Inhoud inleiding 3



Dovnload 250.87 Kb.
Pagina1/5
Datum25.07.2016
Grootte250.87 Kb.
  1   2   3   4   5


24-12-12
Op weg naar een goede economie

ROELF HAAN

Utrecht, december 2012

INHOUD

Inleiding 3

1. Absurditeiten in de economie 5

1.1 De “schuldencrisis”: het systeem creëert werkloosheid 5

1.2 Groei schept banen, maar belast de planeet 6
1.3 Meer arbeidsbesparende techniek, maar geen afname van de arbeid 7
1.4. Het systeem als veroorzaker van economische hoofdproblemen 9
2. Het verouderde economisch-politieke debat: links versus rechts 10
2.1 De overeenkomsten tussen links en rechts 10

2.2 De samenleving is meer en meer Technisch Systeem 12


3. Financiële crisis: incident of systeem? 14

3.1 Liever analyse dan vertrouwen 14


3.2 Monetaire crisis of een intrinsiek instabiele monetaire structuur? 16
3.3 Geldcreatie moet zijn in het publieke belang 21

3.4 Rente 24



4. Hoe kijken we naar de economie? 28

4.1 “Economie = geld verdienen” 28


4.2 Economie is toeneming van onderling gerelateerde vrijheden 30

4.3 Stabiliteit en duurzame levensvatbaarheid in complexe stroomsystemen 31



5. Wat te doen? 33

5.1 Ausbilding èn Bildung 33

5.2 Regio’s, dorpen, wijken, buurten, associaties, coöperaties, individuen 35
5.3 Lokale overheden 35
5.4 Actualiseren van de landelijke politieke agenda 35

6. Antwoorden op het debt-money systeem 37

Burgemeester Untenguggenberger van Wörgl, Oostenrijk, 1933: de depressie beëindigd - Fisher en Roosevelt, VS, 1934: pas de oorlog bracht volledige werkgelegenheid - WIR, Zwitserland, 1934-heden: stabilisering van de nationale economie - De favela Palmeiras bij Fortaleza, Brazilië, 2003-heden: eigen ontwikkeling doordat weglekken van geld naar de stad wordt voorkomen - Financiering van thuiszorg door gemeenschapsmunten, Japan, 1995-heden: geen beslag op belastingmiddelen



7. Enkele conclusies 42
Samenvatting
Het vigerende economisch systeem stelt ons voor bepaalde dilemma’s waarin er slechts keuze is uit kwaden. De wijze waarop de economie is georganiseerd veroorzaakt de economische hoofdproblemen. Het debat tussen links en rechts is wat dit betreft irrelevant. Het systeem is technicistisch geworden (Ellul), d.w.z. de middelen heersen over de doelen via de eis dat zij efficiënt gebruikt moeten worden. De enorme financiële steun die overheden recentelijk hebben gegeven aan bancaire particuliere ondernemingen (systeembanken) toont de intrinsieke verwevenheid van staat en markt binnen het Technisch systeem. Dit systeem is niet “in crisis”; het manifesteert zijn fundamentele permanente instabiliteit en inefficiëntie.
Een doordachte visie op het systeem voorkomt dat wij assimileren aan het systeem. De grote blinde vlek in de analyse ervan is het monetaire stelsel, en daarbinnen het proces van de geldcreatie. Nationalisering van dit proces (wel te onderscheiden van nationalisatie van het bankwezen als zodanig) zou in één stap een einde maken aan de schuldencrisis, en een hoofdoorzaak van instabiliteit wegnemen. Het geldstelsel zou voorts stabieler worden wanneer op monetair vlak de “ecologische diversiteit” zou worden bevorderd. Complementaire munten – zoals het voorbeeld van de Zwitserse WIR die sinds de grote depressie van de jaren 30 met succes is blijven voortbestaan – kunnen, door de mobilisering van productiefactoren en arbeidskracht die anders onbenut zouden blijven, voorzien in behoeften die in het huidige debt-money systeem onbevredigd blijven.

Op weg naar een goede economie


ROELF HAAN

The way that we issue and use money seems so ingrained that it’s hard to question.
Ed Mayo, Foreword to J. Huber & J. Robertson, Creating New Money: A Monetary Reform for the Information Age, Londen 2000

[The] repeated financial breakdowns, in very different countries and times, under different regulatory environments, and in economies with very different degrees of development, should be seen as a first telltale symptom of some underlying systemic or structural problem. If such a deeper structural problem exists, it would also explain why even some of the brightest and best educated people on the planet have not been able to avoid major financial catastrophes, however diligently they do their work, whether on the regulatory or on the financial services side. Finally, if our money system is indeed a structural “accident waiting to happen”, then even if it were possible to perfectly control greed through innovative, tight, regulations, this will only defer when the next disaster will hit.

Bernard Lietaer, Robert Ulanowicz & Sally Goerner, “Options for Managing a Systemic Bank Crisis”, Sapiens-journal, volume 2, number 1, March 2009.




Inleiding
Als we zeggen dat het in de economie moet gaan om de keuze tussen goede en slechte economie, dan is dat niet in de eerste plaats een “ethische” vraag, alsof we dus de economie als het ware van buiten af zou moeten corrigeren. Dat is wel de gangbare benadering. Het zgn. normatieve denken zou dan staan tegenover het “positieve”, en ethiek (bijvoorbeeld in de politiek) tegenover economie (als analytische wetenschap). Maar zo blijft de economie zelf veilig buiten schot; economen, en ook ondernemers en bankiers, roepen in koor: “ethiek is natuurlijk mooi, maar ieder zijn eigen vak; economie is economie en die is neutraal”. Het is dan een luxeprobleem of we er al of niet ethiek aan willen “toevoegen”.
Op deze manier wordt geen recht gedaan aan de eenvoudige waarheid dat economische problemen in de economie zelf moeten worden opgelost. Het is misleidend om te moraliseren. Termen als “hardwerkende Nederlander”, of “luie Grieken” bedoelen politiek te scoren via de onderbuik, maar dragen niet bij aan enig begrip van de werking van de economie. Het gaat om een analyse “beyond the blame game”. Werkloosheid in depressiesituaties is, zoals Keynes in de jaren 30 nog duidelijk moest maken, onvrijwillig.
Het economisch handelen is natuurlijk altijd impliciet ethisch. Maar de economische theorie analyseert de economische normativiteit zelf. En er is goede en slechte economie. De slechte economie behoeft geen illustratie. Het gangbare “crisis”-nieuws zegt genoeg. Maar, zeggen economen dan, dat heet dan ook “crisis”. Het ligt dus niet aan “de economie zelf”, maar aan de “crisis”. De vraag is dan dus: komt die crisis van binnen of van buiten de economie? Als die van binnen komt, hoe zit dat dan?
Laten we even kijken naar wat we de crisis noemen. Die is niet zo groot als waarvan sprake was bij de Grote Depressie van de jaren 30, wordt ons verzekerd. Het is zeer de vraag. Door de voortgeschreden globalisering is deze crisis wereldwijder en raakt zij een groter deel van een grotere wereldbevolking. In de jaren 30 waren er zelfs enkele ontwikkelingslanden die profiteerden: Argentinië, Chili en Venezuela kwamen door het wegvallen van buitenlandse handel tot importsubstitutie, ze ontwikkelden zich daardoor tot semi-industriële landen. Vele andere regio’s in de periferie van de wereldeconomie functioneerden eenvoudig verder zoals voorheen, zonder te worden geschaad door de depressie in het noordelijke centrum. Het verschil is, dat nu, als gevolg van de globalisering, de nadelige effecten in de Derde Wereld groot zijn.
Ten tweede komt de financiële crisis samen met de klimaatcrisis, met massale vernietiging van natuurlijke soorten, met de enorme toeneming van structurele werkloosheid (wel te onderscheiden van conjuncturele werkloosheid) en met de massale vergrijzing overal in de wereld. De huidige crisis is dus in ieder geval veel complexer dan die van 80 jaar terug.
Bloomberg schatte in 2009 de kosten van de bailout van de banken, die sinds de bankencrisis van 2007/2008 ten laste van de Amerikaanse belastingbetaler zijn gekomen, op $ 7,7 biljoen (de Amerikanen zeggen triljoen), d.w.z $ 24.000 per Amerikaanse inwoner. Dit is ruim tweemaal zoveel als de kosten die de Amerikanen hebben gedragen voor het voeren van de Tweede Wereldoorlog.1
Deze constatering is van 2009. In 2012 schrijft de Club van Rome: De VS is interessant omdat het het enige land is waar de rechter zowel de regering als de centrale bank heeft gelast de totale kosten bekend te maken van de herstelprogramma’s met betrekking tot de crisis van 2007-2008. Die programma’s waren vijftig in getal en kostten $ 15,1 biljoen, hetgeen dus inmiddels neerkomt op ruim vier maal de Amerikaanse uitgaven aan de Tweede Wereldoorlog.2
Hoe is het mogelijk dat we een economisch stelsel tolereren dat deze krankzinnige uitkomsten te zien geeft? Of is het woord “krankzinnig” dat ik hier gebruik out of voice in een betoog over zoiets als de economie, dat toch het terrein wordt geacht te zijn van vanzelfsprekendheid en rationaliteit? Ik zag een uitspraak afkomstig van president Woodrow Wilson (1913-1921), die in 1913 de wet ondertekende waarbij het Amerikaanse centralebankstelsel, het Federal Reserve System, werd ingesteld, en die jaren later terugkijkt (hij overleed in 1924). Wilson zegt:

“Ik ben een hoogst ongelukkig man. Ik heb mijn land zonder er van bewust te zijn geruïneerd. Een grote industriële natie wordt overheerst (controlled) door zijn kredietsysteem, Ons kredietsysteem is geconcentreerd. De groei van de natie en al onze activiteiten zijn daardoor in handen van enkelen. Wij zijn geworden tot een van de slechtst geregeerde, een van de meest volkomen gecontroleerde en gedomineerde regeringen in de beschaafde wereld, niet langer een regering die steunt op de vrije meningsvorming, niet langer een regering op basis van overtuiging en besluitvorming bij meerderheid, maar wij worden geregeerd door de opinie en door de dwang van een kleine dominerende groep”. 3


Wat wij in abstracto de financiële sector noemen is een conglomeraat van banken en verzekeraars, met concrete bedrijfsnamen. De grote banken worden too big to fail genoemd. In de bail-out kunnen overheden nog zekere voorwaarden stellen. Maar inmiddels is gebleken dat zij ook too big to bail zijn. Daarom wordt thans de controle op de banken versterkt, worden de reserveverplichtingen verscherpt, enz. Meer regelgeving dus (na de periode van de “liberalisatie”). Het rapport van de Club van Rome van 2012 citeert de architect William Mc Donough: “De behoefte aan regelgeving is altijd een teken van een gebrekkig ontwerp”.4
Zijn economen er niet voor om te waarschuwen tegen zulk economisch onheil? Professor Robert Triffin van Yale verweet zijn vakbroeders 40 jaar geleden, dat ze zich voornamelijk gelegen laten liggen aan het belang van hun carrière. In plaats daarvan zouden zij “publieke functionarissen en de publieke opinie moeten voorlichten (educate), met het risico dat hun advies door de politici zal worden verworpen als prematuur, of te moeilijk om na te volgen. Politiek is niet slechts de kunst van het mogelijke. Het zou de kunst moeten zijn, en dat is van steeds groter belang, om morgen mogelijk te maken wat vandaag onmogelijk schijnt te zijn”.5
1. Absurditeiten in de economie
1.1 De “schuldencrisis”: het systeem creëert werkloosheid
Goede economie: dat is een economie die goed is voor de mensen. Het probleem is dat er in de economie erg abstract en formeel wordt gedacht. En tussen wat wij zien als wenselijk in menselijk opzicht en de werkelijkheid bevindt de logica van wat we noemen het “economisch systeem”. Dat systeem is bovendien, zoals men zegt, in “crisis”. Het gaat dus in ieder geval niet goed.
Spanje heeft een omvangrijk begrotingstekort. Dat tekort is niet houdbaar, dus moet er op overheidsuitgaven worden bezuinigd. Daar komt depressie van, werkloosheid dus. Meer dan de helft van de Spaanse jongeren is zonder baan. Precies als uit veel ontwikkelingslanden, vindt er uit Spanje een braindrain plaats.6 Goed opgeleide jonge professionals, waarin het land via zijn onderwijs geïnvesteerd heeft, vertrekken naar het buitenland. Waarom dit alles? Het antwoord is: het systeem vergt bezuinigingen.
We stuiten hier dus op een absurditeit. Want die mensen zonder werk blijven natuurlijke reële behoeften hebben, en die emigrerende beroepsmensen zouden daarin hebben kunnen voorzien! In de Spaanse economie liggen de productiemiddelen voor een deel braak. Wanneer onbevredigde behoeften en ongebruikte productiemiddelen samengaan, dan moeten we wel spreken van een economische absurditeit. Vraag en aanbod zijn aanwezig! – maar ze zijn niet “effectief”.

1.2 Groei schept banen, maar belast de planeet

Ook politici weten natuurlijk dat er iets anders moet gebeuren. Wat nodig is zijn banen. Het aantal banen neemt alleen toe bij economische groei. Daarom pleiten veel economen, zoals oud-minister Witteveen, voor meer bestedingen.7 Zonder groei kunnen ook schulden (of zij nu publiek of privaat zijn) niet worden afgelost. Dat betekent: opvoering van de economische activiteit, en ook van de productie van materiële goederen. Die groei moet natuurlijk ook permanent zijn. Het gegroeide nationale inkomen van dit jaar moet volgend jaar ook weer groeien. Dat noemen we exponentiële groei. Dat is toenemende groei. Maar: voortdurende en toenemende fysieke groei op een planeet die fysiek eindig is, is onmogelijk. Hier stuiten we dus op een tweede absurditeit. Iemand die denkt dat wij permanent kunnen blijven groeien, heeft Kenneth Boulding gezegd, moet wel gek zijn, of anders is hij econoom.8 Boulding (1910-1993) was milieuadviseur van John F. Kennedy.


Als een recessie, d.w.z. negatieve groei, en het daarbij gevoegde bezuinigingsrecept, massale ellende teweegbrengt in landen als Spanje en Griekenland, maar positieve groei wereldwijd op den duur ook niet kan omdat hij de natuurlijke basis van de economie vernietigt, dan kunnen we dus geen kant meer uit en kan de conclusie niet anders zijn, dan dat we eindelijk moeten gaan nadenken over het “systeem” dat dit dilemma produceert. Dan komen we op het terrein van de grote taboes in de academische economie.
Wat zouden we voor economie willen creëren, als we “bij nul” zouden kunnen beginnen? Dat wil zeggen als we ons eenvoudig de vraag zouden stellen: wat kunnen we bereiken met de middelen die voor de mensheid voorhanden zijn? Economen noemen er altijd drie: 1) de arbeid, die verbonden is met vernuft, creativiteit en ondernemerschap; 2) de natuur; en 3) de vele vormen van kapitaal die de mens ter beschikking staan. Economen denken aan ‘vast’ en ‘vlottend’, financieel, en technisch kapitaal. Maar er is veel meer kapitaal: menselijk, sociaal, historisch/cultureel, institutioneel.
Doen alsof we bij nul zouden kunnen beginnen is natuurlijk volkomen onhistorisch gedacht. De wereld begint niet bij ons. Maar laten we dan eens historisch denken. Dan zien we dat de megaproblemen die nu de wereldeconomie kenmerken voortkomen uit het economische systeem zelf. In de 19e-eew ontstond het “sociale vraagstuk”. Arm en rijk hebben altijd bestaan. Onderdrukking en uitbuiting ook. Maar het sociale vraagstuk was nieuw: het werd voortgebracht door de moderne markteconomie, door het systeem zelf. De economie zelf creëerde niet alleen het sociale vraagstuk en de moderne ongelijkheid, ook het milieuprobleem, het schuldenvraagstuk, de klimaatverandering, en het moderne instabiele geldstelsel. Al deze “crises” zijn met elkaar verbonden.

1.3 Meer arbeidsbesparende techniek, maar geen afname van de arbeid

Het gangbare economisch denken voert voor het ontstaan van het sociale vraagstuk een excuus aan: de 19e-eeuwse ellende in de grote steden van Europa was het historische “offer” dat, over de lange termijn gezien, moest worden gebracht ter wille van de vooruitgang. De groei zou er toe leiden dat er uiteindelijk algemene welvaart zou komen.9 De werkweek zou voortdurend korter kunnen worden, en de mensen zouden zich meer en meer kunnen wijden aan educatie, kunst en cultuur en ontspanning. Technisch is, zo wordt ons ook vandaag nog steeds verzekerd, de mensheid in staat in de biologische en culturele basisbehoeften te voorzien van de hele wereldbevolking. Het is volkomen aannemelijk als we de graad van enorme verspilling is aanmerking nemen die de overgang van de productie- naar de huidige consumptie-economie met zich geeft gebracht.


De rijken zouden, zoals Keynes heeft opgemerkt, het voorbeeld moeten geven voor een nieuwe levensstijl.10 Want zij worden geacht verstand te hebben van economie! Maar wat zien we? Terwijl er steeds meer rijken zijn en steeds rijkere rijken (in Azië zijn al meer miljonairs dan in de VS11), zijn er ook in de rijke landen steeds meer mensen die nauwelijks kunnen rondkomen van twee of drie banen tegelijk. De 19e-eeuw stelde ons nog in het vooruitzicht dat onze productieve inspanningen uiteindelijk tot resultaat zouden leiden! Dat wil dus zeggen tot het einde van de noodzaak tot groei. Sismonde de Sismondi (1773-1842) formuleerde dit vooruitzicht niet ongeestig met zijn beroemde droomvisioen: de technische ontwikkeling zou zodanig toenemen, dat op een gegeven moment alle noodzakelijke productieve arbeid in Engeland zou kunnen worden verricht door de koning alleen, die constant aan een rad zou staan te draaien dat via een samenstel van automaten in alle behoeften zou voorzien.12 Beroemd is ook de passage in het grote tekstboek van de 19e-eeuwse economie, geschreven door John Stuart Mill (1806-1873), over de stationaire staat. In Mills tijd was dat reeds tot een doembeeld geworden, van “vastgelopen” economische groei! Maar Mill betitelde de afwijzing van de gedachte aan een vorm van nulgroei op zijn beurt als “oud economisch denken”.13
Economen zoals Mill hebben gezien dat de pensioenleeftijd voortdurend naar beneden zou kunnen gaan. Het is dan ook een paradox dat we nu niets anders horen dan dat die juist naar boven moet worden bijgesteld. Ook deze absurditeit is opnieuw een eis van het systeem.

Toen de Britse econoom Schumacher in het midden van de vorige eeuw over de wereld begon te reizen, vertelt hij, kwam het hem voor, alsof de eerste wet van de economie deze was: “De hoeveelheid vrije tijd waarover een samenleving beschikt tendeert omgekeerd evenredig te zijn aan de hoeveelheid arbeidsbesparende techniek die zij toepast”.14 Hoe meer arbeidsbesparende machines er zijn, des te meer arbeid is er nodig. Zo stuiten we op een derde absurditeit in de economie.


Ook Sismondi wees al op deze paradox. De arbeidsproductiviteit, schreef hij in 1827, is verhonderdvoudigd, maar de meeste moderne economen, zei hij, willen dat ieder aan dat arbeidsproces bijdraagt, omdat de totale nationale productie jaarlijks moet groeien. Hij ziet het in zijn tijd reeds als een grote dwaling. En hij geeft een belangrijke historische oorzaak aan. Want als ieder voor zich de gang van zaken van zijn productie en consumptie zou kunnen bepalen (zoals in een solitaire huishouding), zou het voor hem of haar duidelijk zijn waarop de arbeid moet uitlopen, namelijk om er van te kunnen rusten. Het doel van de arbeidsinspanning, en de compensatie ervoor, is de rust. In de vrije tijd die door de productieve arbeid wordt mogelijk gemaakt ontstaat de ruimte voor toeneming van de kwaliteit van het leven: voor sociaal verkeer, voor spel, voor ontspanning, voor vorming, voor cultuur en maatschappijopbouw. Maar wat we zien is, ten eerste, dat de oorzaak van de gedachte dat de arbeidsinspanning steeds moet worden opgerekt deze is, dat arbeid weliswaar nog wel tot rust mag leiden, maar de rust (de compensatie) is gescheiden van de arbeidsinspanning. Arbeid en rust vallen niet meer toe aan dezelfde persoon (zodat die zelf beide met elkaar in evenwicht kan brengen).15 In het moderne economische marktsysteem, zoals Sismonde dat in zijn tijd zag ontstaan, is de arbeid van de één de vrije tijd van de ander. Ten tweede heeft de verwerving van rijkdom een puur consumptief doel gekregen en zij moet dus altijd maar door gaan.
De moderne arbeidsverdeling heeft enorme voordelen gebracht; zij heeft gemaakt dat de arbeidsproductiviteit explosief is toegenomen. Tegelijk is de productie een maatschappelijk en gemeenschappelijk proces geworden, doordat de deelnemers aan de economie niet meer solitair te werk kunnen gaan. Dat betekent dat nu dus in belangrijke mate via maatschappelijke besluitvorming moet worden bepaald in hoeverre het doel van de arbeid in termen van vrije tijd kan worden geconcretiseerd (vrij betekent: vrij niet alleen om te consumeren, maar ook om te produceren, om dienstverlenend te zijn!). Maar tegelijkertijd zijn de groei van de productie en de consumptie geworden tot doel op zich; het is een systeemvereiste.16 Het nut van de arbeid is ten principale nut voor het systeem, dat “draaiende” gehouden moet worden.17

1.4. Het systeem als veroorzaker van economische hoofdproblemen

De economische theorie brengt absurditeiten als de genoemde niet tot een oplossing. Zij ontleent haar logica aan de werking van het systeem of de veronderstelde werking ervan, maar heeft zich daarmee verwijderd van de economisch-maatschappelijke werkelijkheid die aan het systeem onderworpen is. De samenleving mag steeds meer worden beheerst door het Systeem, zij valt er niet mee samen.18 Eenvoudig gezegd, rijst de vraag “waarop slaat” eigenlijk de theorie? Dat zij haar prestige blijft ontlenen aan haar wetenschappelijke status, noemde Keynes, toen hij zijn kritiek verwoordde op de orthodoxie van zijn eigen tijd, zowel curieus als mysterieus. En hij gaf een verklaring voor dat gezag van de orthodoxie van zijn tijd:
“Het moest te maken hebben met een complex van factoren die de doctrine geschikt maakten voor de context waarop de theorie was geprojecteerd. Het feit dat haar conclusies zeer verschilden van wat de gewone, niet-ingevoerde burger (the ordinary uninstructed person) zou verwachten, verhoogde, vermoed ik, juist haar intellectuele prestige. Dat haar boodschap, vertaald naar de praktijk, streng was en onaangenaam (bezuinigen!, RH), verleende haar deugdelijkheid. Dat zij in overeenstemming was met een uitgebreide en consistente logische superstructuur, gaf haar schoonheid. Dat zij veel sociaal onrecht en aan de dag tredende wreedheid verklaarde als een onvermijdelijke episode in de logica van de vooruitgang, en kon uitleggen dat de poging die dingen te veranderen voor het geheel meer kwaad dan goed zou doen, was een aanbeveling voor het gezag ervan. Dat zij een rechtvaardigingsgrond verschafte voor de ongebonden activiteiten van de individuele kapitalist, bezorgde haar de steun van de dominante maatschappelijke krachten achter dat gezag”.19
Waarom noemen we sommige problemen die fundamenteel zijn voor de werking van onze economie niet bij hun naam? Dat komt doordat de (gevestigde) theorie wordt beoordeeld door de (gevestigde) theorie, niet door de praktijk en niet gedacht vanuit het economische lot van wat we dan maar noemen de gewone man, de ordinary uninstructed person. De theorie is de bekende “slager die zijn eigen vlees keurt”. Het lijkt of de economische beroepsgroep zichzelf wel kan bedruipen “without any reference to the outside world”.20 De methode, de wetenschap en de wetenschappelijke carrière zijn zichzelf genoeg. Arjo Klamer meldde destijds (1990) dat in een onderzoek onder economiestudenten aan de meest gerenommeerde universiteiten van de VS de vraag werd gesteld of zij ook waren geïnteresseerd in de maatschappelijk economische werkelijkheid. Dat bleek slechts het geval bij 3 procent van de ondervraagden, terwijl 68 procent het met het oog op hun carrière volkomen onbelangrijk vond.21



  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina