Inhoudelijk kader Drie onderdelen : taal en communicatie taal en cultuur taal als systeem Specifieke eindtermen



Dovnload 187.09 Kb.
Datum14.08.2016
Grootte187.09 Kb.


Onderzoekscompetentie Frans

De onderzoekscompetentie behoort tot de specifieke eindtermen.


De specifieke eindtermen voor MVT zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, specifieke kennis en attitudes waarover een leerling van het secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten en/of als beginnend beroepsbeoefenaar te kunnen fungeren.

De leerlingen kunnen

16 zich oriënteren op een onderzoeksprobleem door gericht informatie te verzamelen, te ordenen en te bewerken;

17 een onderzoeksopdracht voorbereiden, uitvoeren en evalueren over een literair en/of linguïstisch vraagstuk;

18 de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en ze confronteren met andere standpunten.

Uitgangspunten

De decretale specifieke eindtermen moderne talen hebben betrekking op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes waarmee de leerlingen :



  • Taalfenomen verdiepend bestuderen, beschouwen, verwerken en uitdrukken in de verschillende talen waarvoor al een basis is verworven om zo inzicht te verwerven in de taal als systeem, in de relatie taal en cultuur en in de wijze waarop communicatie functioneert;

  • Communiceren over een breed gamma van onderwerpen in de verschillende talen die zij bestuderen met een voldoende rijk en genuanceerd taalgebruik;

  • Talige autonomie verwerven en in staat zijn talige competenties zelfstandig te ontwikkelen.

Inhoudelijk kader

Drie onderdelen : - taal en communicatie

- taal en cultuur

- taal als systeem



Specifieke eindtermen

  1. Taal en communicatie

De leerlingen kunnen :

  1. domeinspecifieke teksten, zoals zakelijke en wetenschappelijke, structureren, verwerken en gepast presenteren in functie van de ontvanger;

  2. vanuit een communicatiemodel reflecteren op talige communicatie en die waar nodig bijsturen;

  3. vergelijken hoe in de eigen cultuur en in andere culturen informatie gebracht wordt bij interpersoonlijke, intergroeps- en massacommunicatie.


  1. Taal en cultuur

De leerlingen kunnen:

  1. stereotypen met betrekking tot eigen en andermans cultuur en cultuuruitingen herkennen en nuanceren;

  2. misverstanden in de interculturele communicatie die ontstaan door taalkundige of culturele verschillen herkennen en rechtzetten;

  3. cultuuruitingen verkennen die specifiek zijn voor de gebieden waar de doeltaal als omgangstaal gebruikt wordt;

  4. cultuur verkennen door middel van visuele taal zoals film, toneel, dans, reclame, videoclips, beeldend werk, websites,…

  5. elementen uit de literatuurgeschiedenis, zoals stromingen, aanwenden om teksten in hun historische, politieke en sociale context te plaatsen;

  6. gevoelens en leeservaringen op een creatieve manier vorm geven.


  1. Taal als systeem :

De leerlingen kunnen :

  1. bij de studie van teksten grammaticale structuren en formele en inhoudelijke kenmerken van tekstsoorten herkennen en beschrijven;

  2. strategieën inzetten en passende hulpmiddelen hanteren om inzicht te verwerven in spellingsysteem, uitspraak, betekenis van woorden, zinsconstructies en de relatie klank-teken;

  3. strategieën inzetten om hun taalleerproces autonoom te evalueren, bij te sturen en verder te zetten;

  4. met voorbeelden aantonen dat de betekenis van een taaluiting afhankelijk is van de context;

  5. elementen van taalvariatie herkennen en illustreren;

  6. gelijkenissen en verschillen tussen talen herkennen.


Poolgericht werken

Bij de tweepolige studierichtingen (bv moderne talen-wiskunde), moet voor elk van de beide polen de onderzoekscompetentie worden gerealiseerd. Men kan ervoor kiezen de polen naast elkaar aan de onderzoekscompetentie te laten werken of geïntegreerd aan de beide polen samen te werken.



Vakgericht werken

Voor de studierichtingen met moderne talen bestaat de pool uit meer vakken: Frans, Engels, Duits. De SETOC moeten worden behaald voor de pool. De vakgroepen hebben de keuze of er per pool vakoverschrijdend wordt gewerkt, dan wel per pool vakspecifiek.

De leerplannen voor de pool moderne vreemde talen vermelden ieder afzonderlijk de SETOC. Mits afspraken tussen de verschillende moderne talen kan het volstaan dit voor Frans of voor Engels te doen. Duits en Nederlands mogen, maar moeten niet werken aan de SETOC. Aanvullend werken aan de onderzoekscompetentie in het vak Duits kan, uitsluitend in het vak Duits mag niet. Het vak Nederlands biedt vooral ondersteuning.

Voor een studierichting moderne talen – wetenschappen kan worden geopteerd voor een onderzoek talen naast een onderzoek wetenschappen. Een andere mogelijkheid is een onderzoek waarin talen en wetenschappen gelijkwaardig aan bod komen. Het gebruik van Engelse of Franse teksten voor het beantwoorden van een onderzoeksvraag wetenschappen beantwoordt niet aan een vak- noch pooloverschrijdend onderzoek indien er geen onderzoeksvraag talen aan gekoppeld is.

(zie brochure “Werken aan onderzoekscompetentie in het aso” , DPB Mechelen-Brussel 23 april 2009)

Onderzoekscompetentie en eindwerken

Werken aan de onderzoekscompetentie is verplicht. Een eindwerk is facultatief.

Aan de onderzoekscompetentie werkt men best binnen de vakken. Een eindwerk kan in de vrije ruimte.



Onderzoekscompetentie en LEREN LEREN

Zie VOET leren leren :

Vb. Informatieverwerving 2e graad

De leerlingen kunnen



  • diverse informatiebronnen en –kanalen kritisch kiezen en raadplegen met het oog op te bereiken doelen;

  • informatie kritisch analyseren en samenvatten.

Vb. Informatieverwerving 3e graad

De leerlingen kunnen



  • zelfstandig informatie kritisch analyseren en samenvatten;

  • verwerkte informatie functioneel toepassen in verschillende situaties;

  • een onderzoek of practicum voorbereiden, uitvoeren en de resultaten verantwoorden.

Leerplan Frans 3e graad ASO Studierichtingen met component moderne talen

De leerlingen realiseren een onderzoeksopdracht waarbij ze teksten gaan beschrijven, interpreteren en evalueren. Deze opdracht mondt uit in een schriftelijke (bv. Een paper) en/of mondelinge voorstelling.

Een heel aantal van de deelvaardigheden bij onderzoekscompetentie zouden al moeten verworven zijn op het einde van de 2e graad (bijvoorbeeld : informatie verwerven, probleemoplossend denken door inductieve methodes en taakgericht werken, leren leren enz.).

Het ligt voor de hand dat men onderzoeksopdrachten stapsgewijs inbouwt in de derde graad en dat men daarbij ook vakoverschrijdend overleg pleegt : werden of worden analoge opdrachten al aangeboden in andere vakken (men moet vermijden de leerlingen te confronteren met een herhaling van hetzelfde thema)? Onder welke vorm? Hoe worden ze geëvalueerd? Welke graad van autonomie hebben de leerlingen reeds ondervonden?

Dergelijke opdrachten gebeuren best in de klas onder begeleiding van de leraar, zodat deze het werk en het leerproces kan bijsturen en procesmatig kan evalueren. Via deze werkvorm van begeleid zelfstandig leren kan de leerling o.a. zijn werk efficiënter leren organiseren en ook leren reflecteren op zijn eigen leerproces.

Een begeleidend document voor de leerlingen met een duidelijke omschrijving van de opdracht, de doelstelling en de mogelijke werkwijze zal bij dergelijke opdrachten onontbeerlijk zijn. In het kader van BZL , voorziet men best ook vragen m.b.t. (zelf)evaluatie van het eigen leerproces en van het product.

Onderzoeksopdrachten nemen een aantal lesuren in beslag en verlopen in verschillende fasen, zoals bijvoorbeeld in het OVUR-schema :


  • Zich oriënteren op het onderzoeksprobleem : onderwerp en verschillende aspecten ervan vastleggen, inschatten van de nodige tijd, formuleren van de onderzoeksvragen, … . Het is waarschijnlijk zinvol de onderzoeksvragen zo verscheiden mogelijk te maken : beschrijvend, verklarend, evaluerend, adviserend, toepassingsgericht,…

  • Zich voorbereiden : van zodra de onderzoeksvragen door de leraar zijn goedgekeurd, kunnen de leerlingen aan de slag. Zij stellen dan een stappenplan op, zij gaan na • over welke informatie zij al beschikken,
    • wat er al beschikbaar is aan informatie bij de leraren,
    • welk oriënterend opzoekwerk zij moeten verrichten, …

  • Het uitvoeren van de taak binnen de voorziene tijd : informatie verwerven en verwerken, beantwoorden van vragen en formuleren van conclusies. De leerlingen nemen zo weinig mogelijk tekst letterlijk over. Van elke geraadpleegde bron kunnen ze een informatiefiche opstellen. In hun notities zouden ze de geselecteerde informatie snel moeten terugvinden. De formulering dient daarom kernachtig te zijn, de bronverwijzing accuraat en de ordening van de fiches methodisch. Op basis van deze notities stellen ze de uiteindelijke tekst op.

  • Reflecteren, op basis van zelfevaluatie en uitwisseling van indrukken met medeleerlingen (intervisie), van het onderzoeksproces en van het product.

(leerplan Frans Derde graad aso D/2006/0279/005 p.38)

Onderzoekscompetentie en Nederlands

In het leerplan van de derde graad (D/2006/0279/008) staat competentieleren centraal.

“De specifieke eindtermen gelden alleen voor het fundamentele gedeelte van een aantal studierichtingen in de derde graad aso. In ons geval betreft het de pool moderne talen. De SET moeten gerealiseerd worden door de moderne vreemde talen. Via dit leerplan Nederlands willen we, in samenspraak met de collega’s Frans, Engels en Duits, werk maken van die SET. Het gaat om leerinhouden die Nederlands door de aard van het vak realiseert, bijvoorbeeld : een tekst structureren, verwerken en presenteren in functie van de ontvanger, taalvariatie herkennen; literaire teksten in hun historische, politieke en sociale context plaatsen. We nemen ze op onder ‘Algemene didactische wenken’ en in de concordantietabel met de vakken van moderne vreemde talen.” (pp.11-12)

“Taalcompetente leerlingen kunnen in het leerproces een beroep doen op een aantal leervaardigheden. We hebben het dan over :



  • Onderzoeksvaardigheid
    Leerlingen kunnen een onderzoeksopdracht voorbereiden, uitvoeren en evalueren over een literair en/of taalbeschouwelijk vraagstuk. Ze volgen daarbij een werkwijze in drie fasen :

• vooraf oriënteren zij zich op het onderzoeksprobleem door gericht informatie te verzamelen, te ordenen en te bewerken. Ze stellen zich daarbij vragen als : wat is de zin van wat ik ga onderzoeken? Wat is de onderzoeksvraag precies? Waarmee heeft ze te maken?

• tijdens de onderzoeksopdracht controleren ze of hun aanpak betrouwbaar is; of ze een voldoende aantal gegevens verzameld hebben om op de onderzoeksvraag te antwoorden.

• na de onderzoeksopdracht blikken ze terug op de gevonden en onderzochte gegevens, en op de manier waarop ze de onderzoeksopdracht uitgevoerd hebben.


  • Probleemoplossende vaardigheden

In een tweede leervaardigheid gaat het om een werkwijze om problemen op te lossen. Dit veronderstelt inzicht in het probleem. Daartoe formuleren leerlingen het probleem. Vervolgens vragen ze zich af wat de oorzaken van het probleem zijn, wat ze ertegen kunnen doen en hoe ze daarbij te werk moeten gaan. Na de uitwerking kijken ze terug op het resultaat en hun aanpak. Deze werkwijze kunnen wij laten oefenen bij taakgericht leren, leren in reële contexten zonder instructie, voortbouwend op reeds verworven vaardigheden en kennis.


  • Reflecteervaardigheid
    In de voorgaande twee vaardigheden blijkt dat kritisch reflecteren over het eigen handelen belangrijk is in drie stappen : voor de taaltaak, voorbereiden ; tijdens de taaltaak, uitwerken; na de taaltaak, terugblikken op efficiëntie en effectiviteit. Op die manier leren leerlingen een aantal strategieën en vaardigheden om hun taalleerproces zelf in handen te nemen, met vormen van zelfevaluatie en evaluatie van medeleerlingen (peerevaluatie) : leren van (eigen en andermans) fouten, leren van ervaring en reflectie, leren van feedback, leren van vernieuwen en uitproberen, leren van medeleerlingen en experts.” (p.16)

Voor de collega’s Nederlands :Academisch schrijven. Een praktische gids

Auteurs: DE WACHTER LIEVE, VAN SOOM CAROLIEN 


Verschijningsdatum: oktober 2008  Pagina's: 112  € 18.00: ISBN 9789033470998 

Wie hogere studies aanvat, moet vroeg of laat op een ‘wetenschappelijke manier’ schrijven. In scripties, bachelorpapers en masterproeven wordt van de student verwacht dat hij de kunst van het academisch schrijven beheerst. Dit boek wil tegemoet komen aan de steeds terugkerende vraag van veel studenten naar een concrete en praktische handleiding om beter academisch te leren schrijven. Het boek is volledig op de praktijk gericht, met authentieke voorbeelden en relevante oefeningen. Vooral de meest voorkomende fouten en problemen worden uitgebreid toegelicht en becommentarieerd. Onder meer de formulering van de onderzoeksvraag, de beschrijving van materiaal en methode, de wetenschappelijke stijl in al zijn aspecten komen uitgebreid aan bod. De handige tips en oefeningen met oplossing maken het boek geschikt als zelfstudiemateriaal of als leerboek in een lessituatie. De voorbeelden en oefeningen zijn afkomstig uit verschillende vakdomeinen, van sociologie over politieke wetenschappen, linguïstiek, biochemie en biotechnologie.

Over de auteurs:
LIEVE DE WACHTER is docent Nederlands aan de K.U.Leuven. Ze doceert schriftelijke en mondelinge vaardigheden aan de faculteiten Sociale Wetenschappen en Letteren. CAROLIEN VAN SOOM is verantwoordelijk voor de studiebegeleiding van eerstejaarsstudenten aan de faculteiten Wetenschappen en Geneeskunde van de K.U.Leuven. Ze is één van de docenten van het opleidingsonderdeel Wetenschapscommunicatie, meer bepaald voor de bacheloropleiding in de biochemie en de biotechnologie.

Cesuurdoelen

De decreetgever heeft de SET vastgelegd voor het einde van de derde graad aso, maar met de onderwijsverstrekkers werd afgesproken dat voor het einde van de tweede graad aso voor de volgende vijf polen naar zogenaamde cesuurdoelen moet gewerkt worden: economie, Grieks, humane wetenschappen, Latijn en wetenschappen.

De specifieke eindtermen onderzoekscompetentie maken eveneens deel uit van deze cesuurdoelen, die op hun beurt in de betreffende leerplannen van de tweede graad opgenomen zijn. Voor de polen moderne talen, sport, topsport, en wiskunde zijn de SETOC beperkt tot de derde graad.

In de cesuurdoelen wordt de onderzoekscompetentie als volgt geformuleerd:



  • Onder begeleiding voor een gegeven onderzoeksprobleem onderzoeksvragen formuleren;

  • op basis van geselecteerde bronnen voor een gegeven onderzoeksvraag, op een systematische wijze informatie verzamelen en ordenen;

  • onder begeleiding een gegeven probleem met een aangepaste methode onderzoeken;

  • onder begeleiding onderzoeksresultaten verwerken, interpreteren en conclusies formuleren;

  • volgens een gegeven stramien over de resultaten van de eigen onderzoeksactiviteit rapporteren;

  • onder begeleiding reflecteren over de bekomen onderzoeksresultaten en over de aangewende methode.

Aandachtspunten bij het werken met onderzoekscompetentie

1. Bronnen



  • Naslagwerken (encyclopedie, Cd-rom, …)

  • Kranten en tijdschriften

  • Internet

  • Gespecialiseerde boeken

  • Documentaires

  • Film en video

  • Gesprek met een specialist

  • Interview

  • Enquête

  • ….

Zijn informatiebronnen betrouwbaar?

Zie bijvoorbeeld:

WEBOSCOPE : http://www.arts.kuleuven.be/weboscope/francais/index.htm


http://www.bibliotheques.uqam.ca/INFOSPHERE/sciences_humaines/module7/evaluer.html

Inhoud:
Evaluer ses sources :


- évaluer la qualité des sources
- évaluer la pertinence des sources
- citer ses sources (droits d’auteur, plagiat, paraphraser, ….)

2. Rapporteren

Delen van een rapport :


  • Omslag – titelblad

  • Woord vooraf

  • Inhoudsopgave

  • Inleiding

  • Eigenlijke tekst

  • Besluit

  • Literatuurlijst

  • Bijlagen

De literatuurlijst dient minimum de volgende gegevens over een werk te bevatten :de naam van de auteur;

  • de titel van het werk;

  • de druk;

  • de plaats van uitgave;

  • het jaar van uitgave.

Voor de bronvermelding van boeken : eerst komt de naam van de auteur in hoofdletters, gevolgd door een komma. De titulatuur (bv prof.) hoef je niet te vermelden. Schrijf dan de eerste letter van de voornaam (of eventueel de initialen), gevolgd door een punt. Dan komt een komma. Als er meer auteurs zijn, plaats je ‘en’ voor de naam van de laatste auteur.

Daarna vermeld je de titel van het boek, gevolgd door een komma. De titel mag je accentueren (cursief, onderstrepen). Dan volgen in gewoon schrift de druk, de uitgeverij, de plaats van uitgave, het jaar van uitgave en het aantal pagina’s, telkens gescheiden door een komma. De bronvermelding beëindig je met een punt.

Voorbeeld :

JANSSEN, D.H., VAN DEN BOOGAARD,I.L. en VAN DEN HURK, J.G., Zakelijke communicatie, een leergang ‘communicatieve vaardigheden’ voor het HBO, Wolters-Noordhoff BV, Groningen, 1999, 304 pagina’s.



Literatuurlijst en bronnen citeren volgens de BIN-normen

Zie: http://handel.vvkso.net/BINnormen%20en%20rapporteren/Vouwblad%20RAPPORTEREN%20zwart.pdf


voor een beknopt overzicht

en

http://www.licap.be/nl/catalogus/detail/910/efficient-rapporteren-met-behulp-van-de-computer-word-2007/all/0 (je kan bestellen via de website)



Efficiënt rapporteren met behulp van de computer Word 2007 ( € 2,92)
ISBN 978-90-6858-791-3
Licapnummer van de brochure: D/2008/0279/016

In deze brochure vind je informatie over hoe je efficiënt en volgens de gangbare normen en afspraken rapporten, verslagen, eindwerken en brieven op computer maakt.

Voorschriften en normen in verband met het maken van rapporten en brieven vind je in: 


  • de brochure BIN-normen - Efficiënte communicatie van het VVKSO;

  • de brochure Rapporteren - Voorschriften en nuttige wenken van het VVKSO;

  • de norm NBN Z 01-002 - Opmaken en typen van documenten.

Een rapport of een verslag opmaken op computer vereist voorbereidend werk, enerzijds om duidelijk en consistent te werken, anderzijds om het rendement en de efficiëntie te verhogen. Dat voorbereidende werk hoort eveneens bij deze brochure: 

  • twee sjablonen voor rapporten: Eenzijdig rapport 2007 en Tweezijdig rapport 2007;

Deze sjablonen kun je downloaden van de website van het VVKSO via http://www.vvkso.be, keuze Publicaties - Brochures.
Hoe te werk gaan?

1 Welke opdracht? In vijfde jaar? In zesde jaar?

- Welk eindproduct verwachten we?

- Wat moet een leerling daarvoor kunnen? (bv. Bronnen raadplegen en evalueren, een enquête opstellen en afnemen, een presentatie maken, een rapport opstellen volgens de BIN-normen, bronnen citeren, kop- en voetteksten, voet- en eindnoten …)

Zie ook “Stapstenen”

2 Leerlijn opstellen in de school in samenwerking met de leraars Nederlands, Engels en eventueel andere vakken.

De leerlingen zouden ook het geleerde kunnen verzamelen in een portfolio die reeds in de tweede graad gestart wordt.

Bv


Deelaspect onderzoekscompetentie

2e graad

5e jaar

6e jaar

Informatie verzamelen












Informatie kritisch evalueren












Informatie verwerken (citeren, parafraseren, …)












Bibliografie opstellen












….










De uitvoering van de opdracht plannen












Reflecteren













Stappen van een onderzoeksopdracht


  1. Oriënteer je op de onderzoeksvraag en beperk de onderzoeksvraag.

  2. Bereid de onderzoeksvraag voor: Waar, hoe ga je informatie verzamelen?

  3. Voer de onderzoeksopdracht uit :
    3.1 Verzamel gericht informatie over het onderzoeksprobleem.
    3.2 Orden de gevonden informatie.
    3.3 Bewerk de informatie : kopieer niet, maar schrijf zelf een tekst over het onderwerp. Formuleer een conclusie. Confronteer de onderzoeksresultaten eventueel met andere standpunten.

  4. Evalueer de onderzoeksopdracht.

  5. Rapporteer (mondeling/schriftelijk) over de onderzoeksresultaten en conclusies.

Les étapes d’un travail de recherche

1 Phase d’orientation


Vous formulez des suppositions sur le sujet, vous cernez le sujet. Vous formulez la question de recherche/les questions de recherche.

2 Phase de préparation


Vous établissez un plan de recherche (Qui ? Quoi ? Quand ? …)

3 Phase d’exécution


3.1 Vous cherchez du matériel*/ de l’information sur différents supports. Vous créez un corpus d’étude. Vous identifiez les sources.
3.2 Vous traitez les données. Vous les analysez.
3.3 Vous formulez une réponse à la question de recherche. Vous formulez des conclusions.

  1. Phase d’évaluation
    Vous évaluez le processus de recherche et le résultat.


  2. Vous rapportez les conclusions de la recherche (par écrit/oralement).

* Matériel = un corpus, une enquête, un questionnaire, une interview, une recherche documentaire, une récolte d’information, une description, …

Exemple : livre et film

1 Phase d’orientation


- Que savez-vous déjà du film? Que savez-vous du livre ?
Comment adapter un livre pour en faire un film? Quelles seront les différences?
- Formulez la question de recherche : quel livre et quel film ? comparaison générale ? ou quel aspect ? ….
ex. : Un long dimanche de fiançailles
livre de Sébastien Japrisot, film de Jean-Pierre Jeunet
Comparaison générale ou certains aspects : Mathilde, la première guerre mondiale, l’histoire d’amour, l’enquête de Mathilde, la structure du livre et du film, un extrait du livre et du film …
- Comment exécuter la tâche : seul, à deux, en groupes ?
- Quel « matériel » vous faudra-t-il ?: comment, où trouver de l’information?
- Comment allez-vous présenter les résultats de la recherche : par écrit ou oralement, les deux ?
Comment faire un rapport écrit? Comment réaliser une présentation orale ?

2. Phase de préparation


- Etablissez un plan de travail : comment exécuter la tâche ? quelles seront les étapes ? dans quel ordre ? pour quand ? méthode de travail ?
- Qu’est-ce qui va être fait à la maison et en classe?
- En cas de travail en groupes : partagez les tâches.
- Schéma de travail ? Portfolio ? Journal de bord ?
- En cas de rapport écrit : Contenu, structure, …
- En cas de présentation orale : extrait à visionner ?, structure de l’exposé ?, feuille de travail pour les autres élèves ?, …

3 Phase d’exécution


- Exécutez le travail de recherche selon les décisions prises dans la phase de préparation.
- Recherchez l’info et évaluez la qualité et la pertinence de l’information trouvée.
- Formulez la réponse à la question de recherche.
- Préparez la présentation orale ou écrivez le rapport écrit.
ex. Présentation orale : - Intro (question de recherche/ but de l’exposé, …)
- Extraits du livre et/ou du film
- Schéma qui permette au public de suivre l’exposé
- Réponse à la question de recherche, conclusion
ex. Dossier écrit : - question de recherche (5 lignes)
- analyse du livre (ou présentation de l’aspect analysé) : 1 page
- comparaison (différences – ressemblances) livre – film : 1 page
- conclusion, compte-rendu personnel : 10 lignes
- évaluation

4 Phase d’évaluation


Evaluez la méthode de recherche et le résultat.
Comparez éventuellement les résultats à ceux des autres groupes.
Quelles difficultés avez-vous rencontrées ?
Comment faire mieux ?
Qu’est-ce que vous avez appris ?
5 Phase de présentation
- Dossier écrit et/ou
- Présentation orale devant la classe 

1 Phase d’orientation


Activités

Résultat

Remarque

1 Je lis le livre et/ou je regarde le film.

Je cherche de l’information sur l’adaptation d’un livre au cinéma.

Ex :


http://www.linternaute.com/sortir/livre/adaptations-livre-cinema/comment-adapter-un-roman-en-film.shtml
http://www.ac-nice.fr/lettres/nouveau/articles.php?lng=fr&pg=34
http://www.decitre.fr/livres/L-adaptation-au-cinema.aspx/9782866424411

Je formule la question de recherche.









2 Je décide si j’exécuterai la tâche seul(e) ou en groupe.









3 Je réfléchis comment et où trouver de l’information.









4 J’adapte éventuellement la question de recherche.









5 Je décide si je vais rapporter le résultat de la recherche par écrit ou si je vais le présenter oralement. (les deux ?)










2 Phase de préparation

Activités

Résultat

Remarque

1.Je fais un plan de travail :



  • Quelles tâches ?

  • Dans quel ordre ?

  • Quand ?

  • Grille d’analyse ?









2.En cas de travail en groupe, nous partageons


les tâches.







3.Je commence un journal de bord ou un portfolio.










Exemple d’un plan de travail


Tâches

Qui ?

Date limite ?





































Exemple d’un journal de bord






Elève 1

Elève 2

Elève 3

Elève 4

1re heure en classe













Tâche à la maison













2e heure en classe













Evaluation intermédiaire

Les élèves présentent leur schéma de travail et leur journal de bord.

• Questions possibles :


  • Qu’est-ce que vous avez fait ?

  • Qu’est-ce qui vous semble réalisable ?

  • Qu’est-ce qui semble difficile à faire ?

  • Avez-vous besoin d’information supplémentaire ?

• Conseils

Evaluation de ces premières phases



3 Phase d’exécution

Activités

Résultat

Remarque

1 Lire le livre : indiquer les passages intéressants.

(Résumé?).







2 Film : Visionnage du film, choix des extraits.









3 Lecture de documents intéressants, résumé, idées utilisables, classement des données.









3 Evaluer l’information : utilisable, suffisante, fiable, pertinente?









4 Compléter la grille d’analyse.










Traitement des données

Activités

Résultat

Remarque

1. En se basant sur la grille d’analyse, écrire une réponse à la question de recherche.









2. Conclusion.









3.Préparer le rapport écrit ou la présentation orale.










Deuxième évaluation intermédiaire

4 Phase d’évaluation

Activités

Résultat

Remarque

1 Evaluation du résultat de la recherche.









2 Comparaison avec les résultats d’autres groupes.









3 Evaluation de la méthode de travail.









4 Evaluation de la coopération.










5 Phase de présentation

Activités

Résultat

Remarque

1 Rapport écrit / Présentation orale










2 Introduction et conclusion









3 Bibliographie









4 Evaluation










Evaluatie

Evaluatie van het proces

Naam :

Titel van de opdracht :


1 Oriëntatie op de onderzoeksopdracht

□ goed


□ voldoende

□ onvoldoende



Opmerkingen:

2 Onderzoeksvraag

□ goed


□ voldoende

□ onvoldoende



Opmerkingen:

3 Opstellen van een werkplan

□ goed


□ voldoende

□ onvoldoende



Opmerkingen :

4 Verzamelen en ordenen van de informatie

□ goed


□ voldoende

□ onvoldoende



Opmerkingen :

5 Persoonlijke verwerking van de informatie

□ goed


□ voldoende

□ onvoldoende



Opmerkingen :

6 Conclusie en confrontatie met andere standpunten
□ goed

□ voldoende

□ onvoldoende


Opmerkingen :

7 Rapportering of presentatie

□ goed


□ voldoende

□ onvoldoende



Opmerkingen :

8 Evaluatie van de onderzoeksopdracht

□ goed


□ voldoende

□ onvoldoende




Opmerkingen :

9 Totaal





Evaluatie van het rapport door de leraar




Structuur

Inhoud

Presentatie

Excellent

Alle onderdelen van de structuur zijn op een herkenbare wijze aanwezig.

Uitvoerige, grondige behandeling van het onderwerp.

Getuigt van grondig onderzoek en persoonlijke verwerking.



Het werk is uitstekend verzorgd, de lay-out ondersteunt de structuur.

Het werk beantwoordt volledig aan de BIN-normen.

Documentatie is functioneel ingepast.


Goed

De meeste onderdelen van de structuur zijn op een herkenbare wijze aanwezig.

Goede behandeling van het onderwerp met bewijs van onderzoek.

Meestal is de inhoud persoonlijk verwerkt.



Het werk is verzorgd, de lay-out ondersteunt meestal de structuur.

De BIN-normen zijn meestal toegepast.

De documentatie is meestal functioneel ingepast.


Voldoende

Er is een structuur, die niet steeds herkenbaar is.

Er is wel een onderzoek uitgevoerd, maar het is niet uitgebreid of het ontbreekt aan diepgang.

De persoonlijke verwerking van de inhoud is net voldoende.



Het werk is voldoende verzorgd, de lay-out ondersteunt niet altijd de structuur.

De BIN-normen werden dikwijls over het hoofd gezien.

Er is documentatie aanwezig.


Onvoldoende

Bijna geen enkel onderdeel van de structuur is op herkenbare wijze aanwezig

Het onderzoek lijkt beperkt.

De inhoud beantwoordt niet aan de probleemstelling.

Teveel werd letterlijk overgenomen zonder persoonlijke verwerking.


Het werk is onvoldoende verzorgd. Er is geen eenheid van afwerking.

Van toepassing van de BIN-normen is geen sprake.

De documentatie ontbreekt of is niet functioneel.




Evaluatie van de mondelinge presentatie

Criteria en schalen ter beoordeling van een mondelinge presentatie




Organisatie

Inhoud

Overdracht

Media

E

X

C

E

L

L

E

N

T

De vooruitgang is excellent. De luisteraar is steeds mee.

Vlotte overgangen.




Uitvoerige, volledige behandeling van het onderwerp.

Getuigt van onderzoek.



Goed oogcontact, goede intonatie en lichaamstaal.

Meeslepend en genietbaar.




Excellent gebruik
van overhead, video’s, grafieken.

Duidelijk en levendig.



G

O

E

D

Goede vooruitgang. De luisteraar blijft bij de inhoud.

Goede dekking van het onderwerp met evidentie van onderzoek.

Oogcontact, intonatie, lichaamstaal en gedrag zijn goed maar niet consistent.

Visualiseringen zijn duidelijk en geschikt. De media ondersteunen de presentatie.

V

O

L

D

O

E

N

D

E

De organisatie is wat stroef.

De luisteraar is soms verward.

Inhoud gaat van de hak op de tak.


Het onderzoek blijft wel, maar het is niet uitgebreid of er ontbreekt diepgang. Enigszins gedocumenteerd.

Weinig aansprekende overdracht.

De presentatie wordt afgelezen of lijkt mechanisch.



Er worden visualisaties gebruikt maar deze zijn niet echt waardevol.

Ze helpen de presentatie niet echt vooruit.



O

N

V

O

L

D

O

E

N

D

E

Zeer moeilijk te volgen.

De luisteraar heeft het moeilijk de aandacht erbij te houden.

Onduidelijke overgangen.


Het onderzoek lijkt beperkt.

Weinig documentatie.

Belangrijke bronnen ontbreken.


De gegevensover­dracht is van een slechte kwaliteit.

Het levert niet meer op dan een lezing.



De visualisaties zijn van een dergelijk slechte kwaliteit dat ze de presentatie in het geheel niet ondersteunen.

(Bron: PETEGEM VAN, P., VANHOOF, J., Evaluatie op de testbank. Wolters Plantyn, Mechelen, 2002.)

Evaluation de la présentation orale



Exécution de la tâche, contenu

/30

Présentation, attitude, façon de parler

/10

Langue : vocabulaire, grammaire

/10

Langue : prononciation, fluidité

/10

Extra

+ original, personnel, intéressant

- trop court, peu d'adaptation personnelle des données, ennuyeux, …


+

-


Total

/60

Questions pour l'auto-évaluation de la présentation orale




oui

non

L'information dont nous disposions était bonne.







Nous avons évalué l'information dont nous disposions, nous avons choisi les parties les plus intéressantes et écarté ce qui l'était moins.







Nous avons recherché plus d'information pour certaines parties.







Cette information, nous l'avons adaptée de façon personnelle.







La documentation dont nous disposions était bonne: assez, pas trop, intéressante, photos ou images claires et suffisamment grandes, en rapport avec le texte.







Nous avons réfléchi comment présenter la documentation.







Le contenu était intéressant, en rapport avec le titre.







L'exposé était bien structuré.







Les différentes parties étaient équilibrées.







Il y avait une bonne introduction pour commencer la présentation.







Les différentes parties était clairement annoncées.







Il y avait de bonnes phrases de transition pour passer d'une partie à une autre, il y avait des "articulateurs".







Il y avait une phrase pour annoncer la fin de la présentation.







Le texte n'était pas trop difficile, pas trop technique, ni trop simple.







Nous avons corrigé ensemble les textes pour qu'il y ait le moins d'erreurs possible.







Nous avons fait vérifier les textes par le professeur.(pour que tout soit correct).







Chaque participant avait une partie égale à dire.







Nous avons recherché comment prononcer les mots difficiles.







Nous avons fait l'exposé plusieurs fois à la maison pour voir si tout était parfait.







Nous avons parlé couramment, de façon naturelle, sans trop d'hésitations, l'intonation était bonne.







Nous avons parlé à tout le monde, nous avons bien regardé tous les auditeurs.







Evaluation de la méthode de travail

  • Qu’est-ce qui était bien ?

  • Quelles difficultés avez-vous rencontrées ?

  • Comment éviter ces problèmes par la suite ?

  • Qu’est-ce que le travail vous a apporté ?

  • Qu’est-ce que vous avez appris concrètement ?

Evaluation de la coopération




1

2

3

4

5

Grâce à la coopération, les élèves ont atteint un objectif qu’ils n’auraient pas pu atteindre individuellement.


La recherche a été réalisée par un élève qui a surtout travaillé seul (les autres membres du groupe ont aidé un peu).

La recherche a été réalisée par quelques membres du groupe seulement.

Les élèves ont essayé de travailler ensemble.

Chaque membre du groupe avait un rôle.

La plupart ont essayé de prendre leur responsabilité.


Les élèves ont bien travaillé ensemble pour réaliser la tâche. Chaque membre du groupe a exécuté une sous-tâche selon ses propres aptitudes. Chacun a essayé de prendre ses responsabilités.

Les élèves formaient vraiment une équipe dans laquelle chaque membre a contribué selon ses aptitudes et talents. Le résultat final est meilleur que si les élèves avaient travaillé seuls.

Evaluatie van groepswerk

Evaluatie van attitudes

VOORBEELD INVULFORMULIER SAM (Schaal voor Attitude en vaardigheden Meting)

Zie http://ond.vvkso-ict.com/vvksosites/item.asp?WID=1&PID=2046

1. PERSOONLIJKE ATTITUDES EN VAARDIGHEDEN

Initiatief, inzet en doorzettingsvermogen, discipline en stiptheid, flexibiliteit, creativiteit & innoveren, …

2. ORGANISATORISCHE ATTITUDES EN VAARDIGHEDEN

Persoonlijke planning en werkorganisatie, kwaliteitszorg en resultaatgerichtheid, werkmethodiek, …

3. SOCIALE ATTITUDES EN VAARDIGHEDEN

Sociale houding, communiceren

4. COGNITIEVE ATTITUDES EN VAARDIGHEDEN



Leergierigheid en interesse, analyse, synthese

Bv: Kwaliteitszorg en resultaatgerichtheid

(zorg en nauwkeurigheid die besteed wordt aan het eigen handelen in functie van het resultaat en specifieke doelen)

Onvoldoende

Matig

Goed

Zeer goed


Is snel tevreden met wat hij/zij doet. Evalueert zijn taken, opdrachten, aanpak, enz. niet. Is vrij onverschillig t.a.v. het stellen van kwaliteitseisen aan zijn/haar eigen werk.

Legt de lat zodanig dat ze haalbaar blijkt (geen uitdagende doelstellingen), behaalt af en toe het nodige resultaat.

Evalueert kwalitatief zijn eigen handelen en oplossingen; wanneer ze niet voldoen aan de gestelde criteria, dan zoekt hij/zij meestal verder.




Is zeer veeleisend inzake het behalen van kwaliteitsvolle resultaten (b.v. bij een project, een presentatie).

Onnauwkeurig of slordig: maakt fouten die gemakkelijk vermeden kunnen worden.

Maakt af en toe fouten.

Nauwkeurigheid en snelheid gaan al eens samen, maar niet altijd.

Kan op een snelle en nauwkeurige manier kwaliteitsvol resultaten behalen.

Ziet eigen fouten niet.


Erkent eigen verbeterpunten.

Trekt lessen uit de fouten die hij herhaaldelijk maakte.

Ziet zelf eigen verbeterpunten. Leert dagelijks bij, maakt fout maar één keer.


Stimuleert door voorbeeldgedrag anderen tot het leveren van prestaties (zowel kwantitatief als kwalitatief).

Controleert zijn werk niet, anderen moeten het op essentiële zaken bijsturen.

Is van goede wil, maar doet geen proef op de som, controleert zijn werk enkel op aanwijzing.

Controleert zijn werk zelf, kijkt zelf na.


Controle is een onderdeel van kwaliteitsvol werken. Dit wordt spontaan gedaan.

Maakt meer fouten dan gemiddeld.


Maakt een gemiddeld aantal fouten; slordigheidsfouten komen nog veel voor

Maakt weinig fouten.


Werkt foutloos.

Ziet geen fouten of onvolledigheden in beschikbare informatie.

Ontdekt al eens fouten of onvolledigheden in beschikbare informatie.

Ziet fouten of onvolledigheden in beschikbare informatie.

Onderzoekt spontaan beschikbare informatie op fouten of onvolledigheden.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina