D. Torfs, “De vertegenwoordiging van socialezekerheidsinstellingen voor de arbeidsrechtbanken” (noot onder Cass. 17 januari 2000), Soc. Kron. 2000, 530.

De RVA kan alleen door de persoon die belast is met het dagelijks bestuur, worden vertegenwoordigd voor de gewone rechtscolleges waaronder de arbeidsgerechten. De wet van 25 april 1963 laat slechts toe dat betrokkene zich doet vervangen voor de administratieve rechtscolleges (Cass. 18 oktober 2000, Soc. Kron. 2002, 180; Cass. 18 maart 2002, J.T.T. 2002, 503).



41 Het gaat om “betwistingen betreffende de toekenning van maatschappelijke dienstverlening, de herziening, de weigering, de terugbetaling door de rechthebbende, en de toepassing van de administratieve sancties bepaald door de wetgeving ter zake” (art. 580 8° d Ger. W.).

42 Zie N. De Vos, I. Carlens en L.M. Veny, “Procederen namens en tegen OCMW”, NjW 2005, 74, nr. 31.

In dezelfde geschillen mag de Minister tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort, zich doen vertegenwoordigen door een ambtenaar (art. 728 § 3 vierde lid Ger. W.).



43 In de praktijk zal wel een volmacht overgelegd worden (N. De Vos, I. Carlens en L.M. Veny, “Procederen namens en tegen OCMW”, NjW 2005, 74, nr. 32).

44 Het kan bijvoorbeeld gaan om de voorzitter of de secretaris.

45 Art. 24 § 1, 6° Bedrijfsorganisatiewet; art. 79 § 2, 6° Welzijnswet Werknemers.

46 Zie bijvoorbeeld Arbrb. Gent 24 februari 1989, R.W. 1988-89, 1198.

47 Zie Cass. 25 maart 1994, R.W. 1994-95, 293; ; J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, nr. 487.

48 Art. 1017 en 1022 Ger. W.

49 Arbitragehof nr. 113/99, 14 oktober 1999, B.S. 29 december 1999, 49.877.

50 Zie bijvoorbeeld art. 39 § 1 Wet Ziekenfondsen; art. 8 Wet 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd, B.S. 9 april 2003.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina