Hoorcolleges cultuurgeschiedenis 2004



Dovnload 58.67 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte58.67 Kb.

HOORCOLLEGES CULTUURGESCHIEDENIS 2004


FEMKE HOTTINGA

Week 1 – 8 september 2004


Betekenissen van cultuur in dagelijks leven:

5 betekenissen van cultuur, wetenschappelijk gezien



  • Humanistisch: Gericht op individu. Reflectie in kunst en literatuur. Opvatting uit renaissance  menselijk individu tot ontwikkeling brengen zeer belangrijk. ‘Bildung’.

  • Civilisatorisch: (collectief) Eigenschap(pen) van (grote) groepen mensen. Opkomst gedachte in 18e eeuw. Beschaving als missie. Gaat om het peil van beschaving van een volledige bevolkingsgroep.

  • Holistisch: Gericht op historische samenhang. Het verleden maakt het volk tot wat het is. Cultuur is hier een verzamelterm voor allerhande gegevens en factoren van bevolking. Vooral te vinden in historische geschriften. Vooral in de 19e eeuw.

  • Sociaal-wetenschappelijk: (geheel van menselijke activiteiten) Rond 1870 begrip ‘cultuur’ uitgebreid tot geheel van menselijke activiteiten. Vooral over andere (niet-westerse) culturen: over eigen cultuur moeilijk alles algemeen te brengen. Veel schrijvers in de 19e eeuw vinden dat er cultuur aan andere (‘lagere’) culturen gebracht moet worden (civilisatorisch ideaal)

  • Communicatief en representatief: levensstijl, groepsgedrag. Veelgebruikte betekenis in deze tijd. Groepen mensen die niet op zichzelf grotere verbanden vormen. (bijv.: bedrijfscultuur)

NB: Humanistische en civilisatorische betekenis hebben cultuur als ideaal; holistische en sociaal-wetenschappelijke betekenis geven een algemenere uitleg; communicatieve/representatieve uitleg gaat over incidentele gebeurtenissen/gevallen.

Als object van geschiedschrijving kan het woord ‘cultuur’ het volgende betekenen:


  • Het totaal van bestudeerde onderwerpen. Samenhang tussen verschillende verschijnselen, die je samen cultuur noemt.

  • Een bepaalde laag van menselijke activiteiten. (Bijv.: onderverdeling geschiedenisstudie in verschillende vakken: ESG, cultuurgeschiedenis, etc.)

  • Een historisch proces. Hierbij zijn de termen ‘cultuurkritiek’ en ‘cultuurpessimisme’ van belang.

  • Een gezichtspunt van waaruit geschiedenis wordt bekeken.

Varianten:



  • Beschaving (glad en soepel; zonder ruwheden)

  • Civilisatie (omgangsvormen die passen bij een stadsbewoner)

Cicero:


Cultura animi: het bewerken van de geest (als een akker; zie teksten klapper), het opkweken van de geestesvermogens.

Eerste die cultuur in moderne betekenis van het begrip gebruikte.

Termen in de cultuurgeschiedenis:


  • Stijl: periodiseringsbegrip, maar ook een kenmerkende manier van doen van een collectief.

  • Tijdgeest: opvatting van de geschiedenis in gesloten stijlperioden. Soms verpersoonlijkt tot handelende instantie.

  • Mentaliteit: collectieve beleving en voorstellingen; geloof en bijgeloof; expliciete of impliciete normen en waarden.

  • Representatie: de rol van taal, tekst en beeld in de voorstelling van de werkelijkheid; de manier waarop door voorstelling, verbeeldingen betekenisgeving door de werkelijkheid ‘vorm’ krijgt. Populair in de jaren ’80.

  • Identiteit: culturerel kenmerken, eigenschappen en tradities die een individu of collectief maken tot wat het is.

  • Beschavingsoffensief: opzettelijke pogingen tot ‘verheffing’ van bepaalde bevolkingsgroepen, uitgaande van vooropgezette normen en waarden.

  • Gender: cultureel bepaalde opvattingen over geslachtsverschil en de sociale rol van de geslacheten.

Cultuur staat altijd in tegenstelling tot natuur  hierin onderscheiden mensen zich van dieren.




Week 2 – 15 september 2004


Thucidides  politieke invalshoek

Herodotus  antropologische invalshoek


Cultuurgeschiedenis ontstaat wanneer mensen zich los weten te weken van politieke geschiedenis  men krijgt idee dat er in politiek nog maar weinig vooruitgang zit, maar in de beschaving wél!

Ontstaan van de cultuurgeschiedschrijving


1 – De Verlichting en het debat over vooruitgang
F.A. de Voltaire (1694-1778)

‘Le siècle de Louis XIV’ (1751)

‘Essay sur les moeurs et l’esprit de nations’ (1756)

Debatten over of eigen tijd de hoogste cultuur is in vergelijking met de oudheid


 Uitkomst: Eigen tijd is verder dan de klassieke oudheid.  in welke opzichten? Materieel, zedelijk, cultureel.

Hieruit spreekt duidelijk het vooruitgangsdenken van de Verlichting

(Vooruitgang doordat mensen zich verder van de natuur verwijderen)

J.J. Rousseau (1712-1778)

‘Discours sur l’origine de l’inégalité’ (1751)


Is de groei van de beschaving altijd een verbetering?

Groei leidt tot corruptie, verval, decadentie en toename van de ongelijkheid. Hierdoor ontstaan grote groepen benadeelden)


Nostalgie naar niet-westerse volkeren. Terug naar eenvoudiger samenleving, anders worden mensen slechter dan ze van nature zijn.

Streven naar gelijkheid  Rousseau was een inspiratiebron voor de Franse Revolutie.

Beschaving van de cultuurgeschiedenis betekent cultuurkritiek.
J.G. Herder (1744-1803)

‘Ideeen zu einer Philosophie der Geschichte er Menschheit’

Herder probeerde grote verscheidenheid aan Europese beschavingen te beschrijven: hij hanteerde een etnologische benadering.

Mensen zijn overal verschillend, maar niet beter of slechter dan anderen. Het geluk van de wereld zit juist in de verscheidenheid.

Nieuwe beschrijving van beschaving: voor iedereen is het anders. Legt de nadruk op gelijkwaardigheid van beschavingen.

Samenvatting van ‘de Verlichting en het debat over vooruitgang’

De vooruitgang wordt gelocaliseerd in de beschaving (Voltaire). Maar is de groei van de beschaving wel altijd een verbetering? (Rousseau) En moet de beschaving overal en voor iedereen dezelfde zijn? (Herder)

Impliceert de zienswijze van Herder door de manier waarop hij andere beschavingen bekijkt niet juist een soort van superioriteitsgevoel? (Deze stap had hij zelf nog niet gemaakt)

Bestaat er zoiets als een volksaard? Of is alles aangeleerd?

2 – Cultuurgeschiedenis als geschiedfilosofie
G.W.F. von Hegel (1770-1832)
Progressief zelfinzicht. Geest. Dialectiek.

Cultuur = tijdgeest (opeenvolging: religie, kunst, wijsbegeerte)


Er is vooruitgang, maar mens verwijdert zichzelf steeds verder van de eigen natuur.

Mensheid maakt in de loop van de eeuwen een ontwikkeling door van steeds verdere verwijdering van de natuur: eerst gelijk aan dieren. Die vervreemding leidt tot gevoel van ongelukkigheid: er is een kloof ontstaan tussen mens en cultuur.

Op den duur zullen we weer me de natuur verzoend worden  de mens is zó verstandig worden dat hij dat uiteindelijk zelf zal ontdekken. Dit gebeurt in een proces van breuken en tegenstellingen (!) (dialectiek; ‘trial and error’)

 de geschiedenis is geen strakke lijn!


Politiek is een oppervlakteverschijnsel: geest is het belangrijkst.

Karl Marx (1818-1883)
‘leerling’ (volgeling: check leeftijd) van Hegel
Geschiedenis is niet een ontwikkeling van menselijk denken, maar van economie.
De geschiedenis is een proces waarvan je de richting kunt bepalen, en erg belangrijk.

De toekomst is een ideale wereld waarin iedereen gelijk is.


Dialectisch materialisme

Cultuur is een uitvloeisel van een materieel fundament.


Onderbouw-bovenbouw

Economie,politiek, bevolkingsgroepen: hierdoor wordt cultuur bepaald.



  • Onderbouw: productiewijzen en klasseverhouding(en)

  • Bovenbouw: cultuur vloeit voort uit een materialistisch fundament.

Economie bepaalt alles; cultuur is secundair ( omkering van idee Hegel!!)


Cultuuruitingen werken als een ideologie.

Ideologie: politiek standpunt waarmee je je eigen machtspositie rechtvaardigt.

Maskering van machtsposities.


Cultuur zal in een klassenloze maatschappij heel anders zijn.
Deterministische leer: Alles ligt vast (dit idee heeft Marx nog sterker dan Hegel!)

Toch zijn er veel historische gebeurtenissen en cultuur die geen invloed/betekenis hebben voor de loop van de geschiedenis.



Jacob Burckhardt (1818-1897)

‘Die Cultur der Renaissance in Italien’ (1860)

In vele opzichten conservatief (leefwijze; ideeën. Tegenstelling Marx)
‘Eine Culturepoche, die in sich ein vollständig durchgebildetes Ganzes vorstellt’.
Eerste die modern concept geeft van de Renaissance.
Doel van geschiedenis: Houding die mensen in een bepaald tijdvak aannemen tegenover de wereld achterhalen.

Onderscheid maken tussen verschillen de perioden; achterhalen wat bindende element tussen alle gebeurtenissen en onderdelen van cultuur.

 Bijvoorbeeld in de Renaissance: individualisme en realisme.

Synchronie: tijd is één geheel

Diachronie: wat is het waarom? Wat is de ontwikkeling etc. door de tijd heen?
Normatief: in sommige opzichten is de Renaissancecultuur wel hoger dan die van de 19e eeuw: Cultuurkritiek!

(Tegenstelling van normatief is descriptief)


Cultuur volgens Burckhardt voornamelijke ‘hoge’ cultuur: geschiedschrijving, theater, muziek, filosofie, etc.

Vanaf ca. 1870 juist opkomst Ethnologie – Volkenkunde – Culturele antropologie



E.B. Tylor (1832-1917)

‘Primitive culture’ (1871)


(NB: volgens Burckhardt is zoiets als primitieve cultuur niet mogelijk: dat kan geen cultuur zijn: check zijn definitie van ‘cultuur’)
 Uitbreiding begrip cultuur: antropologische cultuurbegrip.

Alle vermogens en gewoonten van een bepaalde samenleving.


“Culture or civilization (…) is that complex wihich includes belief, art, law, morals and any other capabilities and habits acquired by man as a member of society.”
Evolutionisme: gedachte dat er een glooiende ontwikkeling is in de geschiedenis, die je kunt verdelen in verschillende periodes, maar er is wél steeds verbetering ( dus niet dialectisch!!)

Aanhanger van Darwin.


Animisme: juist heel rationalistisch: hoe kan ik de macht krijgen over de natuur om me heen? (bijv. praten tegen bomen e.d.)

 Elementen uit vroegere beschavingen blijven (survivals): er is sprake van ontwikkeling (itt idee van dialectiek, waarin breekpunten en tegenstellingen e.d. voorkomen)


Tylor was streng protestants  zag katholicisme als een survival die bestreden moest worden.
Tylor ws een antropologisch cultuurwetenschapper.


Aby Warburg (1866-1929)

Kulturwissenschaftliche Bibliothek Warburg (Hamburg, Londen)


 synthese Burckhardt en Tylor!
Stelde bibliotheek open voor publiek, zodat er onderzoek gedaan kon worden naar cultuurgeschiedenis.
In Italiaanse Renaissance zag hij het voortleven van de klassieke cultuur: de kunst werd overgenomen, maar ook magie, pseudowetenschappen e.d.  in de Renaissance dus ook grote opkomst van heksenvervolgingen e.d.!
Nachleben = voortleven klassieke oudheid.
Joods schrijver. Schreef daarom veel over vervolgingen e.d.


Johan Huizinga (1872-1945)

‘Herfsttij der middeleeuwen’ (1919)


Synchrone methode (tijd als één geheel)
Tegenstelling met Burckhardt: wat Burckhardt ziet als een nieuwe tijd (Renaissance), beschrijft Huizinga als het einde van de middeleeuwen.
Grijpt terug op ideeën en gedachten uit voorbije hoogtijdagen.
Synchronie met cultuur-antropologische noties.


Week 3 – 22 september 2004
Volkscultuur: onoficiële cultuur van de niet-elite; hun waarden en habitus, mondelinge tradities en rituelen.
1 – Zoeken naar eigenlijke context, sociale geschiedenis. (Camporesie, Le Roy Ladurie)

2 – Ultieme, eigenaardige, authentieke. Ontdekking van de volksgeest

3 – Randfiguren, omgekeerde wereld

4 – Cultuur van alledag




1 – Sociale geschiedenis
Land van Cocagne, Luilekkerland.

Goed voorbeeld van volkscultuur. Veel schilderijen over dit onderwerp. Wat zegt dit over de volkscultuur? De naam Cocagne staat voor de ideale wereld, ‘hemel op aarde’. Geen verhaal, maar droombeeld, venster waarin iedereen zijn wensen kon inpassen.

Dit soort verhalen zijn eerst oraal overgeleverd, en zijn pas veel later (op verschillende momenten!) vastgelegd.  dit soort verhalen misschien slechts hallucinaties door drugs, honger of bedorven voedsel, maar toch gaat het te ver om ze alleen zó te vertalen.

Emmanuel Le Roy Ladurie

‘Les paysans de Languedoc’ (1966)

Accent op landbouw, technische impasse, sociale gevolgen van armoede.
Piero Camporesi

‘Il paese della fame’ (1978)

Over honger en puur overleven op het platteland
‘Il carne impassibile’ (1983) (het onvergankelijke vlees; the history from below)
Camporesi zoekt nieuwe historische inzichten. Dit kon prima met oude bronnen. Historische verbeeling belangrijk, dus door oude bronnen kun je de mentaliteit bepalen.
De boer werd onderwerp van de kunst. Bijvoorbeeld de boerenbruiloft 1567 (?schilderij?)  maar in hoeverre is dit authentieke volkscultuur?

2 – Op zoek naar het authentieke. De volkse geest (opkomst 18e eeuw)
Herder en de Gebroeders Grimm.  gaan op zoek naar authentieke volkskunde.
Herder gaat op zoek naar poëzie, want dat is niet op geschreven, maar oraal overgedragen.

 Kultur des Volkes vs Kultur des Gelehrten.


Gebroeders Grimm gaan op zoek naar oraal overgeleverde verhalen. Deze worden opgetekend en gebundeld  Volksgeist.
Het onderwerp volkskunde (Herder) is een 19e eeuwse inventie.

Michael Bakhtin (1895-1975)
Dialogiciteit  betekenisgeving in het sociale leven, van artistieke productie, hoe taal spanning tussen sociale groepen registreert.

Rabelais

Hoe oude manieren van leven werken in collectief denken.

Hoe de hiërarchische wereld van de Middeleeuwen instort.
Teksten bevatten altijd echo’s van andere teksten, en zijn daarmee polyfoon.

 herkomst achterhalen en betrekken in betekenisgeving.


Volkskunde uitvinding van eind 18e, begin 19e eeuw (Herder)


3 – Randfiguren, omgekeerde wereld
Gekken vertegenwoordigen normen van de cultuur door deze juist te overstijgen.

 Carnaval toont de normen en waarden aan, juist door de duidelijke overschrijdingen tijdens dit feest.


De boog kon niet altijd gespannen zijn, dus carnaval soort uitlaatklep.

Er was bij carnaval nog een morele ondertoon: de strijd tussen vasten en carnaval symboliseerde 2 belangrijke aspecten van het leven.


Dus, carnaval omgekeerde wereld, sociale controle of uitlaatklep?

 Herman Pley: de teksten over carnaval tonen een omgekeerde wereld, dus hoe het niet moet.




4 – Cultuur van alledag
De etnologie onderzoekt dergelijke verschijnselen en patronen in historische, sociaal-culturele en ruimtelijke dimensies en interpreteert ze als processen van vorm en betekenisgeving.

Toe-eigening en constructie van (sociale) identiteit en habitus.


De Nederlandse etnologie bestudeert en verklaart mede vanuit een ontwikkelingsperspectief contemporaine cultuurverschijnselen en patronen die vorm gegeven hebben aan het dagelijks leven van de inwoners en hun sociale verbanden in Nederland.
Materiële cultuur: o.a. kleedgedrag en lichamelijk gedrag.

Week 4 – 29 september 2004
Johan Huizinga

Herfsttij der middeleeuwen

Besteedt hier ook aandacht aan etnologie.
Cultuur: intellectuele en religieuze verdieping van het meer individuele  persoonlijke verbetering.

Gevolg: gedeeld besef van morele waarden: hoogstaand.

Cultuur is een streven naar verbetering op moreel, geestelijk, religieus gebied.
‘In de schaduwen van morgen’ (1935)

Over moeilijke, sombere toekomst.


Veel cultuurhistorici gebruiken vaak vergelijking als middel. Ook hadden ze cultuurkritiek. Die cultuurkritiek ging bij Huizinga vaak over in cultuurpessimisme.
Cultuurkritiek: onderzoeken van de hedendaags cultuur.

 als dit een negatieve uitkomst heeft gaat het dus over in cultuurpessimisme. Omdat mensen steeds beter en sneller kunnen communiceren, wisselen mensen steeds onzinnigere dingen uit (volgens Huizinga)


Wat stelt Huizinga zich van cultuur voor?

Allereerst een individueel proces; als iedereen individueel verbetering nastreeft.

Cultuur is streven naar beter. Uiteindelijk moet dit streven uitmonden in hogere morele waarden.
2 soorten cultuur:


  • Datgene waar de elite naar streeft en de grote groep in mee wil laten delen; mee laten streven.

  • Cultuur van de grote massa.

De elite kijkt niet neer op de massacultuur, maar vindt dat er gevaren loeren.  Volkscultuur is echter niet de cultuur volgens de media, maar juist een authentieke folkorecultuur.

 Dit authentieke moet in stand gehouden worden. Authentieke cultuur is geen mediacultuur.
Aan de ene kant ontwikkelde de elite een algemene internationale cultuur, met dezelfde taal (zoals bijvoorbeeld Latijn in de middeleeuwen), en aan de andere kant de volkscultuur, folklore.
Binnen de volkscultuur wordt gezocht naar de kern: dit soort samenlevingen vinden alleen plaats in agrarische samenlevingen (geïsoleerde samenlevingen)  verdwijning door industrialisatie.
Juist de landbouw en zijn welvaart in de 18e eeuw, heeft ervoor gezorgd dat men zich kan opsmukken met klederdracht. Dus dit was niets spontaans: het is een wisselwerking van landbouw, industrie en commercie.
Er is een geïdealiseerd idee van de onderste samenleving, waardoor men bang was dat deze door industrialisatie bedorven zou worden.

 geïdealiseerde tegenstelling tussen hoog en laag.


In de kunst werd veel gebruik gemaakt van symbolen en elementen uit de authentieke volkscultuur. Kunst werd nu niet meer iets verhevens het dagelijks leven wordt interessanter.

 reactie van de kunst op de opkomst van de industrie.


Na WO II

De artistieke avant garde zocht juist toenadering tot de industriële cultuur. Er lag een smet op de elitecultuur omdat veel mensen uit de elite zich hadden aangesloten bij het fascisme.


In de jaren 60 werd het hele idee van het ‘beschavingsoffensief’ overboord gegooid door elite, om de lagere klasse te verheffen. Er was een algemene tendens van tolerantie t.o.v. andere mensen.
In de 20e eeuw kunnen we echt spreken van massacultuur, daarvóór kon je nog spreken van volkskunde: verandering in massacultuur mede door snellere manieren van communicatie.

Steeds meer toenadering tussen hogere en lagere cultuur: de duidelijke scheiding tussen hoog en laag was verdwenen.

(Denk aan pop art (Andy Warhol)

 Dingen uit de lage cultuur werden overgenomen door hoge cultuur. Vooral in de kunst.

 ontstaan mengvormen, zoals kitsch.
Term kitsch ontwikkeld in de 18e eeuw.

Onoprechte kunst. Kunstvoorwerpen die suggereren dat ze duur zijn maar stiekem goedkoop gemaakt.  makkelijk te maken, maar wekken de indruk dat er veel werk in zit.


Samenwerking kitsch en cultuur

Als je authentieke cultuur zijn gang laat gaan, komt er iets goeds uit. Hier zit het idee in dat de industriële samenleving hier minder goed in is. Slechte imitaties.

W. Morres : Fabriek maakt kitsch. Wilde de ambachten in ere herstellen, dus zonder arbeidsdeling. Het bleef echter bij idealisme: producten werden te duur. (bijv.: meubelen)
Om kitsch tegen te gaan, ontstond industrieel design: ontwerpen alleen voor industriële productie. (bijv. meubelen)
Toch wordt kitsch vaak gemaakt om kitsch te zijn, dus niet als kunstuiting. Als je kitsch gaat verzamelen spreken we van camp.

Een intellectueel die elementen uit de lage klassen verzamelt is camp: dus niet streven naar hogere dingen.

Camp: dingen die in principe geen betekenis/waarde hebben krijgen een nieuwe betekenis.
Toch leven we nu niet in een klassenloze maatschappij.  dit wordt bestudeerd door cultural studies: onderzoek naar spanningen en tegenstellingen. Anti-historisch. Volgens deze tak van sport uit cultuur zich in symbolen; het speelt zich af in je hoofd. Machtsverhoudingen uiten zich ook vaak in symbolen  Het draait allemaal om betekenisgeving.

 Oorspronkelijk marxistisch (vanwege blootgeven van machtsverhoudingen) Marx’ ideologie beschrijft de nijging van de burgerij om macht voorop te stellen, i.p.v. de algemene belangen. Laten hun belange algemene belangen blijken door symbolen.


Marx: ideologie

E. Gransci (1891-1937)  hegemonie speelt belangrijke rol. (hegemonie: alleenheerschappij van 1 groep om te bepalen wat cultuur is. Iemand bepaalt dus wat cultuur is waar iedereen naar moet streven: de hoge cultuur)
W. Benjamin (1892-1940) Reproductie. Dit kan er toe leiden dat alle kunstvormen als koopwaar worden ontwikkeld.
M. Faucalt (1926-1984) ( weet niet of ik het goed schrijf: kon het niet goed lezen…)

Over taal en discussie. Taal is een instrument van machten beperkt mensen.


P. Bouridiou (1930-2002) ( weet weer niet of het goed gespeld is…)

Distinctie en cultureel kapitaal. Cultuur als middel om beter te worden. Er is geen hoge cultuur, maar door symbolen onderscheid je je en ontwikkel je aanzien.


Colonial studies: cultuurstudie t.o.v. onze eigen cultuur.
Gender studies: cultuurstudie, naar onderscheid tussen geslacht voor de cultuur. Onderdeel van cultural studies.

Week 5 – 6 oktober 2004
Vanaf late Middeleeuwen begrip ‘tijd’ steeds belangrijker.
Het regime van de tijd (Goudsblom)


  • Onderzoek van tijd en tijdsbesef als voorbeelden van sociaalwetenschappelijk geïnspireerde geschiedbeoefening.




  • Tijd gebonden aan individuele ervaring

  • Tijd is een natuurproces dat zich buiten de mens om in de wereld voltrekt, de tijd gaat voort, ook al zouden er geen mensen zijn om hem te beleven.

  • Tijd als sociaal-cultureel gegeven, constructie waarmee mensen zich in de wereld (…) (sheet weg…)

Omgaan met rijd van relatief naar absoluut.


Isaac Newton

‘The chronology of ancient kingdoms amended’ (1728)


Newton verbond de verschillende historische tijden van de wereld in een historische serie om te bewijzen dat er maar één tijd was die aan de basis stond van zijn berekeningen:

  • alle tijd was terug te voeren op autonomie

  • weer sheet gemist…

Door wetenschappelijke revolutie en nieuwe historische technieken van de Renaissance, komt er een opkomst van de idee van Absolute Tijd.


Chronologie als wetenschappelijke discipline
Salinger

‘Opus novum de … (lange naam)’ 1583


“Op basis van onze argumenten concluderen wij dat een complete absolute chronologie kan worden opgesteld.”
Los van morele en religieuze functie tot numerieke bezigheid; gaat om wanner het gebeurt, niet om implicaties.
18e eeuw  opkomst van iets anders: nieuw soort geschiedenis.

 begrijpen hoe de samenleving in elkaar zit. Je heb verschillende tijdmetingen, maar het gaat om de menselijke ervaringen.



Giambattista Vico

Ontwikkeling van het tijdbepalen.



  1. Geen instrumenten om tijd te meten: dag niet te delen.  Evans - Pritchard, ‘The nuer’ (1940): gewezen op fenomeen sociale tijd. Antropologische benadering. De klok werd gevormd door vee (brengen naar kraal, melken, kudden naar weiland, etc.)

  2. Zonnewijzers als klok en kalender. Waterklokken, zandlopers. Tijd kan worden gemeten op verschillende schalen, en op plaatsgebonden wijze. Dagen van 24 uur. Daguren en nachturen.  Marc Bloch, ‘La société féodale’: iedereen is eraan gewend om dagdelen te zien groeien en krimpen, met jaarlijkse omwenteling van de zon.

  3. Mechanische klokken: gestandaardiseerde tijdsindeling. Vaste uren van gelijke duur. Ca. 1300 klokken per plaats gelijk. Klokken op kerk en belfort vervingen bidstonden van de kerk. Voorwaarde voor kapitalistische arbeidsverhoudingen. (Jacques Le Goff over tijd-werk cultuur in het westen)

  4. Nieuwe technieken van versneld transport en telecommunicatie. Mondiaal stelsel van standaardtijdmeting op de hele wereld synchroon. (International Meridian Conference rond 1880  Greenwhich werd de nul-meridiaan)


Norbert Elias (belangrijke naam!)

Figuratiesociologie.

‘Het civilisatieproces’ Sociologische en psychogenetische onderzoekingen.

Vormen van gedrag die typerend worden geacht voor mensen van westerse beschaving.

Verandering in de samenleving in sociale figuratie en de onderlinge machtsverhoudingen.

Tijdbepalen is mensenwerk: de categorie tijd ontstaat pas als een functie van het tijdbepalen.
Selbstzwang (nog steeds Elias)

Westers civilisatieproces uniek door verstrekkende functiedeling, stabiele gewelds- en belastingmonopolies, bindingen van interdependenties over grote gebieden en grote aantallen mensen.


Een functie is het knooppunt van handelingsketen; het vereist een precieze tijdsindeling: opwellingen zijn ondergeschikt aan interdependentie. Getraind in voorkomen van wisselvallig gedrag en zelfdiscipline.


Max Weber (1864-1920)

Kloof geschiedenis en sociologie te overbruggen in de cultuurgeschiedenis. Uniciteit historische processen bestuderen via ideaaltypen.



Mentaliteitsgeschiedenis

Microstoria : kleine verhalen, maar hieruit haal je wel alle details die je nodig hebt.

 Moment opname, weinig tijdsontwikkeling. Over kleine gebeurtenissen die gedrag, houding, emoties en voorstellingen van gewone mensen verklaren.


Term bedacht door Carlo Ginzburg.

‘De kaas en de wormen. De cosmos van een zestiende-eeuwse molenaar’ (1980)

 Over hoe een zeker molenaar de wereld om zich heen ordent en beschouwt.

Week 6 – 13 oktober 2004

Medische geschiedenis



  • trekt wortels van de vooruitgang

  • gericht op grote artsen


Medical marketplace

Genezingsstrategiën voor mensen die zich ziek voelen.


Andreas Vesalius (1514-1564)

‘De humani corpurus fabrica’


Theatrum anatomicum (Leiden)
Body history

Beleving van het lichaam  het lichaam belichaamt visie op de wereld (bijv. plastische chirurgie)









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina