Inhoudsopgave 1 Voorwoord 3 Inleiding 4 Hoofdstuk 1: Achtergrond en probleemstelling 5


Jörgen Westerståhls visie op objectiviteit



Dovnload 360.29 Kb.
Pagina6/15
Datum24.07.2016
Grootte360.29 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

2.2 Jörgen Westerståhls visie op objectiviteit


Het in de vorige paragraaf aangehaalde model van Westerståhl gaf de communicatiewetenschap aanknopingspunten om empirisch onderzoek te doen naar objectiviteit in het nieuws. Zoals eerder vermeld, is Westerståhl zich bewust van de problemen rond de filosofische betekenis van het begrip ‘objectiviteit’, maar is hij zich ook bewust van het belang van objectiviteit voor de werking van de democratische rechtsstaat.
“The use of the term ‘objective’ in the phrase ‘objective news reporting’ is unfortunate in that it implies theoretical problems regarding the nature of knowledge, problems that philosopher’s have been disputing for centuries. … Maintaining objectivity in the dessimination of news can, it seems to me, most easily be defined as ‘adherance to certain norms or standards’. It is not a question of basing conclusions on some definition of the inherent nature of objectivity. Standards of objectivity are developed as professional ethics in response to society’s demands.” (Westerståhl, 1983, p.403)
Deze visie op objectiviteit zal de basis vormen voor het empirische gedeelte van deze scriptie. Objectiviteit wordt hier dus geëvalueerd als de mate waarin nieuwsberichtgeving voldoet aan een aantal professionele journalistieke normen die onstaan zijn om te voldoen aan de eisen die in democratieën aan journalisten gesteld worden. Het model, zoals hieronder weergegeven, deelt journalistieke objectiviteit op in een aantal deelbegrippen.


Figuur 2: Schema van Westerståhls Objectiviteitsconcept (Westerståhl, 1983, p. 403)
Westerståhls model diende als leidraad voor zijn onderzoek naar de vraag of de Zweedse publieke omroep voldeed aan de eisen die de wet haar voorschreef aangaande onpartijdigheid. De twee kernbegrippen uit het schema zijn Factuality en Impartiality, welke weer onderverdeeld zijn in respectievelijk Truth en Relevance en Balance/Non-partisanship en Neutral Presentation.
Volgens McQuail is het schema van Westerståhl ‘het meest robuuste model voor het doen van onderzoek naar journalistieke objectiviteit (p. 196). In zijn overzichtswerk ‘Media Performance’ uit 1992 gaf hij de communicatiewetenschap een aantal handreikingen om gefundeerd empirisch onderzoek te doen naar normatieve concepten die bepalend zijn voor ‘Media Performance’. Vrij vertaald betekent Media Performance de prestaties van de media. McQuail koppelt de kwaliteit van de prestaties van de media aan het publieke belang, the public interest. Eén van de hoofdconcepten die maar liefst 4 hoofdstukken van zijn boek beslaan, is objectiviteit. McQuail neemt Westerståhls objectiviteitsmodel als basis om objectiviteit te onderzoeken. De door Westerståhl benoemde concepten worden door hem één voor één uitgediept. In de volgende subparagraaf zal dieper ingegaan worden op de verschillende kernbegrippen uit Westerståhls model, aangevuld met het uigebreide commentaar van McQuail (1992).

2.2.1 Cognitieve versus evaluatieve criteria


Volgens McQuail (1992) en Rosengren (1980, in McQuail 1992) is het belangrijkste onderscheid dat binnen Westerståhls model gemaakt wordt, het onderscheid tussen de cognitieve en de evaluatieve aspecten van objectiviteit. In het model staat het evaluatieve deel van objectiviteit voor ‘impartiality’ en het cognitieve voor ‘factuality’. Dit onderscheid is controversieel omdat het opnieuw suggereert dat we feiten en waarden van elkaar kunnen scheiden. In het model wordt het onderscheid toch gemaakt omdat journalisten en sommige sociale wetenschappers dit onderscheid routinematig toepassen bij het uitvoeren van hun werk. Door gebruik te maken van Westerståhls model wordt binnen dit onderzoek ook een onderscheid gemaakt tussen enerzijds ‘waarden’ en anderzijds ‘feiten’.1
De twee hoofdaspecten van zijn model leidde Westerståhl af uit de Zweedse omroepwet, welke het woord ‘objectiviteit’ strategisch vermijdt. Karl Rosengren (1980, in McQuail 1992) vertaalde het Zweedse woord voor factuality, saklighet, als ‘matter-of-factness’, en gaf als alternatieve Engelse term ‘pertinence’, wat volgens het woordenboek zoveel betekent als ‘ter zake dienend’. McQuail (1992) voegt hier nog eens de term ‘reality reference’ aan toe. Impartiality verwijst volgens McQuail naar die aspecten van het nieuws die een evaluerend karakter hebben. Het zijn de aspecten die de cognitieve feiten kleuren of in een bepaalde context plaatsen.

2.2.2 Cognitieve aspecten van objectiviteit (factuality)


Zoals we in Westerståhls model zien wordt de term factuality onderverdeeld in twee begrippen, te weten truth en relevance. Truth, ofwel waarheid, lijkt de absolute essentie van elk objectief verslag. Het brengt ons terug op de basisdiscussie over objectiviteit. In Westersthals model wordt het begrip ‘truth’ concreter toegepast op het journalistieke produkt.
THE STANDARD OF TRUTH

Westerståhls kernbegrip truth wordt door McQuail uitgelegd als


“the reliability and credibility of accounts, the degree to which different observers might agree on the ‘facts’, the degree to which reports can be acted on with some confidence, the degree to which they are likley to prove consistent with personal experience” (McQuail 1992, p.197)
Bovenstaand citaat lijkt inconsistent met mijn eerdere uitspraken over het bestaan van realiteit en de sociale constructie ervan Deze sociaal-constructivistische gedachtengang is in prinicpe door te voeren op elke concept. Het glashard blijven ontkennen van het bestaan van een objectieve waarheid is in de alledaagse praktijk van de journalist en van de sociaal wetenschappers echter onhoudbaar. Lichtenberg (1991, p.223) zegt hierover:
“Belief in objectivity does not mean that every question that can be posed or about people might disagree has a single determinate right answer. If objectivity meant this, we would be wise to reject it. What, then does belief in objectivity commit us to? At the very least it means that some questions have determinate, right answers – and that all questions have wrong answers.”
Voorbeelden van zulke ‘objectieve’ feiten zijn er genoeg: Zo is het een ‘feit’ dat op 6 mei 2002 Pim Fortuyn van het leven werd beroofd en dat op 11 september 2001 2 vliegtuigen zich in de torens van het World Trade Centre in New York boorden. In theoretische zin is het mogelijk om zelf bij deze vaststellingen je vraagtekens te zetten, maar dat valt buiten de scope van dit scriptie.

John Corner stelt:


“No one doubts the possibility of a journalist being ‘accurate’ about a lot of things for a lot of times as agreed by the very widest spectrum of political and social opinion and very few people doubt the desirability of them being so (in McQueen 1998, p.104)”
Het begrip ‘truth’ binnen Westerståhls model valt nog het best te vergelijken met term ‘inter-subjectiviteit’ die eerder in dit theoretische hoofdstuk werd aangestipt; een zekere mate van overeenstemming tussen mensen over een waargenomen realiteit, of in de woorden van McQuail (1992, p197): ‘the degree to which different observers might agree on the facts.’

Binnen het model van Westerståhl richt het deelbegrip truth zich op deze empirisch meetbare onderdelen van nieuwsberichten waar zeer grote intersubjectieve consensus over bestaat, te weten:




  • Factualness, in the sense of distinguishing fact from opinion, interpretation or comment, backing reports by reference to named sources, avoiding vagueness and redundancy

  • Accuracy, a matter of correspondence of report to reality, or to other reliable versions of reality, especially on matters of fact or quantity, the so-called extra-media data (numbers, names, places, attributions, times, etc.)

  • Completeness, or fullness of account, on the assumption that a minimum amount of relevant information is required for understanding (zie ook bij de volgende subparagraaf ‘The standard of relevance’.)

(McQuail, 1992 p.197)
THE STANDARD OF RELEVANCE

Net als objectiviteit is relevantie een lastig begrip als je het toepast op de journalistiek. Maak je het, zoals Westerståhl, vitaal onderdeel van objectiviteit dan heb je dus een lastig grijpbaar concept binnen een ander lastig grijpbaar concept. Net als over objectiviteit valt er over relevantie veel te zeggen en zijn mensen het niet altijd met elkaar eens. Relevantie is in haar sociale constructie ook nog eens erg waarden-beladen. Het gaat er namelijk over wat we belangrijk vinden en wat overbodig. McQuail (1992, p.198) zegt hierover:


“For news to be of value to intended audiences and to the various social processes in which it it plays an important part, it has to deal with significant matters of current concern and with what is actually going on. Without relevance in this sense, it would be impossible to have any sensible notion of ‘completeness’ (since this must require selection acording to significance), nor would accuracy and factuality matter very much unless the ‘facts’ in question are germane to events and to the concerns of the media public.”
Dat nieuws relevante items moet brengen, of binnen haar items alle relevante informatie moet geven, is duidelijk. De vraag die zich vervolgens opdringt is natuurlijk wie bepaalt wat relevant is Net als bij objectiviteit is er niet een onfeilbare visie op relevantie in het nieuws. McQuail (1992, p 198-200) zet een aantal mogelijke aanknopingspunten op een rij:


  • Normative standards of relevance: de visie dat relevantie kan worden afgemeten aan ‘absolute’ normen impliceert het aanhangen van een grand theory of ideologie of het laten bepalen van relevantie aan experts op een bepaald gebied. De theorie van het Marxisme, het historisch materialisme, kan een standaard voor relevantie opleveren, maar deze standaard zou weer weinig betekenis hebben voor niet-Marxisten. Het laten bepalen van wat relevantie is door experts draagt weer het risico in zich van een elitaire, partijdige visie, die veraf staat van wat het publiek relevant acht.

  • Real world indicators of relevance: in deze visie is nieuws relevant naar mate het overeenkomt met dat wat onafhankelijke bronnen uit de ‘echte wereld’ als relevant bestempelen (denk bijvoorbeeld aan officiële statistieken van het CBS, beursberichten, persberichten vanuit de politiek en het bedrijfsleven etc.) Belangrijkste kritiek op deze visie is dat geen enkel instituut volledig onafhankelijk is en dat politieke, economische of juridische instituten vaak hun eigen agenda’s willen opleggen aan de media.

  • The audience as guide: een visie op relevantie die wel veel weerklank vindt in de journalistieke wereld is die van het publiek. Het hangt nauw samen met het democratische ideaal: de burger bepaalt wat relevant is. Een Amerikaanse studie uit 1982 (Burgoon et al.) toonde aan dat volgens journalisten de gevolgen van een gebeurtenis voor het publiek de belangijkste eigenschap van ‘nieuwswaardigheid’ is. Relevant in die zin is dus wat het publiek belangrijk vindt, wat het meeste invloed heeft op hun dagelijks leven. Hierbij moet opgemerkt worden dat het hier vaak gaat om wat de journalist denkt dat zijn publiek belangrijk vindt. Meestal heeft hij hier namelijk geen gefundeerd beeld van. De door het publiek relevant geachte onderwerpen komen meestal niet overeen met datgene wat volgens de ‘real world indicators’ en ‘experts’ als relevant wordt gezien. Zij bemerken hierin terecht op dat als relevantie puur door het publiek wordt bepaald, het gevaar van sensationalisme op de loer ligt.

  • Journalistic criteria of relevance: de bovenstaande nieuwselectiecriteria worden in de journalistieke praktijk nooit eenzijdig uitgevoerd. Meestal vormt het idee dat de journalist heeft over nieuwswaardigheid een combinatie van bovenstaande criteria. Volgens McQuail zijn de belangrijkste criteria die journalisten hanteren ‘timeliness’ (tijdigheid) en ‘topicality’.(actualiteit). McQuail (1992) vat de journalistieke notie van relevantie als volgt samen:

“In short, we might follow journalism some way and consider that, other things being equal, the ‘larger’ the event (or topic), the greater the number of people affected, the more immediate its impact (timeliness) and the ‘closer’ to home (culturally or geographically), the more journalistic significance it has and therefore the more relevance.” (p. 200)

Shoemaker en Reese (1996) onderscheiden de volgende ‘nieuwswaardefactoren’.



    • Prominence/ Importance: Het belang van een verhaal wordt gemeten aan de hand van haar invloed. Dodelijke ongelukken zijn belangrijker dan materiële schade, de acties van machtige mensen zijn nieuwswaardig, omdat ze consequenties hebben voor het algemene publiek.

    • Human Interest: Mensen zijn ook geïnteresseerd in zaken die geen direct effect op hun leven hebben., zoals beroemdheden, politieke roddels en menselijke drama’s. Deze verhalen hebben een zogenaamd ‘human interest’-aspect die deze interesse ontlokken. Om deze reden bericht televisienieuws vaak vanuit de mensen op menselijk vlak door het onderwerp getroffen zijn.

    • Conflict/controversy: Mensen zijn geïnteresseerd in conflict omdat het ons op belangrijke zaken wijst. Conflict is interessanter dan harmonie. Waarschijnlijk komt dit door de veronderstelling dat zaken meestal harmonieus verlopen. Als iets niet harmonieus verloopt willen we er meer over weten.

    • The unusual: Ongebruikelijke zaken worden door het publiek ook interessant gevonden. We gaan ervan uit dat de gebeurtenissen van vandaag ongeveer hetzelfde zullen verlopen als die van gisteren. Het ongebruikelijke vormt een uitzondering op deze regel.

    • Timeliness: Nieuws is tijdelijk. Mensen hebben beperkte aandacht en willen weten wat er nu aan de hand is. Actuele zaken vereisen vaker directe actie dan niet actuele.

    • Proximity: Gebeurtenissen die dichtbij gebeuren worden door journalisten nieuwswaardiger geacht dan gebeurtenissen ver weg. Lokale gebeurtenissen hebben meestal meer effect op het leven van de kijker, dan gebeurtenissen ver van huis. Om die reden zoeken lokale media ook lokale invalshoeken voor nationale gebeurtenissen om de aandacht van het publiek vast te houden.

(Shoemaker & Reese, 1996, p. 111)


Bovenstaande nieuwswaardefactoren zijn het resultaat van onderzoek naar welke gebeurtenissen het nieuws halen en welke niet. Ze geven aan welke gebeurtenissen journalisten relevant (nieuwswaardig) achten en welke niet.

2.2.3 Evaluatieve aspecten van objectiviteit, oftewel impartiality


Het tweede hoofdaspect uit Westerståhls objectiviteitsschema is ‘impartialiy’ ofwel onpartijdigheid. Onpartijdigheid is een nieuwseigenschap die zowel door journalisten als door haar critici, alsmede in verschillende omroepwetten gewaardeerd wordt. Vaak wordt het begrip als synoniem gebruikt voor objectiviteit (McQuail, 1992) Binnen deze scriptie wordt uitgegaan van de visie waarin onpartijdigheid een onderdeel is van objectiviteit, zoals uiteengelegd in Westerståhls model. Het analyseren van onpartijdigheid in nieuwsteksten is geen gemakkelijke opgave, omdat bepaalde kleuringen vaak latent aanwezig zijn. Het niet- manifeste van ideologische elementen in het nieuws hangt weer samen met de wens van journalisten om objectief te zijn. Onderzoekers die de vinger willen leggen op latente aanwezigheid van partijdigheid in nieuwsteksten zullen zich moeten bedienen van speciale onderzoeksmethoden. Het belangrijkste punt in onderzoek naar (on)partijdigheid is de vraag of
“a news texts tends systematically to favour one side over another in controversial or disputed matters, to lead the receiver consistently in a certain direction.” (McQuail, 1992, p.201)
Westerståhl deelt onpartijdigheid op in enerzijds evenwichtigheid en anderzijds neutrality. Volgens Rosengren (1980) gaat evenwichtigheid over de mate waarin verschillende perspectieven en bronnen aan bod komen in de berichtgeving, en neutrality over de manier waarop deze perspectieven en bronnen in beeld gebracht worden. Volgens McQuail (1992) vereist onpartijdige berichtgeving dat een journalist een zekere afstand bewaard tot het nieuws en geen kant kiest in zaken waarbij verschillende invalshoeken aanwezig zijn. Hoe die onpartijdigheid vorm krijgt is in grote mate het resultaat van journalistieke consensus. Sommige extreem negatieve gebeurtenissen dienen niet persé vanuit verschillende perspectieven te worden bekeken (bijvoorbeeld, natuurrampen, zware criminele delicten, martelingen, etc.). De meeste in potentie nieuwswaardige gebeurtenissen voldoen echter niet aan deze eis. Van journalisten wordt over het algemeen verwacht dat “ze in hun berichtgeving rekening houden met alternatieve evaluaties en belangen, met de diversiteit van hun publiek en met de eis om recht te doen aan de complexiteit van een realiteit waarin oppositionele belangen en gezichtspunten een plaats hebben (McQuail, 1992 p.201)
THE STANDARD OF BALANCE

De essentie van Westerståhls deelaspect ‘evenwichtigheid’ is volgens McQuail (1992) het selecteren of weglaten van feiten of visies op feiten door betrokken partijen. Ook voor evenwichtigheid geldt dat er geen absolute visie is. Een mogelijk journalistiek uitgangspunt is het geven van evenveel aandacht aan alle relevant geachte partijen. Het volgende probleem dat zich dan aandient is de vraag of alle relevante partijen even belangrijk zijn. In maatschappelijke conflicten zijn er doorgaans belangrijke en minder belangrijke actoren. Wie nu precies belangrijk is, is niet altijd eenduidig vast te stellen. Een mogelijkheid is om het aantal betrokkenen namens wie iemand spreekt als indicator te gebruken voor iemands relatieve aandeel in een nieuwsbericht. Kijken we dan bijvoorbeeld naar een arbeidsconflict tussen werkgevers en werknemers, dan zou je de vakbondsleider meer aandacht moeten geven dan de voorzitter van de Raad van Bestuur. De vakbondsleider vertegenwoordigt getalsmatig namelijk meer mensen. De voorzitter van de Raad van Bestuur vertegenwoordigt echter weer de macht van het kapitaal. Deze macht zou dus, voor een gebalanceerd verslag ook meegewogen moeten worden. Het gevaar van je beschikbare tijd in een nieuwsbericht over relatief belangrijke personen te verdelen, is weer dat je alleen formele visies laat zien. Zoals we eerder in dit hoofdstuk vaststelden laten officiële vertegenwoordigers van bedrijven,vakbonden en politiek, of hun woordvoerders,officële visies horen. Hierin zit vaak een strategisch belang van de betrokken partij.


THE STANDARD OF NEUTRALITY

Volgens Westerståhl (1983) impliceert neutrale verslaggeving dat “the report not to be composed in such a way that the reporter is shown to identify with, or repudiate, the subject of the report” (p. 420). Volgens McQuail (1992) is de scheidslijn tussen balance en neutrality erg dun. Neutrality heeft meer te maken met het gebruik van ‘potentially evaluative words, images and frames of reference and also of different styles’ (p. 201).

Bij het onderzoeken van neutrality ligt de nadruk meestal ook niet op de denotatie (letterlijke betekenis) van woorden, zinnen of beelden, maar eerder op de connotatie (de onderliggende betekenis). Wat hierin natuurlijk een belangrijke rol speelt is de vraag of bepaalde connotaties ook eenduidig worden verwerkt door het publiek. McQuail (1992) geeft aan dat onderzoek naar neutrality alleen toepasbaar is op pure nieuwsberichten en niet op collumns en commentaren waarin het innemen van een positie toegestaan is.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina