Huizen en hun inrichting



Dovnload 83.95 Kb.
Pagina1/3
Datum25.07.2016
Grootte83.95 Kb.
  1   2   3
Voorwoord

In de zes jaar dat ik nu al Latijn volg, heb ik heel wat geleerd over de rechtspraak, de politiek, de intriges, de samenzweringen, de helden en de zeden van de Romeinen. Toch blijft het moeilijk om inzicht te krijgen in een maatschappij die zo'n 2000 jaar geleden bestond. Wat aten de Romeinen bijvoorbeeld? Hoe woonden ze? En waar winkelden ze? Erg eenvoudige vragen eigenlijk, maar het antwoord moest ik helaas schuldig blijven.

Uit een berg informatie, rijk aan tegenstrijdigheden, een overzichtelijk geheel samenstellen is niet makkelijk. Dat heb ik wel ondervonden. Toch hoop ik dat dit werk een juiste impressie geeft van het dagelijks leven.

Alvast veel leesplezier en een boeiende tocht langsheen Atrium-huizen, gekke maaltijden en vreemde recepten.

Huizen en hun inrichting

In welk soort huis een Romein woonde, hing net zoals bij ons natuurlijk van zijn rijkdom af.

De huizen van rijke Romeinen hadden meestal hetzelfde grondplan. Door de voordeur kwam je in een atrium of hal, die vanboven open was, met een vijver in het midden. Een peristilium of tuin met zuilen aan de achterkant voor frisheid - noodzakelijk in de hitte van de Italiaanse zomer.

De vertrekken waren ruim en elegant, met hoge plafonds en brede deuren, maar weinig ramen. Wel waren de muren vrolijk geschilderd en waren de vloeren vaak rijk gedecoreerd met mozaïeken, maar er was verrassend weinig meubilair: geldkisten, bedden, banken vooral voor de maaltijd, kleine tafels en misschien een paar mooie houten kasten.

Alleen een paar geluksvogels konden zich de weelde van zo'n mooi huis permitteren. De meeste mensen leefden op het platteland in armoede, of in grote en overbevolkte huurkazernes in de steden.

De appartementen hadden geen sanitair en waren zeer brandgevaarlijk. De benedenverdieping van een huurkazerne werd meestal ingenomen door een rij winkels.


Het Atrium-huis of domus

Men kent het Atrium-huis zeer goed dankzij de opgravingen die bij Herculaneum en Pompeji zijn verricht. De domus is heel lang het typisch Romeinse huis geweest. Maar omdat de bevolking van Rome groeide, werd het domus-huis dat het nadeel had een relatief groot oppervlak in beslag te nemen, vervangen door een type huurwoning dat in allerlei opzichten meer rendabel was, de insulae.

Het Atrium-huis telde een groot aantal kamers, 20 tot 30, voor het gezin en de huisslaven.

De Romeinen hielden van privacy en daarom hadden hun huizen geen ramen aan de buitenkant, zeker niet op de benedenverdieping. Romeinse huizen hadden in de stad geen tuinen vooraan. De voordeur gaf uit op de straat of bevond zich achter een smalle vestibule. In de vestibule van het huis beneden zagen de bezoekers een mozaïek van een woeste hond. De deurslaaf zorgde voor de hond die ongewenste gasten weg moest houden.

Om de privacy in het huis nog meer te beschermen en om de woonkamers ver van de lawaaierige straat te houden, werden de voorste twee kamers vaak als winkels verhuurd.

Binnen in het huis

Hoe zag het huis er binnen uit? Als de deurslaaf je binnengelaten had, stond je in het atrium, de vestibule of hal, een ruimte met twee verdiepingen met een enorm dakraam. Dat liet het nodige licht binnen voor de slaapkamers en woonkamers die eromheen gegroepeerd waren. Maar via dat raam kwam ook de regen naar binnen, zodat onder het dakraam een impluvium was gemaakt, een binnenvijver.

Het water dat zo werd opgevangen diende voor huiselijk gebruik. Het atrium kon zowel groot als klein zijn en werd gedragen door draagbalken of zuilen. In het laatste geval werd het omgeven door een zuilengang.

Het belangrijkste vertrek, het tablinum, bevond zich tegenover de ingang. Het was het vertrek van de heer des huizes en zijn echtgenote. Daar bewaarde men ook de beelden van de huisgoden van de familie en de maskers van de voorouders.

Aan de andere kant van de tablinum bevond zich een tuin wat er op wijst, dat deze woonvorm was afgeleid van de oude boerderijen van Campanië. De tuin werd bereikt via houten, in hengsels gevatte schuifdeuren of gewoon via gordijnen. Er liep ook gang langs de woonkamer zodat de slaven naar de tuin of de keuken konden zonder het gezin te storen. Rond de tuin was er vaak een overdekte zuilenrij of peristilium gebouwd. In een hoek, dichtbij de achterdeur stond het lazarium, een klein heiligdom voor de goden die over het huishouden waakten.

De andere functies van het huis waren verdeeld over twee vleugels, ter weerszijden van het hoofdvertrek. Daar lagen de salons, de eetkamer en de keukens. De eetkamer of triclinium, had uitzicht op de tuin, wat heel prettig moet geweest zijn. De keuken, de culina, had niet echt een vaste plaats. Vroeger was ze bij de ingang van het huis, in het atrium, maar met het oog op brandgevaar verhuisde de keuken naar een aparte ruimte aan een van de uithoeken van het huis, soms rechts van de eetkamer. In de keuken was er een plaats voor het kneden van het deeg, het pistrinum, en verder was er een bewaarplaats voor de olie, het olarium, voor het fruit, het pomarium. Er was ook een zolder, het granium, om dingen in op te slaan, een wijnkelder, de cella vinarium en een ruimte, het horreum, voor al het gepekelde en gedroogde vlees, de gedroogde groenten en de honing.

Maar zoals ik daarnet al schreef, hebben de woningen zich moeten aanpassen aan de demografische situatie. Vooral in Rome heerste er een permanente woningnood, die de Romeinen probeerden op te lossen door in de hoogte te gaan bouwen. Eerst ging men er toe over om slechts het voorste deel van de domus te benutten, het deel dat aan de ene kant in verbinding stond met de straat en aan de andere kant met het atrium. Maar vanaf de 2de eeuw maakte de technisch beslissende uitvinding van het cement het mogelijk grotere, dragende constructies te maken en etages op elkaar te stapelen. Toch bleef het aantal verdiepingen van een domus beperkt tot 3. Op die manier bouwde men woningen om een lichthof, vergelijkbaar met een heel beperkt atrium, maar het atrium deed nu dienst als binnenplaats en werd niet meer gebruikt als woonvertrek.


De Insulae

"We wonen in een stad die recht wordt gehouden door allerlei steunberen. Zo proberen de eigenaars te verhinderen dat de huizen invallen." (Juvenalis)

Men weet dat sedert de tijd van Cicero de architecten in de hoogte moesten zoeken wat hen op de grond geweigerd werd. De insulae vertegenwoordigden de echte sociale woningbouw, voorbehouden aan de minst draagkrachtigen en ingericht op een wijze die wij ons nu niet meer kunnen voorstellen. (Ze worden nog wel eens vergeleken met de oude wijken van Napels en Nice.)

Ook Juvenalis klaagde over de krotten waar de mensen in moesten "wonen". In de insulae kon men flats of éénpersoonskamers huren, maar de benedenverdieping werd meestal gebruikt als winkelruimte of werkplaats voor ambachtslieden. In steden zoals Ostia en Pompeji, waar er nog vrij veel ruimte was, hadden de appartementsgebouwen slechts twee of drie verdiepingen, maar in Rome, waar zeer weinig bouwruimte was, konden ze soms wel 7 etages hoog zijn. Bovendien waren de insulae in Ostia met goede stenen gebouwd, maar in Rome waren er vele gemaakt uit plaaster en hout.

Geen van de vertrekken die samen een appartement vormden, hadden een speciale bestemming: Er was geen badkamer, geen toilet en zeker geen keuken, want dan zou er nog meer brandgevaar zijn. Op de etages kwam geen water. * Men moest het gaan halen bij de fontein op de dichtstbijzijnde hoek.

In verwarming was ook niet voorzien, net zo min trouwens als in de domus. Als het koud was volstond men met het aansteken van vuurpotten en ook het koken geschiedde op deze houtskoolvuurtjes. Tenminste, voor zover men ging koken en niet voor een paar stuivers klaargemaakte gerechten ging halen bij een nabijgelegen thermopolium.

De constructies waren ook niet altijd zo solide als ze zouden moeten zijn. Men heeft ontdekt dat veel gebouwen uit veel te dunne baksteen zijn opgetrokken. Bovendien stonden ze erg dicht bij elkaar en het brandgevaar was dan ook enorm. Het vuur kon van het ene gebouw naar het andere overslaan en in een mum van tijd een hele stadswijk in de as leggen. Denk maar aan de grote brand van Rome onder keizer Nero.

In ieder geval dreef de woningnood de architecten tot het bouwen van steeds hogere insulae waar men zoveel mogelijk profijt uit kon trekken. Voor de eigenaars moesten de insulae zoveel mogelijk winst opbrengen en een ware bouwwoede maakte zich meester van de Romeinen. Het gebouw werd verhuurd aan een tussenpersoon, zodat men zelf zo weinig mogelijk last had, en die tussenpersoon onderverhuurde het aan particulieren. Dit leidde tot echte wantoestanden tot keizer Augustus het bouwen van gebouwen hoger dan 20 m verbood. Iedere vergelijking met hedendaagse situaties berust vanzelfsprekend op toeval!

Ondanks deze bouwwoede slaagde de Eeuwige Stad er echter nooit in voldoende woningen te bouwen om aan de vraag te voldoen. Aan het eind van het Keizerrijk was het aantal domi beduidend afgenomen in verhouding tot de insulae. Men telde 46.602 insulae tegenover 1790 huizen van het domus-type. Wat de oorsprong van de insulae betreft, zou men zich natuurlijk kunnen afvragen of het hier een Romeinse schepping betreft of een bouwwijze die is ingevoerd, bijvoorbeeld uit het Oosten.

Gezond verstand kiest voor de eerste mogelijkheid. Men kan zich zonder moeite voorstellen hoe de architecten die met de woningnood werden geconfronteerd, spontaan hebben besloten om de domus te ontdoen van alle elementen die niet strikt noodzakelijk waren, de bijgebouwen bijvoorbeeld. Wat overbleef was het verhoogde voorgedeelte van de domus. De architecten moesten rekening houden met de ruimte waarover zij konden beschikken en zo ontwikkelden zij drie typen insulae:

Een volledig platte insulae, langs een straat, met de rug tegen een ander gebouw;

Twee rijen gescheiden appartementen met twee afzonderlijke gevels aan twee afzonderlijke straten. Deze oplossing werd gekozen als het terrein heel lang en ondiep was;

Een derde keuzemogelijkheid was een vierhoek bouwen die ongeveer even lang als breed was, met vier gevels aan de vier straten die het wooneilandje omringden. De appartementen waren gericht op kleine binnenplaatsen in het hart van het complex. In feite was het een verbazend moderne aanpak van problemen van alle tijden.

In de straat

In gebieden waar veel mensen woonden, had je ook de winkels, kantoren en werkruimten. In vier districten van Rome, waarvan we* nog officiële tellingen hebben gevonden, stonden dertig flatgebouwen voor elk huis! Heel wat schrijvers klaagden over het lawaai. Zo ook weer Juvenalis:

"Hoe kan iemand hier slapen in een herberg? Alleen de rijken kunnen rusten. Het lawaai van de voorbij denderende karren in de nauwe straten en de ruwe taal van de menners als ze in een opstopping zitten, zou zelfs de beste slaper wakker maken."

Er werd 's nachts zoveel lawaai gemaakt omdat de wet de karren verbood gedurende tien uur na zonsopgang in de stad te rijden. Er werd alleen een uitzondering gemaakt voor karren met bouwmaterialen, want er werd altijd wel ergens gebouwd in de stad.

Zelfs met deze verkeerswetten was het de hele dag erg druk in de straten. Juvenalis opnieuw:

"Hoe we ons ook haasten, altijd is er wel een massa mensen voor en achter je. Je krijgt porren in je ribben, dan weer raakt iemand je met een lange paal, een steunbeer of een wijnvat. De straten zijn vuil: onze benen zijn bespat met modder. Iemand struikelt over je voeten of de bespijkerde laars van een soldaat trapt op je tenen. Net weer herstelde toga's worden gescheurd. De grote stam van een dennenboom op een voorbij denderende kar zwaait dreigend over de menigte."

De winkels

Er waren natuurlijk geen warenhuizen in de Romeinse steden, maar wel veel verschillende winkels die allerlei zaken maakten en verkochten. Plautus heeft in een van zijn theaterstukken een klerenreiniger, een verkoper van garen en band, een wolverkoper, een juwelier, schilders, schoenmakers, wevers, kantverkopers en timmerlui doen optreden. Er waren in Rome veel bakkers, slagers, kruideniers en groenteverkopers. Winkelverkopers moesten erg concurreren met straatverkopers. De dichter Martialis schrijft over verkopers van erwtenbrij, zout en worsten. Zij droegen hun waren door de straten.

Vele mensen die op eenpersoonskamers of kleine flats woonden, konden vaak zelf niet koken. In houten flats verbood de wet mensen het koken in het gebouw, hoewel velen het wel deden en er op die manier nog eens vele flats verloren gingen. De mensen waren dus gedwongen om buitenshuis te eten of kant-en-klaar voedsel mee te brengen. Je hoefde niet ver naar een thermopolium te zoeken in een Romeinse stad. Deze winkels van kant-en-klaar voedsel waren makkelijk te herkennen door de rij potten die op de toonbank stonden en warm voedsel bevatten.

Een thermopolium rook misschien lekker op straat, maar bij bepaalde voedselverkopers of in kleine fabriekjes rook het waarschijnlijk heel wat minder goed. Niet veel mensen zullen het leuk gevonden hebben om bijvoorbeeld naast een verkoper van liquamen, te wonen.Een in Pompeji gevonden kruik draagt deze inscriptie: "De best gerijpte liquamen van de groothandel Umbricius Agathopus". Liquamen werd gemaakt door de vinnen, het bloed en de ingewanden van vissen samen met hele kleine vissen en zout in een open kruik te doen. Daarna werden wijn, bepaalde zoete kruiden en azijn toegevoegd. Het mengsel werd in de zon gezet tot het een vloeistof was geworden. Dat duurde twee of drie maanden. Deze erg sterk smakende vissaus werd dan in kruiken gestopt en verkocht. Je kan je wel inbeelden dat dat niet lekker zal geroken hebben!

Vaak adverteerden winkels met een bord waarop, bij een slager bijvoorbeeld, varkenspoten stonden afgebeeld, of met op de muur geschilderde boodschappen, zoals deze uit Pompeji: "Zosimus verkoopt potten, speciaal voor liquamen."

De winkels waren verschillend van die van nu: Romeinse winkels hadden geen deur of glazen etalage. 's Ochtends verwijderde de winkelier houten panelen die in een gleuf op de stoep waren vastgezet. Je kunt vaak de groef waar de panelen in pasten nog zien. In de winkel stond een toonbank, heel vaak in een L-vorm. Allerlei potten stonden op de toonbank en als er warm voedsel werd verkocht, brandde er een vuur onder. Bij wijnverkopers en oliehandelaars stonden de producten in grote amforen achteraan in de winkel.

Brood was een hoofdbestanddeel van de maaltijden. Er waren dan ook veel bakkerijen in de steden. Een pistrinum was de plek waar alles gemalen en gebakken werd. Grote molenstenen van vulkanische lavastenen waren erg hard, maar ook ruw zodat ze het graan makkelijk tot bloem konden vermalen. Ossen, ezels of slaven draaiden deze molenstenen. Achteraan in de winkel werd de bloem tot deeg gemaakt en in de ovens gebakken. Het warme en verse brood werd aan de toonbank aan de straatkant verkocht. Er waren ook borden waarop het brood werd aangeprezen. Op de oven van een van Pompeji's talrijke bakkerijen heeft iemand geschreven: "Op de 1ste april heb ik brood gebakken." Vreemd, want er werd op zijn minst twee keer per dag brood gebakken. Toen de bakkerij werd ontdekt, lagen de broden nog in de oven.

Maten en gewichten

Eén van de gebouwen rond het forum in Pompeji was het officiële ijkkantoor voor maten en gewichten. Inspecteurs gingen naar de winkels en werkruimten om na te gaan hoe en wat er werd verkocht. Hier volgen enkele Romeinse maten en gewichten en hun huidige equivalent.

Libra het Romeinse pond (327,45 gram). Het werd verdeeld in 12 unciae (ons).

Sextarius vooral gebruikt als een maatstaf voor vloeistof, maar ook voor graan (ongeveer een halve liter).

Amphoradit was een soort kruik, maar ook een maat om een volume te meten dat overeenkwam met 25,79 liter.

Peseen lengtemaat die 29,46 cm mat.

Mille passuum de Romeinse mijl die 1475 m telde.
Latrines

Een openbare latrine werd gebouwd in opdracht van een stedelijke overheid of van een particulier. Het stadsbestuur of de privé-eigenaar kon het toilet verpachten. In zo'n geval was een 'zetbaas' verantwoordelijk voor de gang van zaken en het onderhoud. Deze huurde de latrine voor een vast bedrag en probeerde op diverse manieren winst te maken. De bezoekers betaalden dikwijls een klein bedrag als entreegeld. Een tweede bron van inkomsten vormde de verkoop van urine en fecaliën. Het zou immers van 'verspilling' getuigen deze kostbare grondstoffen zomaar weg te gooien. Een derde bron van inkomsten was de verkoop van sponzen, kruiken en parfum. Zowel de aanleg als het beheer en de exploitatie van een openbare latrine waren dus financieel aantrekkelijk.

Inwoners van de stad Rome maakten zich kwaad over mensen die hun vuilnis, waaronder de inhoud van de toiletpot, uit het raam kieperden. Lang niet altijd kwam die inhoud rechtstreeks op straat terecht, maar ook wel op het hoofd van een onschuldige voorbijganger. De gedupeerde stapte soms naar de rechtbank om zijn beklag te doen en eventueel een schadevergoeding te eisen. Ook de dichter *Juvenalis klaagt over de slechte woon- en leefomstandigheden in de stad Rome.1

Ook in de Romeinse tijd sierden grapjes en schunnige opmerkingen de wanden van menig toilet. In Pompeji was op de wand van een openbare latrine een pornografische schildering aangebracht van een man die op het punt staat zich te amuseren met een vrouw.

Afbeeldingen van filosofen waren in latrinaire context kennelijk populair want ook in Ostia zijn deze aangetroffen. Op een fresco in een kroeg behorende bij de Thermen van de Zeven Wijzen in Ostia zijn de filosofen afgebeeld terwijl ze naast elkaar op het toilet zitten. Aan de voorstellingen zijn 'diepzinnige' teksten toegevoegd over de stoelgang en de spijsvertering. De namen van Solon, Chilon en Thales zijn (in het Grieks) nog leesbaar. De Latijnse teksten boven hun hoofden suggereren een samenhang tussen geestelijk en lichamelijk welzijn. Een gevoel van welbehagen ontstaat zowel door meditatie als door een goede spijsvertering. Het volgende staat geschreven: "Ut bene cacaret, ventrem palpavit Solon" (Solon wreef zijn maag om zijn stoelgang te bevorderen), "Durum cacantes monuit ut nitant Thales" (Thales adviseerde voortdurende inspanning als remedie tegen constipatie), en "Vissire tacite Chilon docuit subdolus" (Chilon, sluw als hij is, heeft onderwezen stilletjes winden te laten). In Herculaneum was de bewoner van de Casa della Gemma zo trots op het bezoek van Apollinaris, een beroemd arts uit die dagen en lijfarts van keizer Titus, dat hij op de muur van zijn toilet schreef: "Apollinaris medicus Titi (imp)eratoris hic cacavit bene" (Apollinaris, arts van keizer Titus, heeft hier tot volle tevredenheid gescheten).

Zowel in openbare als in meerpersoonstoiletten zijn veelvuldig Fortunavoorstellingen aangetroffen.

Dat de voorzieningen niet altijd even goed geregeld waren en dronkelappen hun behoefte nog wel eens op straat deponeerden, blijkt uit diverse inscripties. Zo sommeert een huiseigenaar de voorbijganger als het dan zo moet zijn de behoefte niet voor zijn deur maar voor die van de buren te doen.

Kenmerkende architectonische elementen van de openbare latrines zijn: een ommuurd gebouw(tje), verscheidene zitplaatsen langs de wanden, en een stelsel van watergoten en afvoerkanalen. De bezoekers zaten naast elkaar; veel privacy had men dus niet. Sommige archeologen menen dat een openbare latrine ook een sociale functie had en dat er, evenals in een badgebouw, zaken werden gedaan en nieuwtjes werden uitgewisseld.

Men betrad de latrine via een vestibule; de toegang naar het vertrek met de zitplaatsen was bij voorkeur zo aangelegd dat voorbijgangers vanaf de straat niet rechtstreeks naar binnen konden kijken. Soms waren er wasbekkens of fonteinen aanwezig. In het midden van het gebouwtje was dikwijls een licht- en luchtschacht aangebracht. Een luxueus uitgevoerde latrine was voorzien van een mozaïekvloer en van wanden met marmer of schilderingen.

Iedereen moet zijn behoefte doen. Plaats en wijze verschillen weliswaar van tijd tot tijd en van volk tot volk, dat hebben we net gezien. Maar de nood en de mogelijkheid om ermee te spotten blijven dezelfde. Hiervan getuigt het volgende citaat:

"Jouw excrementen vang je zonder blozen op in een gouden pot. Die beklaag ik. Maar drinken doe je uit een glas, Bassus. Dus kost schijten je meer dan drinken!"2

In het Romeinse rijk groeide het aantal steden en verstedelijkte gebieden aanzienlijk en dat bracht natuurlijk problemen met zich mee. daarnet had ik het bijvoorbeeld over de soms onleefbare toestanden in het snelgroeiende Rome.

Maar de groei zorgde bijvoorbeeld ook voor de bouw van openbare gebouwen en voorzieningen, zoals de openbare latrines.

Openbare latrines vormen een intrigerend aspect van het dagelijks leven in het Romeinse rijk. Op tal van plaatsen zijn er toiletgebouwen aangetroffen: langs pleinen en straten, in thermen en bij theaters, in legioensvestigingen en militaire versterkingen, in kuuroorden en wegstations.

Het klinkt waarschijnlijk wel gek, maar over de historische, geografische, architectonische en sociale aspecten van de openbare latrines is er heel wat geschreven. In de bibliotheek vond ik een heel leuk boek dat enkel en alleen over Romeinse latrines handelde! daar alleen al kan ik een heel eindwerk over maken, maar dat is nu natuurlijk de bedoeling niet. Toch wil ik het er even over hebben omdat de openbare latrines wel degelijk een niet onbelangrijk deel van het straatbeeld vormden.

Verscheidene literaire, juridische en historische bronnen verschaffen informatie over de hygiëne, het bezoek en het gebruik van latrines. Uit de teksten komen zowel gevoelens van schaamte als uitzonderlijk vrijmoedige opvattingen naar voren.

Keukengerei

In de Romeinse keukens werd er gekookt op fornuizen, gestookt met hout of houtskool. Het keukengerei als pannen, potten, vergieten... was meestal vervaardigd uit brons omdat dat goed bewerkt kon worden en het voedsel gelijkmatig kookte. Het probleem was wel dat brons, omdat het vooral uit koper bestaat, sommige soorten voedsel kan doen verkleuren en zelfs giftig maken. Om dit te voorkomen werden pannen soms met zilver bekleed. Bovenin steelpannen, vergieten... zat vaak een gat om het voorwerp aan de muur te kunnen hangen. In de vergieten was meestal een sierlijk patroon van gaten geboord, maar het gebruik was hetzelfde als nu: gekookt voedsel laten uitlekken en sappen en sauzen scheiden. Ook de Romeinse rasp verschilt nauwelijks van onze moderne rasp: ze werd gebruikt om kaas en groenten te bereiden. Houten lepels moeten in vrijwel elke Romeinse keuken gebruikt zijn, maar de meeste zijn natuurlijk al lang geleden verrot. Enkel in het droge Egypte zijn er nog enkele goed bewaarde exemplaren teruggevonden. Elke keuken met een beetje..... had ook een stel bronzen messen. Serieuze koks hadden immers scherpe messen nodig om de grote stukken vlees (everzwijn, struisvogel) te versnijden. het mortuarium, een zware vijzel, was het Romeinse equivalent van onze moderne elektrische food mixer. Hij was gemaakt van zwaar aardewerk met een grove oppervlakte structuur, en werd gebruikt met een stamper om levensmiddelen tot poeder, pasta of vloeistof te stampen. Het stampen was hard werk en als het oppervlak afsleet, kwam er grit in het voedsel.

Zoals U al wel opgemerkt zal hebben, is het meeste elementaire keukengerei nauwelijks veranderd. Potten, pannen, vergieten... zien er nog steeds hetzelfde uit en worden nog steeds op dezelfde manier gebruikt. Maar er zijn natuurlijk ook voorwerpen teruggevonden waarvan men de functie niet kent of er alleen maar naar kan gissen.

Kijk maar eens naar de afbeelding... Een vorm om broodjes in te bakken? Of dient het misschien om eieren in te pocheren?!?

Eet- en drinkgerei

Glanzend roodbruin aardewerk, terra sigillata3 of Samisch aardewerk genoemd, werd het meeste gebruikt om vaatwerk van te maken. Vooral in de 1ste en 2de eeuw n. C. was het zeer in de mode in het Romeinse rijk. Het kwam voor in alle mogelijke vormen en groottes, meest schotels, schalen en drinkbekers, ofschoon niet precies bekend is welk type voor wat gebruikt werd.



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina