Inhoud hoofdstuk VII



Dovnload 387.24 Kb.
Pagina1/4
Datum21.08.2016
Grootte387.24 Kb.
  1   2   3   4





INHOUD HOOFDSTUK VII
1 HANDEL MET HET BUITENLAND 3

1.1 Nederland is een open economie 4

1.2 Wisselkoersen 5

1.3 Opgaven bij paragraaf 1 7


2 DE BETALINGSBALANS 9

2.1 De deelrekeningen van de betalingsbalans 10

2.2 Evenwicht op de betalingsbalans 15

2.3 Opgaven bij paragraaf 2 16


3 ONEVENWICHTIGHEDEN OP DE BETALINGSBALANS 19

3.1 Onevenwichtigheden op de lopende rekening 19

3.2 Onevenwichtigheden op de kapitaalrekening 19

3.3 De ontwikkelingslanden 21

3.4 Opgave bij paragraaf 3 22
4 HOE KOMEN WISSELKOERSEN TOT STAND? 23

4.1 Vraag en aanbod 23

4.2 Het verband tussen betalingsbalans en wisselkoersen 24

4.3 Opgave bij paragraaf 4 26


5 HET STABILISEREN VAN WISSELKOERSEN 27

5.1 Interveniëren in wisselkoersen 28

5.2 De rentepolitiek van centrale banken 30

5.3 De Europese Monetaire Unie 33

5.4 Opgaven bij paragraaf 5 34
6 DE RUILVOET EN DE BETALINGSBALANS 35

6.1 De ruilvoet 35

6.2 Prijzen, volumes en waarden 37

6.3 Opgaven bij paragraaf 6 39


7 SAMENVATTINGEN HOOFDSTUK VII 40
8 BEGRIPPENLIJST HOOFDSTUK VII 44
9 EXAMENOPGAVEN 48

1 HANDEL MET HET BUITENLAND

Vooraf moeten we enkele opmerkingen maken bij dit hoofdstuk. Als gevolg van de toenemende schaalvergroting in handel en industrie en van de toenemende vervlechting van de nationale economieën van de landen in Europa ontwikkelt de Europese Unie

(EU) zich van een economische unie naar een Europese Monetaire Unie (EMU).

Het meest opvallende verschijnsel van de EMU is het verdwijnen van de nationale valuta’s in ruil voor een supranationale munteenheid, de euro. Per 1 januari 2002 is de euro wettig betaalmiddel in de landen die deel uitmaken van de EMU en vervult alle geldfuncties die tot op dat moment door de nationale valuta’s vervuld werden: rekeneenheid, ruilmiddel en oppotmiddel. Transacties binnen de EMU-landen gaan dan niet meer gepaard met kosten voor het omwisselen van valuta’s en valutarisico’s behoren er tot het verleden.

Niettemin hebben we in de overige Europese - en wereldhandel wel degelijk nog te maken met wisselkoersen. Denk maar eens aan de handel met Europese landen die niet tot de EU, noch tot de EMU behoren, maar die economisch wel van grote betekenis is, en de handel met de Verenigde Staten, Japan en China, om maar drie grote handelsmachten te noemen.

Een monetaire unie vereist ook monetair beleid. Sinds 1 januari 1999 wordt het monetaire beleid in de EMU-landen niet meer door De Nederlandsche Bank (DNB), de Deutsche Bundesbank enz. gevoerd, maar door de Europese Centrale Bank (ECB).

In de landen die nog niet zijn toegetreden tot de EMU heeft de nationale centrale bank het uiteraard nog voor het zeggen.

Tot slot: het hoofdstuk Buitenland is niet echt eenvoudig, maar voor het begrijpen van het vak economie wel onmisbaar. Het komt dan ook in elk examen terug. Goed bijhouden dus en tijdig een goede samenvatting (paragraaf 7) maken. Succes.



1.1 Nederland is een open economie
Van oudsher drijft Nederland veel handel met het buitenland. Nederland heeft een relatief open economie.

Om je goed te realiseren wat dit betekent moet je je eens voorstellen dat we geen enkel handelscontact met het buitenland zouden hebben. We spreken dan van een gesloten economie. Nederland zou dan een autarkie zijn.


1.

Noem enkele producten die we dan niet zouden hebben.


________________________________________________________________
________________________________________________________________
Het buitenland is dus voor ons heel belangrijk als leverancier. Het omgekeerde geldt overigens ook. Nederland is een belangrijke leverancier voor het buitenland.
2.

Noem enkele producten die het buitenland in Nederland koopt.


________________________________________________________________

________________________________________________________________


Zodra het buitenland bij ons koopt spreken we van export of uitvoer. Indien Nederland in het buitenland koopt, spreken we van import of invoer. Hoe open de Nederlandse economie is, met andere woorden, hoeveel er door Nederland gehandeld wordt met het buitenland, valt af te lezen aan de exportquote en de importquote.
De exportquote = de exportwaarde x 100 %

het nationaal product


De exportquote geeft aan het deel van het nationaal product dat geëxporteerd wordt.
De importquote = de importwaarde x 100 %

het nationaal product


De importquote geeft aan het deel van het nationaal inkomen dat aan importproducten wordt uitgegeven.

Zowel de export- als de importquote liggen in Nederland boven de 60%. Dit is hoog, want van alle Europese landen gaat alleen België ons voor met 80%. Duitsland bijv. heeft export- en importquotes van rond de 30% en in de VS liggen die onder de 10%.


3.

Denk je dat de exportwaarde van de Verenigde Staten groter of kleiner is

dan de exportwaarde van Nederland? Verklaar het antwoord.
________________________________________________________________

________________________________________________________________

Geïmporteerde goederen zullen betaald moeten worden. Dat kan op twee manieren. Nederlandse importeurs kunnen het buitenland betalen met euro’s of met buitenlands geld (ook wel vreemde valuta's of deviezen genoemd).

Betaling in euro’s levert geen probleem op. Als echter, (bijvoorbeeld) Japanse exporteurs er op staan, betaald te worden in hun eigen valuta, de Japanse yen, dan zullen de Nederlandse importeurs ergens yens vandaan moeten halen.

Dat lijkt eenvoudig want ze kunnen toch bij een Japanse bank yens kopen in ruil voor euro’s? De vraag is alleen waarom een Japanse bank guldens wil hebben. In Japan is de euro geen algemeen geaccepteerd ruilmiddel. Toch zullen de Japanse banken wel euro’s willen hebben.
4.

Waarvoor kunnen Japanse banken de euro’s namelijk gebruiken?


_______________________________________________________________

________________________________________________________________

Uit het voorgaande is gebleken dat handel tussen landen ontstaat als ze daardoor goederen kunnen verkrijgen die ze zelf niet (genoeg) hebben of die ze zelf niet kunnen maken. Toch komt het ook voor dat er in een land goederen worden geïmporteerd die men in dat land zelf wel kan produceren.
5.

Noem in dit laatste geval een oorzaak van internationale handel.


________________________________________________________________
________________________________________________________________



1.2 Wisselkoersen
In de economische betrekkingen met het buitenland spelen wisselkoersen een belangrijke rol. Onder de wisselkoers van een bepaalde munteenheid of geldsoort verstaan we de prijs ervan uitgedrukt in een andere munteenheid of geldsoort.
Enkele voorbeelden van wisselkoersen van vreemde valuta’s.

Amerikaanse dollar (USD) 100 = € 103.20

Australische dollar (AUD) 100 = € 63,65

Japanse yen (JPY) 10.000 = € 97,50

Z. Afrikaanse rand (ZAR) 100 = € 17,25

Zwitserse frank (CHF) 100 = € 62,30

6.

Bereken de prijs van



  • € 1000 uitgedrukt in CHF

________________________________________________________________




  • USD 2.000 uitgedrukt in euro’s

________________________________________________________________


- JPY 1.000.000 uitgedrukt in AUD
________________________________________________________________


  • ZAR 50.000 uitgedrukt in USD

________________________________________________________________






Een verandering van de wisselkoers is van invloed op de in- en uitvoer van een land.

Om dit te onderzoeken gaan we uit van een koersdaling van de Z. Afrikaanse rand, uitgedrukt in euro’s, van ZAR 100 = € 17,25 tot ZAR 100 = € 15,50.
7.

Bereken het voordeel of nadeel in euro’s, van deze koersdaling, voor een Nederlandse importeur die voor ZAR 150.000 wijn uit Zuid- Afrika invoert.


________________________________________________________________

________________________________________________________________


8.

Bereken het voordeel of nadeel, uitgedrukt in ZAR, van deze koersdaling, voor een Zuid-Afrikaanse importeur die voor € 150.000 schroevendraaiers uit Nederland invoert.


________________________________________________________________

________________________________________________________________

9.

Beredeneer wat er zal gebeuren met de geëxporteerde hoeveelheid van de Verenigde Staten naar Nederland als de wisselkoers van de euro, uitgedrukt in dollars, stijgt.


________________________________________________________________



________________________________________________________________

10.


Beredeneer wat er zal gebeuren met de geïmporteerde hoeveelheid van Nederland vanuit de Verenigde Staten als de wisselkoers van de dollar, uitgedrukt in euro’s, daalt.
________________________________________________________________

________________________________________________________________

Verandering van de wisselkoers maakt een land dus duurder of goedkoper voor het buitenland en dat zal van invloed zijn op de hoeveelheid import en export van dat land.

Uit bovenstaand rekenvoorbeeld kunnen we makkelijk de tegenovergestelde conclusie trekken. Zodra wisselkoersen niet meer veranderen valt voor de internationale handel

het risico van valutaschommelingen weg. De denkstap naar de voordelen van de invoering van één munteenheid (de euro) voor de Europese handel is dan zo gezet.

In paragraaf 3 en verder gaan we dieper in op het verband tussen wisselkoersen en handelsstromen tussen landen.



1.3 Opgaven bij paragraaf 1
Om te bekijken of jullie enig idee hebben van de economische betrekkingen van Nederland met het buitenland, zijn de volgende opgaven gegeven.
1.

Streep door het gedeelte dat volgens jou onjuist is.

- de invoerwaarde van grondstoffen en halffabrikaten is groter dan/ kleiner dan de waarde van alle ingevoerde consumptiegoederen

- de invoerwaarde van motorvoertuigen is groter dan/ kleiner dan de uitvoerwaarde van motorvoertuigen

- de invoerwaarde van chemische producten is groter dan/ kleiner dan de uitvoerwaarde van chemische producten

- de uitvoer naar de VS is groter dan/ kleiner dan de uitvoer naar de EG-landen

- de invoer uit Japan is groter dan/ kleiner dan de invoer uit België

- de ontvangsten uit het buitenland in verband met het reisverkeer zijn groter dan/ kleiner dan de uitgaven aan het buitenland in verband met het reisverkeer

2.

Vul de juiste bedragen in.



Enkele belangrijke uitvoerproducten van Nederland zijn:

- groente en fruit ter waarde van ...

- aardolieproducten ter waarde van ...

- chemische producten ter waarde van ...

- machines ter waarde van ...
Maak een keuze uit: 48 miljard, 33 miljard, 10 miljard en 7 miljard.
3.

De tien belangrijkste landen voor de Nederlandse exporteurs zijn

in willekeurige volgorde:

- Japan -Frankrijk

- Ver. Staten - Italië

- Noorwegen - Ver Koninkrijk

- Duitsland - Spanje

- Zwitserland - België en Luxemburg


a. Welke twee landen zijn het belangrijkst, denk je?

b. Welke twee landen zijn het minst belangrijk, denk je?




2 DE BETALINGSBALANS
Elk land registreert de ontvangsten uit het buitenland en de betalingen aan het buitenland. Het overzicht van de geldstromen van een land, van en naar het buitenland, over een bepaalde periode noemen we de betalingsbalans.
Zo'n betalingsbalans zou er dus als volgt uit kunnen zien:
Betalingsbalans van Groot-Brittannië in jaar X

(bedragen x £ 1.000.000)



______________________________________________________________ Ontvangsten uit het Betalingen aan het

buitenland 250.000 buitenland 230.000


Toename goud- en deviezen

voorraad 20.000



Totaal 250.000 Totaal 250.000


Je ziet in dit voorbeeld dat Britse bedrijven meer exporteren dan importeren want de ontvangsten uit het buitenland zijn groter dan de betalingen aan het buitenland. Er is sprake van een overschot op de betalingsbalans van £ 20 miljard in jaar X. Er vloeien dus voor een bedrag van £ 20 miljard betalingsmiddelen binnen die niet direct gebruikt moeten worden om de import te betalen. Tegenwoordig zijn dat vreemde valuta's (deviezen), maar vroeger, toen dat nog een internationaal betaalmiddel was, was dat ook in de vorm van goud.

Daarom noemt men het overschot op de betalingsbalans nog steeds "Toename goud- en deviezenvoorraad". Als er sprake is van een overschot op de betalingsbalans neemt de goud- en deviezenvoorraad toe. We zetten dit aan de rechterkant van de betalingsbalans omdat een balans altijd (boekhoudkundig) in evenwicht hoort te zijn.


11.

Stel de betalingsbalans van Rusland op, als je weet dat de ontvangsten uit het buitenland 500 miljard roebel bedragen en het Russische tekort op de betalingsbalans 100 miljard roebel is, in hetzelfde jaar.


________________________________________________________________

________________________________________________________________


________________________________________________________________

Tot slot nog dit. Een betalingsbalanstekort of overschot heeft niets te maken met een financieringstekort of - overschot noch met een begrotingstekort of - overschot van de regering. Het zijn immers voornamelijk bedrijven, en in mindere mate gezinnen, die exporteren en importeren.




2.1 De deelrekeningen van de betalingsbalans
Teneinde te kunnen zien in welke sectoren overschotten en tekorten ontstaan, wordt de betalingsbalans van een land uitgesplitst in deelbalansen of, beter gezegd, deelrekeningen.
De betalingsbalans bestaat uit vijf deelrekeningen:

1 De goederenrekening (goederenbalans, vroeger ook wel handelsbalans

genoemd).

2 De dienstenrekening (dienstenbalans).

3 De inkomensrekening (synoniem: kapitaalopbrengstenbalans).

4 De kapitaalrekening (kapitaalbalans).

5 De goud- en deviezenrekening (ook wel: salderingsrekening).

Het totaal van de eerste drie deelrekeningen (goederen-, diensten- en inkomensrekening) noemen we de lopende rekening van de betalingsbalans. De naam "lopende rekening" van de betalingsbalans wijst erop dat hierop worden geboekt de transacties in het lopende verkeer met het buitenland.

Deze uitdrukking houdt dus geen verband met wat je in hoofdstuk V (Geld) geleerd hebt over lopende rekeningen ofwel rekeningen courant.

De geldstromen die op de verschillende deelrekeningen worden genoteerd kunnen als volgt worden onderscheiden.


Op de goederenrekening boeken we de ontvangsten wegens export van goederen (links) en de uitgaven wegens import van goederen (rechts).
12.

Van het denkbeeldige land Holland met de denkbeeldige munteenheid gulden (fl) is gegeven dat de importwaarde van de goederen fl 200 mld. bedraagt en dat de exportwaarde van de goederen fl 220 mld. is.


Stel de goederenrekening van de betalingsbalans op.
________________________________________________________________

________________________________________________________________


________________________________________________________________

In verband met de goederenrekening is nog van belang het begrip dekkingspercentage. Daaronder verstaan we: de mate waarin de import van goederen betaald kan worden uit de opbrengst van de export van goederen.

In formulevorm:
Dekkingspercentage = Opbrengst goederenexport x 100%

Kosten goederenimport


13.


Bepaal met behulp van de gegevens van vraag 12 het dekkingspercentage.
________________________________________________________________
________________________________________________________________

Op de dienstenrekening staan links de ontvangsten wegens de aan het buitenland verleende diensten en rechts de uitgaven wegens de door het buitenland aan ons verleende diensten.


Van hetzelfde landje Holland (zie vorige vraag) is over hetzelfde jaar bekend

dat ten behoeve van het buitenland voor fl 8 miljard transportdiensten en voor

fl 4 miljard verzekeringsdiensten worden verricht. Iedereen in dat land gaat

tenminste één keer per jaar in het buitenland op vakantie. Dat kost fl 15 miljard

per jaar. Verdere wederzijdse diensten zijn er niet. Stel de dienstenrekening van Holland op.
________________________________________________________________
________________________________________________________________
________________________________________________________________

________________________________________________________________

De derde deelrekening van de betalingsbalans is de inkomensrekening. Als er Nederlandse productiefactoren (arbeid en kapitaal) "werkzaam zijn" bij buitenlandse bedrijven, zullen deze daarvoor moeten betalen in de vorm van loon, huur, rente of winst. Er gaan dan primaire inkomens vanuit het buitenland naar Nederland. Omgekeerd zullen Nederlandse bedrijven aan het buitenland moeten betalen als ze gebruik maken van buitenlandse productiefactoren. Er vloeien dan primaire inkomens naar het buitenland.
Op de inkomensrekening staan ook de overgedragen inkomens (te onderscheiden van primaire inkomens) betaald aan het buitenland en ontvangen uit het buitenland. Voorbeelden hiervan zijn ontwikkelingshulp met een consumptieve bestemming en uitkeringen van de sociale fondsen.
15.

Van Holland is vervolgens bekend:

- rentebetalingen aan het buitenland fl 2 miljard

- renteontvangsten uit het buitenland fl 3 miljard

- winstuitkeringen uit het buitenland fl 2 miljard

- winstuitkeringen aan het buitenland fl 3 miljard

- Hollandse grensarbeiders verdienen over de grens fl 1,5 miljard

- aan ontwikkelingslanden wordt fl 1 miljard noodhulp verstrekt

- aan ex-gastarbeiders, teruggekeerd naar hun vaderland, wordt fl 0,5 miljard

aan pensioenen verstrekt

Stel de inkomensrekening van Holland op.

________________________________________________________________


________________________________________________________________
________________________________________________________________
________________________________________________________________
________________________________________________________________
________________________________________________________________

Op de kapitaalbalans worden kapitaalstromen (geldstromen) geboekt zonder dat er sprake is van een tegengesteld verlopende "goederen"stroom.

Als op de goederenbalans de ontvangst wordt geboekt van een exporttransactie of de uitgave aan een importtransactie dan staan er tegenover deze geldstromen goederenstromen van de geëxporteerde en geïmporteerde goederen. Dat is ook zo bij de dienstenrekening en de inkomensrekening: tegenover de op de dienstenrekening en op de inkomensrekening geregistreerde geldstromen staan geleverde of ontvangen diensten en geleverde en ontvangen productiefactoren.

Als echter een Nederlands bedrijf geld leent van een Duitse bank of als een Nederlander zijn spaarcenten stort bij een Luxemburgse bank is er alleen maar een geldstroom. Ook bij zogenaamde directe investeringen, het kopen van kapitaalgoederen die zich in het buitenland bevinden, is er alleen een geldstroom. Deze zuivere geldstromen worden geboekt op de kapitaalrekening.


16.

Stel dat een Hollander voor fl 50 miljoen een kaasfabriek koopt die gevestigd is in België. Aan welke zijde van de kapitaalrekening van Holland

wordt die investering geboekt? Waarom?
________________________________________________________________

________________________________________________________________

De opbrengst van deze investering van fl 50 miljoen is de winst die de kaasfabriek maakt. Stel dat er na een jaar fl 750.000 winst wordt overgemaakt naar de Hollandse eigenaar.
17.

Op welke deelrekening van de Hollandse betalingsbalans wordt die

fl 750.000 winstuitkering geboekt? Aan welke zijde van die deelrekening?
________________________________________________________________
________________________________________________________________

Het onderscheid tussen de kapitaalstroom en de opbrengst van de kapitaalstroom speelt ook een rol bij grensoverschrijdende beleggingen.

18.

Beleggingen in Hollandse staatsobligaties zijn populair bij vermogende Amerikanen. Stel, Amerikanen kopen in een zeker jaar voor f 3 miljard



Hollandse staatsobligaties.

Op welke deelrekening, en aan welke zijde daarvan, van de Hollandse

betalingsbalans, verschijnen die aankopen?
________________________________________________________________
________________________________________________________________
19.

Op welke deelrekening, en aan welke zijde daarvan, van de Hollandse betalingsbalans, verschijnt 10 jaar later de aflossing van die obligaties?


________________________________________________________________
________________________________________________________________

20.


Op welke deelrekening, en aan welke zijde daarvan, van de Hollandse

betalingsbalans, verschijnt de jaarlijkse rentebetaling?


________________________________________________________________

________________________________________________________________

De laatste deelrekening, de goud- en deviezenrekening heeft een heel ander karakter dan de eerste vier deelrekeningen van de betalingsbalans. Je treft er geen betalingen aan voor geleverde of ontvangen goederen, diensten of productiefactoren (inkomensstromen). Evenmin vind je er directe investeringen of beleggingen (kapitaalstromen).
Wat dan wel? Om die vraag te beantwoorden moet je begrijpen dat de eerste vier deelrekeningen zelden of nooit links en rechts dezelfde totaalbedragen zullen vertonen. Elke deelrekening heeft wel een overschot of een tekort. Alle overschotten en tekorten van de deelrekeningen samen vormen het totale overschot of tekort van de betalingsbalans.
Als er nu in een land meer geld wordt ontvangen uit het buitenland dan er betaald wordt aan het buitenland dan is de telling aan de linkerkant van de deelrekeningen hoger dan aan de rechterkant. Er is een overschot op de betalingsbalans en er vloeien per saldo betalingsmiddelen het betrokken land binnen. Dit overschot aan buitenlandse deviezen komt in eerste instantie terecht bij de particuliere banken, maar deze zullen vervolgens dit buitenlandse geld bij de centrale bank van dat land omwisselen in de eigen valuta. De zogenaamde goud- en deviezenvoorraad van de centrale bank neemt dan dus toe. Het omgekeerde geldt als er meer betaald wordt aan het buitenland dan er ontvangen wordt uit het buitenland.

Deze toename van de deviezenvoorraad wordt nog eens apart vermeld op de zogenaamde salderingsrekening. Door de toename te boeken aan de rechterkant van de salderingsrekening ontstaat er een (boekhoudkundig) evenwicht van de totale betalingsbalans (dus alle vijf de deelrekeningen bij elkaar). Op de goud- en deviezenbalans, de salderingsrekening wordt dus alleen vermeld het totaalsaldo van de eerste vier deelrekeningen.

21.

Gegeven de volgende betalingsbalans van Holland (de bedragen luiden in miljoenen guldens). Bereken het overschot of het tekort van de betalingsbalans en vul de salderingsrekening en de totalen in.


Goederenrekening

___________________________________________

Export 210.000 Import 200.000

Dienstenrekening

___________________________________________

Export 12.000 Import 15.000

Inkomensrekening

___________________________________________

Van het buitenland Aan het buitenland

ontvangen 6.500 betaald 6.500

Kapitaalrekening



___________________________________________

Import 21.300 Export 24.800

Salderingsrekening

___________________________________________

Afname ............ Toename ..............



TOTAAL ............. TOTAAL .............





  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina