Humor: vrouwen vs mannen



Dovnload 38.45 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte38.45 Kb.

Humor: vrouwen vs. mannen


Er lijken, op het eerste gezicht, behoorlijke verschillen te zijn in de wijze waarop mannen en vrouwen met humor omgaan. Dit geldt vooral voor de productie van humor. Veel mannen vinden het vreemd, en soms zelfs bedreigend wanneer een vrouw de grappen maakt. Stand-up komedienne Anne Beatts geeft hier een nogal Freudiaanse verklaring voor:

I think the reason why men are so hung up and so afraid of women being funny -especially attractive women, they don’t mind if fat, old, ugly women are funny-, is because they link it with sexuality and they unconsciously are afraid that the ultimate joke will be the size of their sexual apparatus. There’s a little trigger in a man’s mind when he hears a woman laughing that makes him think: she’s laughing at me because I’m not big enough.” (10)
Rosie Shuster, die in een team van tekstschrijvers voor een situation comedy werkte, geeft een voorbeeld uit de praktijk:
There was an impotence sketch that I thought was pretty funny. It was a man’s worst nightmare of what would happen if he was suddenly impotent. His parents would rush to the bedside of their ‘failure’, people would start pouring over, bringing him candy and flowers, the media would report it ..... but the guys [de mannelijke tekstschrijvers] just couldn’t relate to it. They’d say: make him older, that couldn’t happen to a thirty-five-year-old. Make him forty-five.” (11)
Het is de vraag of eventuele beperkingen, die vrouwen door patriarchale invloeden worden opgelegd ten aanzien van het produceren van humor, van invloed kunnen zijn op de wijze waarop zij betekenis aan humor geven. Crawford (1992) geeft het belang aan van een discussie over humor vanuit vrouwelijk oogpunt:
Psychology has regarded humour as though it were a property of individuals. For example, men very often rate the jokes in laboratory experiments funnier than women do, and this sex difference has sometimes been taken as evidence that women are more inhibited or conventional, lacking a well developed sense of humour...... male oriented stimuli, androcentric biases in research design and sampling, decontextualised settings and an individualistic focus have resulted in a flawed, rather pathetic body of research on the psychology of humour.” (12)
Volgens Crawford heeft psychologisch onderzoek dus bijgedragen aan de sociale constructie van vrouwen als een afwijkende groep, door te suggereren dat vrouwen minder vermogen hebben om humor op prijs te stellen dan mannen. Goldstein en McGhee (1972) tonen aan, dat bijna 40% van de in psychologisch onderzoek gebruikte humoristische stimuli van agressieve of seksuele aard is13. En de positie van vrouwen in seksuele humor is niet echt rooskleurig te noemen:

Wat is de ideale vrouw? Een vrouw die in een kratje bier en je vrienden verandert nadat je bent klaargekomen”.14


Mulkay (1988) onderzocht de inhoud en functies van seksuele grappen over vrouwen.15 Er zijn volgens hem vier principes waar seksuele humor van uit gaat:

 

1. Seks is voor mannen belangrijker dan wat dan ook.



2. Alle vrouwen zijn beschikbaar voor seks.

3. Vrouwen zijn passief, ze worden beschouwd als object.

4. Vrouwen moeten hun mond houden. (16)
Al met al geen ideaal uitgangspunt voor vrouwen, om in een humoristische stemming te komen. En behalve in de grappen zelf, lijken vrouwen ook een ondergeschikte rol te spelen in de conversationele context waaruit grappen voortkomen. Onderzoek naar de relatie tussen sekse en taal heeft verschillen opgeleverd in stijlen van communicatie. Hieruit blijkt dat het stereotype van vrouwelijke communicatie, de praatgrage, dominante vrouwelijke spreekster, in de sociale werkelijkheid niet reëel is. Er bestaan, in ieder geval bij blanke ‘middle-class’ sprekers in de Verenigde Staten, strakke conversationele normen. Mannen worden aangemoedigd te ‘stralen’, en vrouwen te ‘ondersteunen’. Onderzoek van Zimmerman en West (1975) wees uit dat de interrupties die in conversaties tussen gemengde paren plaatsvonden, in 97% van de gevallen door mannen werden verricht.17 Graddol en Swann (1989) schrijven in hun conclusie van hun onderzoek naar de relatie tussen sekse en conversatie:
Men have been observed to talk more than women in informal social groups, structured discussion groups, classrooms and even when talking alone into a tape recorder in laboratory experiments - indeed, in virtual every setting and combination of people that has been studied.” (18)

Pamela Fishman (1978) beargumenteert dat mannen niet alleen meer praten, maar ook bepalen waarover wordt gepraat, hoewel vrouwen meer onderwerpen introduceren.19 Tannen (1986) geeft een mogelijke verklaring voor de stijlverschillen in conversaties. Zij veronderstelt dat het primaire doel van communicatie voor vrouwen intimiteit, en voor mannen profilering is. Of, zoals Jenkins (1985) het verwoordt:


Men in their groups seem to be saying: I’m great. I’m great too. Gee, we’re a great bunch of guys! In contrast, women seem to be saying: Did this ever happen to you? Yeah. Oh, good, I’m not crazy.” (20)
Het gevolg voor de betekenisgeving aan humor lijkt evident te zijn. Kaufman (1980) geeft een aanwijzing:
We [women] do not laugh at people, we bond with them.” (21)
Als vrouwen inderdaad minder plezier dan mannen beleven aan humor ten koste van anderen, zullen zij waarschijnlijk eerder terugvallen op motivationele criteria bij de beoordeling van humor. Maar een onderbouwing voor deze stelling heb ik in mijn interviews niet kunnen terugvinden. Er is nauwelijks sprake van een vrouwelijke hang naar niet-kwetsende humor.
Reacties van vrouwelijke informanten duiden soms op de wens om humor te ‘begrijpen’, voordat zij er ten volle van kunnen genieten. Geen enkele man droeg dit soort argumenten aan. Maar de reacties zijn dan ook vooral van toepassing op programma’s waarin nauwelijks vrouwen meespelen:
(Over Monty Python) “Voor dit soort humor moet je de achtergronden weten .... het heeft waarschijnlijk te maken met gebeurtenissen waarop de mensen dan hebben gereageerd, daar weet je te weinig van .... te ingewikkeld, blijft natuurlijk in een besloten kring .... niemand anders kan er helemaal doorheen komen.” [Nada]
(Over Monty Python) “Dat vind ik niet echt makkelijke humor .... dat kijk ik liever met meerdere mensen, en ook meer als observator .... zo van, ja, knap gedaan .... maar in m’n eentje kom ik niet in de stemming van wat is dit nu grappig of zo .... maar wel knap.” [Marja]
(Over Jiskefet) “Daar heb ik waarschijnlijk te lang voor nodig om er in te komen, om te begrijpen wat ze bedoelen, wat ze nou eigenlijk willen daarmee .... dus van, waarom is dit nou eigenlijk grappig .... en op het moment dat ik dat eigenlijk serieus, bewust moet gaan zitten bedenken denk ik dat het niet meer leuk kan zijn.”[Madelène]
De mannelijke informanten hebben specifieke voorkeuren voor bepaalde personages in Debiteuren Crediteuren, waarschijnlijk omdat zij meer mogelijkheden hebben om zich te identificeren:
“Ik denk dat ik Koch het leukst vind, dat is toch een beetje de taalvirtuoos.” [Rien]
(Wie vind je het grappigst?) “Romeyn .... een hele domme kerel gewoon .... hij komt naar kantoor toe om z’n hele ei kwijt te raken .... ik denk dat ik het meest op hem lijk, ik kom ook vaak kantoortjes binnen .... even dollen met iedereen.” [René]
“Ik ga voor Kees Prins, omdat hij voor mijn gevoel zo zijn best doet .... ik vind hem op zijn best wanneer hij gaat vertellen dat hij iets heeft gedaan, en er dan niet uit komt .... dat je denkt van, nu komt er een verhaal .... en er komt niks.” [Herman]
Maar Bert geeft aan dat hij zich juist niet met de mannelijke personages identificeert:
“Ik denk dat Juffrouw Jannie, in al haar treurigheid, voor mij vaak toch het referentiepunt in de serie is, en dat ik de serie het meest vanuit haar ogen bekijk .... omdat zij op zo’n bombastische wijze geconfronteerd wordt met het mannelijke, dat natuurlijk ook extreem treurig is .... je kunt bijna niet om haar gezichtspunt heen.” [Bert]
De keiharde confrontatie met ‘het mannelijke’ is reden voor Nicky en Marja, twee vrouwen die de serie wél humoristisch vinden, om zich uit een meer ‘melodramatisch’ oogpunt te identificeren met juffrouw Jannie:
“Dat is het mooie van vrouwen .... mannen hebben zoiets van, haha, ik sta erboven, en het is net alsof de vrouw ondanks alles door de manier waarop ze naar de wereld kijkt alsnog de touwtjes in handen heeft .... dus het is een heel raar spel, tussen mannen en vrouwen .... ik weet niet hoe het bij mannen is die er naar kijken, maar ze heeft dan gelijk mijn onverdeelde sympathie .... dat is misschien iets van vrouwen onder elkaar of zo, maar aan juffrouw Jannie moet je niet komen, dat is duidelijk.” [Nicky]
“Daar kan ik eigenlijk helemaal niet om lachen .... dat vind ik onwijs zielig .... dat gedoe met die koffie en zo .... die Jos, die doet echt niet leuk tegen haar, terwijl Edgar die heeft nog wel iets van een verhulde sympathie voor haar, maar dat laat hij vooral niet merken als Storm en Jos erbij zijn .... ja, ik denk dat ik Edgar het leukst vind .... dus eigenlijk vind ik de liefste de leukste .... dat is eigenlijk altijd zo, bij Tom en Jerry wilde ik ook altijd dat die muis won.” [Marja]
In het licht van deze discussie is het natuurlijk ook interessant om eens te kijken hoe mannen over ‘vrouwenhumor’ denken, oftewel, hoeveel moeite mannen doen om ‘vrouwelijke’ humor te begrijpen:
“Ik denk dat mannen de humor wel maken .... ja, ik weet niet of vrouwen .... in een aantal dingen lopen ze achter in de participatie .... hoe dan ook, dan denk ik met dat soort dingen ook.” [Rien]
“Vrouwen met humor .... ja, ik heb wel eens gezegd dat ik de eerste humoristische vrouw nog tegen moet komen .... op de een of andere manier hebben ze zich er niet in ontwikkeld .... als je een groepje mannen ziet, zitten ze altijd lol te trappen .... en vrouwen zitten in een hoekje te praten over serieuze dingen .... maar misschien hebben ze wel een humor die ik niet goed kan zien, hoor.” [René]
“Er zijn zo ontzettend weinig Nederlandse vrouwen die ik grappig vind .... in real-life, en nog minder op televisie .... dan kan je je afvragen, hebben zij een ander soort humor .... ja, dat geloof ik best maar ik denk ook dat ze op de een of andere manier veel minder gespitst, of op zoek zijn naar humor dan mannen .... dat het voor hun toch minder belangrijk is.” [Bert]
Rien, René en Bert zien humor vooral als mannenaangelegenheid. Herman is iets genuanceerder in zijn mening over vrouwenhumor. Maar de veronderstelling van Kaufman (‘we [women] do not laugh at people, we bond with them’) lijkt, in ieder geval vanuit het mannelijke oogpunt van Herman, niet erg waarschijnlijk:
“Ja, ze kunnen heel hard zijn .... ze zijn heel venijnig naar elkaar toe, heel gemeen, dat zul je bij mannen nooit zien .... en mannen schoppen meer om zich heen, minder naar elkaar toe .... de verhouding tussen Archie Bunker en Meatball, de Poolse schoonzoon, is absoluut niet tong ‘n cheek, of via de weg van de verkapte gemene opmerkingen, maar gewoon full blast, bang ... en dat is wel typisch mannelijk, anders gezegd, mannen zijn niet zo bedreven in het op hoog niveau afmaken van elkaar .... van die vlijmscherpe, nare opmerkingen .... die dan weer zo geplaatst zijn dat je ermee weg kan komen .... dat je kan zeggen, zo bedoel ik het helemaal niet .... zo zijn vrouwen misschien meer .... mannen meppen harder om zich heen, ondubbelzinniger .... en dat laatste spreekt me meer aan, omdat ik het beter herken, of voel.” [Herman]
De vrouwelijke informanten neigen naar een voorkeur voor ‘mannelijke’ humor. Madelène schakelt, terwijl zij nadenkt over de vrouwen die zij humoristisch vindt, spontaan over op een man:
“Ik vind haar van Absolutely Fabulous gewoon ‘absolutely fabulous’, zoals zij kan acteren .... Roseanne kan ik ook wel om lachen, maar dat is natuurlijk ook in samenspraak met de andere acteurs .... dan denk ik toch dat ik bij Youp van ‘t Hek uitkom .... als ik dan een solo wil .... die vind ik erg leuk .... op een normale, prettige, vanzelfsprekende manier .... ook omdat hij inderdaad gewoon .... ja, een mening staat te verkondigen waar je je in kan vinden en dat wordt eigenlijk belachelijk gemaakt .... en het belachelijke ervan is dat het ook nog allemaal belachelijk waar is ook, allemaal .... eigenlijk dieptreurig.”
Marja distantieert zich op ondubbelzinnige wijze van ‘vrouwenhumor’:
“Ik vind vrouwen doorgaans eigenlijk nooit grappig .... ik heb zelden dat ik om een grap die een vrouw vertelt moet lachen .... in groepen hebben vrouwen natuurlijk bijna nooit het hoogste woord, dat ze een grap maken waar de hele tafel blauw om ligt .... dat maak ik eigenlijk bijna nooit mee .... en als het gebeurt is het toch altijd een beetje braaf .... maar nooit een dijenkletser of zo .... ja, ik denk bij vrouwen onder elkaar, die lachen toch wel veel, maar dan vooral giechelen .... stompzinnig, waar ik absoluut niks mee op heb .... het gaat dan om een verbond te voelen of zo, of veilig voelen .... net als bij dieren eigenlijk, mannetjes gaan er een beetje op uit om zich te profileren .... en maken nog wel eens een zijstap, maar de vrouwtjes zoeken elkaar op om sterker te worden in de groep.” [Marja]
Nicky bewondert de humor van vrouwen niet zozeer vanwege de humor zelf, maar meer op grond van de mate van persoonlijkheid en intensiteit waarmee de humor gebracht wordt:
“Adelheid Roossen moet ik altijd vreselijk om lachen, de intensiteit waarmee zij dingen benadert .... die is zo intens met dingen bezig .... daar heb je dan soms zo’n meegevoel bij, van och meid, wat trek je ten strijde of zo .... dat vind ik mooi .... maar verder, ik weet niet zoveel vrouwen .... zoals Karin Bloemen, dat vind ik niet zo bijzonder .... mooi zingen, maar verder .... en vrouwen zoals Jasperina de Jong, die hebben het dan wel vaak over het leven en over de zelfstandigheid van vrouwen, maar dat vind ik dan ook best wel eenzijdig .... dan heb ik het gevoel dat ik misschien nog wel meer wordt getrokken door die mannelijke dingen .... ja, misschien omdat je zelf vrouw bent, ik weet niet .... vrouwen zijn toch wel erg bezig met die vrouwelijke kant, op het feministische af .... over hun strijd in het leven .... en als vrouw herken je daar ook wel wat in, maar het is net alsof mannen wat meer zwaarte hebben als ze op toneel staan, meer gewicht.” [Nicky]
Nada heeft geen explicitiete voorkeur voor humor, maar zij schetst geen rooskleurige toestand waarin ‘vrouwelijke’ humor zou moeten gedijen:
“Humor is ook gebonden aan je eigen achtergronden .... en dat vrouwen tot kortgeleden, en eigenlijk nog steeds, toch een andere ontwikkeling doorgemaakt hebben .... maatschappelijk gezien, in opstelling tegenover de maatschappij … dat wordt ook weergegeven in humor .... mannen zijn expressiever, treden meer naar buiten .... als je een beetje verder kijkt is er nog steeds een patriarchale verdeling binnen de maatschappij, en ik vind dat het ook met humor heeft te maken .... het is toch veel meer dat kunnen optreden, zich uiten, zich kunnen permitteren om grappig te zijn .... gaat een man naar de kroeg, dan is het lachen, gieren brullen .... de vrouw gaat niet zomaar naar de kroeg, nee, dan gaan ze nog vijf minuten koffie zetten, even de was ophangen, boodschappen doen .... nou, dat is weinig om over te lachen.” [Nada]

EPILOOG

Kritisch onderzoek van Crawford en Purdie laat zien dat humor vooral vanuit mannelijk oogpunt is bestudeerd, en dat daarom het dominante mannelijke humoristische vertoog niet alleen ‘onder het volk’, maar ook in academische kringen hoogtij viert. Dit vertoog bestempelt humor van mannen als ‘juiste’ humor, en ontmoedigt vrouwen de productie ervan. Academische ondersteuning vond reeds plaats in 1695, toen Congreve zijn wetenschappelijke artikel ‘I have never made any Observation of what I Apprehend to be true Humour in Women’ openbaar maakte. Tijden zijn veranderd, maar zelfs in 1966 verscheen er nog een essay van een Amerikaanse psychoanalist die zich boog over de vraag ‘waarom vrouwen een inferieur gevoel voor humor hebben’.22

Mijn informanten neigden eveneens naar het dominante vertoog. Vrouwen vinden mannen doorgaans humoristischer dan vrouwen, en mannen zien vrouwen nauwelijks als humoristische factor van belang. Niettemin bestaat er een sterk geloof in bepaalde ‘universele’ krachten van humor. Rien en Marja verwoorden dit gevoel het meest treffend, door in feite de hele man-vrouw discussie te overstijgen:
“Mensen worden groot gebracht met een mannetje-vrouwtje factor, dat wordt je aangesmeerd .... als je daarin gelukkig bent, dan heb je alles bereikt .... als je zou kunnen uitvinden hoe dat voor humor in elkaar steekt, dan heb je alles in handen .... moest ik kiezen tussen een orgasme per dag, of een onbedaarlijke lachbui, dan kies ik onmiddellijk voor het laatste. Zou je daar de hand op kunnen leggen, zou je kunnen zeggen, dat heb ik, en dat kan ik met mensen doen .... dan ben je wereldkampioen .... dan heb je alles, los van alle medische kanten die eraan vast zitten .... aan onbedaarlijk lachen .... lachend klaarkomen dat is het mooiste wat er is … ha ha.” [Rien]
(Is Absolutely Fabulous typische vrouwenhumor?) “Helemaal niet .... het zijn absolute kerels die dat neerzetten .... en als alleen het onderwerp waarom gelachen wordt ‘vrouwelijk’ is, bijvoorbeeld make-up of zo, maar de manier waarop de grap wordt gemaakt mannelijk .... als dat de enige manier is waarop grappen gemaakt worden, kan je je afvragen of dat wel mannelijk is .... of dat het niet universeel is, dat het voor iedere grap geldt.” [Marja]

NOTEN

10. In: Barreca (1992). Spare Ribs: Women in the Humor Biz. (p. 28).

11. Idem, p. 164.

12. Crawford (1992). Gender and Conversational Humor. In: New Perspectives



on Women and Comedy. (p. 24).

13. Goldstein & McGhee (1972). Annotated bibliography and analysis of trends.

In: The Psychology of Humour. (p. 266).

14. Hans Dorresteijn, in een conférence (1995).

15. Crawford (1992). Gender and Conversational Humor. In: New Perspectives

on Women and Comedy. (p. 33).

16. Het vierde principe wordt door Mulkay omschreven als ‘the subordination of woman’s discourse’. Hij geeft een voorbeeld van de wijze waarop een vrouw gevloerd kan worden:

.... to render her speechless by turning an innocent statement she makes into a sexual one.”

17. Crawford (1992).

18. Crawford (1992), p. 29.

19. Idem, p. 29.

20. Idem, p. 31.

21. Idem, p. 80.

22. Purdie (1993: p. 128).

LITERATUUR

Ang, I. (1985). Het geval Dallas. Amsterdam: Uitgeverij SUA.


Apte, M.L. (1985). Humor and Laughter: An Anthropological Approach. London: Cornell University Press.
Barreca, R. (Ed., 1992). New Perspectives on Women and Comedy. Philadelphia: Gordon and Breach.
Beckett, K. & Collier, D. (1980). Spare Ribs: Women in the Humor Biz. New York: St. Martin’s Press.
Berger, A. (1992). Popular Culture Genres: Theories and Texts. London: Sage.
Biesta, E. (1990). Humor en Reklame. Amsterdam: Doctoraalscriptie Communicatiewetenschap.
Boer, C. de & Brennecke, S.I. (1992) Theorieën over media impact (Syllabus publieksstudies middenniveau). Amsterdam: Vakgroep communicatieweten-schap UVA.
Duin, van E.M. & Papousek, D.A.P. (1992). Humor in Reclame. Amsterdam: Doctoraalscriptie Communicatiewetenschap.
Eaton, M. (1981). Laughter in the dark. In: Screen, vol. 22, nr. 2.
Fiske, J. (1987). Television Culture. London, New York: Routledge.
Fiske, J. The cultural economy of fandom. In: Lewis, L.A. (1992). The Adoring Audience. London, New York: Routledge.
Freud, S. (1905). Der Witz und seine Beziehung zum Unbewussten. Frankfurt a. M., Hamburg: Fischer Buecherei.
Goldstein, J.H. & McGhee, P.E. (Eds., 1972). The Psychology of Humor. New York: Academic Press.
Grossberg, L. The affective sensibility of fandom. In: Lewis, L.A. (1992). The Adoring Audience. London, New York: Routledge.
Hermes, J. (1995). Reading Women's Magazines. Cambridge: Polity Press.
Krutznik, F. & Neale, S. (1990). Popular film and television comedy. London: Routledge.

Lovell, T. (1982). A genre of social disruption? In: BFI Dossier 17: television sitcom. London: BFI.


McCluskey-Fawcett, K.A., McGhee, P.E. & Hahemow, L. (Eds, 1986). Humor and Aging. Orlando: Academic Press.
Mulkay, M. (1988). On humor. Oxford: Basil Blackwell.
Palmer, J. (1987). The logic of the absurd. London: St. Edmundsbury Press.
Paton, E.C. & Powell, C. (Eds., 1988). Humour in Society: Resistance and Control. London: Macmillan Press.
Purdie, S. (Ed., 1993). Comedy, the mastery of discourse. London: Harvester.
Rabinovitz, L. (1986). Sit-coms and single-moms: feminism and the politics of TV family life. Paper presented to the 1986 International Television Studies Conference.
Raskin, V. (1984). Semantic mechanisms of humor. Dordrecht: D. Reidel Publishing Company.
Schaeffer, N. (1981). The Art of Laughter. New York: Columbia University Press.
Wester, F. (1991). Strategieën voor kwalitatief onderzoek. Muiderberg: Coutinho.
Zijderveld, A.C. (1971). Sociologie van de zotheid: humor als sociaal verschijnsel. Meppel: Boom & Zoon.
Ziv, A. (Ed., 1988). National Styles of Humor. New York, Westport, London: Greenwood Press.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina