Ik zou graag slapen



Dovnload 235.68 Kb.
Pagina1/2
Datum26.08.2016
Grootte235.68 Kb.
  1   2
IK zou GRAAG SLAPEN

Ik zou graag slapen deze nacht

Nu jij dood ligt, slapen,

slapen, slapen terzijde

van jouw volkomen slaap

om te zien of ik je zo

bereiken kan!
Slapen, een morgenstond in de avond

bron van de rivier, slapen;

twee dagen die samen opgaan

in het niets, twee stromen

die aan het eind samenvloeien;

twee eenheden alsof het één is

tweemaal niets alsof het niets is.
Ik zou zo graag je dood verslapen.
Juan Ramón Jiménez
SONORE CELLO'S

Nee, wij zijn niet aan het einde,

ons begin is nog innig-dichtbij,

wij zetten onze voettocht naar elkander

voort, en de nieuwe horizon is vrij.
Wij zullen vast elkander weer ontmoeten

in een spiegel: daarachter in het gras

zullen sonore cellotonen sproeien

en de spiegel zal niet zijn van glas.


Niet van glas maar van een weefsel

vertrouwd en onvervreemdbaar waar:

daarachter ligt een nieuw beleven

en de dood zal hangen aan een haar.


Is het dan mogelijk dat wij ons vergissen,

dat ons mooiste uur toevallig was,

zal een blinde worm dat uur wegknagen

en blijven er slechts scherven in het gras?


Nee, wij zullen vast elkander weer ontmoeten

als voorbestemde klanken in een rijm.

Sonore cellotonen zullen sproeien

over witte wouden van Oneindigheid.


Abraham Sutzkever
IN MEI
Toen ik bij dageraad door het woud wandelde,

in mei, vroeg ik me af waar jullie waren,

zielen van de doden. Waar zijn jullie, jonge

vermisten, waar zijn jullie,

de volledig veranderden?

In het bos heerste grote stilte,

en ik hoorde de groene bladeren dromen,

ik hoorde de droom van de schors waaruit boten,

schepen en zeilen zullen ontstaan.

Dan, langzaam, begonnen de vogels te herleven,

distelvinken, lijsters, merels, verborgen

op balkons van takken, elk in een andere taal,

elk met een andere stem, niets vragend,

zonder bitterheid of spijt.

En ik besefte dat jullie zang zijn,

onvatbaar als muziek, onbegrijpelijk

als muzieknoten, ver verwijderd van ons

zoals wij van onszelf.


Adam Zagajewski
MIJN LEVENDE DODE
In mijn verdriet niets dat beweegt

Ik wacht en geen mens komt

Overdag noch 's nachts

En ook nooit meer wat ik zelf was

Mijn ogen zijn gescheiden van jouw ogen

Zij raken hun vertrouwen raken hun licht kwijt

Mijn mond is gescheiden van jouw mond

Mijn mond is gescheiden van het plezier

En van de zin in de liefde en de zin in het leven

Mijn handen zijn gescheiden van jouw handen

Mijn handen laten alles los

Mijn voeten zijn gescheiden van jouw voeten

Zij verzetten geen stap er zijn geen wegen meer

Zij kennen mijn gewicht niet meer noch de rust

Ik kan mijn leven een einde zien nemen

Samen met het jouwe

Mijn leven in jouw kracht

Die ik oneindig dacht

En de toekomst mijn enige hoop is mijn graf

Net als het jouwe omringd door een onverschillige wereld

Ik was je zo na dat ik het koud heb bij de anderen.
Paul Éluard
Omslag
Nu deze eerste dag van een nieuw jaar,

nu zonder haar.

Strijklicht grijpt het bevroren land.
Het is niet waar dat zij daar in de diepte ligt,

dat zij is weggedaan in een besneeuwde stee

van een bij twee. Maar het is waar.
Wij slijpen haar in steen, wij kerven

in het hout haar naam, wij schrijven

tegen beter weten in haar taal; ik
spreek haar stiekem toe. IJdele onzin,

valse vlijt. Een plaats. En het besef dat zij

zich niet meer uitbreidt in mijn tijd.
Anna Enquist
De val
We kruisten de Styx.

De veerman lag dronken in zijn schip.

Ik hield het roer en we zonken als stenen.

Water bestaat als de aarde

in lagen, transparante linten, glanzende strata

van steeds kleiner leven, minder warmte.

In je haren bloeiden luchtbellen,

de stroom trok je hoofd naar achter

en streelde je hals.

Stenen wuifden met armen van algen en varens,

zongen zachtjes gorgelend 'vrede'.

Ze sneden je kleren los.

Vissen likten het bloed van je benen.

Ik hield je hand vast. Ik wilde je troosten

maar we vielen te snel en er zijn geen woorden

die zonder lucht bestaan, mijn liefde

bleef boven, blauwe ballonnen, bakens voor even,

de plaats markerend van het ongeluk

voordat ze verder dreven. Je mond ging open.

Je gezicht werd rood, je handen zochten

evenwicht, zochten mijn armen.

Je probeerde in me omhoog te klimmen.

Je was een glasblazer met een wolk van diamanten

aan zijn mond. Ik hield je vast als een katje.

Ik aaide je vingers.

Je liet niet los.

Je sliep en ik aaide je vingers, liet los.
Esther Jansma
AFSCHEID
Ik zie haar klein geworden schreden in de verte;

nog een kwartier en zij is aan de wateren;

ik kan het nu niet meer beletten.
Dwalende zal ik haar nagaan als de verten

haar hebben ingeademd uit mijn ogen;

de weg ligt van een heengaan overtogen;
wij zagen het onzichtbaar wenken.
G.Achterberg
IN PROFUNDIS
In dit bitter heldere, de dood,

kelder aan kelder grondlicht dwaal ik rond,

een zwemmer onder water, een verbond

met bodemen die nimmer zijn ontbloot.


Ik draag gestorven zonlicht in mijn mond,

waardoor, uit het weleer, de tijd

de beelden in de wanden bijt,

die wijken voor mij uit;

verbruikend deze zekerheid,

worden de woorden afgerond

tot eeuwigheid.
G.Achterberg
JIJ
Allen gaan voorbij, groen, rood...

Jij bent daar boven, wit.


Allen strijdlustig, bars...

Jij bent daar boven, vredig.


Allen gaan voorbij, luchthartig...

Jij bent daar boven, rein.


J.R. Jiménez
MIJN MOEDER (fragment)
Heel klein was mijn moeder

als de pepermuntstruik, het gras.

Nauwelijks wierp zij een schaduw op de dingen, nauwelijks.

De aarde hield van haar,

omdat zij licht voor haar was,

omdat zij haar toelachte

in geluk en in verdriet.
De kinderen hielden van haar

en de ouden en het gras

en het licht, dat lieftalligheid bemint en haar zoekt

en haar vlijt.

Om haarentwille is het,

dat ik liefheb, wat niet naar trotse hoogten streeft,

wat zwijgend spreekt:

nederig, breedstammig kruid

en de geest van het water.
Wie vertel ik van jou

uit vreemde aarde?

De ochtend vertel ik over jou,

dat hij op haar gelijkt.

Op mijn eindeloze weg

vertel ik de aarde over jou.


Gabriela Mistral
DE ZWARTE HERAUTEN
Er vallen klappen in het leven, zo'n harde.. . Ik weet niet!

Klappen als van Gods haat; alsof in hun aanschijn,

de branding van al het geledene

de ziel drassig zou maken... Ik weet niet!


Er vallen er weinig; maar ze vallen...

[ Ze trekken donkere groeven

in het hardste gelaat en in de sterkste rug.

Zullen ze misschien de veulens zijn van barbaarse attila's;

of de zwarte herauten die de Dood ons zendt.
Het zijn de diepe vallen van de Christussen van de ziel,

van een aanbiddelijk geloof belasterd door het Lot.

Deze bloedige klappen zijn het geknisper

van een brood dat voor ons verbrand wordt

[ aan de deur van de oven.
En de mens... Sukkel... sukkel! Hij draait de ogen, zoals

wanneer een schouderklopje ons roept;

hij keert zijn dolle ogen, en al het geleefde

wordt drassig, als een poel van schuld, in onze blik.


Er vallen klappen in het leven, zo'n harde.. . Ik weet niet!
Cesar Vallejo
In de vlucht
In de vlucht

de wijdte zoeken


waar alle woorden

verloren gaan


woorden vinden

die jou liefhebben


Rose Ausländer
Nocturne
De aarde voert door de aarde;

maar jij, zee,

voert door de hemel.
Met welke zekerheid wijzen de zilveren

en gouden lichten van de sterren

de weg! - Men kan zeggen,

dat de aarde de straat

van het lichaam is,

dat de zee de weg

van de ziel is.
Ja, het schijnt,

dat de ziel de enige reiziger

van de zee is; dat het lichaam alleen

achtergebleven is, daar, aan de oever,

zonder haar, nadat het tot ziens heeft gezegd,

plomp, zielloos, als dood.


Hoeveel lijkt

de zeereis op de reis in de dood,

in het eeuwige leven!
Juan Ramon Jiménez
Evenwicht
Wij gaan

ieder voor zich

de smalle weg

over de hoofden van de doden

- bijna zonder angst -

in het ritme van ons hart,

als waren wij beschermd,

zolang de liefde

duurt.
Zo gaan wij

tussen vlinders en vogels

in een verbazend evenwicht

naar een morgen van boomtoppen

- groen, goud en blauw -

en naar het ontwaken

van de geliefde ogen.

Hilde Domin


Kokhalzend

Kokhalzend wakker worden

tussen de gestolde feiten

van gisteren en eergisteren.


Opstaan, het licht trotseren.

Onder het oorverdovend

carillon van herinneringen

optornen tegen een geheugen

dat geen duimbreed wijkt.
Lachen, praten, overmoedig

denken dat het zo wel gaat.

Merken dat men zich vergist

ook hierin. Heel het treiterend bedrijf

van deze dag en alle volgende

in vier woorden samengebald:

iemand is niet gekomen.
Hanny Michaelis
SOTTO VOCE
Zoveel soorten van verdriet,

ik noem ze niet.

Maar één, het afstand doen en scheiden.

En niet het snijden doet zo'n pijn,

maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,

vlinderlicht rustend op de aarde,

alleen nog maar zijn wezen waard.

Maar tussen de aderen van het lijden

niets meer om u mee te verblijden :

mazen van uw afwezigheid,

bijeengehouden door wat pijn

en groter wordend met de tijd.


Arm en beschaamd zo arm te zijn.
M. Vasalis
'De gevoelens springen over de gedachten.'

ECKHART
Je bent daar

in je licht niet zichtbaar, niet verwekt,

enig, de enige.

Je blik legt zich

op de afwezigheid van jou of in het niet ontcijferbar,

onverhoedse binnenstromen van je vorm in je leegte


En daar laat je je stapspoor achter.
Ik liep achter je aan.

Geef me terug aan je ogen

die ik draag in mijn ingewanden gegrift.
José Angel Valente
REIS NAAR HET EINDE
1

Het is herfst nu, fruit ligt in het gras,

tijd voor de lange reis naar het einde.
De appels vallen als grote druppels dauw,

kneuzen zich een uitgang uit zichzelf.


En het is de tijd van heengaan, om zichzelf

vaarwel te zeggen, een uitgang te vinden

uit het gevallen ik.
2

Uw dood-schip, hebt ge het gebouwd? Zeker?

Bouw het, uw dood-schip, de tijd dringt.
De norse vorst nadert, wanneer alle appels

vallen, zwaar vallen op de hardere grond.


Dood is aanwezig als de geur van as.

Wordt ge hem gewaar?


En in het gekneusde lichaam krimpt

de angstige ziel, huivert in de kou

die door de openingen binnendringt.
3

Kan een mens zijn eigen stille dood zelf maken

eenvoudig met een priem ?
Met dolken, priemen, kogels, kan hij

kwetsen en een uitgang voor zijn leven maken;

maar is dat het stille einde, zeg mij, is dat het stille einde?
Neen. Want hoe kunnen doodslag, zelfs zelfdoding

ooit een eigen stil einde brengen ?


4

Laat ons spreken van de stilte die we kennen,

die we begrijpen, de diepe en lieve stilte

van vrede in een sterk hart.


Hoe maken we dit, ons eigen stil einde?
5

Bouw uw dood-schip, uw langste reis

vangt aan, naar het einde.
En sterf de dood, de lange pijnlijke dood

die ligt tussen het oude ik en het nieuwe.


Onze lichamen zijn reeds gevallen, gekneusd,

onze zielen glijden reeds weg door de opening

van de wonde.
De donkere en éindeloze oceaan van het einde

Stroomt in ons lichaam door de bressen van onze wonden,

de vloed dreigt.
Bouw uw dood-schip, uw kleine ark,

voorzie het van voedsel en wijn

voor de donkere vlucht naar het einde.
6

Langzaam sterft het lichaam, en de beschroomde ziel

heeft geen steun meer in de stroming

nu de zwarte vloed stijgt.


We sterven, allen gaan we dood

en niets houdt de rijzende vloed in ons tegen,

nog even en hij stijgt over de wereld,

over de wereld daar, buiten ons.


We sterven, langzaam sterven onze lichamen

onze kracht ebt weg,

en onze ziel krimpt ineen

onder de zwarte regen over de vloed,

angstig klampt ze zich vast aan de laatste takken

van de boom van ons leven.


7

We gaan dood, al wat overblijft is

gewillig zijn en het dood-schip bouwen

dat de ziel zal dragen tijdens de langste reis.


Een bescheiden schip, met roeispanen en voedsel

met schoteltjes en de nodige kledij

passend en klaar voor de ziel die heengaat.
Laat uw klein schip te water

nu het lichaam sterft en het leven wegglijdt;

ga nu, de fragiele ziel in het fragiele

moedige schip, de ark van het geloof,

met zijn voorraad voedsel en kookgerei

en nieuwe kleren,

op de zwarte leegheid van de vloed

op de wateren van het einde

op de zee van de dood waar we varen,

blind, want een roer hebben we niet,

en geen thuishaven.
Er is geen thuishaven, we kunnen nergens heen,

niets dan het altijd dieper wordend zwart

over deze geluidloze stroom,

donker op donker, boven en onder

en opzij, volledige duisternis :

welke koers we volgen weten we niet.

En het scheepje is er nog, en toch is het verdwenen.

Het is onzichtbaar, want om te zien bestaat er niets meer.

Het is verdwenen. En toch

ergens is het aanwezig.

Nergens.
8

En alles is verdwenen, het lichaam verdwenen,

ten onder gegaan, alles.

De zwarte bovenlaag weegt op de zwarte onderlaag;

daartussen is het scheepje

verdwenen,

het bestaat niet meer.

Dit is het einde, alle herinnering is verdwenen.


9

En toch, uit de eeuwigheid maakt een draad

zich los, op de duisternis

een horizontale draad,

op het zwart een bleke klaarte.

Illusie? of hangt de schemering

hoger?

Wacht, wacht, het is dageraad,



de pijnlijke dageraad: het herleven

uit de dood.


Wacht, het scheepje

drijft mee onder de asgrijze lucht

van deze dageraad over de stroom.
Wacht, er rijst onmiskenbaar een gele gloed

en, vreemd, een roze schemering.


Een roze schemering, en alles begint opnieuw.
10

De vloed zinkt, en het lichaam

als een gesleten zeeschelp

herrijst, mooi en vreemd.

En het scheepje, als op vleugels, drijft naar zijn tehuis,

onzeker, verdwalend soms,

op de roze stroom,

en de broze ziel bewoont haar huis opnieuw

en brengt het hart vrede.
Ze haalt het in vrede hernieuwde hart

uit het niets terug.


Bouw uw dood-schip, bouw het,

het is dringend.

Want ook U wacht de reis naar het einde.
David Herbert Lawrence
Als paarden
Als paarden sterven-snuiven ze,

Als grassen sterven -verdrogen ze,

Als zonnen sterven -doven ze uit,

Als mensen sterven-zingen ze liederen.


Velimir Chlebnikov
DE PROFUNDIS
Er is een stoppelveld waarin een zwarte regen valt.

Er is een bruine boom die er eenzaam staat.

Er is een lispelwind die om lege hutten draait.

Hoe treurig deze avond.


Voorbij het gehucht

Raapt de goedige wees nog schaarse aren.

Haar ogen kijken zich uit en goudachtig in de schemer

En haar schoot verwacht de hemelse bruidegom.


Bij de terugkeer

Vonden de herders het zoete lijf

Vergaan in de doornstruik.
Een schaduw ben ik ver van duistere dorpen.

Gods zwijgen

Dronk ik uit de bron van het woud.
Op mijn voorhoofd komt koud metaal

Spinnen zoeken mijn hart.

Er is een licht dat mijn mond uitdooft.
‘s Nachts vond ik mij op een heide,

Vol vuil en stof der sterren.

In het hazelaarsbos

Klonken weer kristallen engelen.


Georg Trakl
ALLES WAT DOOD IS, IS WONDERBAAR
De maan, achter het meer tot staan gekomen,

Doet denken aan een raam dat open staat

In een verlicht, stil huis, des avonds laat,

Waar 't lot een nare wending heeft genomen.

Ging daar de eigenaar zo-even dood,

Of nam zijn vrouw soms met haar lief de benen,

Of is het kleine dochtertje verdwenen,

En vonden ze haar schoentje bij de sloot. ..

We kunnen het niet zien vanaf de aarde,

Maar delen zwijgend in de droefenis.

De uilen krijsen luid een dodenmis,

Een zoele wind raast heftig in de gaarde.


Anna Achmatova
Wanneer de lente komt
Wanneer de lente komt,

En als ik dan al dood ben,

Zullen de bloemen net zo bloeien

En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.

De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

Ik voel een enorme vreugde

Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is.

Als ik wist dat ik morgen zou sterven

En het was overmorgen lente,

Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.

Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd ?

Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zo als het moet zijn;

Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield.

Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden,

Want alles is werkelijk en alles is zo als het moet zijn.

Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil.

Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen.

Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben.

Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal zijn dat wat het is.
Fernando Pessoa
ZWARTE STEEN OP EEN WITTE STEEN
'Ik zal sterven in Parijs bij striemende regen,

op een dag die ik me nu al herinner.

Ik zal sterven in Parijs - en ik heb geen haast -

wellicht een donderdag, zoals vandaag, in de herfst.


Een donderdag, omdat vandaag, donderdag, terwijl ik

deze regels opschrijf, mijn vingers weerspanniger zijn

dan ooit en ik vandaag, zoals nog nooit voordien,

omkijk en mezelf met heel mijn weg alleen vind.


César Vallejo is dood. Ze mishandelden hem,

allemaal, zonder dat hij hen wat gedaan had;

ze sloegen op hem met knuppels en ook
met een riem. Getuigen daarvan zijn

de donderdagen, de stroeve vingers,

de eenzaamheid, de regen, de wegen...'
César Vallejo
EENZAAMHEID
Ik zou mijn hart zó

het dak op kunnen gooien :

het rolde dan

ongezien weg.

Ik zou mijn pijn

kunnen uitschreeuwen

tot mijn lijf zou breken :

dat zou dan verglijden

in de stroom van de rivier.

Ik zou op het platte dak

de zwarte dans van de dood

kunnen dansen:

de wind zou mijn dans

meevoeren.

Gaf ik de vlam in mijn borst vrij spel,

dan kon ik die

laten tollen

als een dwaallicht:

de straatlantaarns

zouden hem doven.


Alfonsina Storni
JAREN later

op een heldere middag

vol nuchtere geluiden

en bezigheden in een huis

dat je nooit heeft gekend,

herinner ik mij plotseling

hoe zacht je ogen werden

als je me aankeek.


En even verschijn je mij

ten voeten uit, onverwacht

overgekomen uit het tijdloze.

Zo zacht zijn je ogen

dat ze mij verzoenen

met je weggaan, sneller

en onverwachter dan je komst.
Hanny Michaelis
DE KEUKEN
De keuken is zo stil

Een restje kille regen

Maakt van de rust een zegen

Die zondag in april.

De lente leunt naar binnen,

Lacht als zij in de kast

Die glanst zoals het past

Haar spiegelbeeld ziet glimmen.

De stoelen staan verlegen

De tafel slaapt weer in

De kroppen sla gaan wegen

De dauw hangt er nog in.

En amper opgeschrikt

Door 't klokje, stille hoeder,

Hoor je het hart van moeder

Dat in de kamer tikt.


Maurice Carême
IN EEN onbewaakt ogenblik

hunkerend binnengeslopen

dwaal ik in je rond.
Een barbaars landschap

dragend de schaarse tekens

van je aanwezigheid:

de ontbladerende boom

die geen schaduw werpt,

het zwartgeblakerd struikgewas,

de verdroogde kreek

tussen de rotsen

en diep onder de grijze

dorstige aardkorst

het gesmoorde ruisen

van murmurend water

dat geen uitweg vindt.
Hanny Michaelis
MISSCHIEN

een begrafenislied


Misschien ben je echt moe van het huilen,

misschien wil je even slapen -misschien -

laat dan de uil niet krassen,

kikvorsen niet kwaken,

vleermuizen niet vliegen.
Het zonlicht mag je wimpers niet beroeren,

de koele wind mag niet langs je voorhoofd strijken,

niemand mag jou wakker maken.

Laat een parasol van dennenloof je

beschutten terwijl je slaapt.
Misschien hoor je de wormen de aarde omwoelen,

wortels van jong gras water opzuigen,

misschien zijn zulke klanken voor jou

mooier dan vloekende mensenstemmen.


Knijp nu je ogen stijf toe,

dan zal ik je laten slapen, ik laatje slapen;

ik zal je zachtjes met gele aarde toedekken

en geld van papier laten neerdwarrelen.


Wen Yiduo
WOESTENIJ
Buiten ons sterven de dingen.
Uit de nacht hoor je waar je ook gaat een fluistering

Bijna komen uit de straten die je niet betrad,

Uit de huizen die je niet binnenging,

Uit de ramen die je niet opende,

Uit de rivieren die je niet naderde in dorst,

Uit de schepen die je niet bevoer,

Buiten ons sterven de bomen die we niet leerden kennen.

De wind gaat door kaalgeslagen bossen.


Buiten ons sterven de bomen die we niet leerden kennen.
De wind gaat door de kaalgeslagen bossen.

De dieren sterven uit naamloosheid, en uit stilte de vogels.


De lichamen sterven gaandeweg uit verlatenheid.

Samen met onze oude kleren in de linnenkast.

De handen sterven die we niet aanraakten, uit eenzaamheid.

De dromen, die we niet zagen, uit gebrek aan licht.


Buiten ons begint de woestenij van de dood.
Y. Themelis
HET HUIS VAN DE VERLOREN TIJD
Ik klopte op de poort van de verloren tijd, niemand deed open.

Ik klopte een tweede keer en nog een keer en nogmaals.

Geen antwoord.

Het huis van de verloren tijd is voor de helft bedekt

met klimop; de andere helft is as.
Een huis waar niemand woont, en ik maar kloppen en maar roepen

om het verdriet van roepen zonder iemand die mij hoort.

Alleen maar kloppen. De echo weerkaatst

mijn aandrift deze ijspaleizen op een kier te zetten.

Dag en nacht versmelten in het wachten,

in het kloppen en kloppen.


De verloren tijd bestaat waarschijnlijk niet.

Ze is het lege en verdoemde herenhuis.


Carlos Drummond de Andrade
SNEEUW
in memoriam Hans Henny Jahnn
De sneeuw jaagt,

het grote sleepnet van de hemel,

het zal de doden niet vangen.
Nu heeft de sneeuw zich

weer bedacht.

Hij stuift van tak tot tak.
De blauwe schaduwen

van vossen loeren

vanuit de hinderlaag. Ze ruiken
de witte

keel van de eenzaamheid.


Peter Huchel
HET HUIS EN DE HANDEN
Twee handen waren als een huis.

Ze zeiden :

trek bij mij in.

Geen regen, geen vorst, geen angst.

Ik heb in dat huis gewoond

zonder regen, zonder vorst, zonder angst

tot de tijd het af kwam breken.
Nu zwerf ik weer langs de wegen.

Mijn jas is dun. Er is sneeuw

op komst.
Rolf Jacobsen
De dood zal komen
De dood zal komen en jouw ogen hebben -

deze dood die altijd bij ons is

van de ochtend tot de avond, wakend,

doof, als een oud gevoel van spijt,

of een dwaze ondeugd. En jouw ogen

zullen een ijdel woord zijn,

een verzwegen schreeuw, een stilte.

Zo zie je ze elke ochtend

als je je naar jezelf toebuigt

in de spiegel. O dierbare hoop,

die dag zullen ook wij weten

datje het leven bent en het niets.


Voor iedereen heeft de dood een blik.

De dood zal komen en jouw ogen hebben.

Het zal zijn als het stoppen met een ondeugd,

als in de spiegel een dood gezicht

opnieuw te zien verschijnen,

als luisteren naar gesloten lippen.

Stom zullen we afdalen in de stroom.
Cesare Pavese
WIJ ZIJN MAAR EEN AKKOORD IN HET CONCERT
Ga in die nacht niet al te licht

Ga in die goede nacht niet al te licht.

De oude dag moet laaien en weerstaan;

Raas, raas tegen het sterven van het licht.


De wijze, die eens voor het duister zwicht,

Omdat zijn woord geen bliksemstraal kon slaan,

Gaat in die goede nacht niet al te licht.
De goede, na de laatste golf, wellicht

Trok hem een groene baai tot dansen aan,

Raast, raast tegen het sterven van het licht.
De woeste, die zong van de zonneschicht,

Tot ook hij leerde treuren om haar baan,

Gaat in die goede nacht niet al te licht.
De sombere, die met doods verblind gezicht

Ogen als meteoren op ziet gaan,

Raast, raast tegen het sterven van het licht.
En jij, mijn vader, die daar droevig ligt,

Vloek, zegen, mij met een verbeten traan.

Ga in die goede nacht niet al te licht.

Raas, raas tegen het sterven van het licht.


Dylan Thomas
HET KLEINE PLEIN
Mijn leven had de vorm genomen van dat kleine plein

In die herfst waarin je dood meticuleus werd uitgezet

Ik klampte me aan dat plein jij hield van

De bescheiden en weemoedige menselijkheid van kleine winkels

Waar bedienden garen band en stoffen vouwen en ontvouwen

Ik probeerde jou te worden omdat jij sterven ging

En heel mijn leven hield daar op van mij te zijn

Ik probeerde te lachen zoals jij lachte

Tegen de krantenventer en de sigarenman

En de vrouw zonder benen die viooltjes verkocht

Ik vroeg de vrouw zonder benen voor jou te bidden

Ik brandde kaarsen op alle altaren

Van alle kerken op dit plein

Want nauwelijks gingen mijn ogen open of ik las

De aanleg voor de eeuwigheid op je gezicht geschreven

Ik deed een beroep op straten plaatsen mensen

Die ooit je gezicht hadden gezien

Om je te roepen om het weefsel te ontrafelen

Dat de dood in jou vervlocht
Sophia de Mello Breyner
ONZICHTBAAR

kom je mij tegemoet

op mijn moeizame tocht

door het maanlandschap

van de tijd.
Onhoorbaar

dringt je stem door

tot mijn geheimste

luisterpost.


Jij die al mijn wegen kent,

die mij ontcijferd en gelezen hebt,

blijf bij mij

onzichtbaar, onhoorbaar

en leid mij over de drempel

van de dood.


Hanny Michaelis
FUGA VAN DE DOOD
Zwarte melk van de vroegte we drinken haar 's avonds

we drinken haar 's middags en 's morgens we drinken haar 's nachts

we drinken en drinken

we graven een graf in de lucht daar ligt men niet krap

Er woont een man in dit huis hij speelt met de slangen hij schrijft

hij schrijft als het schemert aan Duitsland je goudblonde haar Margarete

hij schrijft het en komt uit z'n huis en de sterren beginnen te flonkeren

hij fluit z'n honden naar buiten

hij fluit z'n joden naar voren beveelt ze een graf in de aarde te graven

hij beveelt ons speel dat de dans kan beginnen


Zwarte melk van de vroegte we drinken je 's nachts

we drinken je 's morgens en 's middags we drinken je 's avonds

we drinken en drinken

Er woont een man in dit huis hij speelt met de slangen hij schrijft

hij schrijft als het schemert aan Duitsland je goudblonde haar Margarete

Je asgrauwe haar Sulamith we graven een graf in de lucht daar ligt men niet krap


Hij roept steek dieper de grond in jullie hier jullie daar zing en speel

hij rukt aan het staal van z'n riem hij zwaait het z'n ogen zijn blauw

steek dieper d.e spaden blijf spelen opdat men zal dansen

Zwarte melk van de vroegte we drinken je 's nachts

we drinken je 's middags en 's morgens we drinken je 's avonds
we drinken en drinken

er woont een man in dit huis je goudblonde haar Margarete

je asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de slangen

Hij roept speel de dood eens wat zoeter de dood is een meester uit Duitsland

hij roept strijk de violen wat triester dan stijg je als rook naar de hemel

dan krijg je een graf in de wolken daar ligt men niet krap


Zwarte melk van de vroegte we drinken je 's nachts

we drinken je 's middags de dood is een meester uit Duitsland

we drinken je 's avonds en 's morgens we drinken en drinken

de dood is een meester uit Duitsland en blauw zijn z'n ogen

hij raakt je met kogels van lood hij staat daar onbewogen

er woont een man in dit huis je goudblonde haar Margarete

hij hitst z'n bloedhonden tegen ons op hij schenkt ons een graf in de lucht

hij speelt met de slangen en droomt dat de dood is een meester uit Duitsland


je goudblonde haar Margarete

je asgrauwe haar Sulamith


Paul Celan
WAARVAN HIJ GEMAAKT IS
Mijn dood is van geldstukken gemaakt

en van papiergeld


Mijn dood is van wegen gemaakt

naar school en naar het werk


Mijn dood is van een prikklok gemaakt

en van plichten


Mijn dood is van kranten gemaakt

en van agenten


van sigaretten en jenever

van suiker en brood en boter


van liefde van geluk en van ongeluk

van woede en geduld


Mijn dood is van mijn ouders gemaakt

en van mijn kinderen


van mijn mislukken

en van mijn slagen


van mijn horigheid

en van mijn vrijheid


van mijn gezelschap

en van mijn alleen zijn


van mijn ongeloof

en van mijn geloof


van mijn hoop

en van mijn teleurstelling


van mijn denken

en van mijn vergeten


Mijn dood is van mijn geslacht gemaakt

en van mijn hart


Mijn dood is van mijn nachten gemaakt

en van mijn dagen


Van mijn leven

en van jullie leven en sterven


Erich Fried
OP HET SOMS BEWOONDE EILAND
Op het soms bewoonde eiland dat we zijn, zijn er avonden, nachten

en ochtenden waarop we niet hoeven te sterven.

Dan weten we alles wat was en zal zijn.

De wereld is definitief verklaard en er welt een grote rust in ons op,

en voor alles is een woord.

We pakken een handvol aarde en drukken de aarde samen.

Zachtjes.

Daarin zit de hele verdraaglijke waarheid gevat: de omtrek, de wil

en de begrenzing.

Dan kunnen we zeggen dat we vrij zijn, met de vredigheid en

de glimlach van iemand die zichzelf herkent en onvermoeibaar

de hele wereld is rondgereisd, omdat hij in de ziel heeft gebeten

tot op het bot.

Laten we langzaam de aarde bevrijden waar wonderen gebeuren zoals

het water, het steen en de wortel.

leder van ons is voorlopig het leven.

Daar hebben we genoeg aan.
José Saramago
DROEFENISSEN
Drie grote droefenissen kent deze wereld

Drie droefenissen zo groot en niemand weet

Hoe deze grote droefenissen te ontwijken
De eerste droefenis Ik weet niet waar ik doodga

De tweede droefenis Ik weet niet wanneer

En de laatste Ik weet niet waar ik aan gene zijde beland
Zo hoorde ik het in een lied Laat maar zo

Laat maar zoals het lied het zingt Durf

De huiver als een deurknop te pakken en binnengaan
Jan Skácel
RETOURBAGAGE
De afdeling kleine graven op het kerkhof.

Wij die lang leven lopen deze stil voorbij,

zoals rijken de armenbuurt voorbijlopen.
Hier liggen ze, Zosia, Jacek en Dominik,

vroegtijdig aan de zon, de maan ontnomen,

aan de rondgang van het jaar, de wolken.
In hun retourbagage hebben ze niet veel verzameld.

Flarden van uitzichten,

in een niet al te menigvuldig meervoud.

Een handvol lucht met een vlinder die voorbijvliegt.

Een lepeltje bittere kennis, met de smaak van medicijn.
Kleine ongehoorzaamheden,

waarvan er eentje dodelijk was.

Een vrolijke ren de bal achterna, over de weg.

Het geluk van glijden op nog breekbaar ijs.


Hij hier en zij ernaast, en de hele rij:

voor ze bij de deurknop konden komen,

een horloge kapot maken,

hun eerste ruitje breken.


Malgorzatka: vier jaar,

waarvan twee liggend en kijkend naar het plafond.


Rafaël: een maand later zou hij vijf zijn geworden,

en Zuzia : vlak voor de kerstdagen

met hun waas van adem in de vorst.
Maar wat kun je dan zeggen over één dag leven,

één minuut, seconde:

donker, dan een lampflits en weer donker?

KOSMOS MAKRÓS

CHRONOS PARÁDOKSOS

Alleen het stenen Grieks heeft hiervoor woorden.


Wislawa Szymborska
DE WINTER STAAT STIL
Schrijf de winter staat stil, lees een dag zonder dood

spel de sneeuw als een kind, smelt de tijd

als een klok die zich spiegelt in ijs
het is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft

in een klok die niet loopt, in het vlees

dat bestaat als sneeuw voor de zon
en schrijf hoe haar lichaam bestond en zich boog

gelenigd in vlees en keek achterom

in het oog van vandaag, en lees wat hier staat
de zon op de sneeuw, het kind in de slee

het dichtgewaaid spoor, de onleesbare dood -


Gerrit Kouwenaar
VOOR VADER
o vader wij zijn samen geweest

in de langzame trein zonder bloemen

die de nacht als een handschoen aan -

en uittrekt wij zijn samen geweest

vader terwijl het donker ons dichtsloeg.
waar ben je nu op een klein ritje

in de vrolijke bries van een groene auto

of legde de dag haar handschoen

niet op een tafel waar schemering en

zachte genezing zeker zijn in de toekomst.
mijn lippen mijn tedere lippen dicht.
16 juli 1950
Hans Lodeizen
Dona Luz
1

Heb zopas mijn allang gestorven moeder opgegraven. En

wat ik opgroef was een kist vol rozen, vers en geurig, als

kwamen ze uit kassen.

Wat is dit alles vreemd!
17

Je zult regenen bij regenweer,

je zult warmte geven 's zomers,

je zult koelte zenden 's avonds.

Je zult nóg sterven duizend maal.
Je zult bloeien in de bloeimaand.

Je bent niets, niemand, moeder.


Van ons zal blijven een zelfde spoor,

een zaadje van wind in het water,

het skelet van bladeren op de aarde.

Over de rotsen, tatoeage van schaduwen.

In het hart van de bomen het woord liefde.
We zijn niets, niemand, moeder.

Leven is nutteloos

maar nog nuttelozer is sterven.
Jaime Sabines
DE DOOD VAN EEN ZOON

gestorven in een inrichting voor geesteszieken, één jaar oud
Iets heeft opgehouden bij mij te blijven,

iets als een persoon, iets dat daar veel op leek.

Toch was er geen adeldom in

of iets dergelijks.


Er was iets als een huis, gebouwd een jaar

geleden, stom als steen. Terwijl de gebouwen ernaast

zongen als vogels en lachten

omdat zij met de stilte


een dwingende afspraak hadden. Maar hij

zong niet en lachte niet. Hij zegende de stilte niet

als brood, met woorden.

Hij brak de stilte niet.


Eigenlijk, als een huis in rouw, keerde hij zijn

oog naar binnen om op de stilte te letten terwijl

de andere huizen als vogels

zongen om hem heen.


En de ademende stilte bewoog niet,

maar was ook niet stil.


Ik heb hardsteen gezien, ik heb baksteen gezien,

maar dit huis was niet van hardsteen of baksteen,

het was een huis van vlees en bloed

met vlees van hardsteen


en bloed als baksteen. Een huis

van steen en bloed, met adem van stilte, en de andere

vogels waanzinnig zingend op zijn schoorsteen.

Maar dit was stilte,


dit was iets anders, dit was iets

luisterend en sprekend, hoewel het een huis was, gehuld

in stilte, er was

iets godsdienstigs in zijn stilte,


iets dat glansde in zijn rust.

Dit was iets anders, dit was iets volstrekt anders;

hoewel hij nooit sprak, had

dit iets van doen met de dood.


En toen hield het oog langzaam op naar binnen

te kijken. De stilte rees en viel stil.

De blik keerde zich naar buiten en keek,

de vogels kwetterend om hem heen.

En alsof hij kon spreken
keerde hij zich om op zijn zijde met zijn ene jaar

rood als een wond,

hij keerde zich om alsof hij er zich voor schaamde,

en uit zijn ogen rolden twee grote tranen, als stenen,

en hij stierf.
Jon Silkin
DROMEN DROMEN
Ik droomde dat je thuis was lief

je kwam licht uit de auto, ik sliep,

ik hoorde vogels, rook seringen,

jij draaide aan de knop van de radio

die aan mijn hoofdeind stond.

Uit elk station kwamen verwonderlijk

belangwekkende fragmenten.

Ik droomde ook dat ik gedroomd had

dat ik in de keuken stond

en dat het aanrecht in stukken brak -

marmeren brokken. Ik nam in elke hand

een scherf want dacht ik, misschien

is"dit een droom, en bracht mijn handen

langzaam bij elkaar, om het marmer

te horen ketsen, maar het ketste niet.

Ik vond het prettig datje thuis was

kon je de droom vertellen. Ja zei jij,

ja dat doet een droom, je voelt iets in je hand

dat er niet is, dat is bekend.

Toen ging de telefoon. Zo heerlijk, dacht ik

dat jij thuis bent, ik slaap nog even door.

.Jij neemt wel op. Ik hoorde je spreken.

Hij rinkelde en rinkelde totdat ik wakker werd

en rende. Verdriet om sterven is bekend

verdriet van scheiden niet geacht. En

doden weten niet hoe ze ontbreken.


Judith Herzberg
TIJD
Tijd -het is vreemd, het is vreemd mooi ook

nooit te zullen weten wat het is


en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder

dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven


zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt

naar iets in zichzelf, iets ziet daar

wat het meekreeg
zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten

van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat

een verte voorbij onze ogen
het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken

dat ooit niemand meer zal weten

dat we hebben geleefd
te bedenken hoe nu we leven, hoe hier

maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder

de echo's van de onbekende diepten in ons hoofd
niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik

buiten onze gedachten is geen tijd


we stonden deze zomer op de rand van een dal

om ons heen alleen wind


Rutger Kopland
Iemand zegt me

dat een jongeman

van tijd tot tijd je graf komt bezoeken.
Hij wiedt het onkruid.
Een jongeman. zeggen ze, mooi,

met een boerenhoed.


Toen ze het hem vroegen zei hij

dat hij een vriend van je familie is.


Wie is die gedaante die zo opdaagt'?
Misschien ben jij het wel die terugkomt

om te zien waar je bent en die

aan de voet van je as,

nat, een takje

regen of verdriet neerlegt.
José Angel Valente
O DUISTER DAT MIJ KOMT VERFRISSEN
Morgen, zodra het gloort

Ik weet dat jij daar op mij wacht. Dus zal ik gaan,

Morgen, zodra het gloort, zodra de velden lichten.

Hier blijven kan ik niet, zo ver bij jou vandaan.

Door 't bos, over de berg, zal ik mijn schreden richten.

Ik zie niets om mij heen, ik hoor ook geen gedruis,

Ik loop maar en heb enkeloog voor mijn gedachten,

Triest en gekromd, de handen op de rug gekruist,

Alleen, geen die mij kent, mijn dagen zijn als nachten.

Ik zie het avondgoud dat neerdaalt zelfs niet meer,

Ook niet de zeilen ginds die op Harfleur afglijden-

En als ik bij haar graf kom, leg ik voor haar neer

Een tuiltje groene hulst met wat bloeiende heide.
Victor Hugo
RAAM
Eén van de kleine dingen te zijn

een druppel water


of in de nachtelijke keuken

een kikkererwt op tafel zijn


over de grond te gaan

ongebonden en donker

als een draad losgeraakt van de klos
maar niet te sterven van vermoeidheid en verlangen

vlak voor het licht van het raam

als een bij gedwarsboomd door het glas
Homero Aridjis
DE DODEN
De doden kijken altijd op ons neer, zegt men,

terwijl wij onze schoenen aantrekken of een broodje smeren,

zij kijken neer door de glasbodemboten van de hemel

wanneer ze zichzelf langzaam door de eeuwigheid roeien.


Zij kijken naar onze kruinen die beneden op aarde bewegen,

en liggen wij neer in een veld of op een bank,

misschien bedwelmd door het gezoem van een warme namiddag,

dan denken zij dat wij terugkijken naar hen,


waardoor zij de riemen lichten en stilvallen

en wachten, zoals ouders, op ons om onze ogen te sluiten.


Billy Collins
EEN BOOM OP DE HEUVEL
Laat ik nooit vergeten, dat er

een boom op de heuvel staat -

ergens, ver weg,

waar dan ook-een boom zonder naam,

bevriend met de komende avonden.

Een boom op de heuvel.

Die zal me eraan herinneren

hoe wakkere ogen zwerven in het gras,

hoe in de diepten van de dakloze nacht

de stemmen van de krekels aanzwellen.

Een boom op de heuvel.

Dat hij van me zal houden

en me nooit zal vergeten.

Hij is naamloos, ik zal hem

geduld en groene stilte noemen.

Een boom-zulk een ranke

belichaming van mijn gedachte! -

staat op de heuvel, verenigd met de wolken,

luisterend naar de duistere sprookjes,

die de wind hem toefluistert.


Ivan Tzanev
SUMMA SUMMARUM
De eikenbladeren bij de begraafplaats

Fluisteren profetisch


En de gerstekorrels komen tot rijping

Als toneelspelers die

Voor de honderdste keer in dezelfde rol

Voor het voetlicht treden.


Maar verhef niet je vaderland tot in de hemel.

Verheffen moet het jou.


Vanaf deze wolk bekeken

Zijn al die akkers en velden

Een album vol postzegels
Maar een mier ziet een kringetje rook

Opstijgend van je sigaret

Als een landschap zonder einde.
Dreig nu niet langer

Dit stuk land zonder geschiedenis

Dat je slechts, maar dan voorgoed,

Terug zult keren als een bronzen beeld.


Voordat je vertrekt:

Streel de schors van deze bomen

Die jou zonder betaling leerden

Zo fier rechtop te blijven staan.


Morko Vesovic
Je plotselinge aanwezigheid.
Al je licht stroomt binnen, duurzaam, hard

als steen.

Je komt

zo onbeweeglijk, zo in jezelf gekeerd.



Het diepe.

In je enige bestaan,

je enige licht,

brand je voor altijd.


José Angel Valente
Misschien in het dorstige, donkere, haastige

verbrokkelen van de dag

ben je langzaam veranderd in iets anders,

in iets wat aan je grenst,

niet jij.

Je komt niet

tot jezelf terug

als je tastend terugkeert

naar het lichaam dat je had,

naar de plek waar tot in het wit

van de droom het metaal

van de liefde schroeide.

Leg neer je aangezicht

dat je nu niet meer kent.

Laat je woorden vluchten,

bevrijd ze van jou

en stap traag,

onheuglijk en blind,

onder de vergulde boog

die de weidse herfst daarboven spant

als laatste eer aan de schaduwen.
José Angel Valente
IN DE BERGEN
Witte rotsen steken uit de beek,

Door kilte zijn de rode blaren schaars.

Het bergpad -toch valt er geen regen:

Het hemelblauw doorweekt je kleren.


Wang Wei
OP DE WIJZE VAN EEN UITGEKNIPTE PRUNUS
De rode lotus geurt niet meer, de jade mat werd herfst -

Ik leg mijn zijden mantel af

En ga alleen de loopplank op.

Wie zendt vanuit de wolken een brokaten brief aan mij?

Wanneer de ganzen zuidwaarts trekken

Vervult de maan de westelijke toren.


De bloemen zijn vanzelf verstrooid, het water blijft maar stromen -

Een en hetzelfde verlangen,

IJdele smart in twee plaatsen.

Ik zou niet weten hoe ik dit verdriet kan laten slijten -

Pas daalt het van mijn voorhoofd,

Of stijgt weer in mijn hart!


Li Qingzhao
S NACHTS KRASSEN DE RAVEN
Grauwe wolken boven de stad.

Op zoek naar een roest

strijken de raven neer

en krassen tussen de takken.

Op haar getouw weeft zij brokaat

zoals de vrouw van Lin-chuan.

Achter het gordijn van groene tule

spreekt zij in zichzelf.

Ze laat de schietspoel zinken

en denkt aan haar man.

Het is leeg in de kamer,

haar tranen vallen met de regen.


Li bo
Ontwerp voor een grafschrift
Van jou blijft niets,

alleen deze gebroken fragmenten.


Dat iemand ze liefdevol verzamelt, wens ik je toe,

ze koestert en ze niet geheel en al

laat sterven in deze nacht

van gulzige schaduwen, waarin jij al weerloos

blijft trillen.
José Angel Valente
Wijken voor de trage zon die naar de avond

neigt, zich eraan overgeven.

Verval.

De stroom van leven



is stilaan onmerkbaar opgedroogd

zoals de rand van vlucht of streling.

Ijl duurt nog wat van zijn lichte aanraking

een spoor was.


Ik weet niet of ik vertrek of terugkeer .

Waarheen'?

Het einde is het begin.

Niemand


zegt me vaarwel. Niemand die op me wacht.
Nu binnengaan in de ondergaande zon,

opgeslorpt worden in licht,

tot schaduw geroepen.
En jij, die mij hebt liefgehad, offer

aan de goden van de nacht

het zuiverste deel van mij

dat in je geheime rijk zal overleven.


José Angel Valente
Als we na de dood opstaan,

als ik na de dood

naar jou kom zoals ik vroeger kwam

en in mij is er iets wat jij niet herkent

omdat ik niet dezelfde ben,

wat een pijn doet sterven, weten dat ik nooit

de randen zal bereiken

van het wezen dat jij voor mij was zo diep binnen

in mijzelf,

als jij ik zou zijn en jij mij helemaal doordrong

waarom is deze grens dan zo blind,

zo rampzalig deze muur van woorden

die plotseling bevroren

nu ik je het hardst nodig heb,

ik zeg je kom en soms

kijkje me nog aan met een tederheid

alleen uit de herinnering geboren.

Wat een pijn doet sterven, naar jou komen, je kussen

wanhopig

en voelen dat de spiegel

mijn aangezicht niet weerspiegelt

noch voel jij

van wie ik zielsveel heb gehouden

mijn hunkerende onaanwezigheid.


José Angel Valente
Die zuurte streelt mijn hart

hoewel ik bijna sterf.


Open nog het raam waartegen de lucht

vogels werpt uit het gele bos

waar het licht nog klaart.
Klop op mijn deur.

Zeg me


wie je bent jij die nu komt

wanneer alles lijkt te eindigen.


De haardos van de tijd rukt nachten weg

als rivieren eindeloos

op weg naar vaarwel.
Vriendin, kom tot

het leven terug, jij kunt het nog.


Rechtop, op de andere oever, bewaart

je witte gedaante het enige zekere

getuigenis van mij.
José Angel Valente
ACHTERGELATEN

in een onbewoonbare wereld

rinkelend van kleuren

en geluiden

waar de dag te licht is

en geen nacht donker genoeg

om het verborgen tumult

te bedaren.


In alle straten, alle kamers

blijf ik je zoeken.

Tussen ontelbare mensen

vind ik je

nergens.
Verlos mij

uit dit luchtledig.

Laat mij toe tot de aarde

die je bedekt.

Dicht bij je wil ik slapen

en tot stof vergaan.


H. Michaelis
HOE KAN ik ademen

met je dood als een brok

in mijn keel?

Hoe kan ik lachen

nu het onherroepelijke vonnis

mijn mond verzegeld heeft?


In een houten kist

gaat de toekomst

tot ontbinding over.

Ik voel hoe ik langzaam

maar zeker bevries.
Toch blijf ik ademen.

Toch lach ik, oudergewoonte.

En dat is misschien

het ergste van alles.


H. Michaelis
Ik weet haast niets meer

Van alles wat ik eens heb willen zeggen.

Ik wil haast niets meer zeggen.

Alleen iets van het licht.


Wat kan een hamer

Die spijkers in het licht slaat?


De val

Uit het lichaam

En de angst

Omdat het licht

Het niet houdt.
Het lachen van het licht

En van de eindeloze echoos

Van het lachen van het licht.
Het lachen van het licht

Omdat het alles

Kan zien.
In de holten

Van het licht

Past het allemaal

Wel:


Steen,

Boom,


Dier,

Mens.


Alleen

Slaat nu al

Dodelijk licht daardoorheen.
Alle woorden

Om het licht heen

Zijn er te zacht voor,

Bloembladen

Om een zon heen

Die ook onze harde dood sterft

Aan licht dat niet beweegt.
Ik grens

aan twee kanten

aan het licht:

ik word verwekt

en ik ga dood:

een spiegel

kijkt in een spiegel
Zoveel

bogen


van licht,

maar ook zoveel

luiders

van klokken.


Hans Andreus



  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina