Inhoud Inleiding, p. 3 Literatuur, p. 9 Brief 1 van Johan van Beverwijck aan Anna Maria van Schurman, p. 10 Brief van Anna Maria van Schurman aan Johan van Beverwijck, p. 12 Brief 2 van Johan van Beverwijck aan Anna Maria van Schurman, p



Dovnload 0.81 Mb.
Pagina1/5
Datum26.08.2016
Grootte0.81 Mb.
  1   2   3   4   5
Werkgroep Humanistenbrieven, Dr. A. J. E. Harmsen
Geleerde brieven van de edele deugt-en konst-ryke juffrouw, Anna Maria van Schuurman; gewisselt met de geleerde en beroemde heeren Samuel Rachelius, Professor in de Rechten te Kiel, en Johan van Beverwyk, Med. Doct. tot Dordrecht
Marit Eisses – 0544302

19 juni 2008


Inhoud
Inleiding, p. 3
Literatuur, p. 9
Brief 1 van Johan van Beverwijck aan Anna Maria van Schurman, p. 10
Brief van Anna Maria van Schurman aan Johan van Beverwijck, p. 12
Brief 2 van Johan van Beverwijck aan Anna Maria van Schurman, p. 22
Brief van Anna Maria van Schurman aan Samuel Rachelius, p. 25
Noten, p. 39

Inleiding
Anna Maria van Schurman
Hoewel zij het ware licht naar eigen zeggen pas ruim zestig jaar later zou vinden, zag Anna Maria van Schurman het levenslicht op 5 november 1607 in Keulen. Als enige dochter van de Antwerpse balling Frederik van Schurman en de Rijnlandse jonkvrouw Eva von Harff bracht Anna Maria samen met haar drie broers de eerste jaren van haar leven op Duits grondgebied door. In 1615 kwamen de Van Schurmans in Utrecht terecht, waar zij lange tijd aan het Domkerkhof ‘in de schaduw van de Dom’ woonden.
Al gauw bleek Anna Maria een buitengewoon begaafd kind: naar eigen schrijven las ze al op jonge leeftijd de bijbel, het catechismus en het martelarenboek.i Voor korte tijd werd zij in Utrecht naar de Franse School gestuurd, maar haar ouders vreesden voor de verderfelijke invloeden van de zondige, wereldse medeleerlingen en besloten hun kinderen thuis te onderwijzen. Van een onderwijzer leerden zij en haar broers rekenen, schrijven en musiceren. Vanaf haar elfde levensjaar, het moment waarop hij oog zou hebben gekregen voor haar begaafdheid, kreeg Anna Maria van haar vader ook les in de klassieke talen.ii Het was voor een meisje niet gebruikelijk deze talen te beheersen: de Latijnse school was slechts voor jongens toegankelijk. Ook Anna Maria’s kunstzinnige vaardigheden werden door haar vader bemerkt. Het plezier dat zij in haar jonge jaren gehad zou hebben in knippen, borduren, tekenen en aquarelleren zette hem ertoe haar in de leer te doen bij de graveerster Magdalena van der Passe.
Vanaf de jaren ‘20 van de zeventiende eeuw raakte Anna Maria ondanks haar jonge leeftijd in contact met verschillende schrijvers en geleerden. Zij correspondeerde met onder andere Jacob Cats, die in zijn boeken over haar schreef, waardoor zij bij groot en erudiet publiek faam verwierf. Dankzij Voor korte tijd verhuisde de familie Van Schurman naar Franeker, waar Anna Maria dankzij haar studerende broer in contact kwam met hoogleraren op het gebied van theologie, logica, wis- en vestingbouwkunde. Terug in Utrecht kwam zij in aanraking met de dichters Revius, Heinsius, Barlaeus en Huygens en de predikant en hoogleraar theologie André Rivet. Velen van deze heren correspondeerden met haar en schreven lofdichten op haar geleerdheid. Invloedrijk was vooral haar contact met de gereformeerde predikant Gisbertus Voetius die vanaf 1634 naar Utrecht kwam als professor in theologie. Hij onderwees haar in enkele Oosterse talen en gaf haar toestemming om vanuit een aparte loge (ongezien) zijn colleges aan de universiteit te volgen.
Anna Maria onderhield in de jaren ‘30 uitgebreide briefwisselingen met vele geleerde heren en dames uit heel Europa. In 1638 publiceerde zij haar Dissertatio; een verhandeling over de kwestie of en hoe christelijke vrouwen wetenschap kunnen en mogen beoefenen, die in het Frans en Engels vertaald werd. In 1639 schreef ze naar aanleiding van de in deze annotatie behandelde correspondentie met medicus Johan van Beverwyk het godsdienstige werk Paelsteen van den tijt onzes levens, dat ingaat op de kwestie of de loop, begin en einde van het leven van tevoren vastgelegd zijn. In 1648 publiceerde zij de bundel Opuscula, waarin verschillende van haar Latijnse, Griekse, Franse en Hebreeuwse brieven aan Europese geleerden te lezen zijn. Hierin is ook het Latijnse origineel van de brief aan Johan van Beverwijck opgenomen.
Toen de familie Schurman, destijds bestaande uit Anna Maria, Johan Godschalk en hun twee tantes Agnes en Sybille, tussen begin 1653 en zomer 1654 naar Keulen trok om ‘een oude bezittinge die hen onrechtmatig ontnomen was, terug te krijgen’iii, ontstonden er in Utrecht geruchten over hun zogenaamde bekering tot het katholicisme. Hoewel deze ongegrond waren was de band met de stad Utrecht, ook gezien langdurige onenigheid binnen de Utrechtse geestelijke kringen, bij hun terugkeer enigszins bekoeld.
Johan Godschalk vertrok in 1661 naar Zwitserland en later Duitsland en Frankrijk om theologie te studeren, waarin hij in 1663 promoveerde. In zijn briefwisseling met zijn zuster correspondeerde hij over zijn ontmoetingen met Jean de Labadie, een vurig boeteprediker die ambiëerde de volgens hem vervallen kerk te herstellen en reformeren. Hoewel Johan Godschalk in 1664 overleed bleef Anna Maria geïntrigeerd door deze boeteprediker. Dankzij haar bemiddeling werd De Labadie in Middelburg aangesteld als predikant van de Waalse gemeente in Middelburg. Regelmatig reisde ze op en neer om zijn predikingen te horen.
In 1669 werd De Labadie geschorst en vertrok hij met zijn volgelingen naar Amsterdam. Anna Maria, die inmiddels als enige van de familie in het huis achter de Dom was overgebleven, sloot zich samen met een goede vriendin, achterneef en dienstbode aan bij deze ‘particuliere gereformeerde’ groepering. Deze labadisten bleef ze de rest van haar leven trouw, wat niet in goede aarde viel bij haar voormalige vriendenkring. In 1672 publiceerde ze het werk Eucleria, waarin ze op autobiografische wijze haar keuze voor het labadisme verdedigde. De groepering was ondertussen van Amsterdam naar Herford (Duitsland) en Althona (Denemarken; tegenwoordig Altona, Duitsland) vertrokken, en vestigde zich in 1675 in het Friese dorpje Wieuwert. Hier bracht Anna Maria de laatste jaren van haar leven door en stierf zij begin mei 1678.
Johan van Beverwijck
Johan van Beverwijck (1594-1647) was volgens het Vaderlandsch Woordenboek van Jacobus Kol uit 1787 ‘Doctor in de Wijsbegeerte en Geneeskunst‘. Hij studeerde medicijnen in Leiden en diverse andere Europese steden, waaronder Padua. Nadat hij als arts gepromoveerd was werd hij stadsdokter van Dordrecht. Hij trouwde met Anna van Duverden en na haar overlijden met Elisabeth Bakker, met wie hij acht kinderen kreeg. Van Bewerwyk was in Dordrecht een aanzienlijk man die vele erefuncties vervulde in onder andere het stadsbestuur, de Staten van Holland, de raad van toezicht van de Latijnse school en de stadsboekerij.iv Hij correspondeerde met vele geleerden, waaronder René Descartes, Daniel Heinsius, Caspar Barlaeus, Constantijn Huygens en Hugo de Groot. Verschillende van deze brieven werden tijdens zijn leven of kort erna al gepubliceerd.
Van Beverwijck publiceerde daarnaast wetenschappelijke boeken over diverse onderwerpen, waaronder Schat der ghesontheyt, Schat der onghesontheyt, Inleydinge tot de Hollandtsche geneesmiddelen, Alle de wercke so in de medicyne als in de chirurgye en Lof der medicine als belangrijke werken over de geneeskunst en ‘t Begin van Hollant in Dordrecht, Hertogh van Alva en Spaansche Xerxes als belangrijke geschiedkundige werken. Met name zijn geneeskundige geschriften werden wijdverspreid en in gebruik genomen als medische encyclopedieën. In 1631 publiceerde hij Wtnementheyt der vrouwelieken geslachts; een boek over uitmuntende vrouwen van zijn tijd, waarin Anna Maria een grote rol speelde.
De briefwisseling met Anna Maria vond plaats in de eerste maanden van 1639. Van Beverwijck bracht in 1634 de eerste druk van Epistolica quaestio de vitae termino uit, waarin hij de brieven van meerdere geleerde heren van diverse achtergronden en overtuigingen publiceerde, die hij gevraagd had naar hun ideeën over de ‘paalsteen van het leven’; of het leven van tevoren door God vastgelegd (afgepaald) was of afhankelijk was van omstandigheden. Van het werk zijn meerdere uitgaves gemaakt waaraan in totaal vierentwintig geleerden hadden bijgedragen. In een herdruk van dit werk in 1636 nam hij de uitkomsten van deze briefwisseling met Anna Maria van Schurman op.
Samuel Rachelius
Samuel Rachelius (1628-1691) werd geboren in Lunden, Duitsland, als zoon van een pastoor. Hij studeerde op kosten van de hertog van Holstein theologie, geschiedenis, filosofie en rechten aan de universiteit van Rostock en vertrok vervolgens naar Jena om zich toe te leggen op de jurisprudentie. Vervolgens keerde hij terug naar Rostock en werd hij privé-onderwijzer. Later werd hij hoogleraar rechten aan de universiteiten van Helmstedt, Kiel en Holstein en vervulde hij diverse officiële functies, onder andere als diplomaat voor hertog Christian Albrecht. Hij publiceerde enkele juridische geschriften, waaronder Dissertationes de jure naturae et gentium en Introductie in jus Germanicum, en tevens een autobiografie.v

De brief aan Samuel Rachelius schreef Anna Maria in een van haar laatste levensjaren. Zij was destijds al geruime tijd aangesloten bij de labadisten. De groepering was destijds in Althona gevestigd, maar zocht vanwege de dreigende oorlog tussen Zweden en Denemarken een nieuwe verblijfplaats. Enkele mannen waren in mei 1675 vertrokken richting Wieuwert, waar de rest van de labadisten in juli naartoe trok en de groepering zich vestigde in een stins.vi De brief aan Samuel Rachelius zal daarom waarschijnlijk een van de laatste zijn die Anna Maria vanuit Althona geschreven heeft. Samuel Rachelius was destijds werkzaam in Kiel. Het is onbekend hoe hij precies met de labadisten in aanraking kwam, gezien zij zich niet in zijn nabije omgeving hadden gevestigd.


Brievenbundel
De geannoteerde brieven zijn afkomstig uit de bundel Geleerde brieven van de edele deugt-en konst-ryke juffrouw, Anna Maria van Schuurman; gewisselt met de geleerde en beroemde heeren Samuel Rachelius, Professor in de Rechten te Kiel, en Johan van Beverwyk, Med. Doct. tot Dordrecht, gedrukt door Johannes van Septeren, boekverkoper op de Leydsche straat te Amsterdam, 1728. De drukker geeft op de titelpagina aan ‘Voor het meerendeel nu uit de Latynsche in de Nederlantsche taale overgezet, en noit vorheen gedrukt. Ook zyn hier nog by gevoegt, verscheidene Lof-vaarssen, op dezelve Juffr. Schuurman door eenige Geleerde Mannen, in het Latyn opgestelt, en nu meede voor het eerst vertaalt. Naast de getranscribeerde brieven zijn in de bundel enkele lofdichten opgenomen op Anna Maria van Schurman, te weten van Jacob Cats, Cornelis Boy J. C. (2 x), Jac. Lydius, Dan. Jonctys Med. Doct., Johan van Beverwyk, A. Colvius, Isaak Gruterus (3 x), G. Staakman (2 x) en Daniel Heinsius.
De brief van Johan van Beverwijck en Anna Maria van Schurmans antwoord hierop zijn al in 1639 uitgegeven door Jasper Gorritsz te Dordrecht in het boekje Pael-steen van den tyt onses levens. Dat is, Vvt-spraeck over het geschil, Of de palen van ‘t leven vast staen, ofte by ons verset konnen vverden. De uitgever heeft deze vertaling omgezet naar contemporaine spelling, maar in essentie overgenomen.

Van de vertaler van de brieven zijn slechts zijn initialen ‘I. P.’ bekend. De vertaler(s) van de brief aan Samuel Rachelius en de eerste brief van Johan van Beverwijck zijn geheel onbekend.


Erasmus en Mostaert
Zowel Desideramus Erasmus (1466 - 1536) als Daniël Mostaert (1591-1646) publiceerden een boek over het op de juiste manier schrijven van brieven. De eerste editie van Desideramus Erasmus’ De conscribendis epistolis verscheen in 1522. Het werk is gericht op de ietwat gevorderde student en zijn leermeester, aanvankelijk bedoeld voor de leerlingen van Erasmus zelf. In het boek behandelt Erasmus algemene kenmerken van brieven, schrijfstijl en retorica, verschillende briefsoorten ingedeeld naar doeleinde van schrijven en manieren waarop het schrijven van correcte brieven aan studenten geleerd moet worden. Daarnaast geeft hij veel voorbeelden van correct toegepaste kenmerken van brieven en passages die de student in zijn eigen brieven over zou kunnen nemen. Een van de belangrijkste principes die Erasmus hanteert is het streven naar evenwicht; elke truc moet met mate in een brief toegepast worden.
Mostaerts Vermeerde Nederduytsche Secretaris ofte Zendtbrief schryver verscheen voor het eerst in 1635. Het boek bestaat uit drie delen, waarvan het eerste deel een algemene inleiding op de zendbrief, taalgebruik en de kwaliteiten van de zendbriefschrijver is, het tweede deel vooral gericht is op het correct schrijven van formele brieven en het derde deel op informele brieven. Binnen het tweede en het derde deel worden verschillende typen brieven naar doeleinden van schrijven behandeld. Evenals De conscribendis epistolis is het boek rijkelijk voorzien van voorbeelden, al lijken dezen meer instructief te zijn dan te dienen als voorbeeldformules. Een van de belangrijkste punten die in zijn boek terugkeert is het streven naar gepastheid: bij elke brief moet men de ontvanger naar zijn waarde aanschrijven. Ik zal hieronder de vier verschillende brieven toetsen aan de kenmerken die in de boeken van Erasmus en Mostaert genoemd zijn.

Erasmus schrijft dat brieven in de klassieke oudheid begonnen met een begroeting in derde persoon. Gebruikelijk is volgens Erasmus eerst de naam van de schrijver en daarna die van de ontvanger te noemen (Schrijver groet Ontvanger). In de brieven van Anna Maria van Schurman gebeurt dit andersom: alle in deze bundel gepubliceerde brieven geven eerst de naam van de ontvanger, die daarna door de schrijver gegroet wordt (Ontvanger groet Schrijver; in de betekenis Ontvanger wordt gegroet door Schrijver). De begroeting in de brieven in deze bundel bevat telkens een verwensing: Anna Maria van Schurman en Johan van Beverwijck wensen elkaar een ‘lang en gelukzalig leven’, Anna Maria van Schurman wenst Samuel Rachelius ‘veel heil’ toe.


Mostaert heeft in zijn Zendtbrief schryver een Tytelboexken verwerkt, waarin de gepaste aanspreekvormen voor verschillende personen te vinden zijn. Een ‘Leeraer die Doctoor den Heylige Schrift is’, zoals Samuel Rachelius, behoort volgens hem aangesproken te worden met ‘Eerwaerdighe, Hooghgeleerde gunstige Heer’. Anna Maria noemt hem in haar groet echter niet bij zijn academische titel, wel noemt zij hem ‘Eerwaardig’. Een ‘Doctor in de Medicinen’ behoort volgens Mostaert aangesproken te worden als ‘Eerenfesten, Hooghgeleerden Heere beyder Medicynen Doctor’. Ook hier maakt Anna Maria in haar groet geen verwijzing naar zijn beroep of opleiding. Een (gehuwde) edele vrouw hoort aangeschreven te worden met ‘Edele, Eere en deugdtrijke in gebuer gunstige Vrouw’, wat wel enigszins overeenkomt met de groet ‘Edele-, konst en deugtryke juffrouw’ van beide heren. Omdat het niet gebruikelijk was ongehuwde vrouwen die niet van stand zijn of tot de geestelijkheid behoren aan te schrijven is er waarschijnlijk geen correcte aanspreekvorm voor Anna Maria te vinden in de Zendtbrief schryver.
Volgens Erasmus behoort het gebruik van epitheta in de begroeting niet of zeer gematigd te gebeuren. In de brieven in deze bundel wordt dit echter juist in het begin uitvoerig gedaan, en in het verloop van de brief in mindere mate, met uitzondering van de tweede brief van Johan van Beverwijck. Zowel Anna Maria van Schurman als de heren maken dus gebruik van epitheta: Anna Maria van Schurman noemt Samuel Rachelius in haar groet ‘Den Eerwaarden Man’ en vervolgens aan het begin van haar schrijven ‘Hoog Eerwaarde en zeer Beleefde Man.’ Johan van Beverwijck noemt zij in haar groet ‘Den Achtbaren Hooggeleerden HEERE’, vervolgens ‘Achtbare heere’ en in haar afgroet ‘uytgenomen Man’. In zijn eerste brief noemt Johan van Beverwijck Anna Maria in zijn groeten ‘De Edele, Konst- en Deugtryke Juffrouw’, als aanhef ‘Edele, en Hooggeleerde Juffrouw’ en als afgroet ‘Waarde Juffrouw’. In zijn tweede brief stijgt zijn lof op haar, zij wordt ‘Wel Edele, ende Hooggeleerde Juffrouw’ en ‘Uitnemendste der Juffrouwen’. Met name de brieven van Johan van Beverwijck bevatten gedurende het schrijven veel epitheta. Omdat de brieven van Anna Maria van Schurman vooral informatie uitwisselen zou het in haar geval wellicht wat vreemd zijn geweest als de lezer gedurende de brief herhaaldelijk aangesproken zou worden. Met name het contact met Samuel Rachelius lijkt daarnast van zakelijke en afstandelijke aard.vii Bovendien zou het voor een ongehuwde vrouw zeer ongepast te zijn een heer met bloemrijke loftuigingen te benoemen.
Mostaert wijst in veel van zijn hoofdstukken op het belang van gepastheid van schrijven. Dit is veelal gebaseerd op de achtergrond van ontvanger en schrijver (leeftijd, stand, maatschappelijke positie), de verhoudingen tussen beide en de positie waarin de schrijver zich betreffende het doeleinde van de brief bevindt ten opzichte van de ontvanger (d.w.z., of hij iets van deze persoon gedaan wil krijgen of hem juist een dienst bewijst).
Aan het eind van een brief behoort volgens Erasmus een afgroet (bij voorkeur ‘vaarwel’) te staan, gevolgd door de plaats en datum van schrijven. Dit is voor allevier de brieven het geval. In de brief van Anna Maria van Schurman aan Johan van Beverwijck wordt daarnaast ook nog de groeten gedaan aan zijn vrouw en kinderen.
Eerste brief Johan van Beverwyk aan Anna Maria van Schurman
De eerste brief van Johan van Beverwyk is een verzoekbrief dan wel een brief van discussie. Tot deze laatste categorie behoren volgens Erasmus brieven tussen geleerden waarin zij ideeën uitwisselen, informatie willen vergaren over een bepaald onderwerp, iemand van dergelijke informatie voorzien of discussiëren over een wetenschappelijk twistpunt. In dit geval vraagt Johan van Beverwijck Anna Maria van Schurman naar haar ideeën over de ‘Paalsteen van het leven’; of het leven van tevoren van bovenaf is vastgelegd of van toeval en omstandigheden afhankelijk is. Erasmus geeft wat betreft de brief van discussie geen voorschriften.
Volgens Mostaert behoort de schrijver van de verzoekbrief te benadrukken hoe zeer zijn verzoek van belang is, de grootsheid van de eer die hem met de inwilliging ervan verschaft zou worden en de genoegdoening die hij hieruit zou verkijgen. Daarnaast zou hij moeten zinspelen op de goede kwaliteiten van de ontvanger. De schrijver zou zich nederig moeten opstellen naar de ontvanger, de wijze van spreken zou in deze brief minlijk en lieflijk moeten zijn. Van Beverwijck lijkt hier goed aan te voldoen: hij spreekt uiterst bewonderend over Anna Maria en beroept zich op haar capaciteiten om aan zijn volzoek te kunnen voldoen. (‘indien U Ed. Hooggeleerde Juffrouw hem weerdigt (…)’, ‘met dewelke U Ed. my door zonderlinge goedertierenheid heeft gelieven te vereeren, hebben konnen zien de diepte van U Ed. onvergelykelyk verstant, en wonderbaarlyke geleertheid (…)’, ‘in welkers herssenen de Goddelyke en Menschelyke wysheid haar woonplaats gekozen heeft’). De brief van discussie wordt in het boek van Mostaert niet genoemd.
Erasmus maakt onderscheid tussen verzoekbrieven met een eerbaar en een oneerbaar verzoek. De brief van Van Beverwyk valt onder brieven met een eerbaar verzoek, waarbij een directe benadering gepast is: het verzoek hoeft immers niet ingeleid te worden door eerst op de uiterste noodzaak van de inwilliging e.d. in te gaan. Van Beverwijck draait in zijn brief inderdaad niet om het verzoek heen met nederigheid en redeneringen die het belang van de ‘gunst’ onderstrepen, hoewel hij het verzoek wel in enige complimenten verpakt. Het verzoek van Van Beverwijck is overigens inderdaad niet geheel te zien als het vragen om een gunst; hoewel hij haar om haar oplossing voor een kwestie vraagt, moet het evenzeer een compliment geweest zijn aan haar verstand en wijsheid dat haar bijdrage verlangd werd.
Brief Anna Maria van Schurman aan Johan van Beverwyk
De brief van Anna Maria van Schurman aan Johan van Beverwijk is daarmee een antwoord op een verzoekbrief ofwel een brief van discussie. Erasmus geeft voor antwoorden op verzoekbrieven enkel een aantal voorbeelden van Plinius waarmee de schrijver kan aangeven dat hij op het verzoek zal ingaan. De brief lijkt niet onder een van de typen brieven uit Vermeerde Nederduytsche Secretaris ofte Zendtbrief schryver van Mostaert te vallen, wellicht doordat dergelijke correspondenties doorgaans niet door een secretaris hoeft te worden onderhouden.
Over het beantwoorden van brieven schrijft Mostaert dat wanneer iemand een brief ontvangt die getuigt van beleefdheid, vriendschap of eerbiediging, het belangrijk is hier gepast op te antwoorden. Men moet letten op gemoed en woordgebruik. Degene die op een verzoek antwoordt mag volgens Mostaert, indien hij met daden voldoet, weinig woorden gebruiken. In het geval van deze brief bestaat de daad echter uit woorden.
Zoals Erasmus het graag zag geeft Anna Maria van Schurman aan de hand van vele citaten antwoord op de vraag van Johan van Beverwijck. Zij haalt hierbij met name klassieke schrijvers en de bijbelse geschriften aan. Volgens Erasmus moet een voorbeeld aan de hand van een citaat altijd onderstreept worden met de goede en waarachtige kwaliteiten van de geciteerde. In sommige gevallen doet Anna Maria dit (‘‘t Leger van den oppersten der Philozophen’, ‘de uitnemende Godsgeleerden D. Rivet, en D. Westerburg zalr.’), in andere gevallen niet, met name als het gaat om schrijvers wiens authoriteit waarschijnlijk al algemeen erkend is, zoals Cicero en Thomas van Acquino.
Tweede brief Johan van Beverwyk aan Anna Maria van Schurman
De tweede brief van Johan van Beverwyk is uiteraard een bedankbrief voor haar antwoord, maar heeft meer weg van een complimentbrief.

Volgens zowel Erasmus als Mostaert hoort de schrijver van een bedankbrief zich tot wederdienst bereid te tonen; hij behoort te kennen te geven dat hij zijn dankbaarheid niet alleen met woorden, maar juist met daden zou willen uiten. Van Beverwijck gaat hier niet op in, maar wellicht dat de situatie zich hier niet goed voor aandient. Doordat Van Beverwijck zich nederig opstelt ten opzichte van Anna Maria’s verstand, kennis en wijsheid, kan hij moeilijk van een wederdienst van dezelfde aard getuigen. Daarnaast had het verzoek, zoals gezegd, waarschijnlijk niet de aard van een gunst. Van zijn algemene gedienstigheid getuigt hij echter ook niet. Belangrijk is volgens Mostaert ook het bedanken met aardige, gepaste en beleefde woorden en het geven van complimenten, wat Van Beverwijck rijkelijk doet. Naast complimenten betreffende haar verstand, deugden, wijsheid en zuivere Latijn, vergelijkt hij Anna Maria met Romeinse vrouwen en haalt hij een lofdicht van Jacob Cats aan. In zijn hoofdstuk over complimentbrieven schrijft Mostaert dat deze schoon, versierd en lieflijk geschreven moeten zijn. De schrijver moet uitkijken dat ze niet alleen uit vleierij bestaan of al te poëtisch en gemaakt overkomen. Van Beverwijck insinueert zelf al dat Anna Maria niet gediend zal zijn van onterechte of overdadige loftuigingen (‘weetende dat Uw Ed. niet en acht, dan dat het geene, het welk pryzenswaardig is, ende echter het pryzen veracht’), hoewel hij naar mijn idee vrij gul is geweest met zijn complimenten.


Brief Anna Maria van Schurman aan Samuel Rachelius
De brief van Anna Maria van Schurman aan Samuel Rachelius zou volgens Erasmus opnieuw een brief van discussie zijn, gezien de brief een antwoord is op een verzoek tot uitwisseling van ideeën. Deels lijkt de brief een persuasieve brief, gezien Anna Maria van Schuurman Samuel Rachelius wil overtuigen van de waarheid van haar (en de labadistische) ideeën. Echter probeert ze hem niet expliciet te bekeren, maar onderbouwt ze haar gedachtegoed aan de hand van bijbelse citaten. Ook deze brief lijkt niet te classificeren onder een van de types brieven die Mostaert in zijn Zendtbrief schryver noemt.
In tegenstelling tot de hiervoor genoemde brieven bevat deze brief geen enkele verwijzing naar een klassieke auteur of mythisch verhaal, fenomeen of personage. Ook kerkvaders en theologen worden niet geciteerd of genoemd. De citaten die zij geeft zijn afkomstig uit de bijbel, met name uit de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen waarin zijn gedachten over het geloofsleven van een christen uiteengezet worden. Na haar bekering tot het labadisme had Anna Maria van Schurman immers de wetenschappelijke kringen verlaten en hanteerde zij alleen nog de bijbel als bron van waarheid.



  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina