In de geest van Hobbes: soevereiniteit en maatschappelijke orde



Dovnload 71.79 Kb.
Pagina1/7
Datum25.08.2016
Grootte71.79 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7

In de geest van Hobbes: soevereiniteit en maatschappelijke orde


Marin Terpstra | Centrum voor Ethiek, Radboud Universiteit Nijmegen | maart-mei 2007
Dit is een vrije reflectie over het soevereiniteitsbegrip van Hobbes. Het is niet mijn bedoeling een verhandeling te houden over Hobbes’ begrip van soevereiniteit op grond van een tekstlezing en mij in interpretatieproblemen te verdiepen. Ik mag bij ieder een meer of minder helder beeld van dit begrip bij Hobbes vooronderstellen. Ik zal ‘in de geest van Hobbes’ schrijven over wat ik als het soevereiniteitsprobleem beschouw. Ik meen dat dit ook los van Hobbes’ uiteenzetting geldingskracht heeft. Ik zal beginnen met het schetsen van dit probleem en daarna de meer Hobbeseaanse noties doordenken. Onderstaande tekst is nog niet voltooid. Ik waag een poging de huidige politieke constellatie in de geest van Hobbes te begrijpen, maar tot nu toe is dat vooral bij een zoektocht gebleven.

§1 – Het laatste oordeel


Soevereiniteit is in ieder geval in één opzicht een verschrikkelijk begrip dat men dan ook vaak het liefst uit de weg gaat: hoogste en laatste beslissing waartegen geen beroep meer mogelijk is. Deze uitleg is uiteraard niet de enige. Men gebruikt het begrip meestal in een juridische zin of in het kader van de internationale politiek. Dat vertroebelt de zaak, omdat het probleem lijkt te verdwijnen zodra men zich met de empirische verschijnselen gaat bezighouden. Deze vertroebeling is niet het onderwerp van deze tekst en dus ook niet de feiten die met het begrip soevereiniteit in verband worden gebracht. Mijn belangstelling gaat uit naar het wellicht wat schimmiger en zeker meer denkbeeldige rijk van de soevereiniteit dat door Hobbes is verkend. Hij sluit aan bij een meer politiek-theologische lijn in het denken over soevereiniteit. Dan kan men allereerst denken aan het Laatste Oordeel.

Het goddelijke oordeel aan het einde der (wereldlijke) tijden is daadwerkelijk het laatste: een mens zal gered of verdoemd zijn, of wellicht met wat geluk in het vagevuur belanden – een kleine beproeving voordat de eeuwige gelukzaligheid alsnog intreedt. Deze ‘laatste instantie’ is werkelijk de hoogste macht, die onherroepelijk beslist. Wie hierin gelooft (en zich dus een voorstelling maakt van een ‘laatste beslissende instantie’) zal zijn leven lang sidderen en beven, te meer daar de uitslag niet helemaal of helemaal niet voorspelbaar is. Maar wellicht is het aantrekkelijke van een dergelijke voorstelling, dat er uiteindelijk beslist wordt. Onverdraaglijk zou kunnen zijn dat alle inspanningen om ‘het goede te doen’ tevergeefs zijn en zonder beoordeling blijven. De onzekerheid blijft niettemin een zware beproeving.



De zielsrust kan beter bereikt worden door zich voor te stellen dat deze allerhoogste macht goed en barmhartig is, dat wil zeggen goed en barmhartig voor mij. Een andere bezwering van de vrees is mogelijk door zich voor te stellen dat deze allerhoogste macht redelijk is of zelfs volgens een vastgesteld en inzichtelijk wetboek oordeelt en veroordeelt – en nogmaals: de Wet staat gelukkig aan mijn kant of ik aan de kant van de Wet. Dat laatste is te verkiezen: de mens weet dan waar hij of zij aan toe is en kan zich op het oordeel voorbereiden. Maar wie dan denkt van het probleem verlost te zijn, heeft het helaas mis. Het probleem van de onherroepelijkheid is slechts verschoven. Ook de wet die vastligt, verwijst naar een hoogste en laatste beslissing waartegen geen beroep meer mogelijk is. Men denke zich in dat voor altijd vastligt en bekend is wat ‘het goede’ is, wat de hoogste wet is, wat barmhartig en redelijk is – en men is het er niet mee eens, of men is niet bereid of in staat aan de wet te gehoorzamen! Het blijft sidderen en beven.

§2 – Ontsnapping aan het onherroepelijke


Deze overwegingen roepen enkele vragen bij mij op, die ik overigens niet in het vervolg volledig of zelfs maar gedeeltelijk zal beantwoorden. Waarom zou men die kennis van goed en kwaad begeren? Waarom zou men willen dat die zelfs maar mogelijk en denkbaar is? Zal de mens niet gelukkiger worden als een dergelijke ‘laatste instantie’ in het ongewisse blijft of er helemaal niet is? En dat een antwoord op de vraag naar de hoogste wet of de hoogste macht nooit zal worden gegeven? Die ‘laatste instantie’ is dan per definitie transcendent, schuift altijd voor ons uit, het oordeel wordt altijd weer uitgesteld. Er is een blijvende hoop te ontsnappen of een oordeel en beslissing ongedaan te maken. Voor de praktisch ingestelde mens is de voorstelling van een stelsel van “checks and balances” gelijkluidend met vrijheid en demokratie: er is altijd een uitweg, een beslissing kan altijd weer ongedaan gemaakt worden, de discussie kan telkens heropend worden. Geruststellend is ook de wereld, alles wat het geval is. De feiten geven aan dat een beslissing in de tijd staat. Er is altijd een tijdstip daarna, waarin andere mogelijkheden bestaan.

§3 – Soevereiniteit en gerechtigheid


Een gangbare verklaring van de voorstelling van het goddelijke Laatste Oordeel verwijst naar de gebrekkige mogelijkheden van wereldlijke machten om ieder mens recht te doen: misdadigers ontkomen aan hun gerechte straf, onschuldigen en rechtvaardigen worden geslachtofferd. Deze gedachte is in twee richtingen uitgewerkt. De eerste richting ziet de goddelijke gerechtigheid als een verlengstuk van de wereldlijke macht die recht wil doen maar hier door een gebrek aan middelen niet aan slaagt. De misdadiger moet dan weten dat hij uiteindelijk zijn straf niet zal ontlopen: God ziet meer dan de mens. De tweede richting ziet de goddelijke gerechtigheid als een herstellende rechtspraak: daar waar wereldlijke macht faalt in het recht doen, zal uiteindelijk het recht zegevieren. In het hiernamaals zal alles weer goed komen. Plato bedacht dit in de Gorgias, het christendom heeft er later goede sier mee gemaakt.

Nietzsche heeft zeker gelijk wanneer hij stelt dat we hier met een wrokkig gedachtegoed zijn opgescheept: de verliezers stellen zich voor dat ze uiteindelijk de overwinnaars zullen zijn. Het ressentiment weet echter niets nieuws te bedenken: tegenover de onherroepelijkheid van het aardse lot (de beslissingen van mensen over mensen) stelt het een even onbarmhartig eeuwig lot: een vergeestelijkte omkering van deze onverbiddelijke wereldlijke machten. Het is waar dat menselijke macht altijd eindig is en nooit totaal kan zijn: er is soms voor enkelingen een ontsnapping mogelijk, soms ook voor velen. Wie niet tevreden is met deze onmogelijkheid van totalitarisme (Balibar), stelt zich een soevereiniteit in overtreffende trap voor. Anderen tellen hun zegeningen en bejubelen de eindigheid van politieke macht als het minste van alle kwade dingen. Niettemin hoeft men niet de verbeelding der mensheid te raadplegen om de soevereiniteit in deze zin opgevat ook in praktisch, menselijk en aards opzicht als een vraagstuk ernstig te nemen. Zolang mensen beslissingen nemen over het lot van andere mensen (ten goede of ten kwade) en er macht bestaat deze beslissingen uit te voeren, doemt het probleem op van de hoogste en laatste beslissing waartegen geen beroep meer mogelijk is. Sterfelijke goden die regeren onder de onsterfelijke God zijn nog steeds onder ons.





  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina