I ventilatie (aan- en afvoer V lucht nr de alveolen) a spieren (mechanica)



Dovnload 85.78 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte85.78 Kb.
Ademhaling

I Ventilatie (aan- en afvoer v lucht nr de alveolen)

A Spieren (mechanica)

inademen :

2 stapsproces :


  • luchtwegen zijn dicht: longen openrekken: thorax vergroten zonder dat er lucht in de longen komt ↑ volume  P ↓ want P * V = constante (Boyle-Mariotte)

  • luchtwegen open: lucht van mond en neus naar longblaasjes (lage druk)

treden samen op
spieren:

  • middenrif of diafragma: (tekening)
    diafragma trekt samen: alle dimensies vd thorax ↑

  • intercostaalspieren (minder belangrijk)
    - externe intercostaalspieren

uitademen:

2 stapsproces:


  • gesloten luchtwegen nl aanwezige lucht in kleiner volume  P ↑ in longblaasjes

  • luchtwegen gaan open en lucht stroomt van hoge naar lage druk

inademspieren ontspannen (uitgerokken veer neemt oorspronkelijk volume aan) = passief

uitgezonderd


  • bij inspanning: heel veel lucht op korte tijd naar buiten

  • bij vernauwde luchtwegen vb astma

  • bij gecontroleerde uitademing vb spreken, zingen, lachen, hoesten, niezen, bevallen

spieren:

  • intercostaalspieren:
    - interne intercostaalspieren

  • buikspieren: duwen middenrif omhoog  thorax wordt verkleind


B Longvolumes

via spirometer gemeten = bokaal met water onderaan, lucht bovenaan

inademen: lucht in longen dus deksel naar beneden

uitademen: dus deksel naar boven, pen naar beneden: registreren


(curve)

normaal ademen  maximaal in  maximaal uit  normaal

Volumes:


  • teugvolume= max. hoeveelheid lucht die we bij rustige ademhaling in en uit ademen = 0,5liter

  • inspiratioir reserve volume: maximaal volume gas dat kan ingeademd worden vanaf de eind-inspiratorische positie (of na rustig inademen)

  • expiratoir reserve volume: maximaal volume gas dat kan uitgeademd worden vanaf de eind- expiratorische positie (na rustig te hebben uitgeademt)

  • residueel volume: achterblijvend volume gas na maximale expiratie (niet te bepalen met spirometer)

Capaciteiten:

  • inspiratoire capaciteit: som van het inspiratoir reserve volume en het teugvolume

  • functionele residuele capaciteit (FRC): hoeveelheid lucht in de longen na rustige inspiratie(= 2,5l= heel veel) (niet te meten met spirometer); = expiratoir reserveV + residueelV
    meeste lucht(2,5liter) blijft in de longen  gassamenstelling verandert weinig bij in en uitademen

  • vitale capaciteit: som van expiratoir reserve volume, teugvolume en inspiratoir reserve volume

  • totale longcapaciteit: totaal gasvolume in het respiratoir systeem na maximale inspiratie(niet te meten met spirometer)

als van alle waarden de helft  1 long is weggenomen


C Dode ruimte

= delen vd long waar geen gasuitwisseling optreedt omdat er geen aangepast epitheel aanwezig is

Neus, keel, mond, trachea, bronchi: met kraakbeen in de wand, bronchiden: zonder kraakbeen

tot generatie 16 = terminale bronchiolen: dode ruimte


belang: 0,5l lucht inademen, waarvan 150ml blijft zitten in de dode ruimte  slechts 350ml
functie:

  • transport van lucht naar zones waar wel gasuitwisseling optreedt

  • verwijderen van stof uit de lucht: via trilharen en slijm  naar keelholte  inslikken of uitspuwen

  • lucht op lichaamstemperatuur brengen

  • waterdamp wordt toegevoegd aan de lucht
    gevolg: woestijn: zeer droge lucht : 760 mmHg, 21% O2(160mmHg), 79% N2( 600mmHg)
    in longen water toevoegen  spanning van 47 mmHg
    gevolg: totale druk Δ niet
     O2 en N2 heeft nog 713 mmHg nl 150 mmHg O2 en 563 mmHg N2

Besluit: door toevoegen van H2O damp zal P(O2) in lucht ↓
D Ventilatie

=hoeveelheid lucht die we per tijd uitademen (meer lucht inademen per tijd dan uitademen)

V (met punt erboven!!)

reden: scheikundige reacties verbuiken meer zuurstof dan dat er CO2 gevormd wordt

totale ventilatie: ( 12 x uitademen per minuut)

VT = 0,5 L x 12/min = 6 L/min

alveolaire ventilatie = hoevh lucht die we per tijd uitademen afkomsting van de longblaasjes

VA = 0,35 L x 12/min = 4,2 L/min


E Elasticiteit van de long

na wegnemen van kracht wordt oorspronkelijke volume opnieuw aangenomen


1 Druk volume curve

proefdier: longen verwijderen,

longen aanbrengen in bokaal

onderaan bokaal opening

aan opening vacuüm pomp om luchtledig te zuigen = onderdruk creëren

hierdoor wordt de long naar buiten getrokken en wordt er lucht aangezogen

lucht stroomt weer weg  long wordt weer kleiner

(tekening) (curve X: druk in bokaal (P) Y: volume (V))


opm: * 2 curven verschillen = hysterese (opblazen is verschillend van leeglopen)

hysterese treedt niet op als de long gevuld wordt met water

* er blijft een hoeveelheid lucht in de longen aanwezig = minimale longvolume
reden: als longen kleiner worden gaan de kleine luchtwegen dichtklappen, lucht die zich distaal
bevindt kan niet meer naar buiten

drukken worden uitgedrukt in “cm water” , steeds negatieve drukken op x-as


2 Compliantie (C)

= rekbaarheid, wordt bepaald bij het uitademen

definitie: verandering van volume / de verandering van druk = ΔV/ΔP = rico vd curve

(curve)


rico is afhankelijk vh longvolume: klein V : compliantie is groot

groot V : “ “ klein: rekbaarheid wordt 0 want collageen


vezels komen onder spanning en kunnen niet uitrekken

reden: goed uitrekbare cellen, elastische vezels en extra cell matrix


olifant vgl met muis: ΔV bij olifant= groot  compliantie is groot

ΔV muis = klein  compliantie is klein

hierdoor nieuw begrip: specifieke compliantie= compliantie/longvolume = C/ V

bepaald volume kiezen: V = FRC

dus olifant: grote C en grote FRC en muis: kleine C en kleine FRC

 specifieke compliantie = dezelfde

dit laat toe om longvolumes van volwassenen en babies te vergelijken (! in de geneeskunde)
3 Oppervlaktespanning (vaak examenvraag)

a) wet van Laplace

(tekening longblaasje)

oppervlaktespanning (T) =

watermoleculen in de rand staan in contact met lucht  gaan elkaar aantrekken

gevolg: longblaasje wordt heel klein en knijpt op lucht die centraal is = druk (P)


Wet van Laplace: P= 2 x T

r
b) surfactant (examenvraag: wat zijn de 3 functies)

def: laagje dat zich langs de binnenkant van het longblaasje bevindt, bestaat uit eiwitten en vetten

(vergroting van vetmolecule(= glycerol) in vorige tekening)

DPPC = dipalmitoyl fostatidyl palmitoïne choline zit met 2 vetzuren in lucht en met fofatidylcholine in waterfilm

functie:



  • T ↓ omdat de negatieve fosfaten elkaar afstoten hierdoor gaan de watermoleculen elkaar minder aantrekken hierdoor daalt de oppervlaktespanning (long laat zich gemakkelijker openrekken)
    belang:essentieel om onze longen met lucht te vullen

  • r ↓  T↓ want als r ↓ worden de DPPC molec op elkaar gedrukt, ze gaan elkaar afstoten dus de watermolec trekken elkaar minder aan dus daalt de oppervlaktespanning
    (tekening)
    T is constante

    kleine longblaas grote druk, grote longblaas druk daalt, kleine druk stijgt nog dus


    kleine klapt dicht = delectase
    grote wordt nog groter = emfyseem

    (tekening)


    P= constante

    geen drukverschil  geen luchtstroom van kleine naar grote alveolen, ze kunnen dus naast elkaar blijven bestaan



  • droogblijven van de alveolen
    (tekening)

    in bloedvat grote P, rond bloedvat kleineren P (hydrostat druk)


    dit drukverschil perst vocht uit het bloedvat (~ nier)

oppervlaktespanning (T) zorgt dat P rond het bloedvat ↓
gevolg hydrostatisch drukverschil ↑  er wordt meer vocht uitgeperst  alveool
 geen zuurstof meer opnemen
door het ↓ van T (zie functie 1) zal de long droog blijven

zonder surfactant is ademen onmogelijk

belang: bij premature baby’s, vanaf 20 weken begint de surfactant productie, ↑ tot 35 weken,
35-40weken= constante
 baby van 20 weken: geen surfactant, kan niet ademen
F Luchtstroom

1 Patronen

(tekening luchtmoleculen)


luchtmoleculen bewegen kriskras door elkaar, meer molec van hoge naar lage concentratie= diffusie


volledige pakketje wordt door een uitwendige kracht verplaatst = massatransport van hoge naar lage druk

a) massatransport: mechanisme van ventilatie in geleidende luchtwegen.

3 patronen:


  • laminaire stroming:
    (tekening)


kenmerken:


verschillende pakketten lucht bewegen mooi langs elkaar (grootte vd rechthoek geeft de snelheid weer) van hoge naar lage druk.
centraal stroomt de lucht sneller
debiet (V/tijd= V met punt) ~ ΔP

  • turbulente stroming (tekening):

kenmerken:


de verschillende luchtlagen bewegen kriskras door elkaar (is niet diffusie: moleculen)
centraal stroomt de lucht niet sneller
debiet ~ wortel (ΔP) voor zelfde ΔP zal V/tijd kleiner zijn

  • transitionee (tekening)l:

    bepaalde lagen laminair anderen turbulent



welke in de luchtwegen? bereken door het Reynoldsgetal

turbulent (bovenste luchtwegen)  transitioneel  laminair (kleinste luchtwegen)


opm als dwarse diameter ↑ zal de stroomsnelheid ↓


totale dwarse diameter ↑ doordat aantal ↑  stroomsnelheid ↓

gevolg: heel diep in de longen: dwarse diameter zo groot dat de stroomsnelheid heel traag wordt hierdoor is massatransport niet meer efficiënt


b) diffusie

heel efficiënt in de longblaasjes (itt massatransport) waar massatransport te traag is om nog efficiënt te zijn door grote totale luchtwegopp. Hier gebeurt ventilatie via diffusie

geschikt om hele kleine afstanden efficiënt te overbruggen maar niet efficiënt voor grote afstanden
2 Luchtwegweerstand

Weerstand wordt veroorzaakt door de wrijving tussen bewegende luchtlagen en hangt dus af van viscositeit van lucht, lengte en de straal luchtwegen. R= 8 x ‘eta’ x L

π x r^4

chronisch obstructief longlijden:



  • chronische bronchitis: vernauwing vd luchtwegen door de ontsteking

  • astma: spierlaag in de luchtweg is te dik en trekt te sterk samen hierdoor diameter ↓

  • emfyseem: longblaasjes gaan kapot  minder veren die de luchtweg openrekken, luchtweg verschrompelt en wordt kleiner

allen te hoge weerstand van de luchtwegen
a) lokalisatie

(curve: Y: R, X: generaties 1- 16)


eerst stijgen:

R= 8 x ‘eta’ x L

π x r^4


 R ~ 1 / r^4

dan dalen :

parallele weerstanden : 1/ R(tot) = 1/ R + 1/R …

n ↑  R(tot) ↓

gevolg: weerstand van al onze luchtwegen meten, dan meten we vooral de weerstand van de grootste
luchtwegen (zij dragen het meest bij)

belang: rokers: enkele jaren: kleinste luchtwegen vernauwen  meting: nauwelijks te zien watn dragen


weinig bij
b) beïnvloeding (! niet verwarren met de weerstand van de BV)

door:


  • longvolume: de weerstand daalt naarmate de long groter wordt omdat het longweefsel de bronchiolen opentrekt. Patiënten met vernauwde luchtwegen ademen met grote volumes
    (curve) V ↑  R ↓


verkl: luchtwegen worden opengerokken door de veren van de long, grote volumes opengerekt door de veren


astma:
(curve)

aanval: ademen bij grote volumes (met opgezette borstkas) V doen ↑ hierdoor R ↓



  • tonus vd gladdespieren id wand vd luchtwegen:
    factoren die leiden tot contractie vd luchtwegen  R ↑
    * paracellulair (Acholine)
    * leukotriën (< arachidonzuur) en histamine ( ! bij astma, vrijzetting door mastcellen bij allergie)
    * irritantia (vb sigarettenrook) door samentrekking wordt verhinderd dat deeltjes te diep in de
    long gaan
    * PA(CO2) ↓ : alveole krijgt geen bloed meer
    (tekening)

    gevolg: verstopping: geen aanvoer meer van CO2  PA(CO2) ↓


     contractie  luchtweg dicht

    factoren die leiden tot dilatatie vd luchtwegen  R ↓


    * progesteron en adrenaline (< bijnier) werkt in via β2-adrenerge receptoren
    mogelijke behandeling van astma aanval: β2 agonisten, stoffen die parasymp ZS onderdrukken, blokkers vd leukotriën receptor, stoffen die vrijzetting v histamine door mastcellen onderdrukken


G Drukken tijdens ademen
(tekening)
P= 0 cm H2O betekent 0 cm verschil met atmosfeerdruk

V(punt) = ΔP/R


ΔP = V(punt) x R

1 Alveolair

(curve: X: tijd; Y: alveolaire druk)

1 ademcyclus 60/12 = 5 nl 2 inademen, 3 uitademen
als debiet = 0 (geen luchtstroom) ΔP = 0 : vlak voor we inademen, na 2 seconden, na 5 seconden

inademen: V ↑ en P x V = cte =>P ↓

uitademen V ↓ en P x V = cte =>P ↑
ΔP = V(stip) x R
uitademen: R ↑ nl dichtdrukken luchtwegen dus ΔP ↑ => ΔP ↑ is groter dan ΔP ↓ bij inademen
2 intrapleuraal

(curve) (tekening)

uitademen: aan spuit trekken: ° onderdruk, long trekt zoals spuit naar binnen

intrapleurale druk ↑, pleurale druk = -5


inademen: thorax wordt groter hierdoor trekt de long naar binnen, intrapleurale druk ↓ (negatieve druk binnen het longblaasje trekt ook => de pleura wordt 0,8 cm meer negatief), pleurale druk = -7
einde inspiratie:

longblaasje wordt nog groter, veer is nog meer uit gerokken, pleurale druk = -8

reële curve: resultaat van PA en PIP
II Pulmonale circulatie

(tekening bloedsomloop)


long heeft 2 circulaties:



  • bronchialecirculatie = nutritief: voedsel en zuurstof aanbieden  luchtwegen
     pleura
     slokdarm is niet absoluut nodig (bij longtransplant niet hersteld)wordt overgenomen dr andere circulaties

  • pulmonale circulatie: in serie met systeemcirculatie


A Kenmerken

1 debiet

idem als syteemcirculatie owv serieschakeling: rust 5-6 L/min en inspanning 30L/min


2 druk

aorta:100mmHg einde systeemcirculatie: 0mmHg

=> verschil van 100mmHg

arteria pulmonalis: 15 mmHg einde pulmonalecirculatie: 5 mmHg

=> verschil van 10mmHg

pulmonalecirculatie is lage druk circulatie

gevolg: BV veel dunwandiger dan in systeemcirculatie
3 weerstand

a) grootte

hoevh bloed door BV = Q (punt)

Q = ΔP/R


systeem en pulmonale: zelfde debiet

ΔP pulmonale 10xkleiner

=> R moet ook 10xkleiner zijn

pulmonale bieden minder weerstand:

verkl:


  • arteriolen (meeste weerstand) zijn in systeemcirculatie gecontraheerd↔ pulmonale: gedilateerd want endotheel induceert veel relaxerende stoffen vb NO, prostacycline

  • pulmonalecirculatie bevat veel meer parallel geschakelde BV: n↑  R(tot) ↓

b) beïnvloeding



  • bloeddruk: ↑  R ↓
    regeling gebeurt thv capillairen. bij lager bloeddruk zijn bepaalde capillairen gesloten
    bloeddruk ↑: capillair gaat open = recrutering, wat al open was gaat meer open = distentie

  • longvolume:
    extraalalveolaire bloedvaten worden opengerokken en daardoor R ↓
    capillairen worden platgedrukt daardoor R ↑

  • zuurstofspanning (PAO2):
    ↓  samentrekking van kleine arteriolen = hypoxische pulmonale vasoconstrictie
    belang: 2 voorbeelden
    * op grote hoogte: luchtdruk ↓: ook zuurstofspanning ↓ in de lucht en dus in alveolen
    => bloedvaten trekken samen
    * zuurstofspanning komt vanuit de omgeving, niet vanuit bloed
    als luchtweg verstopt geraakt (tumor, verslikken)
    gevolg: er komt geen zuurstof meer binnen  zuurstofspanning daalt  kleine arteriolen trekken
    samen owv hypoxische pulmonale vasoconstrictie
    belang: als er geen lucht meer komt, ook geen bloed meer sturen, zodat bloed enkel naar “nuttige”
    alveolen
    (tekening)



B Functie

  • uitwisseling van O2 en CO2 gebeurt in pulmonalecirculatie

  • voeden van alle delen v long die voedsel niet via bronchiale circulatie krijgen

  • filterfuntie
    (tekening)

    als bloed stolt in ader = thrombose


    stukje dat van de klonter loskomt = embool, wordt meegesleurd met het bloed, komt terecht in het hart, arteria pulmonalis, pulmonairecirculatie, klonter blijft steken => long filtert klonters
    belang:
    * voordeel: klonter komt niet in het linker hart terecht => niet in aorta => niet in de coronairen =>
    niet in de hersen BV
    als wel: hartinfarct, beroerte
    * nadelen:
    - als klonter: deel van long krijgt geen bloed, moeilijker O2 en CO2 uitwisselen
    - als hele grote klonter: blijft eerder steken => stop in circulatie => hersenen krijgen geen
    bloed meer
    thrombose is zeer gevaarlijke complicatie


III Diffusie

uitwisseling van O2 en CO2 tussen lucht en bloed


A Respiratoire zone

= generatie 17, respiratoire bronchiolen : generatie 17,18,19, ductuli alveolaris : 3 generaties en sacculi alveolaris : 1 generatie

alveolen nemen toe van boven naar beneden
B Wet van Fick
= volume gas dat per tijd diffundeerd door barrière = A xD x ΔP

T

Met: ΔP = druk, A = area, T = thickness, D = oplosbaarheid/ wortel(MolGewicht)



oplosbaarheid van CO2 is groter dan van O2:

voor eenzelfde gasdebiet zal de drukgradiënt veel kleiner zijn voor CO2 dan voor O2


1 diffusieoppervlak

= A = contactopp tss functionerende alveolen en functionerende capillairen


vb verslikken, vreemd voorwerp in long => geen lucht meer => diffusie opp valt terug op de helf

groot embool, deel van long geen bloed: ↓ diffusie opp

inspanning: long recrutering van capillairen: meer bloed stroomt door longen: diffusie opp ↑

besluit: diffusie opp is geen constante maar kan voortdurend variëren


2 diffusiebarrière

= T


(tekening)

lucht-
surfactant-


cellen wand longblaasjes-
basalemembr-basalemembr-endotheelcellen-plasma- memb RBC- cytoplRBC bloed
barrière is dun behalve bij:

stoflong: duivenmelker allergisch aan duiven, mijnwerker, asbest


stof zet zich af tss de 2 basale membranen
=> minder gas diffundeert per tijd
3 diffusiecapaciteit

=(A/T) * D =(volume gas /t ) *ΔP

makkelijk te bepalen door CO in zeer lage concentratie, tijdje laten inademen, kijken hoeveel volume per tijd is ingeademd en delen door drukgradient = diffusiecapaciteit voor CO

vb stoflong: dikte barriere ↑ ↓ diffusiecapaciteit


4 alveolaire gasspanning (ΔP)

a) PACO2 = alveolaire CO2 spanning

wat bepaalt de CO2 spanning in het longblaasje: 2 factoren:

- aanvoer van CO2 uit bloed ~CO2 productie


 PACO2 ~CO2 productie

- snelheid waarmee CO2 afgevoerd wordt ~alveolaire ventilatie

 alveolaire ventilatie ↑, CO2 spanning ↓
(tekening)

formule: PACO2 ~ CO2 productie/ VA

CO2 spanning in alveolen: - 40mmHg bij mannen, vrouwen in 1e helft vd cyclus,
- in 2e helft van de cyclus ademt de vrouw meer door meer progesteron
noemer wordt groter  CO2 spanning daalt (tot 37mmHg),
- zwangere vrouwen: veel progesteron door placenta  sneller ademen 
CO2 spanning daalt nog meer
b) PAO2 = alveolaire zuurstofspanning

(tekening)


- aanvoer van O2 uit de omgeving  alveolaire O2 spanning ~ O2 spanning in de ingeademde(PIO2)


lucht
- snelheid waarmee O2 verdwijnt uit de alveool naar het bloed  daling O2 spanning

formule: PAO2= PIO2 - PACO2 (benaderende formule)

normale waarde: 100mmHg
C Gasuitwisseling

1 O2

(tekening) longblaas met capillair


rust :het bloed heeft 0,75seconden nodig om van links naar rechts te stomen = tijd contact tss bloed en


lucht

inspanning: 0,25 seconden

(curve)

- zuurstof diffundeert naar bloed  zuurstofspanning ↑, telkens verse O2 ingeademd dus zuurstofspanning in de alveool blijft constant



Besluit: heel zware inspanning en bloed slechts 0,25s in longen: voldoende tijd om O2 op te nemen
- pathologie: stoflong (rood): persoon in rust: geen probleem, alle O2 wordt opgenomen
zware inspanning: O2spanning is 60mmHg

Besluit: O2 tekort bij zware inspanning  stopzetten vd inspanning

(curve) op grote hoogte ↓ atmosfeerdruk (vb Himalaya 1/3 van België)

↓ zuurstofspanning  ook daling zuurstofspanning in de alveool (vb 50mmHg)


- zuurstofspanning in aankomende bloed in de long is ook lager (vb 20mmHg), ΔP↓ => gasdebiet↓ => trager diffusie: 0,50 seconden

- zware inspanning op grote hoogte: 0,25s is onvoldoende om alle O2 op te nemen  ° O2-tekort: inspanning stopzetten

- na langer verblijf : gewenning

- pathologie: stoflong/duivenmelker op grote hoogte: in rust: onvoldoende O2 opname

 °O2-tekort: * extra O2 inademen (zuurstoffles)

* terugkeren naar zeeniveau


2 CO2

(tekening+ curve) longblaasje


aankomend bloed:45mmHg CO2spanning

alveool: 40mmHg CO2spanning

 kleine gradient (5mmHg): voldoende om heel veel te laten diffunderen want diffusieconstante is veel groter voor CO2

CO2 spanning in alveool blijft 40

CO2 spanning in bloed ↓


zware inspanning: bloed slechts 0,25s in contact met lucht: voldoende tijd

-pathologie: stoflong: gas diffundeert trager: rust: voldoende tijd

inspanning: onvoldoende tijd  CO2 accumuleert in bloed
IV Gastransport in bloed

A O2

proefbuis met bloed + verschillende hoeveelheden O2

- [O2] meten

- O2 spanning meten (PO2)

(3curven)
grafiek 1 totale [O2] : opgeloste O2 + O2 gebonden aan Hb

opgeloste [O2]:kleine hoeveelheid

grafiek 2 verschil: O2 gebonden aan Hb

zeer veel O2 toedienen : slechts kleine ↑ in de curve : zuurstof capaciteit

grafiek 3 zuurstof saturatie bij 40mmHg / zuurstofcapaciteit: 75 %

100 mmHg / zuurstofcapaciteit: 97,5%

alle 3 : zuurstofdissociatiecurven

interpretatie:

grafiek 1

100mmHg: situatie in longen: longgedeelte= horizontaal

meer ademen: CO2 spanning ↓, O2 spanning ↑, [O2] verandert niet

100mmHg naar weefsels


40mmHg:vb spier: bloed kan minder O2 binden= weefseldeel
 verschil op Y-as wordt afgegeven aan de weefsels

Belang: in aantal omstandigheden verschuift de curve naar rechts: long: spanning is 100: nog steeds evenveel O2 opname

weefsels: spanning 40: minder O2 binden
 verschil op Y-as wordt afgegeven = meer

rechtsverschuiving:


- Temperatuur ↑

- pH ↓(Bohr-effect)


- DPG ↑ : - grote hoogte

- zwangere vrouw: placenta: meer O2 aan baby

 O2 wordt makkelijker afgegeven aan de weefsels
B CO2

- opgelost: grotere fractie dan opgeloste O2

- gebonden aan HCO3-:

(tekening)

ka

CO2 → CO2 + H2O ↔ H2CO3 ↔HCO3- + H+, H+ + Hb →Hb-H (buffering door Hb zonder zuurstof)



↓ ↓

HCO3- Cl-


- carbamino-Hb:

Hb-NH2 + CO2 ↔ Hb-NH-COOH ↔ NH-COO- + H+ , H+ + Hb → Hb-H


CO2 dissociatiecurve:

CO2 curve steil steigend, geen plateau

[CO2] > [O2]: belangrijk voor pH-homeostase (HCO3- ←CO2) Bloed zonder O2 kan meer CO2 binden

Haldane effect: curve naar links : O2 ↓, CO2↑


verklaring: - beter protonen bufferen: meer HCO3- vormen

- beter protonen bufferen: carbamino-Hb vormen => ↑ CO2 transport


V Regeling

A Ademhalingscentra

controle door herstenstam: verschillende centra werken samen: ritmische activering van ademspieren

verschillende centra= centrale patroongenerator: gecontroleerd door 2 centra:


- hersenschors (cortex) vb even niet ademen, te veel ademen, spreken, zingen, fluiten, zuigen

- hypothalamus en limbisch systeem: Δ door emotie

opm: controle is beperkt bv geen zelfmoord plegen door beslissen niet meer te ademen
B Receptoren

aanpassen aan de noden van het moment



1 Chemoreceptoren
receptoren die de chemische samenstelling vd omgeving gaan detecteren

a) centraal: in de hersenen


↑ [CO2]: vasodilatatie: door bloed hersenbarrière → cerebrospinaalvocht: pH ↓
dus ook ↓ pH in hersenvocht: hier receptoren= centrale chemoreceptoren: detecteren pH
→ doorseining naar ademhalingscentra: ↑ ademhaling om CO2 uit te ademen

opm: 1) traag systeem 5-10 min

2) zeer gevoelig: reden: zeer weinig buffers in cerebrospinaalvocht => zeer sterke beïnvloeding
door ↑ CO2

3) adaptatie: na 6-12u wordt pH weer normaal want serebrospinaal vocht stapelt H2CO3 op=base


b) perifeer: buiten de hersenen

Carotislichaampjes: kleine structuren thv halsslagader-splitsing

detecteren 1) CO2↑ (~centraleR): weinig gevoelig: vanaf 40→50 mmHg

2) O2 ↓ (↔ centraleR)

3) pH ↓ bloed (↔ centrale R)

 ↑ ademhaling


verschillen: perifere

- reageren op veel meer

- zijn veel minder gevoelig

- werken zeer snel (binnen de seconde)

- invloed op hart en bloedvaten
2 Rekreceptoren

detecteren uitrekken van de long, zitten in de spieren vd luchtwegen

effect: vanaf bepaald volume zal inademen stoppen om terug uit te ademen = Hering-Breuer-reflex

komen niet tss tijdens rustig ademen maar enkel bij inspanning

3 Receptoren in spieren/ gewichten in armen en benen detecteren beweging

ademhaling ↑

opm: AH↑ bij actieve beweging maar ook bij passieve beweging (iemand beweegt je armen of benen)
C Geïntegreerde responsen

1 CO2

belangrijke regulator v AH

CO2 wordt constant gehouden dus O2 wordt ook constant gehouden

PAO2 = PIO2- PACO2

curve


CO2 ↑ → meer ademen

CO2 ↓ → minder ademen, niet stoppen


CO2 curve wordt beïnvloed door O2

O2↓ → meer ademen


steilere curve
kleine Δ CO2: ! Δ AH

 CO2 is ! regulator


2 O2

curve


< 60mmHg: ↑ AH

kleine Δ O2spanning: weinig Δ AH

 O2 minder !

wordt beïnvloed door CO2

CO2 ↑: ↑ AH
kleine ↓ O2 spanning wel grote Δ
op grote hoogte wordt O2 wel belangrijk :

(schema)

gevolg: AH neemt slechts beetje toe omdat de centraalR de AH onderdrukken
enkele uren op grote hoogte:

pH ↑ in cerebrospinaalvocht wordt ongedaan gemaakt  wegvallen v onderdrukken van AH



3 inspanning ! examenvraag

(4 curves) ergofiets

in het oor bloednemen ~arterieel bloed → apparaat: O2spanning, CO2spanning, pH

verkl ↑ AH: 1) bewegen v armen en benen

2) inspanning = rechtstreekse prikkel naar AHcentra

AH↑ na opdracht geven, voor inspanning begon


heel felle inspanning: anaërobe drempel

spieren moeten zo’n inspanning doen zodat ze melkzuur produceren

 pH bloed ↓ = stimul AH ↑  CO2 ↓

formule: PAO2 = PIO2- PACO2



↑  cte ↓



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina