How green was my Valley Mei 1947



Dovnload 9.56 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte9.56 Kb.
How green was my Valley


Mei 1947
Op een zonnige voorjaarsdag bekijken mijn ouders met hun eerste dochtertje een boerderijtje uit 1888. Er is wel elektriciteit, maar water komt alleen uit de pomp en het toilet is een huisje buiten. Niet riant maar ‘te doen’ in die tijd. Ik ben al onderweg, dus de ruimte in en om het huis is ideaal.
Mijn vader ziet als tuinderszoon en groentenhandelaar, het boerenhuis met landerijen wel zitten
en de geurende seringen en prachtige lindebomen in de grote tuin krijgen mijn moeder om.

Aan de onverharde weg staan verder nog een grote veeboerderij en arbeidershuisje. Wanneer het nieuwe bestemmingsplan van de gemeente Zwolle zal worden uitgevoerd moeten ze plaatsmaken voor een nieuwbouwwijk, maar dat kan nog jaren duren.

Ze doen het!
Juli 1963
Verhuizen, alles inpakken! Intussen zijn er drie dochters die de handen uit de mouwen kunnen steken. Het dressoir is een puzzel. In ieder hoekje vind ik dierbare dingen die ‘eigenlijk’ weg moeten. Onderin ligt ‘beer’ al jaren te wachten op een ooroperatie en achter een stapel rafelige sprookjes­boeken vind ik oma ’s leesbril. Weer een doos vol, de stapel wordt hoog!
Het is benauwd warm, maar tante Riek sopt en dweilt alsof haar leven er vanaf hangt. Ook mamma is verbeten bezig alles ‘netjes’ achter te laten. De gordijnen blijven hangen, zodat niemand naar binnen kan loeren.

Ze kwamen met paard en wagen, maar vertrekken met een verhuisbedrijf. Mannen, sterk als paarden, sjouwen meubels en dozen de verhuiswagens in. De baas heeft nog bij mijn vader in de klas gezeten. Hij zegt:


“Leo, die tegeltjes in de schouw moet je eruit halen en die antieke pomp ook!” Pappa schudt zijn hoofd: “Het is van de gemeente Klaas. Ik heb ook wel wat anders te doen, maandag moet mijn nieuwe groentezaak open! We zetten er een punt achter.”

Ontworteld voel ik me. Moet weg, maar zou ’t liefst achter de bessenstruiken gaan liggen lezen. ‘Nooit meer’ zeurt het vanbinnen. Ik fiets mijn oude buurtje ‘de Bolle Bieste’ in. De Beukenstraat, Kastanjestraat, langs kruidenier Mensink via de Langenholterweg richting de Middelweg waar op de hoek een leegstaand kruidenierswinkeltje in beeld komt. Onze nieuwe stek.

Het begint te waaien, de lucht wordt inktzwart en ik zie een flits! Zware regendruppels ploffen lauw op mijn huid. Plotseling valt het met bakken uit de lucht, ik ben er bijna! Achter het huis, blijf ik even genietend staan. Mijn jongste zusje, zwaait vanachter het keukenraam. Ik wenk haar, roep: “Heerlijk!” Ze komt lachend naar buiten. Het stof spoelt uit onze haren en de vermoeidheid dansen we ‘singing in the rain’ uit het lijf. Kletsnat en heerlijk fris zijn we.
“In welke doos zitten de handdoeken?” Hikt ze lachend. Bij het idee dat ze nog in de verhuiswagen staan krijgen we allebei onbedaarlijk de slappe lach.
Zondagmiddag, tien dagen later

Na de onweersbui ter afsluiting van de verhuizing, is het weer onstuimig gebleven. De temperatuur is gedaald en het waait alsof het al herfst is. Pappa ligt moe in zijn luie stoel te luisteren naar opera­programma Belcanto, terwijl mamma bezig is de boekenkast opnieuw te rubriceren.

Mijn vriendje Roel komt langs. “Ga je mee een eindje lopen?” vraagt hij. “Ja, lekker uitwaaien!” roep ik en weg zijn we. We laten ons door de wind voortduwen en als vanzelf komen we in de Beuken­straat terecht. Sinds de verhuizing ben ik er niet meer geweest. Ik treuzel, weet niet of ik het nog wil zien. Roel loopt door en roept tegen de wind in: “De laatste keer!” Hij wacht en samen dalen we af langs de onverharde weg, langs de ongesnoeide meidoornheggen, de tuinderij vol hoogopgeschoten onkruid. Zijn arm ligt stevig om mijn schouder.

We lopen eromheen, alsof we bang zijn dichterbij te komen. Het hek staat wijd open, maar verder is er niets te zien. Lopend naar de voorkant van het huis zie ik de opengebroken stoep. De pomp is weg, kapotte ombouwplanken steken als haaientanden uit de grond. De lindebomen staan als wachters voor het huis, hun groene bladeren dansen wild in de wind. Twee stappen verder staren mij de ingegooide ramen als blinde ogen aan. De gordijnen wapperen als losgeslagen zeilen naar buiten.


Het kolenkelderluik staat open ‘zo zijn ze binnengekomen, via onze meisjesslaapkamer’ flitst er door mijn hoofd. Antiekzoekers hebben mijn huis aangerand, mijn arme, lieve huis!

“Ik wil naar huis” hoor ik mezelf zeggen. “Terug?” vraagt Roel. “Ik weet niet …”.



Zachtjes kust hij mijn tranen weg, maar ze zijn niet weg te kussen.


Henneke van ‘t Land




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina