Incidentie en kenmerken van Late-onset sepsis bij prematuren in een level III neonatale intensive care unit



Dovnload 152.19 Kb.
Pagina1/3
Datum22.08.2016
Grootte152.19 Kb.
  1   2   3


Incidentie en kenmerken van
Late-onset sepsis bij prematuren in een level III neonatale intensive care unit



Neonatale intensive care unit, Isala Klinieken Zwolle

M.P. Breedveld

19 januari 2009 – 29 mei 2009

Dagelijkse begeleider: Drs. J. Bekhof


Facultaire begeleider: Prof. dr. P.L.P. Brand

Amalia neonatologie/high-care kinderafdeling


Isala Klinieken Zwolle
Samenvatting

Achtergrond en doelstelling
Late-onset sepsis (LOS) is een groot probleem bij premature neonaten en is geassocieerd met een hoge morbiditeit en mortaliteit. Het diagnosticeren van LOS bij prematuren is moeilijk, omdat de klinische symptomen erg variëren en aspecifiek zijn. Het doel van deze studie is het bepalen van de incidentie en klinische symptomen van LOS bij premature neonaten met een verdenking op een infectie op onze level III Neonatale Intensive Care Unit (NICU).

Methode
Gedurende een periode van 2 jaar (2005-2007) hebben we een prospectieve observationele studie verricht bij neonaten geboren bij een amenorroeduur van <34 weken, op onze NICU. Symptomen aanwezig tijdens een episodes van klinische instabiliteit verdacht voor een infectie, ontstaan na een postnatale leeftijd van 3 dagen, zijn verzameld. Epidemiologische gegevens werden bijgehouden en geëvalueerd. LOS werd gedefinieerd als een bewezen sepsis (bij een positieve bloedkweek) en een klinische sepsis (ernstige tekenen van een infectie zonder een positieve bloedkweek).

Resultaten


Van de 348 geincludeerde patiënten (gemiddeld geboortegewicht 1463 gram [SD 485], gemiddelde amenorroeduur 30 weken [SD 2.3]) was de incidentie van LOS 84/348 (24%). In totaal werden 200 episodes van klinische instabiliteit verdacht voor een sepsis, gedocumenteerd bij 152/348 patiënten (43.7%). In 93/200 episodes (46.5%) was er sprake van LOS. In 107/200 episodes (53.5%) werd de diagnose sepsis verworpen. Prematuren met een LOS hadden significant vaker symptomen en waarnemingen van een grauwe huidskleur (66% vs. 36%; p < .01), verlengde capillary refill (51% vs. 26%; p<.01), toename in zuurstof behoefte (39% vs. 22%; p = .01), toename in mechanische ventilatie (62% vs. 34%; p < .01) en apathie (51% vs. 31%; p = .01) dan patiënten zonder LOS. De meest voorkomende pathogenen waren gram positieve bacteriën (90.2%), voornamelijk Coagulase-negatieve streptokokken (27.5%) en Bacillus cereus (27.5%). Zeven van de 348 patiënten (2%) overleden. In 3/7 was bewezen sepsis de hoofdoorzaak van overlijden.

Conclusie
De incidentie van LOS bij prematuren < 34 weken in onze NICU is 24%. In 46.5% van de episodes met een verdenking op een infectie werd LOS gevonden. Patiënten met een LOS hadden significant vaker symptomen als een grauwe huidskleur, verlengde capillary refill, toename in zuurstof behoefte, toename in mechanische ventilatie en apathie.

Inhoudsopgave

Samenvatting 1



1 Inleiding 3
1.1 Achtergrond 3
1.2 Probleemstelling en vraagstelling 9

2 Methode 10
2.1 Onderzoeksopzet 10
2.2 Dataverzameling 10
2.3 Literatuuronderzoek 13
2.4 Statistische analyse 13
3 Resultaten 14
3.1 Patiëntenpopulatie 14
3.2 Incidentie 14
3.3 Vergelijking patiëntengroepen 15
3.4 Episodes met een verdenking infectie 17
3.5 Symptomen en waarnemingen 19
3.6 Bloedkweken 20
3.7 Antibiotica gebruik 21
3.8 Mortaliteit 21
3.9 Literatuuronderzoek 21

4 Discussie 23
4.1 Definitie LOS 23 4.2 Incidentie 23
4.3 Klinische sepsis 24
4.4 Diagnostische testen 24
4.5 Mortaliteit 24
4.6 Patiëntkarakteristieken 25
4.7 Symptomen en waarnemingen 25
4.8 Pathogene micro-organismen 26
4.9 Tot slot 27

5 Conclusie 28

Referenties 29

Bijlagen 31
A Abstract orale presentatie op het 31e congres van de Nederlandse
Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) (05-11-2009)
“Voorspellende waarde van initiële (aspecifieke) klinische verschijnselen voor
Late-onset Sepsis bij prematuren”
B Posterpresentatie voor de “Wetenschapsavond Isala Klinieken Zwolle”
(29-10-2009)
“Voorspellende waarde van initiële (aspecifieke) klinische verschijnselen voor
Late-onset Sepsis bij prematuren”
Abstract 33

1 Inleiding

1.1 Achtergrond

Hoewel verbeteringen van de mogelijkheden op neonatale intensive care units (NICUs) hebben geleid tot toegenomen overleving van prematuren, zijn bacteriële infecties een belangrijke oorzaak van morbiditeit en mortaliteit (1-20).



Perinatale infecties Pasgeborenen kunnen intra-uterien, intrapartum of postpartum een infectie krijgen. Micro-organismen kunnen op verschillende manieren van de moeder op de foetus of neonaat worden overgedragen. Intra-uterien kunnen infecties ontstaan door hematogene transplacentaire transmissie, waarbij micro-organismen de placentaire barrière penetreren en de foetus infecteren. Dit heeft complicaties zoals congenitale afwijkingen of een premature partus tot gevolg. De infectie kan ook opstijgend vanuit het geboortekanaal ontstaan. De kans op een opstijgende infectie wordt vergroot bij het voortijdig breken van de vliezen. Tijdens de bevalling kan een infectie ontstaan bij de passage van een geïnfecteerd geboortekanaal. Een infectie kan postpartum ontstaan na contact met ouders, ziekenhuis personeel, materialen of omgeving die gekoloniseerd zijn met micro-organismen(20,21).

Sepsis
Sepsis (bloedinfectie) is de meest voorkomende infectie op Neonatale Intensive Care Units (NICUs) (6,10,14,17). Neonaten met een sepsis hebben vaak aspecifieke symptomen van een infectie, waardoor de diagnose vaak moeilijk te stellen is. In eerste instantie kunnen er weinig symptomen aanwezig zijn en vervolgens kan er (per)acuut een verslechtering van de klinische toestand optreden. Late complicaties van sepsis zijn onder andere respiratoire insufficiëntie, pulmonale hypertensie, hartfalen, shock, lever en nier disfunctie, cerebraal oedeem, trombose, beenmergdisfunctie en gedissimineerde intravasale stolling (21).

Sepsis is geclassificeerd in 2 groepen, early-onset sepsis en late-onset sepsis, gebaseerd op het tijdstip van ontstaan van de klinische symptomen van de infectie. Tevens varieert de pathogenese (20,21).



Early-onset (vroege) sepsis
In de literatuur worden verschillende tijdsperioden aangehouden waarbinnen de early-onset sepsis (EOS) valt. Over het algemeen wordt sepsis early-onset genoemd wanneer deze ontstaat binnen 48 uur tot een week postpartum. Waarbij de tijdsduur tot 48-72 uur postpartum het meest frequent wordt genoemd (10,19,22).

EOS wordt ook wel neonatale sepsis genoemd. De transmissie van pathogene micro-organismen vindt verticaal plaats, wat betekend dat de infectie van maternale origine is en wordt overgedragen van de moeder op de foetus of neonaat.

De incidentie van neonatale sepsis in westerse landen varieert van één tot vier gevallen per duizend levendgeborenen (20, 21). À terme geboren jongens hebben bij benadering een tweemaal hogere kans op het krijgen van een sepsis dan à terme geboren meisjes. Bij prematuren is dit verschil in geslacht veel minder uitgesproken (21).
De meest voorkomende verwekkers van EOS zijn gram positieve bacteriën, met name de groep B streptokokken (GBS). Vijftien tot veertig procent van alle zwangere vrouwen is gekoloniseerd door groep B streptokokken. Ongeveer de helft van de pasgeborenen met een GBS positieve moeder zal eveneens gekoloniseerd zijn door deze bacterie. Een tot twee procent van deze pasgeborenen ontwikkelt daadwerkelijk een GBS infectie. Het risico op vroege GBS sepsis neemt toe bij langdurig gebroken vliezen ( > 18 uur) en bij een premature partus (< 37 weken amenorroeduur). De incidentie van EOS veroorzaakt door GBS neemt af, meest waarschijnlijk ten gevolg van het profylactisch geven van antibiotica aan moeders gekoloniseerd met GBS, wat de kans op verticale transmissie vermindert. Het micro-organisme dat na de GBS het meest voorkomt is Escherichia Coli. Andere micro-organismen die een EOS kunnen veroorzaken zijn staphylococcus aureus (s.aureus), enterokok, Coagulase negatieve staphylococcus (CNS), Streptokok, Enterobacter Cloaca en Listeria monocytogenes (20, 21).

Prematuriteit of laag geboortegewicht zijn belangrijke risicofactoren van neonatale sepsis. Andere risicofactoren voor het ontstaan van neonatale sepsis zijn maternale infectie, langdurig gebroken vliezen, traumatische bevalling, de virulentie van het infecterende micro-organisme en een gecompromitteerd immuunsysteem(20,21).



Late-onset (late) sepsis
Late onset sepsis (LOS) wordt verschillend gedefinieerd uiteenlopend van een sepsis ontstaan na 48 uur postpartum tot ontstaan na één week postpartum. Meestal wordt voor LOS het ontstaan van klinische symptomen van infectie na 48-72 uur gehanteerd (4,7,8,10,13-15,17-19,22-25)
LOS kan ontstaan door maternale overdracht van pathogene micro-organismen of door overdracht van gekoloniseerde ouders, ziekenhuis-personeel, materiaal of omgeving op de neonaat. De Centers for Disease Control and Prevention (CDC) definieert nosocomiale infectie als elke infectie die ontstaan is na opname in het ziekenhuis, welke niet door transplacentaire transmissie van micro-organismen is ontstaan (26). Elke nosocomiale sepsis is een LOS, maar niet iedere LOS is een nosocomiale sepsis (20).

Er bestaat een grote variatie in de incidentie van LOS in de literatuur. Dit wordt veroorzaakt door de verscheidenheid in de definitie van (late-onset) sepsis. Tevens bestaat er een grote diversiteit in patiëntenpopulatie op de verschillende NICUs (22,27). De incidentie van LOS, gedefinieerd als een positieve bloedkweek na 48 uur is hoog: de range varieert van 12% tot 30% bij premature neonaten (12-15,21,22,27).

LOS kent dezelfde verwekkers als EOS. Waarbij gram positieve bacteriën de meest voorkomende verwekkers zijn, die in 70% van de gevallen van LOS wordt aangetoond. Van deze gram positieve bacteriën komt CNS het meest frequent voor. Bij premature neonaten en bij neonaten met een laag geboortegewicht wordt de CNS als verwekker in 68% van de bloedkweken aangetoond (20). Hoewel CNS over het algemeen een lage pathogeniciteit bevat, zijn prematuren erg gevoelig voor een invasieve infectie veroorzaakt door CNS. Een gecompromitteerd immuun systeem en het veelvuldige gebruik van invasieve procedures speelt hierbij een belangrijke rol. Naast de CNS is s. aureus een belangrijke veroorzaker van LOS. Hoewel de incidentie laag is, in 8% van LOS is s. aureus de verwekker, kan het ziektebeloop fulminant verlopen en kunnen er complicaties optreden als artritis, osteomyelitis en endocarditis. Andere micro-organismen die voorkomen zijn gram negatieve bacteriën (Escherichia coli, Klebsiella pneumoniae, Salmonella, Enterobacter, Citrobacter, Pseudomonas aeruginosa, Serratia) en gram positieve bacteriën (s. epidermis, Bacillus cereus). De Candida species komen ook in toenemende mate voor als verwekker van late-onset sepsis, voornamelijk bij neonaten met een laag geboortegewicht en bij neonaten die langdurig zijn behandeld met antibiotica.

Langdurig gebruik van antibiotica kan leiden tot verandering van de normale huid- en gastrointestinale flora, waardoor er een hogere gevoeligheid bestaat voor kolonisatie met Candida (20,21).

Transmissie van pathogene micro-organismen naar de neonaat vindt vooral plaats bij direct contact via de handen van de ouders of het ziekenhuispersoneel. Ook kunnen pathogene micro-organismen via de borstvoeding of door contact met gecontamineerd materiaal overgebracht worden op de neonaat.

Predisponerende factoren voor het ontstaan van een LOS zijn langdurig gebruik van arteriële en veneuze intravasculaire catheters, totale parenterale voeding, beademing, het gebruik van breed spectrum antibiotica en langdurige opname op de NICUs (5,6,13,19-21,27,28). Tevens neemt het risico op LOS toe bij een lager geboortegewicht en een kortere amenorroeduur.



Etiologie
Sepsis komt bij prematuren drie- tot tienmaal vaker voor dan bij à terme pasgeborenen met een normaal geboortegewicht (20).

Mogelijke verklaringen voor deze hogere incidentie bij prematuren zijn:


● Een premature partus kan het gevolg zijn van een intra-uteriene infectie of een infectie van het moederlijke geboortekanaal, waarbij er risico bestaat op verticale transmissie (20,21).
● Prematuren hebben nog een onrijp immuunsysteem, waardoor de afweerreactie tegen pathogene micro-organismen ontoereikend is (2,8,20,21,25,28).
● Prematuren hebben vaak een gecompromitteerde huidbarrière, doordat hun stratum corneum 3-6 cellagen dik is bij 26 weken, in vergelijking met een 16 laags stratum corneum bij a-terme neonaten (20,21,28).
● Prematuren hebben nog geen goede barrière functie van de tractus respiratorius en het gastro-intestinale systeem. Dit heeft tot gevolg dat deze permeabeler zijn voor potentiële pathogenen en er sneller sprake is van een infectie (2,19-28).
● Prematuren verblijven in een omgeving die gekoloniseerd is door bacteriën en zijn voor hun overleving vaak afhankelijk van invasieve therapeutische interventies, zoals langdurig intraveneuze toegang, endotracheale intubatie, of andere invasieve procedures (2,8,14,18-21,25,28).
● Vanwege de zeer dunne keratinelaag raakt de huid snel beschadigd door het veelvuldige gebruik van chloorhexidine en verschillende handelingen zoals het afplakken van perifere infusen (20,28).
● Bovendien is de luchtvochtigheid van de couveuses 80% gedurende de eerste levensdagen van de prematuren, gezien het hoge percentage insensible water loss (hoeveel vocht die verloren gaat via transpiratie en ademhaling). Bacteriën en schimmels vermenigvuldigen snel in een vochtige warme omgeving, zodat de vochtige permeabele huid blootgesteld wordt aan een hoge concentratie pathogene micro-organismen (20,28).
● Zowel à terme als premature neonaten hebben in vergelijking met volwassenen een verminderde werking van neutrofielen, cytokines, monocyten, T-cellen, B-cellen en antilichamenbetrokken bij de immunologische afweer als reactie op een infectie (20,28).
● Overdracht van maternale immunoglobulines (IgG) op de foetus vindt plaats in het derde trimester van de zwangerschap. Premature neonaten die geboren zijn bij een amenorroeduur van minder dan 32 weken hebben weinig passief verkregen antilichamen en een gelimiteerde eigen productie van specifieke antilichamen als respons op contact met pathogenen (20,28).

Symptomen
Symptomen van sepsis bij neonaten zijn subtiel en vaak niet specifiek (22).
De meest voorkomende symptomen van een sepsis zijn hyperthermie, hypothermie, temperatuurinstabiliteit, apneu’s en bradycardieen, tachycardie, hypotensie, icterus, ademhalingsproblemen, voedingsproblemen, bleke of grauwe huidskleur, cyanose, prikkelbaarheid en apathie (20,21,23,29).

● Early-onset sepsis:


De interpretatie van de klinische symptomen kan bij EOS erg moeilijk zijn, omdat de symptomen ook door andere aandoeningen verklaard kunnen worden. Oorzaken zoals asfyxie, hypoglycemie, respiratory distress syndrome, metabole aandoeningen, onrijpheid van de neonaat, een anemie, chronische longaandoening of obstructie van de luchtwegen door slijm en secreet kunnen dezelfde klachten geven. Het is van groot belang om op de hoogte te zijn van de aanwezige risicofactoren voor een infectie bij een neonaat om tijdig de diagnose EOS te stellen. Hierbij gaat het om de aanwezigheid van een maternale infectie, langdurig gebroken vliezen, GBS dragerschap van moeder en prematuriteit (20,21).

● Late-onset sepsis:


De klinische verschijnselen van LOS zijn vaak moeilijk te onderscheiden van symptomen die kunnen voorkomen bij andere aandoeningen (hierboven beschreven). Hoewel de diagnose LOS gemakkelijker te stellen is dan EOS, gezien de verandering in de klinische toestand van de premature neonaat.

Voorspellende factoren
Risicofactoren voor het ontstaan van sepsis zijn: ● Prematuriteit en laag geboortegewicht (12-15, 23).
● Complicaties van prematuriteit: mechanische ventilatie, persisterende ductus arteriosus, necrotiserende enterocolitis, respiratory distress syndrome en bronchopulmonale dysplasie (12-15, 23).
● Vele interventies die gebruikelijk zijn op NICUs zijn geïdentificeerd als onafhankelijke risicofactoren voor het ontstaan van sepsis. Deze interventies zijn mechanische ventilatie, totale parenterale voeding, het gebruik van centraal veneuze catheters en de duur van de aanwezigheid van een catheter (12-15).
● Mannelijk geslacht, afgenomen serum igG concentraties (12).
● Bepaalde medicamenten zoals postnatale systemische steroïden en H2-receptor antagonisten zijn evenwel belangrijke risicofactoren (20).

Stellen van de diagnose
De diagnose sepsis wordt gesteld wanneer er sprake is van klinische symptomen van een infectie in aanwezigheid van een positieve bloedkweek.
Praktijkervaring leert echter dat er ook sprake kan zijn van een sepsis bij klinische symptomen van een infectie, zonder de aanwezigheid van een positieve bloedkweek. Voorwaarde hierbij is dat de aanwezige symptomen niet door een andere oorzaak worden verklaard dan de sepsis en een ander focus voor de infectie niet waarschijnlijk of niet aanwezig is (20,21,23,26).
Het ontbreken van een positieve bloedkweek kan het gevolg zijn van een aantal factoren. Zo is het niet altijd mogelijk om bloed af te nemen voor een bloedkweek of er wordt onvoldoende bloed afgenomen, zodat mogelijke aanwezige micro-organismen niet gedetecteerd kunnen worden en de uitslag mogelijk vals negatief is (26,30).

Prematuren met ernstige symptomen van een infectie worden, met of zonder een positieve bloedkweek, met antibiotica behandeld voor minimaal 5 dagen (20,21,26).


Over de diagnose klinische sepsis (sepsis zonder positieve bloedkweek) is echter weinig informatie in de literatuur te vinden.

Menige studie definieert sepsis als een bacteriële infectie, bewezen door een positieve bloedkweek. Waarbij sprake is van een combinatie van de aanwezigheid van klinische symptomen, afwijkende laboratoriumuitslagen passend bij een infectie en de aanwezigheid van pathogene micro-organismen in een of meerdere bloedkweken (3-7,9,12-15,17,18,28).



Het stellen van de diagnose sepsis wordt gecompliceerd door de variëteit in klinische manifestatie en aspecifieke symptomen van infecties bij neonaten (22).
Laboratorium onderzoek kan belangrijke aanvullende informatie verschaffen om de diagnose sepsis te stellen. Er kan sprake zijn van een leukocytose met een linksverschuiving en het acute fase eiwit C-reactine protein (CRP) kan verhoogd zijn.
De waarde van laboratoriumonderzoek als leukocytentelling met differentiatie en het CRP is geëvalueerd als diagnosticum voor een sepsis. De voorspellende waarde van het CRP en de ratio tussen de onrijpe en de totale leukocyten (I/T ratio) blijkt laag te zijn. In de praktijk wordt de CRP waarde gebruikt ter evaluatie van de respons op de antibiotische behandeling van sepsis. Alleen van een laag serieel CRP (op verschillende opeenvolgende dagen bepaald) is bekend dat dit een goede voorspellende waarde heeft voor het uitsluiten van een sepsis. In sommige klinieken worden ook diagnostische testen zoals cytokinen, interleukine (IL-6 en IL-8) en pro-calcitonine bepaald (6,20).

Behandeling
De behandeling van sepsis, in de vorm van intraveneuze antibiotica, dient direct gestart te worden als een serieuze verdenking bestaat op een sepsis. Neonaten met een sepsis kunnen in een korte tijd een ernstige klinische verslechtering krijgen, door hun matige afweermechanismen tegen pathogene micro-organismen.
Antibiotica zijn de meest voorgeschreven medicatie op NICUs. Zowel breed- als smalspectrum antibiotica zijn algemeen geaccepteerd in de behandeling van sepsis. Omdat de symptomen variëren en vaak aspecifiek zijn wordt er veel gebruik gemaakt van antibiotica. Dit leidt tot resistentie van bacteriën. Daarom is het belangrijk om ten tijde van het bekend worden van de uitslag van de bloedkweek en het gevoeligheidspatroon van de bacteriën, de antibiotica zo nodig te switchen of te versmallen, gericht op de aanwezige micro-organismen. Het is van belang om rationeel gebruik te maken van antibiotica wanneer mogelijk moet smal spectrum antibiotica gegeven worden in plaats van breed spectrum antibiotica. Ook de duur van therapie is van belang. Wanneer geen sprake is van ernstige klinische instabiliteit verdacht voor een sepsis en een bloedkweek na 48 uur negatief is en in veel gevallen de infectieparameters in het lab niet verhoogd zijn, wordt aanbevolen de antibiotica te stoppen (13,20). In de praktijk betekent een negatieve bloedkweek na 48 uur, (dwz dat de bloedkweek na 2 dagen niet positief is gebleken), dat er vanuit wordt gegaan dat er daarna ook geen micro-organisme meer zal groeien.

Bij de behandeling van een sepsis wordt onderscheid gemaakt tussen een EOS en LOS, omdat beide vormen andere verwekkers kennen.

● Early-onset sepsis:
Voor de behandeling van EOS wordt vaak een combinatie van een penicilline en een aminoglycoside gebruikt om zowel gram positieve micro-organismen (GBS) en gram negatieve micro-organismen (E.Coli) te dekken. In verscheidene protocollen wordt ampicilline of amoxicilline gebruikt om zowel GBS en listeria monocytogenes te dekken. Aminoglycosiden dekken de meest gram negatieve micro-organismen, hoewel er geswitcht wordt naar een derde generatie cephalosporine (cefotaxim of ceftazidim) of carbapenem (meronem) bij een bewezen gram negatieve bacteriën (20). Een anti-mycoticum (nystatine) wordt toegevoegd bij neonaten < 27 weken en/of < 750 gram (31).

● Late-onset sepsis:


LOS wordt vaak veroorzaakt door CNS en s. aureus en wordt daarom vaak behandeld met ceftazidime en vancomycine (20,31).
Bij vermoeden van een late-onset sepsis door een GBS of E.Coli wordt amoxcilline en ceftazidim gestart (31). Een anti-mycoticum (nystatine) wordt toegevoegd bij alle neonaten (31).

Preventie
●Early-onset sepsis:
Preventieve maatregelen die kunnen worden getroffen om de incidentie van EOS te verminderen zijn onder andere het voorkomen van prematuriteit, het geven van antibiotica profylaxe aan de moeder ter voorkoming van groep B streptokokken infectie en het minimaliseren van obstetrische handelingen zoals kunstverlossingen (20).

● Late-onset sepsis:


Preventieve maatregelen die kunnen worden getroffen om de incidentie van LOS te verminderen zijn voornamelijk duidelijke hygiëne maatregelen. Verschillende studies laten zien dat bij goede handen hygiëne bij ieder contact met de neonaten het aantal nosocomiale infecties verminderd. Andere preventieve maatregelen die kunnen worden getroffen zijn voorzichtig omgaan met de tere huid van prematuren, zo min mogelijk H2 blokkers gebruiken, het verminderen van de frequentie en de duur van het gebruik van invasieve procedures en het minimaliseren van het risico op LOS veroorzaakt door gecontamineerde catheters en andere materialen (11,20,22).

1.2 Probleemstelling en vraagstelling

Uit de literatuur komen een aantal onduidelijkheden naar voren. Zo is er een forse spreiding in de incidentie van LOS, de range varieert van 12% tot 30% bij premature neonaten (12-15,21,22,27).
Daarnaast blijkt dat de diagnose sepsis moeilijk te stellen is, doordat vaak sprake is van aspecifieke symptomen.

In het algemeen wordt een infectie een sepsis genoemd, wanneer er sprake is van symptomen verdacht voor een sepsis in combinatie met een positieve bloedkweek. In de praktijk zijn er neonaten met symptomen verdacht voor een sepsis, zonder een positieve bloedkweek. Deze infectie wordt in onze NICU gedefinieerd als een klinische sepsis.

Deze studie richt zicht op premature neonaten ( < 34 weken) op de Neonatologie intensive care unit (NICU) van de Isala Klinieken, met een bacteriële infectie van de bloedbaan (sepsis) optredend na 72 uur postpartum; oftewel prematuren met een LOS.

Met deze studie willen wij de kenmerken van prematuren met een verdenking op een infectie in kaart brengen en de incidentie van LOS bepalen. Vervolgens willen we onze gegevens vergelijken met de gegevens uit de literatuur. De meeste aandacht gaat uit naar het vaststellen van de symptomen die voorkomen bij bewezen- en klinische sepsis. Wanneer deze bekend zijn, kan nauwkeuriger en mogelijk eerder een sepsis bij een premature neonaat worden herkend en tijdig worden behandeld, waardoor de kans op morbiditeit en mortaliteit kleiner wordt. Bovendien kan het onnodig toedienen van antibiotica worden voorkomen indien bepaalde symptomen geen klinisch significante voorspellende waarde blijken te hebben.

Het doel van de studie is het bepalen van:


● De incidentie van LOS, gedefinieerd als een bewezen sepsis en een klinische sepsis, bij premature neonaten in onze NICU.
● De karakteristieken van de patiënten populatie, zoals het geslacht, de amenorroeduur waarbij de neonaten met bewezen en klinische sepsis geboren zijn, het geboortegewicht en de leeftijd waarop de sepsis ontstaat.
● De symptomen die voorkomen bij LOS.
● De voorspellende waarde van aspecifieke symptomen voor het optreden van LOS.
● De pathogene micro-organismen die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van LOS.
● De mortaliteit van LOS.


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina