Inhoud: De Grondwoorden onderscheiden



Dovnload 81.9 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte81.9 Kb.
De verwarring tussen Dodenrijk en Hel

M.V. Update 23 april 2012 (aanvulling)



Inhoud:

  • De Grondwoorden onderscheiden

  • Dodenrijk en Hel

  • Gehenna is de Hel

  • Er komt een eind aan Sjeool en Hades

  • Jezus was in het Dodenrijk - niet in de Hel

  • Phulake

  • Tartarus

  • Abyssos

  • Waar bevinden zich Sjeool/Hades en Gehenna?

  • Schema

De Grondwoorden onderscheiden:

Oude Testament

Graf / Dodenrijk

Graf

Put / Kuil

Dal van Hinnom

Sjeool [7585]

Qeber [6913]

Bowr [953]

Hinnom [2011]

Nieuwe Testament

Dodenrijk

Graf(tombe)

Hel

Poel (van vuur)

Aarde

Gevangenis

Afgrond / diepste put in Hades

(bodemloze) Put / Afgrond

Hades [86]

Mnemeion [3419]

Gehenna [1067]

Limne [3041]

Ge [1093]

phulake [5438]

Tartaroo [5020]

Abyssos [12]


Dodenrijk en Hel


De Statenvertaling (SV, voornamelijk tot versie 1977) en de King James-vertaling (KJV) geven soms een onjuiste vertaling van de grondwoorden voor het dodenrijk van overleden mensen, en van de bewaarplaats van opstandige engelen. Deze grondwoorden worden dikwijls met hel vertaald, terwijl er een verschil in betekenis is.

Het woord hell in het Oude Testament van de KJV slaat altijd op het Hebreeuwse grondwoord sjeool. Maar sjeool is niet de plaats van eeuwige bestraffing, de hel. Sjeool betekent dodenrijk of ook wel graf. Het Griekse equivalent van sjeool in het Nieuwe Testament is hades, wat dan eveneens dodenrijk betekent.


Volledige zoekactie naar de vertaling "hell" in de King James Version met Strong’s Concordance:

In het Oude Testament:

7585 sh'owl sheh-ole' or shol {sheh-ole'}; from 7592; Hades or the world of the dead (as if a subterranean retreat), including its accessories and inmates:--grave, hell, pit. [Dit is alles!]

In het Nieuwe Testament:


86 haides1 hah'-dace from 1 (as negative particle) and 1492; properly, unseen, i.e. "Hades" or the place (state) of departed souls:--grave, hell.

1067 geena2 gheh'-en-nah of Hebrew origin (1516 and 2011); valley of (the son of) Hinnom; ge-henna (or Ge-Hin­nom), a valley of Jerusalem, used (figuratively) as a name for the place (or state) of everlasting punishment:--hell.

5020 tartaroo3 tar-tar-o'-o from Tartaros (the deepest abyss of Hades); to incarcerate in eternal torment:--cast down to hell. [Zie 2Pt 2:4].

De ware hel, waar de eeuwige straf plaatsvindt, werd in het Oude Testament niet geopenbaard. Ze bestond toen niet, en ook heden ten dage niet! De hel is de gehenna en de poel van vuur (zie Op 19:20; 20:10,14,15; 21:8). Ze zal pas bestaan wanneer de verdoemden, na hun ‘uiteindelijke proces’ (voor de Grote Witte Troon - Op 20) naar die poel zullen verwezen worden. Wat sinds de zondeval wél bestaat is de sjeool, en het Griekse (nieuwtestamentische) equivalent hades - namelijk het dodenrijk, waar de doden verblijven in afwachting van hun opstanding, “ten leven” of “ten oordeel” (Jh 5:29).


Sjeool is het Graf of het Dodenrijk


Hs 13:14: sjeool - [07585] Strong’s

Zou Ik hen uit de macht van het dodenrijk bevrijden, van de dood loskopen? Dood, waar zijn uw pestziekten, dodenrijk, waar is uw verderf? NBG 1951

[Doch] Ik zal hen van het geweld der hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van de dood: o dood! waar zijn uw pestilentiën? hel! waar is uw verderf? SV 1977

Ik zal hen verlossen uit de macht van het graf. Ik zal hen vrijkopen uit de dood. HSV 2010

I will ransom them from the power of the grave; I will redeem them from death: O death, I will be thy plagues; O grave, I will be thy destruction: repentance shall be hid from mine eyes. KJV 1611
De bedoeling is hier niet dat men van de Hel bevrijd wordt, maar wel van de Dood en de Sjeool, het Graf en het Dodenrijk. De Statenvertaling 1977 heeft ‘sjeool’ hier onjuist vertaald met ‘hel’. De KJV, HSV en NBG geven er een aanvaardbare vertaling van. Hieronder zien we echter wél overal een aanvaardbare vertaling van het grondwoord Sjeool:
Js 38:18: sjeool - [07585] Strong’s & bowr - [0953] Strong’s

Want het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in de groeve zijn neergedaald, hopen niet op uw trouw. NBG 1951

Want het graf zal U niet loven, de dood zal U [niet] prijzen; die in de kuil neerdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen. SV 1977

Immers, het graf zal U niet loven, de dood U niet prijzen; wie in de kuil neerdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen. HSV 2010

For the grave cannot praise thee, death can [not] celebrate thee: they that go down into the pit cannot hope for thy truth. KJV 1611

953: bowr bore from 952 (in the sense of 877); a pit hole (especially one used as a cistern or a prison):--cistern, dungeon, fountain, pit, well.


In het OT ging men na de dood in het graf en het lichaam verteerde er, en de zielen werden geacht in de sjeool te zijn, het dodenrijk. Hierover wordt in het OT niet veel geopenbaard (zie Gods openbarende progressie in Mk 4:28-29), alles is nog vaag, maar er is al wel sprake van schimmen - rapha - in de sjeool, wat de NBG correct weergeeft, en ook de HSV geeft een aanvaardbare vertaling, in Js 14:9; 26:14,19; Ps 88:11 - zie hieronder.

De ‘Rapha’ in Sjeool (Strong’s Concordance)


7496: rapha' raw-faw' from 7495 in the sense of 7503; properly, lax, i.e. (figuratively) a ghost (as dead; in plural only):--dead, deceased. [Zie Jes 14:9; 26:14, 19]

Js 14:9 Het dodenrijk beneden is over u in beroering om u bij uw komst te ontmoeten; het wekt de schimmen voor u op, al de bokken der aarde; het doet alle koningen der volken van hun tronen opstaan. NBG 1951.

Js 14:9 Het rijk van de dood beneden raakte om u in beroering, om u tegemoet te gaan, wanneer u zou komen. Het schudt ter wille van u de gestorvenen wakker, al de leiders van de aarde. Het laat van hun tronen opstaan al de koningen van de volken. HSV 2010.

Js 26:14 Doden herleven niet, schimmen staan niet op; daarom hebt Gij hen bezocht en verdelgd en alle gedachtenis aan hen uitgeroeid. NBG 1951.

Js 26:14 Doden zullen niet herleven; gestorvenen zullen niet opstaan. Daarom hebt U hen gestraft, hen weggevaagd, elke gedachtenis aan hen doen vergaan. HSV 2010.

Js 26:19 Herleven zullen uw doden - ook mijn lijk -, opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van licht; en de aarde zal aan de schimmen het leven hergeven. NBG 1951.

Js 26:19 Uw doden zullen leven – ook mijn dood lichaam – zij zullen opstaan. Ontwaak en juich, u die woont in het stof, want Uw dauw zal zijn als dauw op jong, fris groen en de aarde zal de gestorvenen baren. HSV 2010.

Ps 88:11 Zult Gij aan de doden een wonder doen; zullen schimmen opstaan en U loven? sela. NBG 1951

Ps 88:11 Zou U wonderen doen aan de doden? Of zouden gestorvenen opstaan en U loven? Sela. HSV 2010.




Nog een naam voor ‘graf’ in het OT

Job 3:22: qeber - [6913] Strong’s

Die blijde zijn tot opspringens toe, [en] zich verheugen, als zij het graf vinden. SV 1977.

Zij zijn blij, tot jubelens toe, zij zijn vrolijk, als ze het graf vinden. HSV 2010.

6913: qeber, keh'-ber or (feminine) qibrah {kib-raw'}; from 6912; a sepulchre:--burying place, grave, sepulchre.



Het licht breekt pas door in het Nieuwe Testament. In Lk 16:19-31 leren we dat er twee afdelingen zijn in de wereld van de afgestorvenen, in het dodenrijk: één voor Lazarus (of rechtvaardige doden) en één voor de Rijke (of onrechtvaardige doden). De éne in vrede (“schoot van Abraham”) maar de andere in een plaats van pijniging (“want ik lijd smarten in deze vlam” - vs. 24). Voor deze laatste categorie is het dodenrijk als het ware een plaats van voorarrest (tot de opstanding VAN de doden in Op 20:12, waarna het ultieme ‘proces’ volgt voor de Grote Witte Troon - Op 20:11-15). Deze plaats is gescheiden van de plaats van de goede doden door een “grote kloof”. Later, toen de Heer de kruisdood stierf noemde hij de plaats voor de goede doden het paradijs (Lk 23:43), waar de rechtvaardigen verblijven in afwachting van de opstanding (UIT de doden - Mk 9:9; Lk 20:35; Hd 4:2; Fp 3:11). Dat Jezus naar dat paradijs is gegaan, in de tijd dat Zijn lichaam in het graf lag (vóór Zijn opstanding), bewijst Lukas 23:43: “heden zult u met Mij in het paradijs zijn”.

Gehenna 4 is de Hel

Stelling:

De gehenna, het onuitblusselijke vuur, de poel van vuur is de plaats van eeuwige pijniging en dus de hel. Niet hades, noch sjeool is de hel.



Bewijs:

Mk 9:43, 45, 47: gehenna - [1067] Strong’s

43 En indien uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur; 45 En indien uw voet u ergert, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusselijk vuur; 47 En indien uw oog u ergert, werpt het uit; het is u beter maar één oog hebbende in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden. SV 1977 (zo ook HSV, NBG, KJV).

[1067]: geenna, gheh’-en-nah; of Heb. or [1516 and 2011]; valley of (the son of) Hinnom; gehenna (or Ge-Hinnom), a valley of Jerus., used (fig.) as a name for the place (or state) of everlasting punishment: --hell.

Voor hel (hell - KJV) staat hier het grondwoord gehenna. De hel is hier terecht de eeuwige straf, het onuitblusselijke vuur. Daar zal men “gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid”:

Op 20:10, 14-15

10 En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en sulfer, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid ... 15 En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in de poel des vuurs. SV 1977 (zo ook HSV, NBG, KJV).

In Mk 9:43-48 wordt niet hades bedoeld. Aan hades - het dodenrijk (NBG) of het rijk van de dood (HSV) - komt een eind, want die wordt in de poel van vuur geworpen (Op 20:14). In tegenstelling daarmee komt volgens Mk 9 géén einde aan de gehenna, de hel.



Het woord Gehenna is van het ‘dal van Hinnom’ afgeleid.

Jz 15:8: Hinnom - [2011] Strong’s

En deze grens zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, dat is Jeruzalem; en deze grens zal opwaarts gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal der Refaieten is, tegen het noorden. SV 1977 (zo ook HSV, NBG, KJV).

Jr 7:30-34: Hinnom - [2011] Strong’s

Want de kinderen van Juda hebben gedaan, dat kwaad is in Mijn ogen, spreekt de HEERE; zij hebben hun verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen. 31 En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; wat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. 32 Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal van de zoon van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn. 33 En de dode lichamen van dit volk zullen het gevogelte des hemels, en het gedierte der aarde tot spijs zijn, en niemand zal ze afschrikken. 34 En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem der vrolijkheid en de stem der vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. SV 1977 (zo ook HSV, NBG, KJV).

In Jezus’s tijd was het dal van Hinnom tot een vuilnis-stortplaats verworden, waar vuren altijd brandende werden gehouden om zelfs de lijken van misdadigers op te ruimen; derhalve was en is Gehenna een symbool van de eeuwige bestraffing, waaruit geen opstanding meer mogelijk is, en betekent het de tweede maar dan definitieve dood.



Er komt een eind aan Sjeool/Hades 5 maar niet aan de Hel

Uiteindelijk zal het sterven van de mens, als gevolg van de zondeval, worden weggedaan, namelijk wanneer hades in de gehenna, het meer van vuur, zal geworpen worden.

Op 20:14: hades - [86] Strong’s & limne - [3041] Strong’s

En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur. NBG 1951.

En de dood en het rijk van de dood werden in de poel van vuur geworpen. Dit is de tweede dood. HSV 2010.

En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood.


SV 1977.

And death and hell were cast into the lake of fire. This is the second death. KJV 1611.

In de SV en KJV is er een onjuistheid in de vertaling : niet de hel, maar het dodenrijk (Gr. hades) wordt in de poel van vuur geworpen. De dood en de hades worden hier gepersonifieerd, net zoals in Op 6:8. Jesaja heeft het reeds voorzegd: “Hij zal de dood voor altijd verslinden” (Js 25:8, HSV en zo ook NBG, KJV) en dus ook het dodenrijk. Maar Hij zal niet de hel vernietigen. De tweede dood blijft eeuwig voortbestaan.

De tweede dood is een toestand, en de poel van vuur is evenals hades, een plaats. De levenden zullen niet meer sterven en dus niet meer naar het graf / dodenrijk gaan, terwijl de verdoemden, na het Laatste Oordeel in Op 20:11-15, verwezen worden naar de hel, de poel van vuur.



Hades en gehenna zijn twee verschillende grondwoorden die ook verschilldende betekenissen hebben en die dus verschillend moeten vertaald worden. Hades is het dodenrijk, maar gehenna is de plaats van eeuwige bestraffing, de hel. De SV en KJV bezitten dus een onjuistheid in de vertaling wanneer ze die beide woorden met hel vertalen.

We zien dat de duivel pas in Op 20:10 in de plaats van de eeuwige straf wordt geworpen, en de onrechtvaardigen komen er in Op 20:15 bij. Dit betekent dat dàn pas de hel effectief bestaat.

De duivel is nog steeds niet in de hel! Er is op dit ogenblik nog steeds niemand in de hel; echter wèl in het dodenrijk en haar verschillende afdelingen.

De Heer Jezus was in het Dodenrijk - niet in de Hel

Hierboven werd aangetoond dat de hel nog niet bestaat, en daarom kan de Heer Jezus niet in de hel geweest zijn.

De Heer Jezus Christus was drie dagen en nachten in het dodenrijk : de hades, oftewel sjeool. Hij was daar in de afdeling van de goede doden, het paradijs (Lukas 23:43).

Hd 2:31: hades - [86] Strong’s

heeft hij vooruitgezien en gesproken over de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan de hades is overgelaten en zijn vlees geen ontbinding heeft gezien. NBG 1951.

daarom voorzag hij dit en zei hij over de opstanding van Christus dat Zijn ziel niet is verlaten in het graf en dat Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien. HSV 2010.

Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien. SV 1977.

He seeing this before spake of the resurrection of Christ, that his soul was not left in hell, neither his flesh did see corruption. KJV 1611.

Enkel de NBG en HSV vertalen aanvaardbaar.

Ps 16:10: sjeool - [07585] Strong’s

want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk, noch laat Gij uw gunstgenoot de groeve zien. NBG 1951.

Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten, U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet. HSV 2010.

Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving ziet. SV 1977.

For thou wilt not leave my soul in hell; neither wilt thou suffer thine Holy One to see corruption. KJV 1611.

Hades en sjeool zijn dus equivalenten van het dodenrijk. De NBG vertaalt hier correct, de HSV aanvaardbaar.

Wat uitsluitend het lichaam betreft was de Heer in de ‘aarde’, het ‘graf’.

Mt 12:40: aarde: ge - [1093] Strong’s

Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. SV 1977 (zo ook HSV, NBG, KJV).

“In het hart der aarde”: dit is een Hebreeuwse manier van spreken, vgl. Tyrus in Ez 27:4.

Mt 27:59-60: graf(tombe): mnemeion - [3419] Strong’s

En Jozef, het lichaam nemende, wond het in een zuiver fijn lijnwaad. En legde dat in zijn nieuw graf, dat hij in een steenrots uitgehouwen had. SV 1977 (zo ook HSV, NBG, KJV).

Maar de Heer was NIET in de hel, oftewel de gehenna, de poel van vuur, waarvan Openbaring zegt dat het de “tweede dood” betekent.

Phulake 6

Phulake betekent “gevangenis”. De phulake in 1 Pt 3:19 is de bewaarplaats van de ongehoorzame mensen (hun geesten) uit de tijd van de vloed. Dit heeft niets van doen met de hel. We moeten hier denken aan een bepaald deel van het dodenrijk (het pijnlijke gedeelte - zie Lukas 16:19-31) alwaar die ongehoorzamen bewaard blijven tot hun opstanding ten oordeel.

1Pt 3:18-20: phulake [5438]Strong’s

Die [Jezus] wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest; in Welke Hij ook, heengegaan zijnde, de geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft. Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, toen de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. SV 1977 (zo ook HSV, NBG, KJV)

5438: phulake foo-lak-ay' from 5442; a guarding or (concretely, guard), the act, the person; figuratively, the place, the condition, or (specially), the time (as a division of day or night), literally or figuratively:--cage, hold, (im-)prison(-ment), ward, watch.

Hier hebben we een juiste vertaling in NBG, SV, HSV en KJV.

Wanneer is Jezus daar geweest? Niet toen Hij in het graf was, want toen is Hij naar de hades gegaan (Hd 2:31: Gr. hades), dat vertaald moet worden met dodenrijk (het paradijsgedeelte - zie Lukas 16:19-31 en Lukas 23:43). In Hd 2:31 vertaalt NBG terecht met dodenrijk, HSV aanvaardbaar met graf, KJV onterecht met hell, SV onterecht met hel.

Hij is na Zijn overwinning over het graf (“levend gemaakt”, vs. 18) - na Zijn opstanding dus - in de Geest naar de geesten in de phulake gegaan om tot hen te prediken. Wie waren deze geesten? Niet de gevallen engelen van Genesis 6, want dezen werden verbannen naar de tartarus (zie 2 Petrus 2:4) - zie de bespreking hierna.


Tartarus 7

Tartarus is een ander woord voor afgrond - Grieks abyssos. (Zie volgend kopje).

Het gaat om de bewaarplaats van de ongehoorzame engelen uit de tijd van de vloed. We moeten hier ruwweg denken aan zoiets als de bewaarplaats van de onrechtvaardige menselijke doden (vgl. ‘de rijke’ uit Lk 16:19-31) waar die bepaalde afvallige engelen (afzonderlijk) bewaard worden tot aan hun oordeel.

2Pt 2:4: tartaroo - [5020] Strong’s

Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren. NBG 1951.

Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden. SV 1977.

Want als God de engelen die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar hen in de hel geworpen en overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis om tot het oordeel bewaard te worden. HSV 2010.

For if God spared not the angels that sinned, but cast [them] down to hell, and delivered [them] into chains of darkness, to be reserved unto judgment. KJV 1611

5020: tartaroo tar-tar-o'-o from Tartaros (the deepest abyss of Hades); to incarcerate in eternal torment:--cast down to hell.

We zien hier een onjuiste vertaling in SV, KJV en ook HSV.



Abyssos 8

Abyssos betekent afgrond, diepte, bodemloze put. Het is een bewaarplaats voor demonen.

Hierna de plaatsen waar dit woord voorkomt. Alle beschouwde vertalingen vertolken correct. We kunnen hier denken aan wat onder tartarus werd gezegd.

Lk 8:31: abyssos - [12] Strong’s

En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in de afgrond heen te varen. SV 1977

And they besought him that he would not command them to go out into the deep. KJV 1611

Rm 10:7: abyssos - [12] Strong’s

Of, wie zal in de afgrond neerdalen? Dat is Christus uit de doden opbrengen. SV 1977

Or, Who shall descend into the deep? (that is, to bring up Christ again from the dead). KJV 1611

Op 9:11; 11:7; 17:8; 20:1,3: abyssos - [12] Strong’s

9:11: And they had a king over them, [which is] the angel of the bottomless pit, whose name in the Hebrew tongue [is] Abaddon, but in the Greek tongue hath [his] name Apollyon; 11:7: And when they shall have finished their testimony, the beast that ascendeth out of the bottomless pit shall make war against them, and shall overcome them, and kill them; 17:8: The beast that thou sawest was, and is not; and shall ascend out of the bottomless pit, and go into perdition: and they that dwell on the earth shall wonder, whose names were not written in the book of life from the foundation of the world, when they behold the beast that was, and is not, and yet is; 20:1, 3: And I saw an angel come down from heaven, having the key of the bottomless pit and a great chain in his hand; 3 And cast him into the bottomless pit, and shut him up, and set a seal upon him, that he should deceive the nations no more, till the thousand years should be fulfilled: and after that he must be loosed a little season. KJV 1611 (NBG, SV en HSV vertalen hier met afgrond)



12: abussos, ab’-us-sos; from I (as a neg. particle) and a var. of 1037; depthless, i.e. (spec.) (infernal) “abyss” :-- deep, (bottomless) pit.

Waar bevinden zich Sjeool/Hades en Gehenna?

Daar wordt veel over gespeculeerd, maar het is niet goed dat te doen.

In het OT ging men naar beneden, in het graf die als het ware de ‘ingangspoort’ is van het dodenrijk. Daar eindigde het zichtbare leven. Verder was er in het OT nog niet veel geopenbaard over het eeuwige leven. Dat was iets voor het Nieuwe Testament alwaar “leven en onverderfelijkheid aan het licht werd gebracht” (2Tm 1:10). Wij moeten niet blijven stilstaan bij de schaduwen van het OT en de uitroeptekens van het NT negeren!

In het NT wordt in Lk 16 meer duidelijkheid gegeven over het dodenrijk en de grote kloof tussen de verblijfplaats van rechtvaardige en onrechtvaardige doden. Maar dit betekent niet dat wij een materiële plaatsbepaling kunnen doen voor het dodenrijk. Als Mk 9 zegt dat de Zoon des Mensen in het “hart der aarde” zal zijn, dan moeten we ons het dodenrijk niet in het middelpunt van de aarde voorstellen. Dit is een Hebreeuwse wijze van spreken. Zo wordt van Tyrus gezegd dat ze “in het hart der zeeën” ligt (Ez 27:4). Zo’n aardse voorstelling is wel erg simplistisch voor iets wat een aangelegenheid is van niet-aardse geestelijke wezens die zielen en geesten nu eenmaal zijn. Bedenk dat in Lk 16 de opstanding nog niet heeft plaatsgevonden en we dus niet van lichamen kunnen spreken. Na de opstanding der “doden” (Op 20:12) wordt het dodenrijk opgedoekt (Op 20:14) en gaan de onrechtvaardigen met hun opstandingslichamen naar de “poel van vuur” (Op 20:15), de hel.

Wij kúnnen ons gewoonweg niet voorstellen hoe het dodenrijk eruit ziet (en evenzo de hel en de hemel). Wij moeten daar geen geometrische plaatsbepalingen voor zoeken. De Bijbel gebruikt de taal van de mens in zijn eenvoud en daaruit moeten wij geen antropomorfe conclusies trekken.

De Bijbel zegt voldoende om ons het nodige te laten weten, door alle tijden en graden van ontwikkeling heen. Wij moeten uit die eenvoudige omschrijvingen niet opmaken dat de Bijbel leert dat het dodenrijk letterlijk ‘in de aarde’ zit, of de hemel zich letterlijk in ‘het noorden’ bevindt. Die geogra­fische plaatsen en dimensies gaan niet letterlijk op voor geestelijke dingen, waarvan de vlees-en-bloed-gebonden mens geen begrip kan hebben. Tijd en ruimte zijn bepaald over de aarde, maar van de hemelse of onzienlijke dingen (Kol 1:16) begrijpen wij niets - deze bevinden zich àchter onze waarnemings- en begripshorizon. Wie begrijpt iets van ‘oneindigheid’, ‘tijdloosheid’, en van het ‘opstandingslichaam’ van de Heer Jezus waarmee Hij plots kon ‘verschijnen’ en ‘verdwijnen’, enz.?

Laat hij die een materiële (in die zin letterlijke) voorstelling van geestelijke dingen heeft die behouden, maar laat de wijzen overeenkomstig denken. Daarmee is niet gezegd dat wij de beelden in de Schrift mogen vergeestelijken, alsof deze niet zouden staan voor wèrkelijkheden (en in die zin niet letterlijk zouden zijn), maar deze werkelijkheden zijn niet van onze natuur. Zo is de hel een wèrkelijk bestaande plaats, met èchte pijnervaring, waar men echt voor altijd verstoken is van Goddelijke gemeenschap - de gebruikte beelden zoals vuur, duisternis, enz. zijn duidelijk genoeg - maar wij kunnen ons daar geen materiële voorstelling bij maken. Zo ook is de Tartarus ergens een plaats, die echt bestaat, waar de opstandige geesten inderdaad verblijven, maar geen mens kan precies weten, of bevatten, hoe die eruit ziet. Als wij later bij de Heer zullen zijn, dan pas zullen wij ‘zien’.

Zij die zich graag manifesteren met simpele uitleggingen, zoeken hun teksten dan ook voornamelijk in het OT, daar waar slechts de schaduwen zijn van de werkelijkheid. Maar niemand heeft daar behoefte aan - de voorstellingen in de Bijbel zijn duidelijk genoeg. Iedereen verstaat dat vuur pijn doet, en dat ‘de schoot van Abraham’ en ‘het paradijs’ de zalige plaats is van de rechtvaardige doden, en dat die ‘kloof’ in Lk 16 een voorstelling is van de onoverbrugbaarheid van twee posities, enz. Meer informatie hebben wij niet nodig, en zo heeft de Heer het goedgedacht.

Zie in verband niermee ook http://www.verhoevenmarc.be/PDF/platland.pdf.

Schema:



Grotere versie hier: http://www.verhoevenmarc.be/Lk16.GIF


verhoevenmarc@skynet.be - www.verhoevenmarc.be - www.verhoevenmarc.be/NieuwsteArtikelen.htm

1 Hades: Mt 11:23; Mt 16:18; Lk 10:15; Lk 16:23; Hd 2:27; Lk 2:31; 1Ko 15:55; Op 1:18; Op 6:8; Op 20:13; Op 14.

2 Gehenna: Mt 5:22; Mt 5:29; Mt 5:30; Mt 10:28; Mt 18:9; Mt 23:15; Mt 23:33; Mk 9:43; Mk 9:45; Mk 9:47; Lk 12:5; Jk 3:6.

3 Tartarus komt enkel voor in: 2Pt 2:4.

4 Gehenna: Mt 5:22; Mt 5:29; Mt 5:30; Mt 10:28; Mt 18:9; Mt 23:15; Mt 23:33; Mk 9:43; Mk 9:45; Mk 9:47; Lk 12:5; Jk 3:6.

5 Hades: Mt 11:23; Mt 16:18; Lk 10:15; Lk 16:23; Hd 2:27; Lk 2:31; 1Ko 15:55; Op 1:18; Op 6:8; Op 20:13; Op 14.

6 Phulake: Mt 5:25; Mt 14:3; Mt 14:10; Mt 14:25; Mt 18:30; Mt 24:43; Mt 25:36; Mt 25:39; Mt 25:43; Mt 25:44; Mk 6:17; Mk 6:28; Mk 6:48; Lk 2:8; Lk 3:20; Lk 12:38(2x); Lk 12:58; Lk 21:12; Lk 22:33; Lk 23:19; Lk 23:25; Jh 3:24; Hd 5:19; Hd 5:22; Hd 5:25; Hd 8:3; Hd 11:36; Hd 12:4; Hd 12:5; Hd 12:6; Hd 12:10; Hd 12:17; Hd 16:23; Hd 16:24; Hd 16:27; Hd 16:37; Hd 16:40; Hd 22:4; Hd 26:10; 2Ko 6:5; 2Ko 11:23; 1Pt 3:19; Op 2:10; Op 18:2(2x); Op 20:7.

7 Tartarus komt enkel voor in: 2Pt 2:4.

8 Abyssos: Lk 8:31; Rm 10:7; Op 20:3; Op 9:1; Op 9:2; Op 9:11; Op 11:7; Op 17:8; Op 20:1.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina