I. het oude testament I. A. Het Hebreeuwse woord chaasi’d – goedertieren



Dovnload 32.22 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte32.22 Kb.
HET BIJBELSE KERNWOORD GOEDERTIEREN/ GOEDGUNSTIG

I. HET OUDE TESTAMENT




I. A. Het Hebreeuwse woord chaasi’d – goedertieren

Onderstaande gegevens zijn verzameld uit Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915 en Abr. Trommius, Nederlandse Concor-dantie. Zie onder I.A.a/ 3.

I.A.a. Betekenis van de tekstgege-vens

Het woord is afgeleid van het werkwoord chaasaad (I) = zachtmoedig zijn; in hitp.: zich liefelijk bewijzen; goedertieren (2 Sam. 22:26; Ps. 18:26)


1. Iemand die liefdevol, vriendelijk, welwillend, goedertieren is (van mensen)

  • Ps. 12:2; 18:26; Micha 7:2

  • Ontkennend (met voorz. lo’) : liefdeloos, onbarmhartig, ongoedertieren (Ps. 43:1)

  • Job.39:13: liefdevol als een ooievaar (??)

2. Goedertieren, welwillend (van God)



  • Jer. 3:12; Ps. 145:17

3. Anders dan Gesenius: Ten vervolge op Gesenius. 1. zijn te noemen: 1 Sam. 2:9; Ps. 30:5; 31:24; 37:28; 2 Kron. 6:41 (Ps. 44:4; Spr. 2:8) ?; Ps. 50:5; Deut. 33:8 (de hogepriester? Vgl. Ps. 132:9, 16.). De concordantie van Trommius vult de lijst over gunstgenoot aan met: Ps. 4:4; 52:11; 79:2; 85:9; 86:2; 97:10; 116:15; 132:9, 16; 145:10; 148:14; 149:1, 5, 9. Hier is de betekenis: goedgunstige, goedertierene.


NB: Chasi’dah (vr.) = ooievaar, pia avis (vrome vogel vanwege de in de oudheid geprezen piëteit): Lev. 11:19v; Deut. 14:18; Ps. 104:17; Jer. 8:7; Zach. 5:9.
I.B. Samenvatting + toepassing
1. In het bovenstaande (onder 2. Goedertieren, welwillend [(van God]) is aangegeven, dat het Hebreeuwse woord chaasi’d is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord chaasaad (I) dat in de zgn.hitp. de betekenis heeft van: zich liefelijk bewijzen/ goedertieren. Deze grondbetekenis van het Hebreeuwse woord wordt in het OT vooral ook betuigd van God. Van Hem geldt in het bijzonder, dat Hij genadig/ goedertieren is. Daarvan lezen we in Ps. 145:17 en Jer. 3:12. In de eerstgenoemde tekst lezen we, dat de Heere goedertieren is in al Zijn werken. Hij is een Beschermer van allen die Hem vrezen; Hij hoort hun geroep. Een diepere en aangrijpender beschrijving van Gods eeuwig wezen is niet mogelijk. De Heere is een God om op terug te vallen in al onze zonden, zorgen en noden.
In de tweede genoemde tekst krijgt de profeet Jeremia de opdracht om tot het afgekeerde (Noord)Israël te roepen: Bekeer u, gij afkerige Israël, spreekt de Heere, zo zal Ik Mijn toorn op ulieden niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de Heere, Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden.’

In Gods goedertierenheid ligt een welgemeende uitnodiging om zich te bekeren tot Hem om Zijn toorn te mogen ontvluchten. Welk een genade! De Heere straft niet eindeloos. Hij is genadig en barmhartig. Als wij daarvan geen weet hebben en er geen zicht op hebben, zullen we niet één zonde (kunnen) loslaten.


2. Het is heel bijzonder, dat voor die goedertierenheid van de Heere als voorbeeld de ooievaar wordt genoemd.1 Het woordenboek in Bible Works zegt daarvan: Ooievaar (Hebr. Hasidah) betekent ‘vriendelijkheid’ en is een indicatie van de inborst van de vogel, die bekend is om haar sterke liefde voor haar jongen. De Levitische wet verbiedt het eten van het vlees van de ooievaar (Lev 11:19; Deut. 14:18) …In Palestina zijn er twee soorten ooievaars gevonden: de witte, verspreid in paren over heel het land en de zwarte, die leven in moerasachtige plaatsen en in grote groepen Zij vertrekken periodiek naar Palestina. (omstreeks de 22e van Maart). Jeremia maakt daar een toespeling op in Jer. 8:7 (zijn gezette tijd).
Ter bestemder tijd keren zij terug in onfeilbare scherpzinnigheid naar hun oude verblijfplaatsen en bezetten hun oude nesten opnieuw. "Er is een goed gedocumenteerd bericht van de toewijding van een ooievaar die bij een brand van de toren van Delft, na herhaalde en vergeefse pogingen om haar jongen weg te halen, ervoor koos om daar te blijven en om te komen met hen, liever dan hen aan hun lot over te laten.”

Terecht mogen de Romeinen deze vogel de ‘pia avis!" noemen. Zie Job 39:13.2 Het gaat in deze tekst vermoedelijk om een tegenstelling tussen de ooievaar met haar grote liefde voor haar jongen en de struisvogel, die er zich niet om bekommert. Zacharia (Zach 5:9) maakt een toespeling op de schoonheid en kracht van de vleugels van de ooievaar.


Hoe wonderlijk is het, dat zondaren door het geloof mogen delen in de goedertierenheid en gunst van de Heere die als een ooievaarsliefde hun deel wordt.
3. Het Hebreeuwse woord chaasi’d heeft evenwel in het OT vooral ook betrekking op mensen. Dan is het een omschrijving van hun diepste intentie en levenshouding. Ze laten blijken, dat zich liefelijk zijn. De kinderen van God reflecteren a.h.w. de intentie van de Heere jegens hen. Het zijn goedertierenen, goedgunstigen (weldadigen; weldoeners). De Heere is goedertieren jegens hen; en zij zijn het jegens anderen. Zo hebben de Statenvertalers (SV) dan ook het woord vertaald met goedertierene in Ps. 12:2; 18:26; 145:17; Micha 7:2. 3 Dat is in line met de boven genoemde eerste betekenis. Bij het woord gunstgenoot hebben zij wellicht vooral verband gelegd met het Hebreeuwse woord chèsèd (gunst).
De Kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen over de vertaling gunstgenoot bij Ps. 4:4: Te weten mij, wien God onverdiende goedertierenheid, gunst en weldadigheid bewijst, dewelke ik genietende en gevoelende, ook van harte genegen ben anderen gunst en weldadigheid te bewijzen, zelfs mijn haters, naar den aard en plicht der kinderen God. Zie Matth. 5:44, 45; 1 Joh.4:11, en voorts van het Hebreeuwse woord 2 Kron. 6 op vers 41.
In de Kanttekening bij 2 Kron. 6:41 lezen we: ‘Gunstgenoten of godvruchtigen. Het Hebreeuwse woord is Gode toegeschreven en de mensen; God toegeschreven zijnde betekent het de Goedgunstige, Goedertierene, of Weldadige, als Ps. 145:17; Jer. 3:12. De vrome mensen wordt het toegeëigend, omdat zij goeddoen of omdat hun wordt goed gedaan van God. Naar de eerste zin kan men het overzetten met: heiligen, goedertierenen, weldadigen, godvruchtigen, met de tweede als gunstgenoten zoals hier.
Het is aan te bevelen om in de onder I.A.a/ 3. genoemde tekstgegevens chaasi’d - concordant – ook te vertalen met goedertieren/ goedgunstig en niet met gunstgenoot zoals de SV doet. Het is dan in de genoemde derde reeks teksten een aanduiding van iemands inborst/ zachtzinnigheid (denk aan de uitdrukking: goedertieren moeder). In de tijd van de Makkabeeën zijn het de getrouwen in hun belijdenis en wetsgetrouwen (Ασιδαιοι / chasidim).4 Zij zin ook wel vromen te noemen; later zijn het de Farizeeën.
4. Vaak valt in de genoemde teksten het accent op het weldoen van Gods heiligen uit kracht van de hun bewezen weldadigheid. Zij zijn de beweldadigden, zij leven ook van het weldoen. Er is niets tegen om hen daarom vromen te noemen (toegenegenen tot God die de Heere liefhebben en het kwade haten). Zij zijn de ‘lofverheffers’ (de lof van God). Nee, niet in de zin van de lof der zotheid als zelfverheffers. Zij worden vaak genoemd als tegenstelling van de goddelozen en dwazen. En zo komt de Heere voor hen op.
5. Een moeilijk te verklaren tekst is: Ps. 116:15: Kostelijk is in de ogen des Heeren de dood Zijner gunstgenoten. Zo stond het op het briefje dat de ouders vonden na haar dood in de mantel van hun kind dat op de dijk in Veen met haar fietsje was verongelukt. Zo had zij het zelf geschreven. En we verstaan het, dat deze woorden de ouders troostten. Er zijn (zie noot 3) vrienden van God en mensen die leven in liefde van en voor God, al kost het hun het leven. Hun dood is in de ogen des Heeren ‘kostelijk’. Zij teren op het Psalmwoord:
Gij zult mij leiden door Uw raad,

O God mijn heil, mijn toeverlaat,

En mij hiertoe door U bereid,

Opnemen in Uw heerlijkheid (Ps.73:12b ber).


In E-sword op Ps. 116:15 vermeldt het commentaar van Keil-Deiltz in een noot: Note: The Apostolic Constitutions (vi. 30) commend the singing of these and other words of the Psalms at the funerals of those who have departed in the faith (cf. Augusti, Denkwürdigkeiten, ix. 563). In the reign of the Emperor Decius, Babylas Bishop of Antioch, full of blessed hope, met death singing these words.’

II. HET NIEUWE TESTAMENT

II.A. Het Griekse woord voor goedertieren dat het NT gebruikt is: χρηstos


NB: Het kan duidelijk zijn, dat er in de Bijbel zowel in OT als NT verschillende andere woorden gebruikt kunnen worden, die de kernnotie van het woord goedertieren uitdrukken. Ik beperk me hier inzake het NT tot het zojuist genoemde Griekse woord chrèstos (werkwoord chrèsteuomai).
II. A.a Tekstgegevens/ korte omschrijvingen (volgens Trommius)


  • Hij is goedertieren over de ondankbaren (Luk.6:35)

  • De liefde is goedertieren (1 Kor.13:4)

  • Maar zijt jegens elkander goedertieren (Ef.4:32)

  • Dat de Heere goedertieren is (1 Petr. 2:3)



II.A.b Samenvatting en toepassing

1. Dat de Heere goedertieren is, wordt in het NT als een onomstotelijke en hartverwarmende waarheid betuigd. Daarin wordt een hoofdlijn van het OT 5 doorgetrokken, zoals onder woorden is gebracht in Ps. 145:17 en Jer. 3:12.


God doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken;

Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken. ((Ps.145:3b ber.)


Gods goedertierenheid reikt tot over heel de aarde. God is voor al Zijn schepselen bovenmate goed en vriendelijk. Al Zijn werken getuigen daarvan, ook in de schepping. Ze is met handen te tasten. En dat terwijl heel het mensdom vanwege de zonde onder de vloek ligt. God is goedertieren over de ondankbaren. Hij regent over bozen en goeden en doet Zijn zon over hen opgaan. In Rom. 2:4 spreekt Paulus over de rijkdom van Gods goedertierenheid.
M.Henri schrijft over het smaken van Gods goedertierenheid (1 Petr.2:3): To taste the graciousness of Christ experimentally supposes our being united to him by faith, and then we may taste his goodness in all his providences, in all our spiritual concerns, in all our fears and temptations, in his word and worship every day…. Those who feed upon the sincere milk of the word taste and experience most of his grace. In our converses with his word we should endeavour always to understand and experience more and more of his grace.
2. Maar de boodschap van het NT reikt verder. Wat we van de ooievaar verhaalden onder OT, geldt in zeer bijzondere zin van wat er verkondigd wordt in het NT omtrent Jezus Christus. In Hem is de goedertierenheid van God onze Zaligmaker en Zijn liefde tot de mensen verschenen (Ef. 2:7; Tit.3:1). Hij heeft Zijn leven gegeven voor zondaren. God heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons dan met Hem niet alle dingen schenken (Rom. 8:32). In de Middeleeuwen heeft Anselmus van Canterburry de vraag aan de orde gesteld: Cur deus homo - waarom werd God mens?. En Zijn antwoord was niet onduidelijk. Er moest aan het recht van God worden voldaan. Want de eer van God moest worden hersteld. Maar het aanbiddelijke is, dat juist in het volbrachte werk van Christus Jezus waarin God geheel kreeg wat Hem toekwam, de zaligheid ligt van u en van mij. Als God Zijn liefde uitstort in ons hart, maakt dat het toppunt van ons geluk uit. We vinden in Christus de gerechtigheid, waarmee we voor God een bestaan krijgen.

Van die goedertierenheid van God in Christus mogen wij vrijmoedig gebruik maken. Ze is ook voluit bruikbaar (chrèstos). God is goedertieren (1 Petr. 2:3). Iemand zei ooit tegen mij: Toen ik dat ontdekte, was het alsof ik krankzinnig werd van blijdschap.


3. Maar ook dat andere waar we eerder op wezen, krijgt in het NT gestalte: de goedertierenheid/ goedgunstigheid van mensen onderling. Goedertierenheid is een vrucht van de Geest (Gal. 5:22; Ef. 4:32). Dat is niet direct hetzelfde als filantropie. Een christenmens heeft wat we noemen ontferming over allen die hem omringen. Hij is bewogen om hun tijdelijk en eeuwig lot. Alles wat hij wil, dat de mensen hem doen, mag hij aan anderen doen. De liefde maakt hem goedertieren (1 Kor.13:4). D.w.z. dat hij de naaste de grootste welwillendheid betoont. 6 Want als God mij de grootste van de zondaren genade bewees, zou ik dan niet van vergeven weten? Zou ik niet liefderijk, mild en vriendelijk zijn? Een zonnetje in huis. Om te genieten. Nuttig en bruikbaar. Vgl. 1 Tim. 1:12vv.
Wie zelf voorwerp van Gods eeuwige goedgunstigheid over ondankbaren en bozen is geworden, kan ook goedgunstig/ goedertieren zijn tegenover allen die op zijn weg komen. Hij doet wel duizend stappen terug voor anderen en wil graag een bruikbaar mens zijn. Hij is een gentleman in zijn gedragingen.7

1 Easten Bible Dictionary in Bible Works geeft van het Hebreeuwse woord chasidah – ooievaar deze omschrijving.

2 חֲסִידָה, pia, is a play upon the name of the stork, which is so called: pia instar ciconiae (Keil – Delitz). Zo ISBE in E-sword.


3 De verklaring van Keil-Delitz zegt bij Ps. 18:26: Bij de goedertierene houdt Gij U goedertieren: חָסִיד is een vriend van God en mens, net zoals ‘pius’ is gebruikt van het gedrag jegens mensen zo goed als tegenover God. NB: Het Engelse woord lovingkindness is hiervan wellicht een adequate weergave.

M.Henri schrijft bij ‘Mic_7:2. The good man is a godly man and a merciful man; the word signifies both. Those are completely good men that are devout towards God and compassionate and beneficent towards men, that love mercy and walk with God.’ Zie E-Sword.



4 Uit Wikipedia (Internet): ‘The literal meaning of "Hasid" derives from - "kindness", the outward expression of love for God and other people. This spiritual devotion motivates pious conduct beyond everyday limits. The devotional nature of its description lent itself to a few Jewish movements in history being known as "Hasidim".

5 Easten Bible Dictionary (Bible Works ) zegt van die goedertierenheid (goedheid) van God: ‘Is benevolence; as exercised with respect to the miseries of his creatures. It is mercy, pity, compassion, and in the case of impenitent sinners, long-suffering patience; as exercised in communicating favour on the unworthy it is grace. "Goodness and justice are the several aspects of one unchangeable, infinitely wise, and sovereign moral perfection. God is not sometimes merciful and sometimes just, but he is eternally infinitely just and merciful." God is infinitely and unchangeably good (Zef. 3:17) and his goodness is incomprehensible by the finite mind (Ro 11:35,36) "God's goodness appears in two things, giving and forgiving.’


6 In deze tekst wordt het Gr.werkwoord ‘chrèsteuomai' gebruikt. Dit werkwoord (komt alleen hier in het NT voor. Het betekent: zich goedig', vriendelijk, liefderijk betonen. Het woord hangt samen met het werkwoord 'chraomai' - iets of iemand gebruiken en met het bijvoeglijk naamwoord 'chrèstos' = bruikbaar, trouw , zacht, mild, gelukbrengend. De LXX gebruikt het woord regelmatig om er het wezen van God mee aan te duiden. Vgl. ook Rom. 2:4 waar van God gezegd wordt, dat Hij goedertieren en lankmoedig is.

7 In deze voordracht is gebruik gemaakt van 1. Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915. 2. Trommius’ concordantie, 3. Robertson’s Word Pictures in Bible Works en Easten Bible Dictionary in Bible Works; 4. Woordenboek ISBE = Internat. Standard Bible Encyclopedie, s.v. lovingkindness in E-sword.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina