‘ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent…’



Dovnload 28.74 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte28.74 Kb.

‘IK LAAT U NIET GAAN, TENZIJ GIJ MIJ ZEGENT…’


We ontmoeten elkaar toevallig op de commerciële trouwbeurs in Brugge, een paar jaar terug. Zij lopen er wat verloren rond, en verkijken zich een beetje op alles wat daar aan de bezoekers wordt aangeprezen om ‘goed’ te kunnen trouwen. Wij zijn daar sinds enkele jaren ook, met onze stand van Gezinspastoraal, waarmee we heel bescheiden ‘aanwezig’ willen zijn, zonder de minste bijbedoeling om ook maar iets aan te prijzen of te ‘verkopen’…

Ik spreek hen in het voorbijgaan aan met dezelfde vraag waarmee ik elk koppel dat passeert even benader : ‘Excuseer, mag ik even vragen of jullie van plan zijn om voor de Kerk te trouwen..?’ Ze glimlachen even, kijken mekaar wat schichtig aan, en schudden aarzelend van neen – ‘Dat kan immers niet, meneer, want wij zijn allebei gescheiden…’. Ik zeg dat ik niet wil aandringen, maar dat ik hen toch nog wil meegeven dat zij niet te snel mogen concluderen dat de Kerk dan niets voor hen kan doen. En dat er misschien toch mogelijkheden zijn waar ze wellicht geen zicht op hebben…

Hun gezicht klaart even op. Ze luisteren gretig, en stelen de woorden haast uit mijn mond als ik vertel wat ik als priester op dat vlak reeds heb meegemaakt. Ze vragen op de duur honderduit tot ik hen het advies geef eens rustig op zoek te gaan naar een kerk of kapel waar zo’n viering zou kunnen plaats vinden, en naar een voorganger die er met hen zou willen aan werken.


Het kan niet en mag niet…
Kort daarop krijg ik een telefoontje. Christel laat horen dat ze die dag zelf nog op zoek zijn gegaan naar een kerk. En toen ze die gevonden hadden, hebben ze maar meteen bij de pastoor aangebeld, en hem vrijmoedig al hun vragen en verlangens voorgelegd. Maar…wij zijn daar geen tien minuten binnen geweest, vertelt ze heftig. Want die pastoor zag dat helemaal niet zitten. Hij was heel kortaf en legde ons meteen een hele waslijst voor van alle zaken die in zo’n viering zeker niet konden, en zei dat dit alleszins geen openbaar gebeuren mocht zijn – de Kerk verbiedt namelijk zo’n zegening van een tweede relatie uitdrukkelijk, dat zouden mensen als jullie toch moeten weten!

En ja, toen stonden ze weer op straat, als twee stoute kleuters die onbeschaamd ‘bellekentrek’ hadden gedaan bij een pastoor. En stel je voor, zegt ze : wij hebben daar nu de hele nacht niet kunnen van slapen, zo ontgoocheld zijn we omdat onze droom voor de zoveelste keer als een zeepbel zal uiteenspatten. Naar ‘Rent a Priest’ willen ze niet (die stonden daar nochtans ook op de beurs, maar da’s voor ons niet serieus genoeg…). Of ze eens een avond met mij mogen komen verder praten, want dat ze toch wel deugd hebben gehad van dat contact in Brugge. En of ze misschien mogen vragen of ik niet kan voorgaan in zo’n viering waar ik zo enthousiast heb over verteld..?


Een Schriftverhaal als positiebepaling…
We zitten een eerste keer samen, een paar weken later bij mij thuis. Christel en Robert (twee veertigers) vertolken eerst nog eens voluit hun diepe ontgoocheling over het mislukte contact met die pastoor. En dan beginnen ze te vertellen over zichzelf : wie ze zijn en wat er voorheen allemaal met hen is gebeurd. Waarna we bij een glas wijn samen aan de slag gaan om hun geplande viering een eerste keer voor te bereiden.

Ik heb onderhand wel geleerd dat het er daarbij in de eerste plaats op aan komt ruimte te scheppen, en van meet af aan een ‘vrijplaats’ te creëren waarin wellicht één en ander mogelijk is. Het is precies dat gebrek aan ruimte, dat gevoel van ‘de adem afgesneden’ te zijn, dat hen zo zwaar viel in hun vluchtige contact met de pastoor van de parochie waar ‘het’ niet kon. Zelf vertrek ik bij zo’n voorbereiding het liefste van een Schriftverhaal, dat ik eerst rustig aan de kandidaat-trouwers voorlees. Ik vraag hen eerst voorzichtig of dat mag – en bijna nooit wordt dit aanbod geweigerd of afgewezen (wel vaak op wat onwennigheid onthaald).


De plaats waar je staat is heilige grond…
Dit uitgangspunt plaatst hen meteen op ‘heilige grond’, zonder dat ze het gevoel moeten krijgen direct bij de kraag of bij de keel gevat te worden en bij wijze van hold-up meteen in de Heilige Katholieke Kerk te worden binnengesleurd en ingelijfd. En vooral : een verhaal laat zoveel meer ruimte – als voorganger én als koppel - om de eigen positie te bepalen. Als ik meteen was begonnen met op te sommen hoe het kerkelijk recht in deze in elkaar steekt en wat de sacramentenleer over het huwelijk allemaal te zeggen heeft, of hen vermanend en betuttelend had toegesproken als vertegenwoordiger van het officiële instituut en bewaker van de goede zeden, dan was het waarschijnlijk al bij voorbaat een verloren zaak geweest. Om het wat simpel te zeggen : je kunt als ‘pastor’ beter met de vertrouwde herdershond op zoek gaan naar het verloren schaap, dan met een waakhond, een wapenstok en een halsketting - me dunkt…
Ik leg hen voor de gelegenheid het Schriftverhaal voor uit Lucas 13,3-9 - de parabel van de onvruchtbare vijgenboom – en geef hun onderstaande commentaar mee, met de opdracht mij tegen de volgende keer te vertellen hoe zij de ‘rolverdeling’ zien voor het heilige ‘spel’ dat we straks in de zegeningsviering willen gaan opvoeren. Zij moeten daar thuis eens rustig over ‘door-bomen’(!), zeg ik, en zichzelf als koppel ergens in het verhaal situeren. En ze mogen mij gerust ook een rol toebedelen – ik zal dan een volgende keer wel zien of ik daar mee kan instemmen of niet…

De dood in camouflagepak…
Er worden in deze parabel drie personages uitgetekend.

Allereerst is er de eigenaar van de wijngaard. Een nette heer in ‘chique’ outfit : hemd, das en maatpak-met-streepjes. Op zijn inspectietocht blijft hij ineens nadrukkelijk bij die éne vijgenboom staan temidden van zijn onmetelijk grote wijngaard, waarin nochtans zoveel druivelaars zijn die het echt hèèl goed doen. En hij stelt meteen fundamentele vragen bij het bestaansrecht van die éne vruchteloze boom. Hoe durft die het in Godsnaam aan reeds drie jaar na elkaar geen vrucht te dragen ? In zijn ‘heilseconomie’ wil dat ronduit zeggen : drie keer zoveel ruimschoots geboden kansen verspild en verspeeld ! Wat de vraag naar nóg een nieuwe kans op vruchtbaarheid in zijn ogen toch wel heel erg doet lijken op…’vijgen ná Pasen’. ‘Hij put mijn grond uit!’, vonnist hij stampvoetend en ziedend van woede. Ja kijk, dat is voor deze ‘eigenaar’ die vooral zijn ‘instituut’ en zijn ‘principes’ moet verdedigen ronduit godgeklaagd en onvergefelijk…

Die sjieke meneer in maatpak, dat is de dood in hoogsteigen persoon. De ‘dood-doener’ van Goede Vrijdag. Je zou het niet geloven, zo op het eerste gezicht, dat zo’n deftige heer in ‘witte boord’ zomaar van plan kan zijn zo ongenadig de hakbijl te hanteren en komaf te maken met al wat naar nieuw leven reikt en van binnen vol verlangen zit… Alhoewel – ook in onze maatschappij (en Kerk ?) gaat de dood wel vaker gekleed in galante ‘witte boord’ en deftig (ambts)gewaad. De ‘Firma Dood en Compagnie’ beschikt naar het schijnt sinds mensenheugenis over een heel arsenaal van dergelijke camouflagepakken…
De tuinman als de grote Herbeginner…
Het tweede personage is de tuinman. Hij is in dit verhaal écht wel in zijn element; hij figureert hier waarlijk op zijn ‘paasbest’! Met een tuinschort om en de mulle aarde aan zijn klompen, de spade in de hand en een handgreep mest om gulhartig uit te strooien…Op die onverwachte inspectietocht met zijn baas is hij niet voorbereid – hij is daar ook niet zo mee bezig, met al die vragen over opbrengst en resultaat, met al dat cijferwerk en zoveel scrupuleuze boekhouding van winsten en baten, van ‘magda en ‘danie’ en ‘erna’ misschien…

Hij is een ‘simpele’ dienaar, ongecompliceerd en écht, die weet heeft van het ‘heilige in het alledaagse’. Hij is, naar men zegt, de Verrezen Heer zelf maar dan incognito, die hier reeds aan het repeteren is voor de belangrijke rol die Hij straks op Paaszondag weer mag vertolken. Dan verschijnt Hij gegarandeerd weer ’s morgens vroeg aan Maria Magdalena in de tuin, en noemt haar bij haar diepste naam, en zingt voor haar Zijn lied-der-liederen, Zijn Hooglied over ‘…de liefde die sterker is dan alle dood’. Hij is de gelovige bij uitstek, de God-van-Jezus-van-Nazareth in levende lijve, de ‘En-toch-Mens’, de grote Herbeginner.

De tuinman is vooral een meester in het bewerken van onvruchtbare grond. Dat is zijn specialiteit. Hij is niet gewoon veel te letten op de buitenkant – hij weet maar al te goed hoeveel nieuw leven er aan de binnenkant van zo’n dorre boom wellicht te wachten zit om ooit naar buiten te komen. Hij loopt in zijn tuin rond als een vroedvrouw in de arbeidskamer, rusteloos tastend ‘hoeveel opening er al is’, en altijd ‘stand-by’ om het nieuwe leven te halen wanneer het zich aandient. Hij is de Verlosser, zeggen wij terecht, Hij is bereid om – als het moet – duizend zware stenen van voor een graf weg te wentelen, als Pasen voor mensen maar kan gebeuren, telkens op-nieuw… Er is altijd een toekomst, zegt hij, en daar zullen wij samen aan werken. Al is het volgend jaar misschien, of het jaar dààrop – wie weet. Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw. We zullen wel zien…
Eénmaal mislukt - voorgoed opgegeven..?
De derde acteur in het verhaal is die vijgenboom zelf. Wat is daarmee aan de hand? Wie is die man, die vrouw…die zo ‘onvruchtbaar’ is geworden (of gemààkt ?) en daarom ter plaatse door die eigenaar zo ongenadig ‘ter dood veroordeeld’ wordt ? Wie is die mens die zich zo

volledig in vraag gesteld voelt, mislukt en opgegeven, veroordeeld en in de steek gelaten ? Hoe staat die boom daar al zo lange tijd te wachten tot iemand/Iemand ooit eens langs komt en hem weer in bloei zet, en wie weet - in zijn stam een hartje kerft met een pijl erdoor en twee letters in, van hun beider namen? Hoe weinig kansen heeft die boom nog gekregen na zijn eerste mislukking, hoe ontworteld heeft hij zich gevoeld, hoe zelden bemoedigd of bevestigd – alleszins ook niet vanuit de ‘officiële’ kant, de ‘eigenaars-kant’ ? Tot hij of zij dan plots die ‘genadeslag’ heeft gekregen waarvoor geen enkel herstel of oplapwerk meer mogelijk leek : het gaat niet meer, ik leef niet meer, ik kàn niet meer…


De gevraagde rolverdeling is door mijn kandidaat-trouwers snel gemaakt. Zij zelf zijn natuurlijk die onvruchtbare vijgenboom die smeekt om nog een nieuwe kans – dat is overduidelijk! En van mij durven zij te verwachten dat ik voor de gelegenheid van ganser harte in het kostuum van die tuinman zal willen kruipen, om hen te zegenen en iets van Pasen aan te doen. Wie zich dan verder de ‘eigenaar’ van Gods wijngaard durft te noemen, dat laten ze wijselijk in het midden…
Op hoop van zegen…
Christel en Robert zijn natuurlijk ‘per toeval’ bij mij terecht gekomen – al kwamen ze voor mij ook een beetje ‘als van God gezonden’. Ze hebben overduidelijk de sprong gewaagd ‘op hoop van zegen’. Zij hebben eindelijk, na jarenlang dwalen in de woestijn, weer uitzicht op het ‘Land van Hoop’. Een land dat voor hen – als destijds de tuin van Eden – zo lange tijd volstrekt ontoegankelijk leek, als was het afgeschermd door twee engelen Gods met een vlammend zwaard, omwille van hun zogenaamde ‘zondeval’…

Zij voelen zich dank zij hun nieuwe relatie stilaan weer leven in een licht en een warmte die weliswaar van buiten komen, van elders, maar die zich nu hier hebben genesteld, vlakbij waar zij nu samen leven, lieven en proberen te geloven. Zij hebben diep in de andere en in zichzelf als bij wonder die bijna niet te geloven mogelijkheid tot ‘goed-zijn’ op-nieuw herkend – het is hen overkomen als een echte ‘genade-slag’, in de positieve zin van het woord deze keer. Zij hebben heel aarzelend en schuchter weer leren te leven in dat ‘Land van Hoop’, en dat geeft hen een gevoel van vrede, van genezen zijn, geheiligd en geheeld. Het maakt hen bij wijlen zelfs wat overmoedig, alsof zij ineens weer op een onredelijke wijze durven vertrouwen dat het leven ondanks alles goed is, en dat alles in hùn leven ook wel goed komt. Het is trouwens vanuit die overmoed dat zij nu die grote stap naar mij hebben gezet en naar de Kerk …‘op hoop van zegen’.

Maar die ‘zegen’, wat bedoelen ze daar ‘in Godsnaam’ mee ? Wie kan hen die geven, en waar halen zij het recht om die zomaar te durven vragen ?
Een gestolen zegen..?
Lees in Genesis 27, 1-29 - boek van de ‘geboorte’, boek van de ‘menswording’ - hoe aartsvader Isaak zelf ooit zijn eerstgeboortezegen gaf aan de verkeerde zoon, (ver)blind als hij was door de aandrang waarmee die zoon er om kwam smeken. Hij lette daarbij meer op de teneur en de klank van het verzoek dan op de exacte inhoud ervan (het was de stem van Jakob die sprak, de ‘hieltjeslegger’, die zei dat hij Esaü was, de feitelijk rechthebbende op de zegen!) En hij verkende de situatie die zich aan hem voordeed noodgedwongen op de tast en de geur (‘De geur van mijn zoon is als de geur van het veld, het veld dat de Heer heeft gezegend…’) omdat hij oud was en blind, ‘verblind’ wellicht ook door zoveel vermetel (zelf)vertrouwen. Een schokkend verhaal ? Dat zeker, maar alleszins ook een gelòòfsverhaal…

De Schrift stelt achteraf ongegeneerd de vraag of het inderdaad wel de verkèèrde zoon was die van Isaak de zegen kreeg – en of hij ook in Gòds ogen de verkeerde was. En de conclusie van de verteller is : binnen Israël, binnen het Rijk Gods (en dus ook binnen de Kerk ?) geldt nu eenmaal niet het primaat van de natuurlijke orde, maar dat van het heil : de laatsten worden de eersten. Mensen van wie nooit gedacht werd dat zij geroepen zouden worden beelddragers en -draagsters van de goddelijke zegen te zijn, gaan dankzij Gods genade onverwacht en onverantwoord vaak voorop.

Je kunt de zegen krijgen omdat je er eerbiedig om vraagt, zegt de Schrift, maar je kunt hem ook dievelings proberen te pakken te krijgen. Maar hoe het er bij de aanvraag en motivatie ook aan toegaat, die zegen mag jou in Godsnaam nooit onthouden worden. Want iets hogers, iets volstrekters dan die zegen is er niet. Juist daarom valt er niet mee te spotten en niet mee te marchanderen. Wij mogen hem derhalve als bedienaars van de Kerk ook nooit in de liturgische uitverkoop zetten of afprijzen als ‘tweedehands’ in de clericale solden. De Schrift gebiedt ons echter ook hem nooit zomaar aan iemand te ontnemen of te ontzeggen. De valsspeler Jakob heeft er nadien nog een lange donkere nacht om gevochten en hem tenslotte slechts verkregen bij het aanbreken van de dag. De overspelige vrouw mocht hem ontvangen, en de zondares die Jezus voeten zalfde. De verlamde man ook, en de kromgebogen vrouw. Hoeveel te meer dan al die andere ‘kleingelovigen’ vandaag…’Want het geknakte riet zal Hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven’. (Jes. 42,3).
God heeft naar ons gelachen…
Zegenen in naam van de bijbelse God is altijd : Gods lieve Naam ‘Ik-zal-er-zijn’ onvermoeibaar op-nieuw spellen in brailleschrift, met vingertoppen van tederheid. De vloek doorbreken. De demonen uitdrijven, de diabolische krachten op de vlucht jagen. Mensen bevrijden, los maken, verlossen. Zegenen is vroedvrouwenwerk. En achteraf blij-verrast horen hoe men na zoveel moeilijke weeën in de arbeidskamer nu eindelijk voluit kan zingen, lachen, schreeuwen : op-nieuw geboren..!

Zegen zal volgens het Schriftverhaal over Isaak en Jakob bij voorkeur uitgesproken worden door wie een neus heeft en een gevoel voor hemelse dingen, wie voldoende ‘tact’ aan de dag kan leggen om in de ‘stem’ van mensen het grote verlangen naar het ‘Land van Hoop’ te herkennen, wie respect kan opbrengen voor de weg die zij tot hiertoe hebben afgelegd, en vooral aanvoelt vanuit zijn eigen kwetsbaarheid hoe broos en breekbaar het nieuwe leven is dat hem ter zegening wordt aangereikt. En van de weeromstuit wordt die bedienaar van de zegen wellicht een beetje ‘blind’ voor al de rest, zoals vader Isaak was – ‘God heeft naar ons gelachen’ is niet voor niets zijn eigennaam…


Het zegenen van een tweede relatie heeft voor mij altijd iets van ‘blindelings’ nadoen wat aartsvader Isaak voor de sluwe ‘voetjeslegger’ Jakob heeft gedaan. Een zegen wellicht soms aan de ‘verkeerde personen’ op het eerste gezicht, bij wijlen op het ‘verkeerde moment’ misschien en op een manier die (nog) niet het officiële keur- en waarmerk van de Kerk heeft gekregen. Maar – zo denk ik dan - misschien zijn herders en pastores door de God van Liefde in het leven en het ambt geroepen niet in de eerste plaats om als strenge ‘eigenaar’ de regels en richtsnoeren van Zijn Kerk te bewaken, maar wel om ten eeuwigen dage de brokken die Zijn mensen hebben gemaakt bijeen te helpen rapen en zoveel mogelijk scherven weer te lijmen.
Tot zegen zijn voor een ander mens…
De parabel van de onvruchtbare vijgenboom is een onverhuld pleidooi tégen de dood en voor het leven. Bereid zijn om voor te gaan in dit soort liturgie is de spade boven halen uit het tuinhuisje van de traditie en haar rijke rituelen, even in de handen spuwen en aan het werk gaan om nieuwe kansen op vruchtbaarheid te scheppen. Of je trekt als pastor en liturg het kostuum aan van de ‘nette heer met de propere handen’, of je kiest voor de schort en de strooien hoed van de tuinman op zijn klompen. Je hanteert het rekenmachientje en de hakbijl, ofwel de spade, de hark en de zak met mest…
Wanneer mag men hier op aarde in Godsnaam het leven zegenen? Wie eigent zich die macht toe, of dat recht? Kunnen wij niet beter de vraag helemaal anders stellen : Wie mag op een gegeven moment tot zegen zijn voor een ander mens? En wie wil daar als vertegenwoordiger van de Kerk getuige van zijn, om die heilig makende genade te bevestigen en te bevorderen ? Wie wil de Grote Herbeginner van Pasen er om vragen en smeken mét hen ?

Hoe zou je als bedienaar van de Kerk in Godsnaam zo’n gevraagde zegen durven te weigeren ? En wie zou als pastor zo’n gebeurtenis, zo’n ‘geboortenis’ willen missen? Ik niet, in elk geval. Als die twee mensen er maar om geven, en als het van onze kant maar gebeurt met ‘tact’ en smaak voor ‘hemelse dingen’. Dan kan het zalig zijn en zalvend, genezend en sterk makend. Dan kan er van bovenuit zoveel ‘heilig makende genade’ stromen, zoveel licht en warmte en nieuw perspectief, dat het ‘Land van de Hoop’ even binnen handbereik lijkt te

Komen als een gunst, een weldaad, een geschenk uit de hemel…
Zending en zegen.
Bij het einde van de viering stuurde ik het koppel weg met een zegengroet in verschillende talen – alsof ik de paus zelve was (Benedictus is zijn naam!) : ‘A Dieu’, ‘Grüss Gott’, ‘Vaya con Dios’… In wezen allemaal ‘zegenbeden’, waarin men de ander Gods nabijheid als toekomst toezegt. En in het allereigenste Westvlaams voegde ik er aan toe, zonder ondertitels (want een goeie verstaander heeft aan een half woord méér dan genoeg) : ‘Tzééntje bewààr joen’ of zoiets - ‘God zegene en beware jullie…’ En ik zegende hen met het teken van de Barmhartige bijbelse God, de Tuinman van Pasen, die gekomen is ‘opdat zij leven zouden hebben, en wel in overvloed…’ (Joh. 10,10). ‘Amen’, antwoordden zij overtuigd en overtuigend. ‘Het zij zo!’ En ook zegden zij nog - en dat van ganser harte, naar ik meende te horen aan de trilling in hun stem : ‘Wij danken God…’
Geert Dedecker

_________________________________________________________________________


Nog een toemaatje:
Laat hem dit jaar nog staan…
Hak mij niet om,

al bleef ik als de vijgenboom

reeds jaren zonder vruchten.

Gun mij nog vier seizoenen tijd,

dat ik mij naar het licht toekeer.
Een herfst vraag ik,

die mij van eigenwaan geneest,

een winter om te sterven

als zaad, gehoorzaam in de grond.
En als de lente komt,

bekleed mij dan met bloesem,

een witte mantel - even maar -,

waarvan ik mij ontdoe

als Gij met zomerzon

mijn goede wil beloont.
Pluk dan mijn vruchten

één voor één.
Vergeet het jarenlange wachten…
Marcel Weemaes








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina