I believe that I believe. If he believes, he does not believe that he believes, and if he does not believe, he does not believe that he does not believe



Dovnload 209.79 Kb.
Pagina4/4
Datum14.08.2016
Grootte209.79 Kb.
1   2   3   4

3.6 Conclusie
Cioran is een controversiële schrijver. Hem analyseren, is hem interpreteren. Cioran is meer een schrijver dan een filosoof. Meer dan enig andere schrijver hanteert hij in zijn eigen taal talloze aforismen, dubbelzinnigheden en inconsequenties. Mijn analyse van een paar van zijn boeken is mijn eigen interpretatie en zou voor iemand anders geheel anders kunnen uitvallen.

Om met het lot om te gaan heb je volgens Cioran een utopie nodig. Een utopie is volgens Cioran “het groteske in rooskleurige vorm, de behoefte het geluk, dus het onwaarschijnlijke, met de gang der geschiedenis te verbinden”.144 Het ideaal is de statische samenleving, de samenleving waarbij de geschiedenis stil staat, waar geen verandering is. In een statische samenleving waar de tijd stil staat leven dynamische mensen die nog leven in hoop en waanzin en hopen op het goddelijke. Het zijn dynamische mensen omdat ze nog een utopie nastreven. Zet de geschiedenis zich in gang door de waarheid van de maatschappij met de rede aan te tasten dan kom je in een dynamische maatschappij met statische individuen waar hoop geen rol meer speelt.145 Dat is mijn interpretatie van de paradox die Cioran duidelijk maakt in dit boek. Een echte natie is beter dan een individu in staat om alle angst en vrees voor het lot en de dood te kanaliseren. Doe je het toch alleen, dan leidt dat in ieder geval naar de leegte, naar de depressie. En uit die fase geraakt Cioran zelf maar niet. Cioran is daarom constant bezig met Camus’ vraag of we niet beter meteen zelfmoord kunnen plegen. Hij antwoordt daar niet duidelijk ja of nee op. Wij zijn allemaal zieken maar Cioran heeft de wil niet om te handelen. Een zuiver gevoel bestaat niet. Andersom kan je stellen dat echt zelfmoord plegen een daad van consequentie is. Juist die consequentie is geheel vreemd aan het lot. Zo blijft Cioran in de ban van het lot.


4. Vattimo en Cioran, een vergelijking
Het was mij in de eerste fase van deze bachelorscriptie al opgevallen dat Cioran en Vattimo verschillende raakpunten hadden.

Een eerste raakpunt is dat zowel Cioran als Vattimo een dubbele wereld hanteren. Je hebt de ideële wereld van de metafysica en bij Cioran heb je daarnaast de wereld van de leegte en bij Vattimo de wereld van de mensgeworden God. Bij beide filosofen heb je een heen en weer ‘geslinger’ tussen deze werelden.

Een tweede punt is dat de traditie en de sociale omgeving bij beide denkers een rol speelt. De traditie is voor Vattimo een essentieel gegeven waar je nooit los van kan komen. Je moet de traditie begrijpen door ze te interpreteren. Cioran vindt de traditie ‘een pestilentie’. De traditie verhindert voor hem de mogelijkheid om een normaal leven te leiden waar je de driften vrij spel kan geven.

Cioran en Vattimo erkennen ten derde ook het fundamenteel slechte in de mens. Cioran en Vattimo geven op hun eigen manier een ander antwoord op het slachtoffermotief dat Réne Girard ontdekte. Cioran lijkt het geweld normaal te vinden, Vattimo niet. Het grote verschil met Cioran is dat Vattimo kracht put uit de gedachte van het slachtoffermotief om een positief ingestelde filosofie neer te zetten. Zo komen we aan het vierde en vijfde motief dat ze beiden integreren: het nihilisme en de geschiedenis. Bij Vattimo heeft het nihilisme juist een impuls gegeven om de metafysische God vaarwel te zeggen. In Vattimo’s heilsgeschiedenis leidt het verlies van de waarheid juist de ontdekking van de geweldloze God in en bij Cioran leidt dat verlies van de waarheid naar een geschiedenis die alleen maar richting depressie kan gaan. Cioran verafschuwt, zij het impliciet, het nihilisme. De ontkenning van alle waarheden is helemaal geen leuke ontdekking. Deze ontdekking is een beslissend punt in Ciorans voorstelling van de geschiedenis. Ten laatste is ook de dood of de angst voor de dood een regelmatig weerkerend motief die de filosofie van beide denkers fundamenteel beïnvloedt.


De hoofdvraag van deze scriptie ging over de vraag of in een God geloven - of die nu mens geworden is of niet - voor Vattimo en Cioran nu zaligmakend en nastrevenswaardig is of niet. Voor Vattimo is het antwoord volgens mij duidelijk. Vattimo gelooft zeer duidelijk in een God, in welke gedaante dan ook. Bij Cioran kan je de hoofdvraag niet objectief met een ja of een nee beantwoorden. Daarvoor is zijn filosofie niet éénduidig genoeg. De hoofdlijnen lijken mij heel duidelijk maar er zitten veel addertjes in het gras. Cioran is mij te inconsequent en te dubbelzinnig. Die dubbelzinnigheid streefde hij bewust na. Ik kan bij Cioran alleen een subjectief antwoord geven en dan antwoord ik gevoelsmatig dat Cioran diep in zijn binnenste wel een geloof in een God nastreefde. Waarom zou hij anders heel zijn leven over hetzelfde schrijven?

De titel van mijn scriptie is in eerste instantie heel impulsief tot stand gekomen, maar achteraf bekeken drukt de titel zeer kernachtig uit waar deze scriptie over gaat. Namelijk dat het geloof, de nihilistische twijfel en de rede kunnen samengaan in één, al dan niet inconsequente, filosofie. In dit geval zijn het twee filosofen, Vattimo en Cioran, die dat op hun eigen manier hebben gedaan. De filosofie, met de rationaliteit als kern, is nog niet van irrationele zaken zoals het geloof en de emoties van af. Dat lijkt me in deze scriptie nu wel bewezen.

De filosofie als wetenschap wordt dan in vraag gesteld. Een wetenschap heeft nu éénmaal de pretentie om objectief te zijn. Ten eerste, Vattimo profileert zich als een filosoof en Cioran profileerde zich eerder als een schrijver dan als filosoof. De vraag wanneer je als filosoof geklasseerd wordt en de vraag wie dat dan wel zal uitmaken, is dan aan de orde. Ten tweede, feit is dat je Vattimo’s en Ciorans boeken toch altijd in de rekken van de bibliotheek terugvindt onder de noemer filosofie. Ten derde, deze scriptie draagt bij tot het blootleggen van de paradigma’s die ook in de filosofie aanwezig zijn. Eén van de huidige paradigma’s - een filosofie vrij van geloof en irrationaliteit – zal het niet lang meer uithouden. De filosofie ondervindt steeds meer de invloed van de postmoderniteit waardoor de subjectiviteit steeds meer zijn plaats inneemt in de wetenschap. De kenleer, het zoeken naar de waarheid, verschuift zo geruisloos naar de wetenschapsleer. In de wetenschapsleer gaat men op zoek naar wat gisteren de waarheid was, wat ze vandaag nog is en wat er morgen misschien nog van over blijft. Vattimo maakt dat trouwens duidelijk met zijn filosofie. Hij beschrijft hoe de waarheid rond het beeld dat we van God hadden, evolueerde van een metafysische God naar een mensgeworden God. Cioran vervolgde het verhaal met de stelling dat ook de waarheid van een mensgeworden God nonsens waren en hij stelde gewoon dat er geen God meer was.
5. Epiloog
In deze epiloog wil ik reflecteren op wat ik geleerd heb en ook wat ik naar de toekomst toe nog wil uitdiepen. Maar eerst wens ik mijn begeleiders Peter van Zilfhout en drs. Lieke van den Bulck-van der Linden te bedanken om hun begeleiding bij deze scriptie.

Vattimo heeft mij het belang van traditie doen inzien. Ik had niet veel moeite om Vattimo te interpreteren maar dat komt volgens mij omdat we deels een gelijklopende katholieke traditie kennen. Ook het verband tussen nihilisme en traditie is voor mij duidelijker geworden. Voorts straalt Vattimo voor mij zoveel enthousiasme uit en dat fascineert mij. Vooral de vraag of enthousiasme een wapen of een waardig alternatief is tegen angst voor de dood houdt mij bezig. Misschien kan ik later in een andere verhandeling dat wat uitdiepen. Ik beschouw mezelf als een atheïst maar Vattimo’s ‘gelovige’ wereld is mij daarom niet totaal vreemd. Maar bij Cioran ligt dat wat anders. Cioran is helemaal niet positief over de verruiming van de theologie en de vermenselijking van God. Cioran heeft mij enerzijds het inzicht gegeven dat je inderdaad mensen moet benijden die mooi in een metafysische God kunnen geloven. Anderzijds is het cynisme en depressieve van Cioran mij zo vreemd dat ik zijn alternatief, de depressieve leegte, niet tot het mijne kan, en vooral wil maken. Filosofie beoefenen, blijft voor mij een subjectieve bezigheid zoals ik in mijn inleiding al aangaf. Mijn interesse voor het nihilisme was vorige zomer gewekt wanneer ik wat begon te lezen over de filosoof Michel Onfray. Mijn eerste intentie was om ook deze filosoof te betrekken bij deze scriptie. Ik heb dat uiteindelijk niet gedaan maar in de voorstudies van deze scriptie heb ik veel werk gestoken in het lezen van werken van nihilistische denkers. Zijn Cioran en Vattimo nu allebei nihilistische filosofen? Ik denk het niet. Het is door Goudsblom al reeds opgemerkt, maar het nihilisme in zijn meest zuivere vorm is altijd problematisch. Zuiver nihilisme verwerpt alle ethische normen.146 In de inleiding van deze scriptie maakte ik zelf al de bedenking dat het denken en handelen van de mens nooit mooi parallel lopen. Toch moet ik concluderen dat Vattimo en Cioran wel ethische normen hanteren. Of ze nu verwerpelijk zijn of niet maakt dan niet veel uit.

Een laatste reflectie gaat over de dood. Cioran lijkt mij consequent de angst voor de dood voor ogen te hebben. Tegenover de dood lijkt voor hem alles zinloos. Maar de eigen dood ligt per definitie in de toekomst. Dan is het eigenlijk verwonderlijk dat Cioran bang is van iets dat je, volgens zijn redenering, niet kan kennen via de rede. Maar het is volgens Cioran toch de rede die je naar de grote depressie sleept! Vattimo richt zijn filosofie op het leven, het hier en nu. De dood komt nauwelijks voor in zijn filosofie terwijl de dood van een vriend hem wel op weg zette om een eigen filosofie te ontwikkelen. Als de dood zich aandient dan grijpt Vattimo terug naar de metafysische God van vroeger. Deze inconsequentie ondermijnde volgens mij heel zijn filosofie die gericht is op de mensgeworden God. Die inconsequentie had ik intuïtief al snel opgemerkt en irriteerde mij lange tijd. Ger Groot had dit inconsequente gedrag ook opgemerkt maar hij concludeerde dat het leven voor een katholiek juist leefbaarder wordt omdat hij inconsequent is en vasthoudt aan op het eerste gezicht onzinnige rituelen. Die opvatting van Ger Groot heeft mij het belang van rituelen doen inzien.


5. Literatuurlijst

Albert Camus, De mythe van Sisyfus (Amsterdam 1967)

Andrei Codrescu, website: http://planetcioran.blogspot.com/2007/04/interview-with-andrei-codrescu.html

Berry Vorstenbosch, ‘Geheime geschiedenis van je ziel’, in: Filosofiemagazine (mei 1999)

Bruno Vanobbergen en Paul Smeyers , ‘On Cioran's Criticism of Utopian Thinking and the History of Education’,in: Educational Philosophy and Theory (Volume 39 )

Emile Cioran, Bestaan als Verleiding (Utrecht 2001)

Emile Cioran, Geschiedenis en utopie (Amsterdam 2002)

Emile Cioran, Gevierendeeld (Amsterdam 1995)

Gabriël van den Brink, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformatie

Ger Groot, Een zwak geloof ( kampen 2000)

Ger Groot, Een interview van Jean-Pierre Rondas (op Radio Klara op 29-09-2007, te beluisteren via podcasting, www.klara.be)

Ger Groot , Het krediet van het credo (Amsterdam 2006)

Ger groot, 'De bitterheid van Cioran', in: Streven (juni 1994)

Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen ( Amsterdam 2003)

Gianni Vattimo, De transparante samenleving (Amsterdam 1998)

Gianni Vattimo, Het woord is geest geworden (Kampen 2003)

Gianni Vattimo, Ik geloof dat ik geloof (Amsterdam 1998)

J. Goudsblom, Nihilisme en cultuur (Amsterdam 1977)

Kees Bakhuyzen, website: http: //planetcioran.blogspot.com/2007/10/cioran-presentation.html .

Koen Boey, ‘Het ongemak van schelmen, Ger Groot over Nietzsche, Cioran, Bataille en Derrida’, in: Streven 2004

Linda wolfe, website: http://planetcioran.blogspot.com/2007/04/lydia-lunch-on-cioran.html)

Luc Devoldere, ‘De gouden kooi van des stijl, E.M. Cioran’, in: Streven (september 1994 )

Marc Van Laere, ‘Een interview met Gianni Vattimo’, in: Wereldwijd (1999)

Marc Schoorl , ‘De verwarringen en vergissingen van de jonge Cioran’, in:De gids (Amsterdam 1996)

Peter Wullen op website :http://psychiatrie.blogse.nl/log/oh-rgasmen-poseren-voor-prozac/wullen-over-cioran.html

Sorin Alexandrescu , ‘Na de dood van God’, in: Filosofiemagazine ( november 1996 nummer 9)

Sunic, website : http://planetcioran.blogspot.com/2006/10/emile-cioran-and-culture-of-death.html

Vanheeswijck Guido.- De illusie van een cultuur van onmiddellijkheid: hoe christen zijn in een cultuur van bemiddeling?, In: Collationes, 31(2001)



W. L. Van Der Merwe, ‘De herwaardering van het christelijke geloof in de hedendaagse cultuurfilosofie’, in: Streven (september 2007)

1 Albert Camus, De mythe van Sisyfus, Een essay over het absurde (Amsterdam 1967) 13

2 Ibidem, 13 -17

3 Gianni Vattimo, Ik geloof dat ik geloof (Amsterdam 1998)

4 Emile Cioran, Gevierendeeld (Amsterdam 1995)7-71

5 Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen ( Amsterdam 2003)

6 Emile Cioran, Geschiedenis en utopie (Amsterdam 2002)

7 Gianni Vattimo, Ik geloof dat ik geloof (Amsterdam 1998) 101

8 Ibidem, 15

9 Gianni Vattimo, Ik geloof dat ik geloof (Amsterdam 1998) 16-17 Vattimo vat hier Nietzsche samen. Het boek Götzen-Dämmerung geeft een geschiedenis weer. Aanvankelijk was het Plato die op de proppen kwam met de onveranderlijke ideeën. Die onveranderlijke ware ideeën had je nodig om de beweeglijke en veranderlijke dingen van de alledaagse ervaring te kunnen kennen. Kant bemerkte dat de wereld van de ervaring mede tot stand wordt gebracht door de ingreep van het menselijke subject. Nog een stap verder gingen de positivisten. Het positieve feit is wat werkelijk reëel is, dat wil zeggen het wetenschappelijk vastgestelde gegeven. Nietzsche stelt dat juist dat wetenschappelijk vaststellen een activiteit is van het menselijke subject . Er is dus geen ware wereld.

10 Gianni Vattimo, Ik geloof dat ik geloof (Amsterdam 1998) 17

11 Ibidem, 18

12 Ibidem, 23

13 Ibidem, 24

14 Vanheeswijck Guido.- De illusie van een cultuur van onmiddellijkheid: hoe christen zijn in een cultuur van bemiddeling?, In: Collationes, 31(2001), p. 193-208 Kort samengevat: Mensen kunnen van nature uit hun mimetische begeerte, hun jaloezie, niet bedwingen. De menselijke samenlevingen worden bijeengehouden door een imitatiedrang. De behoefte om anderen te imiteren zich ontlaadt zich door de wil zich andermans zaken toe te eigenen. Dat ontketent een oorlog van allen tegen allen. Als het zover is gekomen, wordt de eendracht alleen hersteld door een zondebok te vinden op wie het geweld gericht kan worden. De God die we tot nu toe kenden was dan ook een God die we associëren met geweld. Een God die de menselijke agressie maar kon voorkomen door het eisen van telkens weer nieuwe offers. We hebben, aldus Girard, een christendom dat men associeert met geweld. De boodschap van Girard is echter dat het christendom niets met geweld te maken heeft. De zondebok is onschuldig en het besef van die onschuld danken wij aan de joodse en christelijke geschriften.

15 Gianni Vattimo, Ik geloof dat ik geloof (Amsterdam 1998) 26

16 Ibidem, 37

17 Ibidem, 40-41

18 Ibidem, 27-28

19 Ibidem, 31

20 Ibidem, 46

21 Ibidem, 32-35

22 Ibidem, 52-54

23 Ibidem, 58

24 Ibidem, 60

25 Ibidem, 97

26 Ibidem, 62

27 Ibidem, 63

28 Ibidem, 65-67

29 Ibidem, 50

30 Ibidem, 72-74

31 Ibidem, 75

32 Ibidem, 89

33 Gianni Vattimo, Het woord is geest geworden (Kampen 2003) 10-14

34 Ibidem, 17

35 Ibidem, 31

36 Ibidem, 18

37 Ibidem, 19-20

38 Ibidem, 22

39 Ibidem, 28

40 Ibidem, 32-34 Joachim onderscheidde drie tijdperken binnen de historie, geënt op de drie personen van de Drie-eenheid. Het eerste tijdperk is voorbijgegaan in slavernij. Het tweede wordt gekenmerkt door kinderlijke dienstbaarheid. Het derde zal zich ontvouwen in het teken van de vrijheid. Het eerste is gekenmerkt door vrees, het tweede door geloof, het derde door naastenliefde. Het derde tijdperk, het tijdperk van de Geest, is reeds begonnen.

41 Gianni Vattimo, Het woord is geest geworden (Kampen 2003) 35

42 Ibidem, 36

43 Ibidem, 37-38

44 Ibidem, 56-58

45 Ibidem, 59

46 Ibidem, 63-64

47 Ibidem, 71-72

48 Ibidem, 40

49 Ibidem, 41-42

50 Ibidem, 54

51 Ibidem, 54-55

52 Ibidem, 134-135

53 Ibidem, 137-138

54 Ibidem, 141-142

55 Ibidem, 117-119

56 Ibidem, 127-128

57 Ger Groot in een interview met Jean-Pierre Rondas (op Radio Klara op 29-09-2007, te beluisteren via podcasting, www.klara.be)

58 Ger Groot,’Gianni Vattimo en het geloof in de filosofie – inleiding’, in: Een Zwak geloof ( Kampen 2000) 34-35

59 Ger Groot , Het krediet van het credo (Amsterdam 2006) 99-115

60 W. L. Van Der Merwe, ‘De herwaardering van het christelijke geloof in de hedendaagse cultuurfilosofie’, in: Streven (september 2007) 705-718

61 Ger Groot, ‘traditie is geen fundament’, in: Een zwak geloof ( kampen 2000) 34-35

62 Ger Groot, ‘traditie is geen fundament’, in: Een zwak geloof ( Kampen 2000) 35

63 J. Goudsblom, Nihilisme en cultuur (Amsterdam 1977) 151 154

64 J. Goudsblom, Nihilisme en cultuur (Amsterdam 1977) 166

65 J. Goudsblom, Nihilisme en cultuur (Amsterdam 1977) 213

66 Ger Groot, ‘traditie is geen fundament’, in: Een zwak geloof ( kampen 2000) 35-38

67 Marc Van Laere, ‘een interview met Gianni vatimo’, in: Wereldwijd (1999) 9-11

68 Gianni Vattimo, De transparante samenleving (Amsterdam 1998) 24-27

69 Sorin Alexandrescu , ‘Na de dood van God’, in: Filosofiemagazine ( november 1996 nummer 9)

70 Berry Vorstenbosch, ‘Geheime geschiedenis van je ziel’, in: Filosofiemagazine (mei 1999) 28-32

71 Gabriël van den Brink,’De werking van het ideaal, hoofdstuk 16 De migratie van het goddelijke’, in: Over geloof en kerk in de moderne maatschappij, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformatie 428-430. Heel de bundel staat op de website: www.wrr.nldscc=getobject&s=obj&!sessionid=1G78Ld!zmM!6Az1FIodrhoUlCp3M4eGxJl@OuGE@@hWdpz8XH1!b8xG1jif1WxRz&objectid=3840&!dsname=default&isapidir=gvisapi.pdf

72 Gianni Vattimo, De transparante samenleving ( Amsterdam 1998) 95

73 Gianni Vattimo, De transparante samenleving ( Amsterdam 1998) 24-27

74 Emile Cioran, Bestaan als Verleiding (Utrecht 2001)

75 Emile Cioran, Gevierendeeld (Amsterdam 1995) 7-11

76 Ibidem, 17-20

77 Ibidem, 43-53

78 Ibidem, 60-71

79 Ibidem, 25-27

80 Ibidem, 68-71

81 Emile Cioran, Geschiedenis en Utopie (Amsterdam 2002) 13-18

82 Ibidem, 69

83 Ibidem, 46

84 Ibidem, 71

85 Ibidem, 23-28

86 Ibidem, 57-61

87 Ibidem, 19-21

88 Ibidem, 19

89 Ibidem, 55-86

90 Ibidem, 98-100

91 Ibidem, 114-116

92 Ibidem, 124-125

93 Ibidem, 100

94 Ibidem, 151

95 Ibidem, 158-163

96 Emile Cioran, Bestaan als Verleiding (Utrecht 2001) 10-22

97 Ibidem, 23-24

98 Ibidem, 27-30

99 Ibidem, 31-32

100 Ibidem, 36-38

101 Ibidem, 41-45

102 Ibidem, 48-50

103 Ibidem, 90-103

104 Ibidem, 32-36

105 Ibidem, 56

106 Ibidem, 169-172

107 Ibidem, 178

108 Ibidem, 57-58

109 Ibidem, 213-220

110 Ibidem, 235-241

111 Ibidem, 246-247

112 Ibidem, 129

113 Ibidem,133-134

114 Ibidem, 129

115 Luc Devoldere, ‘De gouden kooi van des stijl, E.M. Cioran’, in: Streven (september 1994 )706

116 Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen (Amstrerdam 2003) 271

117 Luc Devoldere, ‘De gouden kooi van des stijl, E.M. Cioran’, in: Streven (september 1994 )707-714

118 Sunic, website : http://planetcioran.blogspot.com/2006/10/emile-cioran-and-culture-of-death.html

119 Emile Cioran, Bestaan als Verleiding (Utrecht 2001) 7-9

120 Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen (Amstrerdam 2003) 159-163

121 Ger groot, 'de bitterheid van Cioran', in: Streven (juni 1994) 499

122 Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen (Amstrerdam 2003) 217

123 Luc Devoldere, ‘De gouden kooi van des stijl, E.M. Cioran’, in: Streven (september 1994 )706

124 Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen (Amstrerdam 2003) 198

125 Ibidem, 231-232

126 Luc Devoldere , ‘De gouden kooi van des stijl, E.M. Cioran’, in: Streven (september 1994 )709

127 Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen (Amstrerdam 2003) 164-166

128 Bruno Vanobbergen en Paul Smeyers , ‘On Cioran's Criticism of Utopian Thinking and the History of Education’, in: Educational Philosophy and Theory (Volume 39 Issue 1 Page 44-55, February 2007) of ook op de website: http://www.blackwell synergy.com/doi/full/10.1111/j.14695812.2007.00238.x?prevSearch=allfield%3A%28cioran%29&cookieSet=1)

129 Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen (Amsterdam 2003) 232-233

130 Ibidim, 234-246

131 Ger Groot, 'de bitterheid van Cioran' in Streven (juni 1994) 504

132 Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen (Amsterdam 2003) 168-169

133 Marc Schoorl , ‘de verwarringen en vergissingen van de jonge Cioran’, in: De gids (Amsterdam 1996) 786-791

134 Koen Boey, ‘Het ongemak van schelmen, Ger Groot over Nietzsche, Cioran, Bataille en Derrida’, in: Streven 2004 689-692

135 Peter Wullen op website :http://psychiatrie.blogse.nl/log/oh-rgasmen-poseren-voor-prozac/wullen-over-cioran.html

136 Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen (Amsterdam 2003) 223-224

137 Ibidem, 179-180

138 Ibidem, 216

139 Ibidem, 190-192

140 Andrei Codrescu, website: http://planetcioran.blogspot.com/2007/04/interview-with-andrei-codrescu.html

141 Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen (Amsterdam 2003) 225

142 Kees Bakhuyzen, website: http:// planetcioran.blogspot.com/2007/10/cioran-presentation.html .introspectie is ook een deel van interpreteren.

143 Linda wolfe, website: http://planetcioran.blogspot.com/2007/04/lydia-lunch-on-cioran.html)

144 Ibidem, 45

145 Ibidem, 57 en 65

146 J. Goudsblom, Nihilisme en cultuur (Amsterdam 1977) 166




1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina