Inhoud voorstelling, betekenis, boodschap



Dovnload 124.09 Kb.
Datum18.08.2016
Grootte124.09 Kb.

MUZIEK analyseschema

INHOUD

Voorstelling, betekenis, boodschap

Bedoelde betekenis van de kunstenaar (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <>

betekenisgeving/interpretaties door de beschouwer














Voorstelling

A Waar gaat het muziekstuk over?

A

bewegings-interpretatie

Grote beweging <> kleine beweging

Actieve beweging <> passieve beweging

Spanning <> ontspanning


a1

sfeer

Bijvoorbeeld: groots

ernstig krachtig

treurig energiek

somber bruisend

gevoelig vrolijk

teder speels

ingetogen


a2

titel/programma

Welke titel en aanwijzingen staan bij het muziekstuk?

a3

Relaties

met woord/beeld

Inhoud, sfeer en bedoelding van liedtekst/(film)beelden/dans

Muziek kan bevestigen, tegenspreken, neutraal zijn, vooruitlopen



a4

associaties

Met buitenmuzikale gegevens: bijv. mensen, dieren, dingen, situaties, natuur, kleuren

a5

Boodschap

B Wat wil de componist/muzikant met het muziekstuk vertellen?

Symboliek, visie, de idee, intentie van de kunstenaar



B

Abstrahering

C In hoeverre suggereert het muziekstuk de werkelijkheid?

C




Is er een onderwerp en/of een verhaal? JA à verhalend, NEE à absolute muziek

Realistische geluiden / klanknabootsing / uitbeelding (muzikale schets) / sfeer



c1




VORM

Het waarneembare




Middelen

D Waarmee is het muziekstuk gemaakt?

klank <> stilte



D

tempo

Langzaam <> snel

d1

toonduur

ritme

maatsoort

Lang <> kort

Stuwend <> slepend

Rustig <> druk

Maatslagverdeling in tweeën of drieën (Eenne tweeje <> Eennete tweejete)

2- of 3-delige maatsoort

Regelmatig <> onregelmatig



d2

toonhoogte (melodie)

Hoog <> laag

Groot bereik <> klein bereik

Stijgend <> dalend

Stapsgewijs <> sprongsgewijs

Samenklank, akkoord (spanning <> ontspanning)


d3

klanksterkte

Zacht <> sterk, accenten

d4

klankkleur

Instrument, speelwijze, ensemble

Helder <> donker,

Dik (dicht) <> dun (open)


d5

theatrale middelen

Locatie: aankleding, decor, belichting, kleding, geprojecteerd beeld (video, film)

Dans, drama en/of presentatie door de muzikanten en andere performers



d6

Samenhang

E Compositie: Hoe zijn de muzikale middelen geordend? (in tijd en ruimte)

E

verloop

Verloop in de tijd: met motief, herhaling, variatie, contrast, ontwikkeling à muzikale vormen

Couplet, refrein, intro, naspel, solo, tussenspel, bridge



e1

samenstelling

Éénstemmig/meerstemmig/samenklank-akkoord/instrumentatie

Melodie (hoofdstem, tegenstem)

Akkoordbegeleiding

Bas (laagste stem)

Ritmesectie (slagwerk)


e2




FUNCTIE

F Met welk doel wordt het kunstwerk gebracht?

Wat wil de maker (of opdrachtgever) of de beschouwer ermee bereiken?

Bedoelde functie van de maker (opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <> functiegeving door de beschouwer.


F













Levensbeschouwelijk Religieus, ritueel, viering

Esthetisch (anti-)Schoonheid, inleving, herkenning, vervreemding, confrontatie

Politiek Status, huldiging, protest, bewustwording

Economisch Werk, reclame

Educatief Opvoeding, therapie, zelfreflectie, voorlichting, informatief

Vermaak Amusement, decoratie, expressie, verpozing



f1



MUZIEK

toelichting bij het analyseschema









INHOUD

Voorstelling, betekenis, boodschap







Bedoelde betekenis van de kunstenaar (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <>

betekenisgeving/interpretaties door de beschouwer







Voorstelling

Waar gaat het over?

A

Muziek is een abstracte kunst. Als zodanig is muziek een spel van klank en beweging. Dit geldt met name voor

de puur instrumentale muziek. Het grootste deel van muziek bestaat echter uit vocale en vocaal/instrumentale werken. Op deze manier is er een betekenisvol verband gegroeid tussen muziek en woord/tekst. Onder andere door de relatie muziek + woord heeft muziek door de eeuwen heen betekenissen gekregen. De meesten van ons zijn opgegroeid met de muzikale conventies van de westerse muziek. Deze conventies worden bij kinderen onbewust ingeslepen door kinderliedjes, muziek bij tv-programma's, reclameboodschappen, tv-films en de situaties waarin wij muziek ondergaan (functies) zoals kerk, winkel, bioscoop, feesten. De muziek wordt gekoppeld aan bepaalde eigenschappen, situaties, menselijke gedragingen en vooral emoties (spanning, romantiek, agressie etc.). Daardoor ontstaan er naast vele individuele associaties, koppelingen tussen functies en betekenissen van muziek.





bewegings-interpretatie

Grote beweging <> kleine beweging

Actieve beweging <> passieve beweging

Spanning <> ontspanning


a1

Muziek en beweging liggen dicht bij elkaar. Wat muziek met klankeigenschappen te vertellen heeft kun je koppelen aan beweging met grote of kleine bewegingen, actief (druk) of passief (rustig). Daarbij is er in je spieren een voortdurende afwisseling van spanning en ontspanning.

N.B. Een dirigent geeft met bewegingen aan hoe hij zijn orkest wil laten spelen. Daarbij gebruikt hij ook deze bewegingsmanieren.





sfeer

Bijvoorbeeld: groots

ernstig krachtig

treurig energiek

somber bruisend

gevoelig vrolijk

teder speels

ingetogen


a2

Op deze sfeercirkel staan twaalf woorden waarmee je de sfeer van muziek kunt beschrijven. Het zouden veel

meer of ook andere woorden kunnen zijn. Ze staan niet willekeurig in de cirkel. Woorden tegenover elkaar zijn elkaars tegenovergestelde. Als je de cirkel rond gaat zijn de verschillen steeds klein. Door muziekwetenschappers zijn er relaties vastgesteld tussen de klankeigenschappen van muziek, de bewegingsinterpretatie en de sfeer

zoals de meeste mensen die zullen ervaren.



Een componist kan bij de bladmuziek aanwijzingen zetten hoe de muziek uitgevoerd moet worden. In de klassieke muziek wordt daarvoor gebruik gemaakt van Italiaanse termen, bijvoorbeeld: Allegro = levendig, snel; grave = ernstig; adagio = behoedzaam, gemakkelijk. Deze termen wijzen al op een samengestelde betekenis: beweging + tempo + sfeer.



titel/programma

Welke titel en aanwijzingen staan bij het muziekstuk?

a3

Componisten kunnen aan muziekstukken een titel geven die iets zegt over de inhoud van het muziekstuk. Hierdoor kan de betekenisgeving van de luisteraar worden gestuurd.

Voorbeeld

Een voorbeeld van titels vindt je in ‘De schilderijententoonstelling’, een serie muziekstukken die schilderijen uitbeelden. Deze stukken hebben titels als: ‘De Ossenwagen’ of ‘De Markt van Limoges’ enzovoorts. Ook kunnen er sfeerwoorden bij een muziekstuk staan: bijvoorbeeld dromerig of kwaad.

Een speciaal soort muziek is de zogenaamde ‘programmamuziek’. Hierbij heeft de componist een duidelijk idee wat er wordt uitgebeeld. Twee bekende voorbeelden zijn ‘Peter en de wolf’ (een sprookje) en de ‘Moldau’ (een rivier).

Een titel als ‘Sonate voor piano en viool’ zegt alleen iets over de bezetting en de structuur van het stuk.



relaties

met woord/beeld

Inhoud, sfeer en bedoelding van liedtekst/(film)beelden/dans

Muziek kan bevestigen, tegenspreken, neutraal zijn, vooruitlopen



a4

Muziek kan een extra dimensie geven aan een (lied)tekst of aan (film)beelden. De betekenis van de tekst, het (film)beeld, de dans of het toneelbeeld wordt door gebruik van muziek versterkt en van een extra emotionele lading voorzien. Muziek kan de inhoud van de tekst of het beeld bevestigen, tegenspreken, erop vooruitlopen of neutraal zijn.



associaties

Met buitenmuzikale gegevens: mensen, dieren, dingen, situaties, natuur, kleuren.

a5

Het bewust gebruik van klankeigenschappen door de componist kan bij het beluisteren van een muziekstuk een associatie oproepen: de luisteraar legt – bewust of onbewust - een verbinding tussen de muziek en een gebeurtenis of een bepaalde voorstelling die buiten de muziek ligt. Soms proberen componisten deze beelden bewust op te roepen en helpen ze de luisteraar door een titel boven het muziekstuk te schrijven. Vaak vult de luisteraar met associaties en fantasieën zelf deze stemmingsbeelden in. Sfeer en bewegingsinterpretaties

ontstaan door het toepassen van de muzikale middelen.



Voorbeeld

Muzikale middelen

Tijd + ruimte associaties




Toonhoogte, melodie, samenklank

Ruimtelijkheid, hoog – laag, boven – onder,




Sterk – zacht

Naderen – verwijderen, veraf – dichtbij




Klankkleur

Groot – klein, glans – dofheid, helder – donker, vervagen, doorzichtig




Toonduur, tempo

Lang – kort, snel – langzaam, passiviteit – activiteit


Boodschap

Wat wil de componist/muzikant met het muziekstuk te vertellen?

Symboliek, visie, de idee, intentie van de kunstenaar



B

Muziek wordt in de eerste plaats gemaakt puur om het plezier van de muziek zelf (binnenmuzikaal doel, autonome muziek, puur esthetische functie). Daarnaast kan de componist met een muziekstuk ook een (buitenmuzikale) bedoeling hebben. Dan wil hij door middel van muziek een boodschap overbrengen.

Deze boodschap hangt samen met de bedoelde functie die de muziek (bijv. eren, protesteren).



Voorbeeld

Een muziekstuk over de oorlog bijvoorbeeld kan de heroïek van de oorlog laten horen, de triomf, maar ook de ellende van de slachtoffers en verdrukten. Hierdoor kan de componist zijn visie laten door klinken.


Abstrahering

In hoeverre suggereert het muziekstuk de werkelijkheid?

C







Is er een onderwerp en/of een verhaal? JA à verhalend, NEE à absolute muziek

Realistische geluiden, klanknabootsing, uitbeelding (muzikale schets), sfeer



c1

In een muziekstuk kunnen realistische geluiden worden verwerkt, bijvoorbeeld een opname van vogels. Ook kunnen op instrumenten realistische geluiden/klanken worden nagebootst. In deze gevallen staat het

muziekstuk dicht bij de klinkende werkelijkheid. Als je bij de muziek een verhaal kunt volgen door uitbeelding

of een muzikale schets, dan is het verhalende muziek. Muziek die niet verwijst naar iets buiten-muzikaals heet absolute muziek. De meeste muziekstukken bevinden zich tussen deze twee uitersten.


VORM

Het waarneembare







Middelen

Waarmee is het muziekstuk gemaakt?

Klank <> stilte



D

Muziek kun je horen, niet zien. Alles wat je kunt horen bestaat uit klanken. Deze klanken kunnen de volgende eigenschappen hebben:

lang of kort

hoog of laag

hard of zacht

klankkleur (welk instrument/geluid)

de klanken kunnen snel of langzaam op elkaar volgen.

Muziek heeft tijd nodig om te klinken. Nadat het geklonken heeft is het weg.

Ook het gebruik van stilte in afwisseling met klank speelt een belangrijke rol in een muziekstuk.





tempo

Langzaam <> snel

d1

Je kan (korte of lange) klanken snel of langzaam na elkaar spelen. Die snelle of langzame opeenvolging in de

tijd noem je tempo.

Muziekstukken kun je verdelen in maten. Deze maten duren twee, drie vier of meer tellen. Deze tellen zijn de regelmatige beat (maatslag, polsslag) van het muziekstuk. Tempo is de snelheid waarmee de tellen van de maat elkaar opvolgen. Een apparaat om een tempo vast te stellen is de metronoom. Die kan van 40 (langzaam tempo) tot 208 (zeer snel) tikken (tellen) per minuut laten horen. In het Engels gebruik je de term Bpm (beats per minute). We onderscheiden drie categorieën: langzaam, gaande, snel. Bij popmuziek worden de termen slow, medium en fast gebruikt. De klassieke muziek gebruikt Italiaanse termen om het tempo aan te geven.

Deze termen vertellen vaak ook iets over de gewenste sfeer/karakter van de muziek.



Voorbeeld

Grave = ernstig zwaar; andante = gaande; vivace = levendig, snel. Zie ook muziek a2; sfeer.



toonduur

ritme


maatsoort

Lang <> kort

Stuwend <> slepend

Rustig <> druk

Maatslagverdeling in tweeën of drieën ( Eenne tweeje <> Eennete tweejete)

Twee- of driedelige maatsoort

Regelmatig <> onregelmatig



d2

Klanken kunnen lang of kort duren. De afwisseling tussen lange en korte klanken noemen we ritme. Als je een liedje klapt, dan klap je het ritme van dat lied.

Voorbeeld

De eerste zin van `Lang zal ze leven´:

Veel korte klanken na elkaar geven een stuwend ritme. Veel lange klanken achter elkaar een slepend ritme. Als de verdeling tussen lange en korte klanken gelijkmatig is en niet te vaak wisselt, dan krijg je een rustig ritme. Als die verdeling onregelmatig is en wel vaak wisselt dan krijg je een druk ritme.

In de meeste muziekstukken lopen verschillende ritmes door elkaar: bijvoorbeeld het ritme van de melodie en de ritmes van de begeleidende instrumenten.
Maatsoort

De meeste muziekstukken kun je verdelen in maten. Deze maten duren twee, drie, vier of meer tellen. Dit noemen we maatsoort. In elke maat komen één of meer tellen voor die een accent krijgen (iets harder gespeeld worden). In een tweedelige maatsoort komt er een accent om de twee tellen, in een driedelige maatsoort om de drie tellen. Als de afstanden tussen de accenten op gelijke afstand van elkaar liggen dan is dat een regelmatige maatsoort (zie vorige twee voorbeelden). Is dat niet het geval dan spreken we van een onregelmatige maatsoort.




De beat (de maatslag, de regelmatige slag in het muziekstuk) kan worden onderverdeeld in tweeën of in drieën.








Bij een syncope wordt het maataccent verschoven.










toonhoogte

melodie


Hoog <> laag

Groot bereik <> klein bereik

Stijgend <> dalend

Stapsgewijs <> sprongsgewijs

Samenklank, akkoord (spanning <> ontspanning)


d3







Klanken kunnen hoog of laag zijn.

Klanken die van laag naar hoger gaan zijn stijgend, van hoog naar lager, dalend.

De afstanden tussen opeenvolgende tonen kunnen klein zijn bijvoorbeeld C-D of E-F (stapsgewijs) of groot bijvoorbeeld C-E, D-G, E-B (sprongsgewijs).

Als de afstand tussen de laagste en de hoogste toon van een melodie groot is dan spreek je van een groot bereik. Als die afstand klein is spreek je van een klein bereik.


toonladder

De tonen van een melodie komen uit een toonladder. De C-D-E ladder is de meest bekende

in de westerse muziek. In deze toonladder heb je twee kleine (E-F en B-C) en vijf dubbele afstanden (C-D, D-E...) tussen de tonen. De tonen krijgen daardoor een herkenbare plaats in die ladder en hebben elk een eigen functie; bijvoorbeeld rustpunt of spanning oproepend.

Er zijn ook toonladders waarbij de kleine afstanden op een andere plaats zitten waardoor

het karakter van die ladder anders is.



samenklank

Tegelijk klinkende tonen kunnen ook spanning of ontspanning oproepen.

Dicht tegen elkaar liggende tonen (bijv. C-D of D-E of E-F of C-B) roepen spanning op. (dissonante samenklank)

Samenklanken van tonen die niet dicht tegen elkaar liggen (bijv. C-E, D-F, C-E-G), klinken meer ontspannen (consonante samenklank).



Akkoorden zijn samenklanken van 3 of meer tonen. Met akkoorden kun je bijvoorbeeld een melodie begeleiden.
spanningsverloop

Door het gebruik van tonen uit een toonladder en het begeleiden met samenklanken en akkoorden krijgt een melodie een voortdurende afwisseling van spanning en ontspanning.





klanksterkte

Zacht <> sterk

Accenten


d4

Klanken kunnen sterk of zacht gespeeld worden. Klanken kunnen ook gaandeweg sterker of zachter worden. Sommige klanken kunnen sterk worden gespeeld (krijgen een accent) en andere weer gewoon of zacht. We noemen dit gebruik van sterk of zacht dynamiek. Om in een genoteerd muziekstuk aan te geven hoe sterk of hoe zacht iets moet worden gespeeld, zijn er verschillende dynamische tekens en termen.

Voorbeeld

De Italiaanse termen in de klassieke muziek zijn forte (sterk) en piano (zacht).



klankkleur

Instrument, speelwijze, ensemble

Helder <> donker,

Dik (dicht) <> dun (open)


d5

Klankkleur is het eigen karakter van een geluid. Elk instrument heeft een eigen klankkleur.

Een combinatie van een aantal instrumenten geeft weer een nieuwe klankkleur. Ook de speelwijze (bijvoorbeeld strijken of tokkelen van een snaar, een gitaar bespelen met de vingers of een plectrum, vervormers bij een elektrische gitaar) beïnvloedt de klankkleur. Je kan klankkleur omschrijven met sfeerwoorden of met


bijvoorbeeld de woorden helder, donker, licht, zwaar, dik, dun, open of dicht. De instrumenten zijn ingedeeld in groepen van instrumenten die veel op elkaar lijken. We geven bij elke groep één of meerdere voorbeelden.

Snaar-instrumenten

Gestreken

Viool




Getokkeld

Harp, gitaar




Aangeslagen

Piano

Blaas-instrumenten

Hout

Dwarsfluit, klarinet




Koperblazers

Trompet,

Slag-instrumenten

Hout

Woodblock, xylofoon




Metaal

Bekkens, klokkenspel




Vel

Trommels, pauken,

Menselijke

Vrouwen

Sopraan, alt

Stem

Mannen

Tenor, bas

Elektrische en

Toets

Synthesizer, keyboard

Elektronische

Snaar

Elektrische gitaar, basgitaar

Instrumenten

Blaas

Midi-saxofoon


Enkele vaste ensembles

Symfonieorkest

Strijkers, blazers, slagwerk

Harmonie-orkest

Houtblazers, koperblazers, slagwerk

Fanfare

Koperblazers, saxofoon. Slagwerk

Big band (jazz)

Melodiesectie: trompetten, trombones, klarinetten, saxofoons,

Ritmesectie : piano, gitaar, contrabas, slagwerk



Popgroep

Melodie akkoorden bas ritme

Zanger, sologitaar slaggitaar basgitaar drumstel

Aanvullingen:

• strijkers (strings)

• blazers

• achtergrondkoor (backing vocals)

• synthesizer, piano




theatrale middelen

Locatie

Aankleding: decor, belichting, kleding, geprojecteerd beeld (video, film)

Dans & drama & presentatie door de muzikanten en andere performers


d6

Theatrale middelen spelen een grote rol bij de beleving en betekenisgeving van muziek. Waar wordt de muziek uitgevoerd? In een concertzaal, kroeg of een groot stadion? Hoe is de vormgeving van het podium, hoe zien de muzikanten eruit? Maken de muzikanten of andere performers danspassen, wordt er gedanst, worden de nummers aangekondigd of ‘aangekleed’ met kleine acts?



Samenhang

Compositie: hoe zijn de muzikale middelen geordend? (in tijd en ruimte/samenstelling)

E




verloop

verloop in de tijd: motief, herhaling, variatie, contrast, ontwikkeling

couplet, refrein, intro, naspel, solo, tussenspel, bridge



e1

Veel muziek is opgebouwd uit kleinere onderdelen: motieven. Een motief is een stukje muziek van een paar tonen. Een motief dat een klein melodietje is, noemen we een melodisch motief. Is het motief een klein ritme, dan noem je het een ritmisch motief. Een motief kun je herhalen op dezelfde toonhoogte (‘Vader Jacob, Vader Jacob’) of een andere toonhoogte (´Slaapt gij nog’). Je kan het variëren door toonhoogte of ritme te veranderen (‘Alle
klokken luiden´). Je kunt het motief langer of korter maken. Je kunt ook een motief maken dat sterk tegengesteld is aan het oorspronkelijke motief. Dat noem je een contrast. Het ene motief kan uitgangspunt zijn voor weer een nieuw motief: ontwikkeling.

Voorbeeld:

Lang zal

ie leren




Afhankelijk van de volgorde van de verschillende grotere onderdelen in een muziekstuk die hetzelfde of anders zijn, ontstaat een bepaalde vorm. De grotere onderdelen in een (pop)lied zijn:



Intro

(meestal instrumentale) Inleiding

Couplet

In de coupletten wordt het verhaaltje van het lied verteld

Refrein

Steeds dezelfde tekst. In het refrein wordt de boodschap of het gevoel verwoord en verklankt

Tussenspel

Kort instrumentaal tussenstuk

Solo

Lang instrumentaal tussenstuk met solo- instrument

Bridge

Overgang

Naspel

Eind van het lied


samenstelling

éénstemmig/meerstemmig/samenklank-akkoord/instrumentatie

melodie (hoofdstem, tegenstem)

akkoordbegeleiding

bas (laagste stem)

ritmesectie (slagwerk)


e2

Eénstemmig: een muziekstuk bestaat enkel uit één melodie. Een tegenstem is een zelfstandige tegenmelodie

tegen de hoofdmelodie. Je krijgt dan samenklanken (tegelijk klinkende tonen) en het muziekstuk is dan meerstemmig. Als alle verschillende stemmen een eigen zelfstandige melodie vormen, noemen wij deze vorm van meerstemmigheid polyfonie. Ook kun je een melodie laten begeleiden door akkoorden (meerdere tonen

gelijktijdig gespeeld die bij de melodie passen). Deze vorm van meerstemmigheid waarbij de begeleidende stemmen niet een zelfstandige melodie vormen wordt homofonie genoemd.

Als basis van die (akkoord)begeleiding kan er een bas meespelen (instrument dat lage tonen kan spelen, bijvoorbeeld een basgitaar of contrabas). Verder kan een begeleiding ook bestaan uit ritmes gespeeld door bijvoorbeeld een drumstel of andere slaginstrumenten. Zo ontstaat een muziekstuk dat uit meerdere lagen

bestaat (melodie, tegenstem, akkoorden, baspartij en slagwerk). Instrumentatie is de bezetting (welke instrumenten) van het muziekstuk.


FUNCTIE

Met welk doel wordt het kunstwerk gebracht?

F




Wat wil de maker (of opdrachtgever) of de beschouwer ermee bereiken?

Bedoelde functie van de maker (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats



<> functiegeving door de beschouwer.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina