Inhoud voorstelling, betekenis, boodschap



Dovnload 95.44 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte95.44 Kb.

FILM analyseschema

INHOUD

Voorstelling, betekenis, boodschap

Bedoelde betekenis van de kunstenaar (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <>

betekenisgeving/interpretaties door de beschouwer














Voorstelling

A Waar gaat de film over?

Voorstelling, verhaal, onderwerp, thema, sfeer, de film zelf, titel



A

onderwerp, thema, titel

Wat wordt er verteld? Wat is het onderwerp? Waar gaat het over?

Voorstelling, verhaal, onderwerp, thema, emotie, sfeer, titel



a1

ontwikkeling

Welke situaties en gebeurtenissen spelen zich af?

Waar gebeurt het? Wanneer?

Welke personages spelen er in mee?

Wat gebeurt er met die personages?

Wat doen die personages? Waarom?


a2

sfeer, spanning

Wat is de sfeer? Wisselt die?

Is er spanning, een conflict, een hoogtepunt?



a3

Boodschap

B Wat heeft de regisseur met de film te vertellen?

Boodschap, visie



B

basismateriaal

Waar zijn de filmmakers van uitgegaan: een toneeltekst (welke, van wie, van wanneer?)
Een eigen thema, eigen ervaringen of verhalen, beelden, een locatie?

b1

interpretatie

Vanuit welke opvatting of interpretatie hebben de filmmakers of de regisseur gewerkt?

b2

Abstrahering

C In hoeverre suggereert de film de werkelijkheid?

C

manier van spelen

Wordt er natuurlijk, gestileerd of op een andere manier gespeeld?

c1

soort film

Genres: Docudrama, animatiefilm, speelfilm, tv-film, clips

Thriller, komedie, western, avonturen, drama, science fiction, parodie



c2



VORM

Het waarneembare




Middelen

D Waarmee is de film gemaakt binnen de kadrering?

D

acteurs

Houding, mimiek, beweging, gebaar

Stemgebruik

Kostuum, grime


d1

spel

Karaktertrekken, motieven, emoties, handelingen

Acties en interacties



d2

verhaalelementen

Ontwikkeling van de acteur, ontwikkeling van de omstandigheden

Instelling, scènes, actie, shot

Teksten, beelden & geluiden, montage

Geluiden: vooraf <> synchroon <> achteraf

Verhaallijn: lineair, cirkelend, spiralend

Ingrepen in de tijd: fragmenten, gelijktijdigheid, tijdsprongen, flashback, flash forward

Vertelperspectief: kennisvoorsprong of achterstand


d3

kader

Locatie, speelvlak

Decor, rekwisieten, licht, kleur

Geluid/klank/muziek: ondersteunend <> tegengesteld

Indeling van het speelvlak, verplaatsingen van de acteurs, verplaatsing van het kader



d4

camera, fotografie

Standpunt: kikker-, ooghoogte-, vogelperspectief

Kader: close-up, medium, totaal: rijder, zoomen, scherpstelling

Camerabeweging: horizontaal, verticaal

Subjectieve camera <> objectieve camera

Trucage, special effects


d5

Samenhang

E Hoe zijn de middelen geordend (in tijd en ruimte)?

E

regieconcept

De ideeën en uitgangspunten van de regisseur en/of producent.

e1

vormgeving

Het gebruik van de middelen door de vormgevers: producent, scenarioschrijver, regisseur, cameraman, acteur, art-direction (decor-, kostuum-, licht-, geluid/muziek), editor.

e2

enscenering

De wijze waarop de middelen zijn samengevoegd tot instellingen, scènes en acties.

e3

montage

De wijze waarop beelden en geluiden volgens het scenario zijn gerangschikt tot de film/rolprent

e4




FUNCTIE

F Met welk doel wordt de dramavoorstelling gebracht?

Wat wil de maker (of opdrachtgever) of de beschouwer ermee bereiken?

Bedoelde functie van de maker (opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <> functiegeving door de beschouwer.


F













Levensbeschouwelijk Religieus, ritueel, viering

Esthetisch (anti-)Schoonheid, inleving, herkenning, vervreemding, confrontatie

Politiek Status, huldiging, protest, bewustwording

Economisch Werk, reclame

Educatief Opvoeding, therapie, zelfreflectie, voorlichting, informatief

Vermaak Amusement, decoratie, expressie, verpozing









FILM

toelichting bij het analyseschema









INHOUD

Voorstelling, boodschap







Bedoelde betekenis van de kunstenaar (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <>

betekenisgeving/interpretaties door de beschouwer







Voorstelling

Waar gaat de film over?

Voorstelling, verhaal, onderwerp, thema, sfeer, het kunstwerk zelf, titel



A

Film is een projectie van lichtbeelden (van mensen, vormen en kleuren) op een scherm in een verduisterde zaal.

In tegenstelling tot de bioscoop werkt de televisie met licht van binnenuit. De lichtbeelden worden ondersteund door geluids- en muzieklagen, gesproken woord door acteurs en/of commentaarstem. De met licht geschreven afbeeldingen zijn te zien in een vaste rand: het kader. Toeschouwers zien op het witte doek alleen wat door de camera is opgenomen. Meestal is er sprake van een verhalende vorm. De verhalen worden uitgespeeld door acteurs, niet voor publiek. Acteurs kunnen ook objecten of tekeningen zijn. Camerabewegingen vertellen dwingend het verhaal mee.

Film is herhaalbaar.



onderwerp, thema, titel

Wat wordt er verteld? Wat is het onderwerp? Waar gaat het over?

Voorstelling, verhaal, onderwerp, thema, emotie, sfeer, titel



a1

Meestal is er een doorlopend verhaal. In situaties maken personages iets mee, er ontwikkelt zich van alles. Onderwerpen zijn zeer divers en uit de maatschappij of uit de verbeelding afkomstig. Er kan sprake zijn van thema’s of fragmenten van verhalen. Film ziet er realistisch uit en lijkt deel te zijn van een nieuwe

werkelijkheid. Emoties en sferen worden gestuurd door decors, camera en geluid. Vrijwel elke filmvoorstelling heeft een titel, en soms ook een ondertitel, waarmee de makers zelf aangeven waar de film over gaat. Titels zijn bewust vormgegeven en dienen vaak als sfeerbepaler.





ontwikkeling

Welke situaties en gebeurtenissen spelen zich af?

Waar gebeurt het? Wanneer?

Welke personages spelen er in mee?

Wat gebeurt er met die personages?

Wat doen die personages? Waarom?


a2

Er is altijd iets te zien en te horen. Verschillende personen willen verscheidene zaken bewerkstelligen. De camera registreert de gebeurtenissen, maar kan ook een persoon zijn die een rol speelt. Situaties en acties zijn op de meest uiteenlopende plaatsen waarneembaar. Ze spelen in het verleden, heden of toekomst. Dat kan ook door elkaar heen. De plek van opname (filmset) is van het grootste belang. Soms zijn dingen niet zichtbaar, maar worden ze gesuggereerd door kijkrichting, montage en sturende muziek. Karakters worden gespeeld door acteurs. Film is erg handelingsgericht, de dialogen klinken ‘normaal’, maar zijn bij nadere analyse vaak erg kunstmatig.

Verhalen zijn verbonden met de culturen waarin mensen leven. Sommige films zul je niet of slechts gedeeltelijk begrijpen omdat je de culturele codes niet kent.





sfeer, spanning

Wat is de sfeer? Wisselt die?

Is er spanning, een conflict, een hoogtepunt?



a3

De titel zet de toon. Wat je ziet krijgt langzaam betekenis. De film probeert bepaalde effecten (ontroering, beklemming, lachen) te bereiken door steeds weer opnieuw spanning op te bouwen en te ontspannen. Welk

effect bereikt wordt hangt af van: spelers, beweging, kleur, omgeving, klank, tekst en kaders, standpunten van de camera. Al deze elementen verschillen afhankelijk van het genre film: humor, oorlog, science fiction, avonturen, teken/animatiefilm. Verschillende situaties en personen daarin raken in conflict, dit leidt tot spanningen. De ontwikkelingen gaan naar een hoogtepunt en er volgt een ontknoping.



Boodschap

Wat heeft de regisseur met de film te vertellen?

Boodschap, visie



B




basismateriaal

Waar zijn de filmmakers van uitgegaan: een toneeltekst (welke, van wie, van wanneer?) een eigen thema, eigen ervaringen of verhalen, beelden, een locatie?

b1

Film maken is erg kostbaar. Vaak gebeurt dit naar verhalen die al eerder succesvol waren zoals een boek, toneelstuk of een eerdere filmversie (een remake). De verhalen worden bewerkt tot een script.

Soms wordt gewerkt op basis van improvisaties of uitgegaan van locaties, omstandigheden, stripverhalen, beelden, vertellingen. Regisseurs kunnen ook gebruik maken van de eigen ervaringen, een krantenbericht of een gebeurtenis van vroeger. Er zijn filmers die werken met beeld- en geluidsassociaties, met louter kleuren, vormen en beweging, met klank, de niet bestaande werkelijkheid.





interpretatie

Vanuit welke opvatting of interpretatie hebben de filmmakers of de regisseur gewerkt?

b2

De producent en regisseur maken een film met bepaalde bedoelingen en meningen. Naast geld verdienen, zodat

ze er weer een kunnen maken, gaat het dan vooral over de eigen drijfveren. Die zijn vaak persoonlijk omdat een regisseur met een idee rondloopt. Het kan ook dat ze iets willen maken met bepaalde acteurs of de uitdaging om een bijzondere tekst, een moeilijk geacht boek te willen verfilmen. Filmmakers proberen van tevoren zo nauwkeurig mogelijk te bepalen welk effect ze willen bereiken. De bedoelingen blijken uit het verhaal zelf, interviews, voorbeschouwingen en voorfilmpjes (trailers) en kritieken. Veel films worden voor grote internationale publieksgroepen gemaakt.



Abstrahering

In hoeverre suggereert de film de werkelijkheid?

C




manier van spelen

Wordt er natuurlijk, gestileerd of op een andere manier gespeeld?

c1

Er zijn veel manieren van spelen en door de filmgeschiedenis heen zijn veel speelstijlen te vinden.

Zwijgende filmacteurs speelden met overdreven gebaren en mimiek, in de 50-er jaren. In Hollywood films werden emoties uitvergroot terwijl in de realistische films uit die tijd zo naturel mogelijk werd gespeeld. Levensecht spelen is lastig met zoveel mensen er omheen als: cameraman, geluids- en scriptbewaker. Het spel wordt ook steeds onderbroken (cameraverplaatsingen) zodat rolopbouw lastig is. Mimiek en gebaren kunnen veel ‘kleiner’ worden gehouden dan bij theater. Stemgebruik en theatrale houding worden afgestemd op de mogelijkheid tot nabij opname. Zelfs al wordt de werkelijkheid nagespeeld (bijv. bij docudrama) dan is er bij film toch sprake van een geconstrueerde werkelijkheid.





soort film

Genres: docudrama, animatiefilm, speelfilm, clips

Thriller, komedie, western, avonturen, drama, science fiction, parodie



c2

Diverse filmgenres zijn te zien in de bioscoop en/of als tv-film: thriller, komedie, western, avonturen, drama, science fiction, parodie. Bij genres als de animatiefilm, tekenfilms, poppenfilm, computergrafics met ruimte suggestie kunnen de ‘acteurs’ veel meer dan in de werkelijkheid. Docudrama is gespeelde film die erg dicht bij de werkelijkheid ligt. Alles in het docudrama (acteurs, omgeving, attributen, figuranten) draagt daar aan bij en is in scène gezet. Veel docudrama gaat over gebeurtenissen van vroeger.

Clips maken is een vak apart. Een clip kan een bewegend kunstwerk zijn, een korte vertelling, associërend, wel

of niet gelijklopend met muziek, beweging en tekst. Soms is de clip in chique zwart-wit.

In de filmgeschiedenis zijn diverse filmstromingen te onderscheiden van films met dezelfde stijlelementen, bijvoorbeeld: nouvelle vague, Italiaanse neorealisme, Duits expressionisme, Indiase ‘Bollywoodfilm’, Japanse (karate) vechtfilms. Een stroming is meestal gebonden aan een bepaalde periode of land.





VORM

Het waarneembare







Middelen

Waarmee is de film gemaakt binnen de kadrering?

D




acteurs

Houding, mimiek, beweging, gebaar

Stemgebruik

Kostuum, grime


d1

In films wordt geacteerd. Niet alleen door de acteurs, maar ook door de camera die beweegt en een rand laat

zien: het kader (een liggende rechthoek). In het kader komen spel en techniek samen in een lopend geheel.

De camera kan zelf ook een meespelend en kijkend persoon worden. Film is rijk aan details. Deze details kunnen elk een eigen rol gaan spelen in het verhaal.

Houdingen, gebaren en emoties, hoe klein dan ook, worden enorm vergroot op het scherm. Beweging van de camera, die de acteur volgt en details laat zien, houdt de aandacht vast. Er is nog een andere beweging: die van de opeenvolging van die korte stukjes door montage.

Stemmen worden opgenomen met een microfoon. Klein geluid, iedere stembuiging en zucht, is groot te horen.

De stem is hoog, laag, zacht, helder, snel, ontspannen of tegenstellingen hiervan. Soms komt een stem van buiten de persoon zelf als een innerlijke stem, soms is er een commentaarstem van buitenaf: voice over.



Kostuums zeggen veel over de persoon en de tijd waarin het zich afspeelt. Alle details moeten kloppen want ze zijn soms vergroot te zien. Datzelfde speelt een rol bij de grime, deze wordt dun en natuurlijk opgebracht.



spel

Karaktertrekken, motieven, emoties, handelingen

Acties en interacties



d2

Er is samenhang tussen het kader, camerabeweging, het spel en de omgeving. Meestal gaat het in een film om conflicten tussen de hoofdkarakters onderling of tussen acteur en zijn omgeving (bijv. de acteur in een gevaarlijke stroomversnelling). De karakters zijn vaak wat eenzijdig: goed is erg goed, slecht is erg gemeen. Vriendelijk, neerslachtig, gemeen, heldhaftig, slordig, alles heeft een bedoeling: om het verhaal verder te helpen en de aandacht, de spanning vast te houden.

Bewegen valt op, geweld beweegt heftig en valt des te meer op. Emoties (liefde, kwaadheid, verdriet) houden de aandacht vast, maken nieuwsgierig.

Personages doen steeds dingen. Langzaam komen we achter het waarom van de situatie zowel in wat er gebeurt als in wat de karakters bedoelen. Acties roepen in wisselwerking tegenacties op. Interactie is er ook tussen de personen en de camera. Bij het overbrengen van emoties speelt filmmuziek een belangrijk sturende rol, veel

meer dan bij toneel.





verhaalelementen

Ontwikkeling van de acteur, ontwikkeling van de omstandigheden

Scènes, instelling

Teksten, beelden & geluiden

Geluiden: vooraf <> synchroon <> achteraf

Verhaallijn: lineair, cirkelend, spiralend

Ingrepen in de tijd: fragmenten, gelijktijdigheid, tijdsprongen,


flash back, flash forward

Vertelperspectief: kennisvoorsprong of achterstand



d3

In een film wordt de spanning opgebouwd, situaties en conflicten komen tot een climax.

Acteurs maken dingen mee, ze groeien, worden wijzer. Opnamen verlopen in kleine stukjes. Samenvoegen van

die stukjes, de montage, zorgt voor ontwikkeling en structuur. Het kleinste stukje film heet instelling of shot, samenhangende shots vormen een scène.

De montage bepaalt het geheel. Als, op zichzelf nietszeggende, fragmenten tegen elkaar aan worden gezet, krijgt het geheel betekenis. De montage bepaalt dus mede vorm en inhoud.



Dialogen en geluid kunnen gelijktijdig worden vastgelegd of later apart aan het beeld worden gemonteerd. Daarmee zijn overgangen mogelijk: de kijker is nog hier, maar het geluid geeft al aan dat er iets anders staat te wachten. Het beeld kan ook vooruitlopen op het geluid.
Verhalen zijn geordend: begin, midden, eind. De verhaallijn kan verschillend zijn:

lineair (... en toen ... en toen ..., na elkaar);

cirkelend: een verhaaleinde komt op het beginpunt uit;

alternerend: parallelle verhalen worden afgewisseld;

spiralend: het eind doet denken aan het begin, maar is anders.
Film beweegt in de tijd en kent de mogelijkheid van ingrepen hierin: even later, de volgende dag. Teruggaan in tijd heet flashback, vooruitlopen: flash forward, dezelfde tijd. Met stop motion kan een dag in enkele minuten verlopen en vliegen de wolken langs het zwerk.

Film maakt veel gebruik van kennisvoorsprong en kennisachterstand bij de kijker: de kijker weet al wat de hoofdpersoon nog niet weet of de kijker weet minder. De kijker op het verkeerde been zetten is verrassend en geeft spanning. Voorsprong bij de kijker heet Roodkapje perspectief: zij weet nog niet dat de wolf rondwaart.

Het verhaal moet niet te ingewikkeld zijn, want terugbladeren als in een boek is er niet bij.



kader

Locatie, speelvlak

Decor, rekwisieten, licht, kleur

Geluid/klank/muziek: ondersteunend <> tegengesteld

Indeling van het speelvlak, verplaatsingen van de acteurs, verplaatsing van het kader



d4

Het speelvlak is een steeds veranderende rand: het kader. Hierbinnen zijn de acteurs, al of niet beeldvullend te zien, decors en attributen die verhalen en handelingen ondersteunen. De groottes variëren: van veraf en klein naar nabij en groot.

Waar het licht vandaan komt weten we vaak niet: schijnt de zon? Meestal komt de belichting van één kant.

Met zij- en tegenlicht ziet alles er veel dieper uit. Dit wordt nog geaccentueerd door een bewegend kader.

Veel oude films zijn zwart-wit. Dit wordt nu weer gebruikt voor clips en werkt dan vervreemdend.



Kleur lijkt realistisch, maar is bewust gemanipuleerd om stemmingen aan te geven.
Een film speelt zich niet alleen af in landschappen, maar ook in klankschappen. Alles in film heeft een functie. Achtergrondgeluid, signalen, kreten, blaffen, een bel. Klanken doen ons thuis voelen of juist niet en ze sturen mede het gevoel.

Meestal wordt speciaal filmmuziek geschreven. Die dient ook om het gevoel te sturen, het verhaal mee te vertellen: eng bij spanning, gevoelig bij een liefdesscène, overdonderend bij een waterval. De muziek kan op de gebeurtenissen vooruit lopen (bouwt al de spanning op), gelijklopen met de gebeurtenissen of nog doorlopen na de gebeurtenis. De sfeer van de muziek kan ook tegengesteld zijn aan de gebeurtenissen in beeld. Muziek dient om innerlijke drijfveren en uiterlijke kenmerken te ondersteunen.


Indelingen in speelvlakken zijn niet vaststaand. Het kader kan zich verplaatsen. De acteurs verplaatsen zich over de speelvlakken, maar zijn zich bewust van hoe ze worden opgenomen, met welke lens, daar stemmen ze hun

spel op af. Dat heeft weer effect op de wijze waarop wij die karakters waarnemen en waarderen.





camera

Standpunt: kikker-, ooghoogte-, vogelperspectief

Kader: close-up, medium, totaal: rijder, zoomen, scherpstelling

Camerabeweging: horizontaal, verticaal

Subjectieve camera <> objectieve camera

Trucage


d5

Camera en montage zijn de belangrijkste vormelementen. De camera wordt steeds verplaatst volgens plan.

De camera is hoog bij vogelperspectief, laag bij kikvorsperspectief, vaak ook iets onder ooghoogte om de personages groter te doen lijken. Deze hoogte kan tijdens opname veranderen: met een camera op een hijskraan (craneshot) of een lopende cameraman, een steady-cam.


In een close-up zien we alles van erg nabij. Het medium shot laat wat meer van de omgeving zien. Vaak wil de regisseur nog meer van de omgeving laten zien, b.v. een landschap: een totaal-shot. Bij het door elkaar heen opnemen van close-ups en totaal-shots wordt steeds dezelfde scène geacteerd. Dat verschilt met televisie opnamen waarbij meerdere camera’s hetzelfde opnemen vanuit een andere hoek, met andere lens, deze worden elektronisch geschakeld.

Vergroten en verkleinen in beeld kan door de camera op rails te rijden naar of van spelers: een rijder. Hierbij werkt perspectief verandering mee, voorwerpen verdwijnen uit beeld, naar de handeling toe of er vanaf.



Zoomen is een soort verrekijker effect (vaak bij sport opnamen): iets naar ons toe halen. Bij vergroten is er geen ruimte suggestie.

De lens voegt zaken toe aan het beeld: bij groothoek zien we erg veel van een situatie, bij ‘fish-eye’ zo extreem dat alle lijnen erg gebogen lopen en gezichten vervormd worden.


De camerahoek kan veranderen. Draait deze horizontaal dan is het een pan (panoramische opname), draait deze verticaal dan is het een tilt. Draait de camera niet dan lijkt de camera een objectief waarnemer. Beweegt de camera dan lijkt het alsof we door de ogen van een buitenstaander kijken. Schokkende bewegingen voelen erg subjectief, alsof we zelf meelopen. Altijd verandert het kader mee.
Door technische mogelijkheden zijn bij films veel trucs mogelijk:

Optische trucs (auto rijdt, camera stop, auto weg, camera loopt, auto plotseling weg uit het beeld);

Veraf- dichtbij trucs (pop van een beest doet muil open op de voorgrond, auto rijdt op achtergrond muil in, muil dicht, auto lijkt opgegeten);

Blauw scherm techniek is werken met dubbele beelden;

Fotografische trucs (onder- en overbelichten, etc.).

De laatste jaren wordt er steeds meer gewerkt met computervormgeving.



Veel trucs worden gedaan door stuntteams als stand-in voor de dure acteurs.


Samenhang

Hoe zijn de middelen geordend? (in tijd en ruimte)

E




regieconcept

De ideeën en uitgangspunten van de regisseur en/of producent.

e1

De producent, de grote regelaar, en de regisseur bepalen samen de découpage: de selectie van de acteurs, hoe het verhaal moet verlopen en in welke ruimtes het zich afspeelt. De basis voor een film is een ‘synopsis’: een kort geschreven filmidee. De bewerking tot filmscript volgt in een scenario. Hierbij wordt de film vaak ook getekend in plaatjes: ‘storyboard’. De film wordt helemaal uitgewerkt in het draaiboek. In de montagefase kan er nog ingegrepen worden in verhaallijnen.



vormgeving

Het gebruik van de middelen door de vormgevers: producent, scriptschrijver, regisseur, cameraman, acteur, artdirection (decor-, kostuum-, licht-, geluid/muziek).

e2

Film is een kostbaar product. Alles wordt ingezet naar idee en uitgangspunt van de (producent) en de regisseur: cameralieden, befaamde acteurs, geluidsmensen, ‘art-direction‘, de vormgevers van decors, kostuums en tekst, belichters, stuntmensen, de klank- en muziek mensen, de studio’s en laboratoria.



enscenering

De wijze waarop de middelen zijn samengevoegd tot instellingen en scènes.

e3

Enscenering is de samenvoeging tot een geheel bij de opnamen



montage

De wijze waarop beelden en geluiden volgens het script zijn gerangschikt tot de film.

e4

Uiteindelijk worden de ideeën en meningen van de bedenkers vormgegeven in de montage. Dat lijkt op een puzzel, alle losse stukjes samenvoegen. Hierbij kan nog bekeken worden of overkomt wat de bedoeling is in een proefmontage. In de eindmontage worden de dingen geplaatst zoals de regisseur dat bedoelt: beeld, geluid, muziek, trucs. Deze ‘master’ wordt gekopieerd. Dat hangt samen met het aantal bioscopen waar de film gaat draaien. In anderstalige landen wordt ondertiteling gemaakt of worden de dialogen door kundige ‘hoorspel-acteurs’ ingesproken. In alle gevallen zijn er podia, is er sprake van verspreiding en distributie via doeken in de bioscoop en/of door tv-zenders. Doordat de film vastligt, verandert deze niet meer en is in principe eindeloos herhaalbaar.


FUNCTIE

Met welk doel wordt het kunstwerk gebracht?

F




Wat wil de maker (of opdrachtgever) of de beschouwer ermee bereiken?

Bedoelde functie van de maker (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats



<> functiegeving door de beschouwer.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina