In elk mandje zitten 10 appels. Dat zijn samen appels



Dovnload 45.36 Kb.
Datum14.08.2016
Grootte45.36 Kb.

Verhaalsommen tot 20 1.



  1. In elk mandje zitten 10 appels.

Dat zijn samen _____ appels.


  1. Rob is 12 jaar.

Hij is drie jaar ouder dan zijn zusje. Zijn zusje is _____ jaar.




  1. Moeder moet 10 sneetjes brood roosteren.

In de broodrooster kunnen twee sneetjes tegelijk.

Moeder moet _____ keer roosteren.






  1. Dit is een rol touw van 16 meter.

Je gebruikt de helft.

Nu heb je nog _____ meter touw over.






  1. Twee dominostenen hebben evenveel punten.

Zet er een kruisje bij.


  1. Vandaag is het 13 mei.

Over een week is Kim jarig. Dan is het _____ mei.


  1. Je hebt 12 potloden nodig.

Hoeveel doosjes moet je kopen? _____

Hoeveel potloden zijn er dan nog over? _____




  1. Tanja leest een boek van 20 bladzijden.

Als ze nog 4 bladzijden leest is het boek uit.

Ze is nu op bladzijde _____ .



Verhaalsommen tot 20 2.



  1. Er zijn drie trossen bananen.

Je eet twee bananen op. Dan zijn er nog _____ over.


  1. De hele puzzel bestaat uit _____ stukjes .

_____ stukjes zijn nog niet gelegd.


  1. Vandaag is het zaterdag.

Dan is het overmorgen _________________________ .


  1. Twee volle doosjes eieren en nog twee losse eieren

is samen _____ eieren.


  1. Je hebt een plankje nodig van 13 cm.

Maar deze plank is 18 cm.

Hoeveel zaag je er af? ______ cm.




  1. Hakan woont in de Beukenlaan op nummer 8.

Zijn vriendje woont twee huizen verder op nummer _____ .




  1. Uit één pak gaan 6 bekers melk.

Hoeveel pakken heb je nodig

om 18 bekers te vullen? _____




  1. In de bus zitten 11 mensen.

Bij de volgende halte stappen 2 mensen uit en er komen er 5 bij.

De bus rijdt dan verder met _____ mensen.


Verhaalsommen tot 20 3.



  1. Vier kinderen verdelen deze reep.

Ieder krijgt _____ stukjes.

Als vijf kinderen eerlijk delen krijgt ieder _____ stukjes.






  1. Alle huizen hebben een nummer.

Geef de buren van nummer 15

het juiste nummer.




  1. Drie kinderen zijn samen 15 jaar.

Meike is 3 jaar, Jef is 5 jaar en Rien is _____ jaar.


  1. Drie dominostenen hebben samen 20 punten.

Welke hoort er niet bij?

Zet er een streep door.




  1. De school begint om half 9. Dat is over een half uur.

Het is het nu __________________ .




  1. Hoeveel stukjes van de puzzel moeten nog

gelegd worden? _____


  1. Dion heeft 12 knikkers. Eerst verliest hij de helft.

Dan wint hij er 2 knikkers bij. Nu heeft hij _____ knikkers.




  1. Een kwartet bestaat uit 4 kaarten.

Drie kwartetten hebben samen _____ kaarten.

Verhaalsommen tot 20 4.

1.

Hoe lang zijn de drie witte latjes?

Schrijf de getallen op de latjes.


  1. Sara heeft 5 cent in haar spaarpot.

Ze krijgt er nog twee muntjes van 5 cent bij.

Nu heeft ze _____ cent.





  1. Timo weegt 18 kilo.

Zijn zusje weegt de helft. Zij weegt ______ kilo.



  1. Tel de blokjes. Het zijn er ______




  1. Op de gang staan 7 paar schoenen.

Dat zijn ______ schoenen.


6. Over 4 uur is het ______ uur.

7. In een klas zitten 20 kinderen. Er zijn twee groepjes van 6

en twee groepjes van ______ kinderen.


8. Uit het boek is één bladzijde weg.

Welke nummers stonden er op?

_____ en ______

Verhaalsommen tot 20 5.


1. Er worden 20 cakejes gebakken.

Het eerste bakblik is vol.


Kleur de vormpjes die nog nodig zijn in het tweede blik.
2. Vier kinderen eten 11 pannenkoeken.

Lot eet er 3 en Daan 4.

De andere twee kinderen delen de rest.

Zij eten ieder _____ pannenkoeken.




3. Dit zijn _____ blokjes.

4. Drie schapen kregen elk 2 lammetjes.

Dat zijn bij elkaar _____ dieren.


5. Sam fietst in 14 minuten naar huis.

Kamal kan het in 8 minuten. Dat is _____ minuten sneller.


6. Bij de rust is de stand van de wedstrijd 2 – 1.

Beide ploegen scoren nog 2 x. De eindstand is dan


7. Vooraan loopt een groepje van 4 hardlopers.

Ze worden ingehaald door een groep van 12.

De groep bestaat nu uit _____ lopers.


8. Dit is samen _____ euro.



Verhaalsommen tot 20 6.

1. Hoeveel punten zijn dit? _____


2. Gera en Juul wonen in dezelfde rij huizen.

Gera woont op nummer 9.

Juul woont drie huizen verder. Zij woont op nummer _____
3. Tobi is 11 april jarig. Dat is over 4 dagen

Vandaag is het dus ______ april.


4. Met welke dobbelstenen kun je 11 gooien.

Zet er een streepje onder.

Het kan ook nog anders.
5. Een week en 5 dagen is _____ dagen.
6. De heks tovert het grootste en het kleinste getal weg.

Wat komt er dan uit de som?

6 + 2 + 5 + 1 + 4 + 7 =


7. Zes kinderen krijgen ieder een halve appel.

Hoeveel appels zijn daar voor nodig? _____


8. Van hier naar Goes is 5 kilometer.

Van hier naar Beek 13 kilometer.

Wat staat op het bord van Goes naar Beek ?



Verhaalsommen tot 20 7.

1. Dit is samen _____ euro.

2. Twee weken en 2 dagen is _____ dagen.

3. Dit zijn _____ blokjes.

4. Vandaag is het dinsdag. Dan was het eergisteren _____________

5. Drie kinderen krijgen elk 2 stukjes van de reep.

Er blijven ______ stukjes over.



  1. Het is 3 uur ’s nachts. Je hoeft pas om 7 uur op te staan.

Dan kun je nog _____ uur blijven liggen.

7. Bij de rust is de stand van de wedstrijd 5 – 3.

De eindstand is 5 – 7.

De winnaar heeft nog _____ keer gescoord.




8. Hoeveel plantjes kun je kopen voor 15 euro?

Verhaalsommen tot 20 8.

1. De heks tovert alle getallen dubbel.

Wat komt er dan uit de som? 1 + 5 + 3 =
2. Hoe lang zijn de vier witte latjes?

Schrijf de getallen op de latjes.






3. Uit het boek is één bladzijde weg.

Welke nummers stonden er op?

_____ en ______

4. Vijf paar sokken is _____ sokken.


5. Je bent de op een na laatste in de rij.

Hoeveel staan er vóór je? _____


  1. Vier kinderen verdelen 20 voetbalplaatjes. Ieder krijgt er _____ .

7. Uit hoeveel punten bestond de taart?


8. In de bus zitten 16 mensen.

Er stappen 3 mensen in en 5 mensen stappen uit.



De bus rijdt verder met ______ mensen.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina