I islamitische kunst Samenvatting



Dovnload 25.95 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte25.95 Kb.




I Islamitische kunst - Samenvatting
Islamitische kunst treffen we aan in landen waar Arabische volken wonen. Als je heel ver terug gaat in de geschiedenis – ver voor Christus – zie je dat de Arabische stroom en de Joodse stroom heel lang samen gaan. Vanaf een bepaald moment gaan ze gescheiden wegen. Dat is bij aartsvader Abraham (bij de Arabieren Ibrahim)
Het volgende verhaal-fragment is uit het Oude Testament, maar dit verhaal leeft exact zo bij de Arabische volken.

Abraham en Sara krijgen steeds maar geen kinderen, hoewel God hen dat wel had beloofd. Beiden zijn al op hoge leeftijd. Sarah meent dat God bedoelde, dat Abraham wel vader van een kind zou worden, maar zij niet de moeder, vanwege haar hoge leeftijd. Daarom geeft zij Abraham toestemming om bij hun slavin Hagar een kind te verwekken. [[ Vanuit hun geloof zien de Joden hierin altijd, dat de God Jahve Sarah op de proef stelt en dat zij moet leren vertrouwen te hebben in de wil van God. Dat vertrouwen heeft Sahra niet meer en zij wil eigenlijk het lot manipuleren en zelf in eigen hand nemen.]]

Als Hagar zwanger is geworden van Ismaël verliest ze haar respect voor Sara omdat zij Abraham wel een zoon kon geven en Sara niet. Sara stuurt Hagar daarom weg naar de woestijn. Ze wordt daar door de engel Gabriël (bij de Arabieren Dzjibraïl) gevonden vlakbij een bron. Nadat Hagar op verzoek van de engel weer terugkeert naar Abraham en Sara baart ze haar zoon Ismaël, wat "God luistert" betekent.

Intussen is Sara toch ook zwanger geworden en baart ook een zoon, genaamd Isaäc. Als de jongens samen opgroeien, zijn ze onafscheidelijk. Maar Sara is jaloers op Hagar en meent dat Ismaël steeds voorgetrokken wordt. Abraham moet Hagar nu van haar verstoten. Hagar gaat met Ismaël wederom de woestijn in. Als het water op is, legt Hagar Ismaël onder een struik neer en gaat op een kleine afstand liggen om te sterven. God hoort Ismaël huilen en spreekt Hagar aan om verder te gaan met de jongen. Op dat moment ontspringt er een bron waardoor moeder en zoon gered worden. God voorspelt dat uit Ismaël een groot volk zal voortkomen “…zo talrijk als de sterren aan de hemel…..” Dat zijn dus de Ismaëlieten of te wel Arabieren.

[Tot deze Arabische volken behoren ook de Palestijnen. Nu begrijp je waarom in sommige Joodse kringen zo neergekeken wordt op Palestijnen. Deze stammen immers af van de zoon van een slavin, die werkte voor een Joodse familie!]

Mozes (ca. 1300 jaren vóór Christus)

Volgen we het Oude Testament ná Abraham, dan komen we ergens uit bij Mozes, die het joodse volk bevrijdde uit de slavernij. De joden waren immers de slaven van de Egyptische farao. Mozes leidde het joodse volk weg uit Egypte en gaf het volk de wetten, waarnaar geleefd moest worden. Die wetten stonden op stenen tafelen die Mozes van de God Jahve kreeg, op het moment dat Mozes zich op de berg Sinaï had teruggetrokken.

Het joodse volk was echter gewend meerdere goden te aanbidden en van deze goden afbeeldingen te hebben. Mozes had te horen gekregen dat Jahve de enige god was en dat de Joden van deze god zich geen beeldvoorstelling mochten vormen. Ze mochten zich dus niet voorstellen hoe hun god er uit zag. Daarom was Mozes zo boos en teleurgesteld, toen hij terug kwam van de berg Sinaï en zag dat het volk danste om een “Gouden Kalf”, een afgodsbeeld. Dat was een stap terug in de ontwikkeling, in plaats van vooruit! Het volk moest juist los komen van beeldvoorstellingen!

Je kunt het ook anders opvatten door te zeggen dat de Joden nu de taak kregen om het beeldloze, abstracte denken te ontwikkelen, omdat de tijd daar rijp voor was. Eén van de tien geboden luidt dan ook: “Gij zult u geen beeld vormen”.

De profeet Mohammed (ca. 600 n.C.)

Uit de Ismaëlitische stroom wordt rond 600 na Christus (!!) de profeet Mohammed geboren. Hij vestigt een nieuwe godsdienst: de Islam (het woord betekent “overgave aan god”). De Koran is het heilige boek. Volgens de Islamitische traditie zijn de woorden in de Arabische taal "neergezonden" aan Mohammed door God via de engel Gabriël (Ärabisch: Dzjibraïl). ◄

In de traditie van de Ismaëlieten of te wel de Arabieren, gold iets soortgelijks. Ook Mohammed spreekt (ook al zijn we nu 600 na Chr.) van één enkele god: Allah.

Er was altijd strijd tussen twee stromingen bij de Arabieren:



  1. de ene die zich voorstellingsbeelden maakte van bovenzinnelijke wezens en ook van god.

  2. en de andere stroming die dat afwees en het beeldloze, abstracte, logische denken nastreefde.

[Deze laatste stroming is duidelijk het sterkst. Niet voor niets ontwikkelden de Arabieren later de wiskunde, die wij algebra noemen. Daarbij reken je met letters, x, y, a, b, c waarbij je je niets concreets kunt voorstellen. Algebra is een Arabisch woord. De algebra hebben we aan de Arabieren te danken. Algebra vraagt dus en volkomen beeld-loos (=abstract) denken. Dat vinden sommige leerlingen héél moeilijk. Anderen zien daar juist een nieuwe uitdaging in!!]

Deze strijd zien we in de kunst terug. Bij de Islam zien we soms afbeeldingen van mensen, dieren, planten en voorwerpen. Maar meestal alleen maar zuiver geometrische (=meetkundige) figuren als versiering die niet tot doel hebben iets voor te stellen. Abstract dus. Beroemd zijn de Arabische vlechtvormen (arabesken).

Kenmerken van Arabische afbeeldingen:


  • Eindeloos herhalen van hetzelfde;

  • geen metamorfose (Een metamorfose is een geleidelijke vormverandering – zoals bij Escher. Dat zijn Arabische vlechtvormen dus niet!)

  • Er ontstaat niet ergens iets nieuws (zoals bij Escher wèl het geval is.) ◄



Hier alleen ter vergelijking links twee afbeeldingen van de beroemde Nederlandse kunstenaar M.C. Escher (1898-1972) Hier is sprake van een geleidelijke metamorfose (=vormverandering). De vissen (links) gaan geleidelijk over in vogels. En midden: de vliegende ganzen gaan geleidelijk over in stukjes weiland en omgekeerd. Uit de ene vorm ontstaat een andere. Dit gebeurt in de Islamitische kunst (rechts) dus nooit!
De Islamitische kunstenaar weet wel heel goed een sprookjesachtige sfeer te scheppen, ook al zien we alleen voorstellings-loos vlechtwerk in al even sprookjesachtige kleuren. Het zijn vaak tegels waarin de vormen doorlopen van de ene tegel naar de andere. Toch voelt de Islamitische kunstenaar zich bescheiden en klein. Daarom maakt hij altijd ergens op zijn schilderij expres een klein foutje. ………. Alleen Allah is immers volmaakt. Niet de mens. Dat zou veel te ijdel zijn! Vandaar.



Foto’s: Drie voorbeelden van arabesken

Islamitische gebouwen:


Het grote heiligdom te Mekka. Rechts: Heilige Kaaba te Mekka met duizenden pelgrims



Links (deel van) minaret (=hoge toren bij moskee) met vlechtversiering. Rechts: hier is in de versiering duidelijk te zien dat twee paarden zijn afgebeeld. Voorstellingen van mensen, dieren, planten en dingen komen sporadisch wel voor. Opvallend is de symmetrie.

De hier onder getoonde moskeeën zijn uit de nieuwere geschiedenis, maar ook hier herhalen de vormen zich eindeloos, zodat je er toch een beeld van krijgt, hoe de Islamitische wereld er uit zag in de periode vanaf 600-1500 n.Chr.





Moskee te Medina (niet uit de oude geschiedenis. Wel sprookjesachtig mooi.)



Links moderne moskee in Bahrein. Rechts biddende gelovigen. De richting is altijd gekeerd naar Mekka. Men bidt op tapijten om de aarde niet aan te raken tijdens het gebed.


Links: Ummayaden moskee te Damascus (Syrië). Rechts; Interieur van de Ummayaden moskee met het schrijn waarin als relikwie het hoofd van Johannes de Doper zich zou bevinden.
Wat is een moskee?

Een moskee is een plek waar een of meerdere moslims salat doen (=islamitisch gebed tot god). In principe is hier geen gebouw voor nodig. Er is nergens een omschrijving van hoe een moskee eruit moet zien. Het kan dus ook in de open lucht, wat in veel Arabische landen, waar het warm is, ook gebeurt.


De minaret

Minaret wordt omschreven als: “toren om te markeren”, “plaats van licht”. Minaret is in het Arabisch afgeleid van noor. Noor betekent licht en de minaret is symbolisch de plek van het licht van het geloof.


Sajdeh en masjid

Het Arabische woord voor moskee is masjid en betekent “plaats van sajdeh.” Sajdeh betekent met het voorhoofd een paar seconden of minuten op de grond steunen. Men mag alleen voor God sajdeh doen en niet voor mensen of beelden.

De grond waarop gebeden wordt, moet schoon zijn en moet niet gestolen zijn of met dwang van de eigenaar afgepakt zijn. Men moet toestemming hebben om er te bidden, wil men dat het gebed door god geaccepteerd wordt.

Men moet wel in de richting van Mekka en de Kaaba staan en als er meerdere mensen samen bidden zal de meest vrome van allemaal de voorganger zijn.


Mihrab en Minbar

Elementen van een moskee:



  • de mihrab de plek waar de voorganger bidt

  • minbar, de plaats waarop de imam zijn toespraak houdt, zijn ook later aan moskee architectuur toegevoegd.




Foto: Mihrab (midden) en minbar met trap (rechts)

Les 1


1-1 1-2 1-3


1-4 1-5 1-6


1-7
Les 2


2-1 2-2 2-3

2-4 2-5 2-6












De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina