Humor analyseren is zoals een kikker dissecteren: het interesseert weinigen en de kikker gaat eraan kapot



Dovnload 324.18 Kb.
Pagina2/9
Datum22.07.2016
Grootte324.18 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Hoe vaak en voor welke verschillende doelen wordt humor in de les gebruikt?
Het blijkt dat docenten gemiddeld 2,08 keer per les een van de twaalf genoemde vormen van grappig gedrag initieren. Het blijkt dat er geen significant verschil is wat betreft de kwantiteit van het gebruik van humor tussen mannen en vrouwen. Ook blijkt dat er geen significante relatie is tussen het aantal jaar voor de klas en de frequentie van het gebruik van humor.5

Als voornaamste reden voor het initieren van een grappige gebeurtenis in de les noemden de ondervraagde docenten het meest om leerlingen op hun gemak te stellen. De reden die als tweede het meest werd genoemd is humor als middel om de aandacht te trekken. En de derde genoemde reden is om te laten zien dat de docent ook maar een mens is.6

Het is belangrijk om te weten is dat de uitslagen afkomstig zijn van vragenlijsten die door de ondervraagde docenten zelf zijn ingevuld. Het kan dus zijn dat leerlingen veel minder vaak ervaren dat de docent iets grappigs doet of zegt of andersom.

De conclusie die Neuliep uit zijn onderzoek trok is dat docenten zich er dus bewust van zijn dat humor geen direct effect heeft op het leren van de leerlingen. Wel vergemakkelijkt het initiëren van grappige situaties om een sfeer te creëren, die het leren bevordert.7


De perceptie van ‘grappig docentgedrag’
Inleiding
In december 2003 werd er in Orlanda een conferentie gehouden, georganiseerd door ACTE8, die de titel had ‘Humor, Don’t Leave Home Without It’. De conferentie ging over het positieve effect van humor in en rondom de klas. Er werden verschillende workshops gegeven waarvan er een aantal in het artikel ‘Using Humor in the Classroom’ worden beschreven.

Een van de beschreven workshops sluit goed aan bij mijn onderwerp. Het gaat namelijk over het effect van humor op de sfeer in de klas. De workshop heette ‘Taking Humor Seriously: The Comic Side of the Classroom’ en werd gegeven door Kathleen McNally, een voormalig docente wiskunde en lerarenopleider en tegenwoordig hoofd onderwijsvernieuwing van de zuidelijke staten.

Volgens McNally hoef je als docent niet grappig te zijn om humor in je les te kunnen gebruiken. In haar presentatie adviseerde ze dat je als docent moet onderzoeken welke vorm van humor jou het beste past. Dit omdat het belangrijk is dat de grappige situaties ongedwongen zijn. Dergelijke situaties kunnen immers bijdragen aan een ongedwongen sfeer in de klas wat de motivatie van de leerlingen ten goede komt.9
Welke soorten humor zijn positief?
Welke verschillende vormen van grappig docentgedrag dragen bij aan een positieve sfeer in de klas, volgens McNally? Positieve humor is humor die door iedereen in de klas wordt gewaardeerd. De voorbeelden hiervan die McNally noemt, zijn het vertellen van een mop, het vertellen van een grappig verhaal en zelfspot.

Negatieve humor is wanneer het ten koste gaat van iemand. Bijvoorbeeld een negatieve opmerking over goedkope kleding kan pijnlijk zijn voor sommige leerlingen. Net als grappen over andermans fouten.10

Deze voorbeelden van positieve en negatieve humor worden ook genoemd in de lijst van Neuliep. Hij onderscheidt twaalf vormen zonder een oordeel over deze vormen te vellen. De veronderstelling is dus dat er een aantal van deze twaalf vormen als positief beschouwd kunnen worden en een aantal als negatief. Of een bepaalde vorm van grappig docentgedrag positief of negatief is, wordt bepaald door het publiek, oftewel de leerlingen. Wanneer alle leerlingen een grap waarderen, dan spreek je over een positief gebruik van humor in de les. Wordt de grap niet door iedereen als humor beschouwd, dan gaat het om negatief grappig docentgedrag.

Het doel van het gebruik van humor in de les is immers een ongedwongen sfeer creëren, een werkklimaat waarin mensen fouten mogen maken. Wanneer iemand zich door een zogenaamde grap niet op zijn gemak voelt, mis je als docent je doel.


Veronderstelling
Wanneer ik de visie van Kathleen McNally naast de lijst van Neuliep leg, kom ik tot de veronderstelling dat nummer 10, de docent maakt een korte, grappige opmerking gericht op één leerling, door leerlingen niet als positief gebruik van humor zal worden beschouwd. McNally zegt niets over grappige opmerkingen die een docent kan maken over de hele klas. Mijn veronderstelling is dat een dergelijke grappige opmerking als minder negatief zal worden beschouwd. Dit omdat het de hele klas aangaat die minder kwetsbaar is dan een individuele leerling.

De andere vormen die Neuliep heeft ontdekt zullen, volgens McNally, door leerlingen sowieso als positief worden ervaren omdat deze gaan over de lesstof, over de docent of over iets algemeens. In het volgende deel komt aan de orde op welke manier ik deze veronderstelling heb getest. In het deel erna bespreek ik mijn onderzoeksresulaten.


Het onderzoek
Werkwijze
Een antwoord op mijn onderzoeksvraag, wat verstaan leerlingen onder grappig docentgedrag?, is op verschillende manieren te verkrijgen. Bijvoorbeeld door een aantal leerlingen hierover te interviewen of door ze een enquête hierover te laten invullen of door hun gedrag tijdens de les te observeren en analyseren, et cetera.

Ik heb ervoor gekozen om 24 leerlingen een enquête te laten invullen. Deze 24 leerlingen zitten in dezelfde klas, 3 gymnasium op het Cals college. Ik heb ervoor gekozen om een kwantitatief onderzoek te doen, omdat ik op deze manier relatief veel resultaten krijg. Voor mijn onderzoeksvraag vind ik dit belangrijk, omdat het gaat om wat ‘de leerling’ onder grappig docentgedrag verstaat. Hoe meer antwoorden van leerlingen ik heb op deze vraag hoe betrouwbaarder het resultaat is. Natuurlijk representeren 24 leerlingen nooit ‘de leerling’, daarvoor is het aantal ondervraagden te klein. Toch denk ik dat hun percepties wel enigszins inzicht geven in wat leerlingen grappig vinden omdat ze allen leerling zijn en net als alle andere leerlingen een idee hebben van wat ze wel en geen prettig docentgedrag vinden.

Ik heb voor dit onderzoek een enquête opgesteld waarin ik de twaalf vormen van grappig docentgedrag concreet heb gemaakt door er een voorbeeld van te geven. Deze twaalf ‘casussen’ heb ik beschreven en laten beoordelen door de leerlingen. De opdracht aan hen was om aan te geven in hoeverre ze de beschreven casus leuk vonden. Daarna beargumenteerden ze hun antwoord bij de vraag ‘waarom?’.

Een groot nadeel aan deze vorm is dat het moeilijk is om te voorkomen dat de leerlingen de casussen voornamelijk beoordeelden op de inhoud en niet op de vorm. Het zou dus goed kunnen zijn dat de ondervraagden een beschreven casus niet grappig vonden terwijl ze een andere casus met dezelfde vorm van humor wel als grappig ervaren zouden hebben. Daarnaast denk ik dat er een groot verschil is in perceptie tussen het lezen van een grappige situatie en indenken hoe de situatie zou zijn en wanneer je het daadwerkelijk meemaakt in de les.

Ondanks deze twee kritiekpunten op de manier waarop ik het onderzoek heb uitgevoerd, denk ik dat de resultaten wel enigszins inzicht kunnen geven in de perceptie van grappig docentgedrag door leerlingen, omdat ze verschillende casussen beoordelen die in de praktijk voorkomen.
De respondenten konden per casus aangeven hoe leuk ze de beschreven situatie vonden. Dit deden ze door een van de onderstaande vijf opties te kiezen:
Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5
Om betekenis te kunnen toekennen aan de antwoorden van de ondervraagde leerlingen, staat elk antwoord voor het aantal punten dat eronder staat. Door al deze punten per vraag bijelkaar op te tellen, is het makkelijk te bepalen welke casus als leuk en welke als niet leuk wordt ervaren.
Resultaat
Wanneer de punten die aan de casussen zijn toegekend bijelkaar opgeteld worden, ontstaat onderstaande rangorde. De casussen staan op volgorde van hoog naar laag en erachter staat hoeveel punten er gemiddeld aan is toegekend.
1 casus 11: de docent vertelt een persoonlijke anekdote die niet met de lesstof te maken heeft. (1,917)

2 casus 6: de docent maakt een korte, grappige opmerking over de school, plaats of land. (2,042)

3 casus 3: de docent maakt een korte grappige opmerking over het onderwerp of over de werkwijze (2,083)

en casus 12: de docent vertelt een algemene anekdote die niet met de lesstof te maken heeft. (2,083)

4 casus 1: de docent vertelt een persoonlijke anekdote die met de lesstof te maken heeft. (2,125)

5 casus 7: de docent maakt een korte, grappige opmerking over landelijke of inter-nationale evenemen-ten of persoonlijkheden. (2,167)

6 casus 8: de docent vertelt gewoonweg een mop. (2,25)

7 casus 5: de docent maakt een korte, grappige opmerking over zichzelf. (2,333)

8 casus 2: de docent vertelt een algemene anekdote die met de lesstof te maken heeft. (2,375)

9 casus 4: de docent maakt een korte, grappige opmerking over de hele klas. (2,708)

10 casus 9: de docent beweegt zich grappig of zet een komische stem op. (2,917)

11 casus 10: de docent maakt een korte, grappige opmerking gericht op één leerling. (3,042)


Opvallend is dat casus 10 het hoogst scoort, de veronderstelling was namelijk dat deze niet hoog zou scoren omdat een opmerking gericht op één leerling geen positieve sfeer zou bevorderen. Daarnaast valt op dat de meeste casussen meer als negatief dan als positief worden ervaren. De andere uitkomsten zijn minder opvallend, uit de literatuur blijkt namelijk ook dat het spelen van een typetje (casus 9) door de leerlingen als erg leuk wordt beschouwd.
Interpretatie
Ten eerste is uit deze lijst op te maken dat een opmerking gericht op één leerling niet per definitie als niet leuk wordt ervaren. Deze vorm van grappig docentgedrag scoort zelfs het hoogst. Maar wanneer ik kijk naar de argumentatie van de leerlingen voor hun reactie op deze casus valt het op dat een docent niet zomaar grappig is als hij een dergelijke opmerking maakt. Zo schrijven sommigen: ‘ligt eraan welke leraar’ en ‘één keer is leuk, meer niet’. Ook zeggen een aantal dat niet iedereen de opmerking zou kunnen waarderen: ‘ik denk dat de klas er wel om zou lachen, maar het is ook lullig voor de leerling’, ‘daar zou ik wel om moeten lachen, maar niet als hij het bij mij deed’, ‘wel grappig, zolang het niet bij jezelf gebeurd’ (sic) en ‘grappig als de persoon zelf er ook de humor van inziet’. Sommigen vinden het zelfs ronduit beledigend en waarderen de opmerking totaal niet. Het blijkt dus dat een grappige opmerking gericht op één leerling waarschijnlijk door de meeste leerlingen als erg leuk wordt ervaren, maar door sommigen juist niet. Daarnaast is de kans groot dat de leerling aan wie de opmerking gericht is, zich opgelaten voelt. Hoewel deze vorm van grappig docentgedrag hoog scoort, is mijn idee dat zo’n opmerking geen positief effect heeft op de sfeer in de klas. Het is immers zo dat niet alle respondenten een dergelijke situatie grappig vinden, terwijl een positieve sfeer pas gecreeërd wordt wanneer de hele klas zich op zijn gemak voelt.

Een ander opvallend resultaat is dat de meeste casussen relatief laag scoren. Ik denk dat dit komt doordat de leerlingen de situaties lazen in plaats van dat ze ze daadwerkelijk meemaakten. Mij lijkt dat wanneer je iets leest en dat je moet bepalen hoe je de beschreven gebeurtenis zou vinden wanneer je het zou ervaren, dat je dan minder spontaan reageert dan wanneer je dezelfde gebeurtenis echt meemaakt. Daarnaast kan het goed zijn dat de situaties die ik heb beschreven sowieso als niet erg grappig worden gezien.

Het laatste punt dat ik wil noemen, is casus 9. In deze casus wordt een voorbeeld gegeven van een docent die als het ware een ‘rol’ speelt. De respondenten hebben deze casus relatief hoog beoordeeld. Een aantal argumentaties: ‘omdat hij gewoon gek doet. Ik weet niet waarom, maar ik denk dat ik het gewoon wel grappig vind’ en ‘het is leuk als iemand enthousiast is’. Maar ook bij deze vorm vinden de leerlingen dat er voorwaardes zijn, zo wordt er bijvoorbeeld geschreven: ‘Als hij er maar niet te lang mee doorgaat’, ‘als het bij discusieren blijft vind ik het wel leuk’ (sic) en ‘het is leuk voor een keer’.

Conclusie
In de inleiding van het boek ‘Effectief leren’ staat: ‘Om (...) het complexe beroep van “docent” te kunnen uitoefenen, dienen docenten te beschikken over een ruime vakkennis en over een groot arsenaal aan organisatievaardigheden, instructievaardigheden, instructiestrategieën en pedagogische inzichten. Daarnaast zijn eigenschappen als interesse in (de achtergrond van) leerlingen, interesse in het leren van leerlingen, omgaan met fouten van leerlingen en gevoel voor humor belangrijk.’11 Grappig docentgedrag is dus een aspect van goed docentschap.

De vraag die ik heb proberen te beantwoorden is wat dat gevoel voor humor precies inhoudt. Wat vinden alle leerlingen grappig?

Het blijkt dat de literatuur de praktijk niet tegenspreekt; hoewel leerlingen het op zich grappig vinden als een docent een komische opmerking maakt gericht op één leerling, zeggen ze ook dat dit de sfeer niet bevordert. De literatuur stelt dat ook: grappig docentgedrag werkt alleen positief wanneer alle leerlingen het gedrag waarderen.

Samenvattend gaat het er wat betreft grappig docentgedrag niet om dat je grappig bént, maar dat je grappige situaties creeërt of als ze spontaan gebeuren, toelaat en er op een open manier mee omgaat. Zo voelen leerlingen zich meer op hun gemak waardoor ze beter leren, zich niet schamen voor fouten, oftewel waardoor de algehele sfeer aangenaam is.


Literatuurlijst
Boeken
Ebbens, S. en Ettekoven, S.: ‘Effectief leren. Basisboek.’ 2005, tweede druk. Wolters-Noordhoff bv Groningen
Emans, B.: ‘Interviewen. Theorie, techniek en training.’ 1989, derde herziene druk. Wolters-Noordhoff Groningen
Artikelen
Neuliep, J.W.: ‘An examination of the content of high school teachers’ humor in the classroom and the development of an inductively derived taxonomy of classroom humor’ in: Communication Education, volume 40, October 1991, p. 343-355
Girdlefanny, S.: ‘Using Humor in the Classroom’ in: Techniques: connecting education and careers, volume: 79 Issue: 3 (March 1, 2004), p 22-25
Goodwin, M.W., en Judd, L.: ‘Ensure Success as a Novice Teacher’ in: Intervention in School and Clinic, Volume 41, no 1 September 2005, p 24-29
Ziv, A.: ‘The Effect of Humor on Aggression Catharsis in the Classroom’ in: Journal of psychology, volume: 121 Issue: 4 (July 1, 1987), p 359-364
Website
www.acteonline.org

Bijlage
Enquête over humor in de les
Wat moet je doen?


1 Lees per vraag de tekst door.

2 Bedenk dat dit in jouw klas zou gebeuren bij een willekeurige docent.

3 Vraag jezelf af hoe grappig je je de situatie zou vinden en geef dat aan door een van bolletjes te kleuren.

1 = Nee, helemaal niet leuk

2 = Nee, niet zo leuk

3 = Neutraal

4 = Ja, een beetje leuk

5 = Ja, heel leuk



4 Leg ook uit waarom je iets heel leuk zou vinden of een beetje of juist niet. Dit kun je kort opschrijven bij de vraag ‘waarom?’.
Casus 1

De les gaat over het voeren van sollicitatiegesprekken. Voordat jullie zelf aan de slag gaan vertelt jullie docent over zijn eigen ervaring met een sollicitatieprocedure:

Behalve een brief moest ik ook een IQ-test doen. Na 2 bladzijden IQ-vragen, was ik de hele boel eigenlijk beu en vulde ik zo hier en daar nog wat vragen in. Bleek later dat de persoon die mijn test beoordeelde het resultaat niet in overeenstemming vond met mijn universitair diploma. Iedereen die aan de selectie had meegedaan had ongeveer dezelfde kwalificaties, en even veel ervaring, dus ik sprong op deze manier toch nog in het oog. Ik heb meer dan 4 jaar voor deze firma gewerkt.
Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 2

Stel je voor dat je biologie hebt en het gaat over het effect van lachen op het hart. Je docent begint de les met het volgende verhaal:

Een studie aan de Universiteit van Maryland heeft uitgewezen, dat lachen goed is voor het hart. Bij onderzoek van het hart en bloedvaten nadat proefpersonen lachfilms hadden gezien, bleek bij vergelijking met proefpersonen die zorgwekkende films of soaps zagen, dat het lachen een meetbaar gunstig effect had op het endothelium. ‘Het beste effect werd bereikt, in die gevallen waarbij proefpersonen zichzelf aan het lachen maakten,’ vertelt onderzoeker Dr. John Talknonsense. ‘Patiënten met ernstige klachten raden wij daarom aan, zichzelf bijvoorbeeld grappen te vertellen die zij nog niet kennen.’ Bij patiënten die een gebrek aan gevoel voor humor hebben blijft een en ander vooralsnog een hard gelag.
Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 3

Je zit bij Nederlands en het gaat over gedichten. Je docent bespreekt dat de lengte van een gedicht heel verschillend kan zijn. Er bestaan hele lange gedichten, soms wel een honderden pagina’s lang!, en hele korte, bijvoorbeeld: hier ligt Poot en hij is dood.


Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 4

Het is de eerste les na de kerstvakantie. Jullie docent zegt tegen de hele klas dat hij blij is om iedereen weer te zien en dat hij jullie enorm heeft gemist!


Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 5

Er is op school een nieuwe regel ingevoerd: als je drie keer of vaker te laat bent gekomen, wordt er een brief naar huis gestuurd waarin staat wanneer jij te laat bent geweest. Je klaagt erover tegen je docent. Deze begrijpt je volkomen! Hij vertelt dat zijn ouders ook zo’n brief hebben gekregen toen hij te laat op school kwam.


Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 6

Een van je klasgenoten vraagt aan de docent of hij in Nieuwegein woont. Hij antwoordt: ‘Nee, ik woon in dat kleine dorpje naast de metropool Nieuwegein, oftewel in Utrecht.’


Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 7

Tijdens de les hebben jullie het met de docent over voetbal. De docent zegt voor de grap: ‘Wie is er nou voor Feijenoord? Dan ben je echt een loser!’.


Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 8

Jullie docent geschiedenis leest het volgende gedichtje op:


Pete’s Knot
Three arrogant pupils of Class Five 3
attempted to drive the spot with me,
but I had 'm through
and before they knew,
I set 'em for Pete, Pete Snot, you see.
Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 9

Deze les gaan jullie discussiëren. Jullie docent is de voorzitter. Hij leeft zich helemaal in in zijn rol en doet alsof het gaat om een officiële discussie: hij spreekt met een bekakte stem,. Gebruikt deftige taal en spreekt jullie gedurende de hele discussie aan met ‘mevrouw’ en ‘meneer’.


Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 10

Een van je klasgenoten steekt zijn hand op. De docent vraagt: ‘Heb je een vraag of ben je je oksel aan het luchten?’.


Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 11

Je docent vertelt aan het einde van de les dat hij morgen naar de tandarts moet. Hij vertelt dat hij heel bang is voor de tandarts omdat hij vorige keer drie gaatjes bleek te hebben.


Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Casus 12

Voordat je docent met de les begint, vertelt hij dat hij iets grappigs in de krant heeft gelezen. Hij las dat er in Amerika een baby is geboren met twaalf tenen en vingers. Hoewel het vaker voorkomt dat mensen met één of meerdere extra vingers of tenen geboren worden, is de kleine Vincent toch iets unieker dan de rest. Want het jongetje heeft niet alleen aan elke hand en voet een extra lichaamsdeel, ze zijn ook nog eens allemaal volwaardig. Een extra vinger of teen is in de meeste gevallen een klein aanhangsel naast de pink of kleine teen.


Vind je de beschreven situatie leuk?

Nee, helemaal niet leuk ○ ○ ○ ○ ○ Ja, heel erg leuk

1 2 3 4 5

Waarom?


……………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………


Artikel
http://www.stichtingbeeldverhaal.nl/index.cfm?menuid=6&HoofdCat=2&SubCat=132&Product=199
Cursusje humor voor docenten
De Dienst Informatietechnologie, Bibliotheek & Educatie van de Universiteit Twente heeft een artikel opgenomen over het gebruik van humor in de klas: ‘Theatervaardigheden voor de docent’. Niet makkelijk, wel nuttig.

“Met humor in je onderwijs kun je meer bereiken dan met ernst: de ontspannen stemming is gunstig voor leren en onthouden. De herinnering zal met meer plezier en daarom vaker opkomen. Maar wat nu als je geen moppen kunt vertellen en je je ook niet bepaald een komiek voelt? Geen nood, navolgende tips zullen voldoende uitkomst bieden.


We spreken van humor, niet alleen bij het vertellen van een mop, of als de bulderende lach ontstaat die de goede cabaretier weet los te weken. Het gaat vooral ook om de glimlach of de ontspanning te zien in de ogen, de welwillende stemming die ontstaat bij goed gekozen woorden. Die kan spontaan ontstaan, maar ook met enige voorbereiding. Sommige ervaren sprekers laten, zoals ze dat zeggen, "humor toe, bij zichzelf". Ze staan zichzelf toe om te spelen met een gedachte of voorval, zonder uitsluitend op het effect te letten. Dat is misschien voor docenten ook de beste uitgangspositie. Wil je de humor wat explicieter inbouwen in je verhaal, dan volgen hieronder enkele

tips en voorbeelden.


1. Het citaat.

Leen de grap of woordspeling van een ander. Je haalt de aandacht van jezelf af. Als de humor niet overkomt, dan kun je altijd de aangehaalde persoon daarvoor de schuld geven. "Ik geloof dat Clinton / Aristoteles eens zei:...." Het pleit je vrij bij mislukking en geeft je oefenruimte.

2. Cartoons.

Zoek een cartoon uit, beschrijf die tegen iemand en kijk naar de reactie. Een glimlach zal je beloning zijn. Een cartoon is makkelijker te vertellen dan een mop, omdat er minder van jezelf in zit. Het lijkt op een terloopse ingeving. Een cartoon laten zien kan natuurlijk ook, maar geeft soms de indruk om gewild grappig te zijn en een amerikaanse stijl te imiteren.

3. Brieven.

Zoek of verzin ingezonden brieven met een anekdotisch gehalte, en lees die voor. Geschikte bronnen zijn de advies-vraag-rubrieken in tijdschriften. Met kinderbrieven is veel te doen, ook over ernstige onderwerpen. Schaaf de stijl een beetje bij, zodat alleen het hoofdpunt gemaakt wordt, maar houdt er wel de aanhef en het slot bij.

4. Lijst opstellen.

Zeg eerst twee serieuze punten, en voeg er in dezelfde stijl een derde aan toe die zeer afwijkt. Dit kan natuurlijk ook met vier of meer punten. Een opsomming kan saai zijn en met een vrolijke noot als laatste zal je publiek de lijst meer appreciëren.

5. Analogie.

"Dat doet me denken aan....." Wat volgt kan van elk domein zijn, waarin je een beetje aandikt wat je daarvoor in gewone bewoordingen hebt gezegd. Het roept een beeld op, en vat samen, op een makkelijk te onthouden manier.

6. Definities.

Om een saai verhaal even te onderbreken kun je een sleutelwoord uit je betoog kiezen en er een grappige definitie bij verzinnen. "Humor is het lichtknopje dat je zoekt als je 's nachts nodig moet."

Je kunt vaak definities vinden in citaten, tijdschriften, of bundels met grappen, maar ze zijn ook eenvoudig zelf te verzinnen.

7. Een observatie.

Een observatie is een korte, slimme, veel omvattende zin, die een soort parel van wijsheid bevat. We onderscheiden vier vormen:

- het gezegde of spreekwoord; "Een betoog zonder humor is een vakantie zonder zon."

- de eeuwige wijsheid: "De luisterende mens is als een bloem die met water wordt overgoten...... tot die verzuipt."

- de overdrijving: "Deze bijeenkomst heeft veel weg van de beurs in Amsterdam; het wachten is op de crash."

- absurditeit: "Hoorcolleges blijven bestaan zolang er nog één student in de zaal zit."
8. Onvoorbereide humor.

Zoek in de situatie op weg naar en voorafgaande aan de voordracht naar iets dat je een beetje hindert of anders is dan je gewend bent. Maak daar een vriendelijke commentaar over met enige zelfspot. Jij bent het anders gewend, maar je kunt er wel mee leven. De luisteraars hoeven niet over de grond te rollen van het lachen, een glimlach is wat je wilt. "Er zitten blokjes ijs in het water voor de spreker, misschien verwachten de organisatoren enige vuurwerk, ik zal ...."

9. Voorbereide humor.

Zoek naar anekdotes en grapjes die passen bij je voordrachten en de accenten die je wilt maken. Als je een goede anekdote of grap hoort noteer die dan. Misschien kun je hem later gebruiken. Zoek vooral naar voorbeelden die bij je passen of die bij je doelgroep passen. Het kan een zelfs een probleem zijn, waarin iemand kan komen die precies doet wat jij eigenlijk als aanbeveling hebt. Vermijd om een belachelijk makende grap te vertellen over je doelgroep.

10. Maak grapjes over jezelf.

Vermijd grappen over een ander. De aardigste grapjes zijn die waarin jezelf een rol speelt en de fout in gaat. Neem bijvoorbeeld een verkeerde gewoonte van jezelf en overdrijf die, of laat zien dat die in een enkel geval je redding was. Of leen een eigenschap, situatie of voorval: kies een grappige uitspraak of verhaal van een ander. Omring die met materiaal dat bij je past. Plaats jezelf in het verhaal. Vertel het zo dat er bepaalde plaatsen, mensen of dingen in voorkomen. Zorg dat het zo kort mogelijk is.

Procedure

Ga bij de voorbereiding uit van het serieuze punt dat je wilt maken en voeg humor toe. Ga niet van een beschikbare grap uit want dat kan geforceerd over komen. Een persoonlijke anekdote is beter dan een geleend grap. Maar een bekende grap wordt gewaardeerd als je die op een nieuwe manier in verband brengt met het thema. Het plezier dat men eraan ervaart lijkt op het horen van een bekende song. Verzamel anekdotes, cartoons en citaten voor de thema's waarover je meestal praat. Je moet uit een brede voorraad kunnen selecteren. Het belangrijkste blijft natuurlijk dat je er je boodschap mee overbrengt.

Hoe kom je tot een punt dat je met humor wilt brengen?

Procedure:

1. Schrijf eerst je serieuze boodschap uit.

De start ligt bij wat je te zeggen hebt, welk doel je wilt bereiken. Begin niet met een mop, of anekdote,

maar voeg humor toe, op één van de manieren die hierna volgen. Humor moet niet bepalen wat je zegt, maar

bepaalt de vorm.

2. Analyseer de punten die je wilt zeggen.

Het is lastig om humor toe te voegen als je niet zorgvuldig overwogen hebt waar het om gaat. Je krijgt dan je

hoofd- en nevenboodschappen op een rij.

3.Zoek vervolgens naar een analogie of anekdote.

Doe dit voor één van je hoogtepunten. Humor kun je gebruiken voor de introductie, samenvatting of versterking

van je hoogtepunt.


Deze procedure voorkomt dat je niet relevante grappen gaat toevoegen, wat je misschien kent van sommige sprekers.
Het kiezen van de grap

Bij de keuze van de "grap", gelden de volgende ervaringsregels:

- een persoonlijke anekdote is beter dan een vaste of geleende grap. Verzamel een lijst met anekdotes voor de

punten die je wilt maken.

- je kunt bestaande grappen overnemen. Standaard grappen of geleende anekdotes worden ten dele gewaardeerd

als je ze op een nieuwe manier in verband brengt met wat je wilt zeggen. Het plezier wat men eraan beleeft, lijkt

op het horen van een bekende song. De grap kan natuurlijk nieuw zijn voor enkelen. Het belangrijkste is dat je er

je punt mee maakt en je boodschap mee overbrengt.


Timing

"Een grap moet ergens vandaan komen" is de titel van een NRC-artikel van Van Gelder (14-11-96). "Handenwrijvend van de voorpret betrad de komiek het podium en zei: "Ik heb er zin in vanavond... maar eerst de voorstelling." Meteen oogstte hij de eerste lach. Zo makkelijk lijkt het, het maken van een grap en zo moeilijk is het. Als Finkers het tweede deel iets te langzaam of te snel had gezegd, was er minder gelachen. Hij gaf zijn publiek net genoeg tijd om de eerste zes woorden tot zich te laten doordringen, maar niet zoveel dat het publiek zelf de gelegenheid kreeg een grappig vervolg te verzinnen. De verrassende wending kwam nog net onverhoeds. Het had trouwens ook nog anders verkeerd kunnen gaan. Als Finkers nadrukkelijk zuchtend had gezegd: " ... maar eerst moet ik de hele voorstelling nog spelen." Dat had een veel te zware druk gelegd op het verdere verloop van de conference."

Uit dit artikel leren we drie suggesties:
1. De grap moet geloofwaardig zijn.

Humor lijkt een kwestie van het juist moment te zijn. Wij ergeren ons meestal aan de amerikaanse stijl om te beginnen met een grapje. Een anekdote mag bij ons wel. Een grapje mag 3 minuten later. Dosering is aan te bevelen. Hoe je met de lach omgaat luistert nauw: uitmelken is een risico. Begin als de lach net begint minder te worden.


2. Vertel de clou niet te vroeg of te laat.

Timing van de clou is een kunst waarover we weinig algemene opmerkingen hebben, weinig meer dan uit het bovenstaande voorbeeld is te halen. Timing leer je door doen en oefening met publiek. Je moet weten en leren hoe lang je publiek doet over het nadenken, over het begrijpen van de hints. Wel suggesties over het vervolg: vermijd het herhalen of uitleggen van de clou. Zorg liever nog iets extra's in petto te hebben. Die volgende opmerkingen hoeven niet zo denderend te zijn om de lach te laten voortduren. Bouw iets absurds een beetje uit. Houd het iets langer in gedachte en speel er even mee.

3. De grap moet worden opgenomen in het grote geheel.

Hoe grootser het geheel, hoe minder groots de grap hoeft te zijn. Als de situatie flink absurd is, kun je veel effect verwachten van kleine aardige wendingen. De toeschouwer moet op het spoor zijn gezet alvorens de kwinkslag zijn juiste, ontsporende werking kan hebben. Dat kan door de tekst die er aan voorafgaat, maar ook door de uitstraling van de spreker. Zoek naar een combinatie die voor je geschikt is.”

Uit: Theatervaardigheden voor docenten. F.B. de Mink DINKEL Instituut, UT 1999. Gevonden op: http://vop.itbe.utwente.nl/pages/tips/humor

Creativiteit en humor in de organisatie
http://www.loopbaan.nl/site/Trainingen%20en%20Opleidingen/Kom%20in%20de%20klas/Creativiteit%20en%20humor%20in%20de%20organisatie.aspx
Lach je vrij

door Onno van Buuren


De workshop ‘Creativiteit en humor in de organisatie’ is al jaren een succesnummer op symposia en congressen. Bea Minks was doktersassistente, en nu één van de drie humortrainers van Jobtraining & Consultants in Hoorn. “Je houdt niet op met lachen omdat je oud wordt, maar je wordt oud als je ophoudt met lachen.”
Je moet geen cabaret verwachten, waarschuwt Minks aan het begin van de humorworkshop in ziekenhuis Amstelland in Amstelveen. En evenmin een oefening in lachsessies. Nee, het grootste deel van de avond bestaat uit het aanhoren van haar verhaal, vlot verteld en rijkelijk geïllustreerd met (leuke) Powerpoint-plaatjes. Voor oefeningen is helaas minder tijd ingeruimd, al begint de groep van vooral verpleegkundigen met een creatief opsta-spel als warming up.
Anders kijken

Creativiteit en humor liggen in elkaars verlengde. Zonder creatief denken geen humor, en een humorloze organisatie is vrijwel zeker niet creatief. En daarmee is het bedrijfsbelang van deze training meteen duidelijk, want zonder creativiteit ook geen innovatieve vernieuwing. Kortom, we moeten worden geprikkeld om anders te gaan denken en kijken. Dat laatste kun je oefenen met plaatjes waar je meerdere dingen in kunt zien, zoals het ‘doodshoofd’ op de foto hiernaast. Moraal: oordeel niet te snel, sta open voor andere zienswijzen en wees positief.


Doorbreek je gewoonten

Creativiteit is dus de kunst van het doorbreken van gewoonten en patronen, zegt Minks. Hoe doe je dat? Wees onderscheidend (plaatje: knalgele vis). Experimenteer (man zit op een grote springveer). Zie mogelijkheden (gras op droge klei). Doe waar je zin in hebt (oma op een skateboard). En reageer op situaties niet met idea killers (‘dat werkt bij ons niet’), maar met idea thrillers (‘vertel!’).


Tebafla

Na drie kwartier is het dan toch tijd voor een oefening. Ieder krijgt een vel met tien vragen, die aan telkens anderen gesteld moeten worden. Zoals: zoek iemand die een gek voorval op het werk vertelt. Zo lag er eens een mannelijke patiënt op de vrouwenzaal. Of zoek iemand die het alfabet omgekeerd kan opzeggen. Dat is erg lastig. Een creatieve oplossing schuilt in omkering van het woord alfabet zelf: tebafla. Iemand vindt dat flauw.


Smaken verschillen

Wat voor de één een goeie grap is, is flauw voor de ander. Iedereen heeft z’n eigen gevoel voor humor: van hard en cynisch (Youp van ’t Hek) tot vrolijk en onschuldig (Toon Hermans). De dia’s van Minks neigen naar het laatste. De smaken verschillen ook door de tijden heen. Volgens haar was breeduit lachen honderd jaar geleden nog taboe voor vrouwen. Om de creativiteit te stimuleren oefent de groep met het bedenken van grappige teksten bij cartoons van engelen en kippen.


Hormonen

Minks besluit met het noemen van een aantal goede redenen voor humor. Een heel praktische: een mens heeft zestig spieren nodig om chagrijnig te kijken, en twintig om te lachen: waarom zouden we ons dan vermoeien? (Ik twijfel aan het waarheidsgehalte van deze uitspraak, maar laat ik de pret niet bederven!) Iets wetenschappelijker verantwoord lijkt de constatering dat lachen de productie van hormonen stimuleert, die gunstig zijn voor de stemming (zoals endorfine en cortisol).


Stress

Een goeie grap helpt dus tegen stress. Humor helpt je ook aansluiting te vinden bij anderen, en om dingen beter te onthouden. Maar los van al die praktische voordelen: mogen we ook nog lol hebben om er gewoon lekker van te genieten? Raar is zo gek nog niet, zei Loesje.


De deelnemers gaan tevreden naar huis. Hebben ze er iets van geleerd? “Niet echt, want lol hebben we toch al op onze afdeling. Maar het was wel leuk.”

Link: Humorworkshop (www.humorworkshop.nl)



Artikel
http://www.jmouders.nl/Nieuwsartikelpagina/HumorCynismeAlsOpvoedingstechniekVolgensDeMakersVanFokkeEnSukke.htm
Humor & cynisme als opvoedingstechniek volgens de makers van Fokke en Sukke
Als auteurs van de populaire cartoon Fokke & Sukke leven John Reid, Bastiaan Geleijnse en Jean-Marc van Tol van humor en cynisme. Hoe vertaalt dit talent zich in de opvoeding van hun kinderen? En wat is het effect van humor en cynisme als opvoedingstechniek?

Áls je wilt dat mama moet worden opgenomen in een gesticht en ik voortaan alleen voor jullie ga zorgen, dan is dit inderdaad precies de toon die je moet aanslaan. Volgens mijn vriendin schijn ik dit echt tegen mijn dochter gezegd te hebben,’ zegt John Reid. Reid is samen met Bastiaan Geleijnse en Jean-Marc van Tol geestelijk vader van de cartoon Fokke & Sukke en de echte vader van twee meisjes van 8 en 4. ‘Als ik dit terug hoor gaat me dat echt wel te ver, maar ik ben de eerste om toe te geven dat ik flink cynisch uit de hoek kan komen. Laatst gebeurde het nog, toen we moesten opschieten om op tijd op school te komen. Ik zei iets van: “Ja, dit is inderdaad het perfécte moment om deze scène te gaan trappen. Ik kan me geen beter moment voorstellen dan twee minuten voordat de school begint.”’


Bastiaan Geleijnse, vader van drie jongens van 9, 7 en 2, herkent deze ‘opvoedtechniek’ van zijn collega maar al te goed. ‘Ik riep laatst nog tegen ze: “Ja, ga daar vooral mee door, schreeuw mama lekker wakker op die ene dag dat ze kan uitslapen. Moet je doen, daar wordt ze blij van.”
Voor Jean-Marc van Tol daarentegen, tekenaar van Fokke & Sukke en vader van een jongen van 9, is die manier van opvoeden totaal vreemd. ‘Ik snap echt niet wat je aan sarcasme hebt als je je kind iets wilt leren. Net zoals ik hem nooit een klap zal geven, zal ik hem nooit bespotten. In mijn ogen is het eenzelfde soort mishandeling van je kind.’
Elsie Sloot, opvoedkundige in Rotterdam, neemt niet direct het woord mishandeling in haar mond, maar is het met Van Tol eens dat het beter is om niet cynisch te zijn tegen kinderen. ‘Ze kunnen daar heel onzeker van worden. Je loopt namelijk het risico dat ze helemaal niet begrijpen wat je bedoelt, of dat ze het echt letterlijk nemen. Dat leidt er weer toe dat je ze moet gaan uitleggen dat je het eigenlijk niet zo bedoelde: “Natuurlijk gaat mama niet naar een gesticht, maar je moet begrijpen dat et cetera...” Het kost allemaal extra tijd. Ik vind het heel belangrijk dat kinderen een duidelijke boodschap krijgen. Ik zeg vaak tegen ouders: ondertitel alles wat je doet. Als je ziet dat een kind stout doet en je moet daar eigenlijk om lachen, wordt dan niet boos nadat je net gelachen hebt. Dan snapt het kind er niks van. Je kunt dan beter zeggen: “Ik lach wel om wat je doet, maar ik vind het niet goed.” Dan ben je duidelijk.’
Frustratie uiten
Waarom is het soms zo verleidelijk om cynisch te zijn? ‘Ik denk dat het voor mij een manier is om te voorkomen dat ik mezelf verlies in mijn woede en ergernis,’ analyseert Reid. ‘Want als je het cynisme afzet op een schaal van de ideale reactie tot de minst ideale - slaan - dan denk ik dat een cynische opmerking de een na beste oplossing is. Beter ook dan een schreeuwpartij.’
Geleijnse: ‘Voor mij is het een uiting van pure frustratie. Machteloosheid ook wel. Met zo’n cynische opmerking zeg je natuurlijk eigenlijk: kijk mij eens zielig zijn met die rotkinderen. En tegelijk wil je dat ze zich door zo’n opmerking extra schuldig voelen: jullie zijn de veroorzaker van al dat leed.’
Volgens Elsie Sloot zegt de mate waarin je cynische opmerkingen maakt inderdaad iets over de manier waarop je met teleurstellingen omgaat. ‘Je bent als ouder gefrustreerd dat het je niet lukt om je kind zover te krijgen dat het zich op een wat meer gewenste manier gedraagt. Zo’n cynische opmerking is dan een verkapte manier om je teleurstelling in iets positiefs om te zetten. Je probeert op die manier de indruk te wekken dat de situatie op een bepaalde manier toch best grappig is. Het is een methode om je gevoelens toe te dekken. Een soort stoerdoenerij ook wel. Als je dat te vaak doet, loop je het risico dat je kind later niet goed weet hoe het moet omgaan met de dingen die het moeilijk vindt. Problemen worden eigenlijk afgedaan. Het opvoeden wordt gestaakt: “Als jij zo nodig die trap op moet lopen, nou, breek je benen dan maar, kan mij het schelen.”’
Beetje relativeren
Reid en Geleijnse zijn het grotendeels eens met de uitleg van Sloot. Toch voelen ze zich er niet heel erg slecht over. Reid: ‘Dat heeft, denk ik, te maken met het feit dat het zo veel erger had kunnen zijn dan die cynische uitweg die ik zo nu en dan kies.’ ‘Daar ben ik het wel mee eens,’ zegt Geleijnse, ‘al denk ik ook af en toe: man, doe niet zo pathetisch. Gelukkig heb ik die gedachte ook wel eens vlak vóór ik een cynische opmerking wil maken. Dan draai ik de situatie gewoon om. Dan zeg ik bijvoorbeeld tegen de middelste, die net zo driftig is als ik: “Jongen, ik word gek van je, neem eens een voorbeeld aan je vader, het toonbeeld van geduld.” Daarmee relativeer ik de boel weer een beetje, en dat lucht wel op. Ik vind het namelijk wel heel erg belangrijk dat kinderen een beetje leren relativeren. Ik vertel ook graag veel onzin aan ze. Ze moeten gewoon leren om een grap te herkennen en niet alles voor zoete koek aan te nemen. Mijn schrikbeeld is het verhaal van ouders die vertellen dat er een vertrouwensbreuk tussen hen en hun kinderen is ontstaan op de dag dat ze vertelden dat Sinterklaas niet echt bestond. Die kinderen hadden namelijk het gevoel dat ze voorgelogen waren. Op zo’n moment denk ik: kom op zeg, maak het niet zo zwaar.’
‘Dat is volgens mij in zijn algemeenheid een beetje de makke van deze tijd,’ vindt Reid. ‘Ouders gaan veel ernstiger om met de opvoeding dan vroeger. Het is een soort project geworden. Shit, denken ze, we zijn vandaag niet naar de kinderboerderij geweest en nou gaat het natuurlijk helemaal mis.’ Geleijnse: ‘Maar niet alleen de opvoeding wordt serieus genomen - in ieder geval serieus met de mond beleden - de kinderen worden zelf ook altijd heel serieus genomen. Ik denk dat mensen daar geregeld in doorschieten. Want het is ook heel belangrijk dat je kinderen af en toe flink in de maling neemt. Niets zo handig als een beetje zelfrelativering. Bovendien kun je op die manier ook veel lol hebben met je kind.’
Grap op niveau
Van Tol: ‘Het is zeker belangrijk om lol te hebben met je kind, maar wel op zijn niveau. Als mijn zoon moppen gaat vertellen moet ik bijna altijd lachen, ook al is het een mop die je nog uit je eigen kindertijd kent. Het is heel leuk als je bij hem het kwartje ziet vallen.’ ‘Als het om grappen gaat die je tegen je kinderen maakt, ben ik het met Jean- Marc eens dat je wel op hun niveau moet blijven,’ erkent Reid. ‘Ik weet zelf nog heel goed dat ik samen met mijn moeder als een van de weinige kinderen op een barbecue was en de gastheer mij ten overstaan van het hele gezelschap toeriep: “En John, kan ik concurreren met McDonald’s?” Omdat iedereen begon te glimlachen drong het tot me door dat het een soort van grapje was, maar ik kon er niks mee. Ik wist ten eerste niet wat McDonald’s was - écht niet - en ten tweede wist ik niet wat concurreren betekende. Verlegen als ik was, had ik geen flauw idee hoe ik moest reageren. Heel ellendig was dat!’
Geleijnse benadrukt dat het eenvoudig is om grappen op het niveau van je kind te houden als je ze samen met hem verzint. ‘Ik vind het bijvoorbeeld heel leuk om samen met de jongens te bedenken hoe dingen anders zouden kunnen lopen. Zo ging ik met mijn oudste van 9 (groep 6) bedenken hoe hij de klas in de maling kon nemen bij zijn leesbeurt - een soort spreekbeurt maar dan over een boek. Mijn zoon zag het al helemaal voor zich hoe hij de klas zou vertellen dat hij een stuk wilde voorlezen uit Nijntje of Jip en Janneke. Daar kunnen we dan erg om lachen. Ik vind het leuk als ze zelf ook ongevraagd met dit soort ideeën komen. Goed ook voor de fantasie.’
Humor geeft energie
Volgens Elsie Sloot is het niet alleen heel erg leuk om met kinderen te lachen, maar is humor ook bij uitstek geschikt om je frustratie om te zetten in een positieve energie. Ze geeft een voorbeeld: ‘Stel dat een kind tegen zijn vader zegt: “Houd je mond nou eens dicht, papa,” dan kan de vader op twee manieren reageren. Hij kan zeggen: “Hee, zo praat je niet tegen je vader” of hij kan iets roepen in de trant van: “Oh, ben jij nu opeens de vader? Oké, dan ben ik nu jou.” Door het gedrag van het kind heel letterlijk te nemen wordt het een soort grap. Zo kun je tegen een kind dat nog steeds zijn eigen billen niet wil afvegen, zeggen: “Ja hoor, ik veeg jouw billen wel af. Veeg jij dan ook de mijne?” Of: “Ik help je wel met je trui, help jij mij dan even mijn broek aan te trekken?”’
Humor is volgens Sloot ook vaak goed om een patstelling te doorbreken. ‘Soms zit je jezelf als ouder flink op te fokken in een bepaalde situatie. Als je dan de tegenwoordigheid van geest hebt om even met afstand naar de situatie te kijken en niet meteen te ontploffen bij de volgende uitbarsting van je kind, zie je soms ineens het tragikomische van de situatie. Als je daar om kunt lachen en je krijgt je kind mee, heb je een hoop gewonnen. Dat samen lachen schept namelijk een band en dan sta je ineens niet meer tegenover elkaar, maar naast elkaar. Ik moet er wel bij zeggen dat dit niet altijd lukt. Want je loopt het risico dat je kind zich uitgelachen voelt en daardoor nog bozer wordt. Maar het is de moeite waard om te proberen.’
Ook als het om irritant terugkerend gedrag gaat is humor heel bruikbaar, volgens Sloot. ‘Spreek bijvoorbeeld af dat de eerstvolgende die vloekt of iets onaardigs tegen een ander zegt, een rondje om zijn stoel moet lopen of op en neer de trap op moet. Kinderen vinden dit vaak wel grappig, vooral ook wanneer jij als ouder je ook aan de straf moet houden als je de regels overtreedt. Als iemand van het gezin zich te buiten gaat aan bepaald ongewenst gedrag, kun je ook een codewoord afspreken. Zeg na die afspraak bijvoorbeeld “konijn” als je ziet aankomen dat een kind driftig wordt, maar laat hem dat ook tegen jou zeggen als jij een keertje ontploft. Het is zo absurd dat het grappig wordt en ondertussen helpt het je kind om zijn gedrag te veranderen.’
Humor is noodzaak
Anna Wahlgren, schrijfster van het succesvolle, onlangs uit het Zweeds vertaalde Groot opvoedboek, besteedt in haar boek ook opvallend veel aandacht aan humor. Keer op keer beschrijft ze hoe humor je redder in nood kan zijn. Bij de koppige peuter en de dwarse puber benadrukt ze: ‘De dagelijke lachbui is nu noodzakelijker dan ooit.’ Over pijn en ziekte zegt ze: ‘Zelfs als je een kind moet kietelen om het aan het lachen te krijgen, omdat je zelf absoluut niet in de stemming bent om te lachen, heeft lachen een weldadige werking.’ Of, bij het leren van tafelmanieren aan een kind dat groot genoeg is om die allang onder de knie te hebben: ‘In plaats van geërgerd uit te vallen: ‘Je moet je eten maar zelf snijden, dan kun je immers!’, kun je de licht humoristische lijn kiezen die doeltreffender is. “Zal ik je leren hoe je je eten in stukjes snijdt?” Om vervolgens je handen over de handen en het bestek van het kind te leggen dat hier eigenlijk al te oud voor is.’
In zijn algemeenheid stelt ze dat humor heel belangrijk is om te zorgen voor een goede band met je kind, in het bijzonder ook voor een band met kinderen met een of andere gedragsstoornis: ‘Blijken van genegenheid en de dagelijkse lachbui zorgen voor een goed en groeiend vertrouwen.’
In een meeslepend betoog overtuigt Wahlgren de lezer ervan dat humor nooit mag ontbreken in de opvoeding: ‘(…) Soms denk ik dat de Schepper ons de humor als een cadeautje heeft meegegeven, om onze eigen ziel te genezen. De betekenis van lachen wordt in onze cultuur volledig onderschat. Wie kan lachen, kan nooit sterven, zolang hij leeft. Lachen is meer dan gezondheid. Lachen is levenslust. En levenslust is onze levenskracht!’
Lachen is gezond
Recent onderzoek van de Amerikaanse cardioloog Michael Miller toont aan dat lachen de bloedvaten doet ontspannen. Dit in tegenstelling tot negatieve emoties die de bloedvaten doen verkrampen.
Sibe Doosje, humoronderzoeker en gezondheidspsycholoog aan de universiteit van Utrecht, beschouwt lachen als een vorm van sport. Zo zou een minuut bulderen van het lachen gelijk staan aan tien minuten roeien op een roeimachine.
Een ander - nog onbegrepen - effect van lachen is dat de hoeveelheid antistoffen in het speeksel er iets door stijgt. Daarnaast is het zo dat de pijndrempel stijgt als we lachen. Zo konden proefpersonen die naar een grappige film keken hun handen langer in een bak met ijswater houden dan mensen die naar een nare film keken.
Meer informatie: Elsie Sloot: www.opvoedingsadvies.nl
Bron: Trouw
Tekst Marilse Eerkens
J/M juni 2006

Artikel
http://www.jmouders.nl/Nieuwsartikelpagina/DeKrachtVanHumorInDeOpvoeding.htm


1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina