Inhoudsopgave Artikel 1 toepassingsgebied 17 Artikel 1 toepassingsgebied 17



Dovnload 425.46 Kb.
Pagina2/7
Datum20.08.2016
Grootte425.46 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Artikel 2 DEFINITIES


Onderstaande lijst is een aanvullende lijst van definities van toepassing op het eenheidsreglement die nog niet in andere wetgeving (bijv. VLAREMA, VLAREM, Decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid, ...) of in het FPC-handboek voor de bouwtechnische keuring zijn gegeven, tenzij onder dit eenheidsreglement er een andere invulling aan wordt gegeven.


  • aanleveringsbon: weegbon die bij de aanlevering wordt opgesteld onder voorbehoud van verdere verwerking;

  • certificaathouder: producent van gerecycleerde granulaten die hiervoor gecertificeerd is overeenkomstig het eenheidsreglement door een certificatie-instelling;

  • Certificatiereglement [product]: document dat de procedure- en beleidsregels van het [product]certificatiesysteem vastlegt;

  • het FPC-handboek is een systeem van productcontrole overeenkomstig EN 16236 dat er voor moet zorgen dat de op de markt gebrachte producten de opgegeven prestatiekenmerken vertonen.
    Het FPC-handboek geeft de methodiek die ervoor zorgt (en bewijst) dat het productieverloop onder controle is. Het omvat een permanente interne controle van de productie, uitgeoefend door de fabrikant van het product, procedures om te garanderen dat het product presteert naar de opgegeven waarden die in het initiële typeonderzoek zijn aangetoond. Het FPC-systeem dient te bestaan uit schriftelijke vastgestelde procedures (een werkhandboek) en regelmatige inspecties en proeven en/of beoordelingen, en dient de resultaten daarvan te gebruiken voor de beoordeling van inkomende grondstoffen of onderdelen, uitrusting, het productieproces en het product. Het FPC-systeem moet een voldoende niveau van vertrouwen geven en handhaven om te garanderen dat het product voldoet aan de eisen van deze Europese norm;

  • keurmeester: bevoegde afgevaardigde van de certificatie-instelling belast met de controletaken voor de externe controle;

  • leverancier (EN 45011/3.1): de partij tot wiens bevoegdheid het behoort te bewerkstelligen dat het product beantwoordt aan de eisen waarop de certificatie gebaseerd is;

  • milieuvergunningstoestand: overzicht van de juridische situatie t.o.v. de milieuvergunningsreglementering. In deze context wordt hieronder verstaan: de milieuvergunning klasse 1 en klasse 2 en de melding;

  • opschorting autonome levering: periode waarin de certificaathouder de betreffende producten/soorten niet meer mag leveren zonder voorafgaande toelating van de certificatie-instelling;

  • partij puin: een hoeveelheid puin die als een afgesloten geheel beschouwd moet worden. De certificaathouder definieert in zijn technisch dossier de wijze waarop een partij wordt samengesteld;

  • product: in dit reglement slaat de term "product" op een gerecycleerd granulaat, gerecycleerde brokken of freesasfalt onderscheiden naar soort en kaliber en die aan de vereiste voorwaarden van dit eenheidsreglement voldoet;

  • productiedag: dag waarop er, door 1 bewerkingsinstallatie, minstens enige productie is geweest;

  • productieperiode: periode, van maximaal 28 opeenvolgende kalenderdagen, waarin er minstens enige productie is geweest;

  • proefmonster: hoeveelheid nodig voor de uitvoering van een proef;

  • register van verwerkte afvalstoffen: het register dat de verwerker bijhoudt overeenkomstig artikel 7.2.1.4 van het VLAREMA;

  • soort: groep van zaken die zich door gemeenschappelijke kenmerken onderscheiden. Meer specifiek wordt in dit reglement door de term soort een onderscheid gemaakt tussen brekerzeefzand, zeefzand asfalt, betongranulaten, metselwerkgranulaten, menggranulaten, asfaltgranulaten (al dan niet PAK-houdend), sorteerzeefzand en sorteerzeefgranulaat;

  • sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval: is een vergunde inrichting voor het uitsorteren van afvalstoffen via een aparte installatie (vb. sorteerlijn) waarvan de inerte puinfractie na uitsortering wordt afgevoerd naar een vergunde puinbreker. De sortering is een aparte activiteit en vindt plaats voorafgaand aan het eventuele breekproces;

  • vaste locatie: geografische plaats waar puin wordt aangevoerd, die door een fysische afscheiding ontoegankelijk wordt gemaakt en waar alle toegangswegen kunnen worden afgesloten met een poort. In dit reglement betreft het locaties met puinverwerkingsinstallatie;

Artikel 3 CERTIFICATIE-INSTELLING
Art. 3.1 Mandaat

De certificatie-instelling moet voldoen aan de volgende voorwaarden:



  1. De certificatie-instelling is voldoende representatief voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij het gebruik van gerecycleerde granulaten.
    De certificatie-instelling wordt geacht hieraan te voldoen als haar structuur of haar aandeelhouderschap bestaat uit één of meer organisaties, die voldoende representatief zijn binnen de sector die bij het gebruik van gerecycleerde granulaten in het Vlaamse Gewest betrokken is.

  2. De werking en de structuur van de certificatie-instelling zijn in overeenstemming met de norm NBN EN 45011 en de certificatie-instelling is daartoe geaccrediteerd door BELAC of door een ander lid van de European Accreditation (EA). De accreditatie heeft betrekking op de uit te voeren activiteiten.

  3. Er kan aangetoond worden dat er volledig wordt voldaan aan dit eenheidsreglement, door minstens drie producenten op te volgen gedurende één jaar. Gedurende die periode worden de producenten opgevolgd door een reeds aanvaarde certificatie-instelling.

De certificatie-instelling is ertoe gemachtigd om op te treden om het merk tegen elk misbruik door de certificaathouders te beschermen, en onrechtmatige verwijzingen naar de specificatie waarvoor de certificatie van toepassing is, tegen te gaan.
Art. 3.2 Informatieplicht

De certificatie-instelling stelt jaarlijks een overzichtstabel op van de gerecycleerde granulaten. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de gerecycleerde granulaten die geproduceerd zijn op een vaste locatie, en de gerecycleerde granulaten van een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf. Er moet een verdere onderverdeling gemaakt worden per soort geproduceerd granulaat. Vanaf zes maanden na de erkenning van een sloopbeheerorganisatie wordt een bijkomende onderverdeling gemaakt in productie afkomstig van puin met een hoogmilieurisico-profiel en puin met een laagmilieurisico-profiel. Aan de certificatie-instelling kan ook gevraagd worden om specifieke informatie te verstrekken aan de OVAM of aan de toezichthouder.

De certificatie-instelling houdt per soort een overzicht bij en geeft daarbij aan welke gerecycleerde granulaten door de bedrijven worden aangeboden. Ieder jaar, vóór 15 maart, bezorgen de certificatie-instellingen een dergelijk overzicht van het afgelopen jaar aan de OVAM. Die lijst wordt tevens digitaal ter beschikking gesteld via de website van de certificatie-instelling.

Vanaf zes maanden na de erkenning van een sloopbeheerorganisatie wordt er bij de geaccepteerde puinstromen, zowel van de vaste locaties als van bouw- en sloopwerven, een onderscheid gemaakt in puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP) en puin met een laagmilieurisico-profiel (LMRP).

De certificatie-instelling stelt van de geaccepteerde puinstromen jaarlijks een overzichtstabel op.

Deze info moet op vraag van OVAM ook kunnen voorgelegd worden voor een welbepaalde producent en productie-eenheid.



Art. 3.3 Beheer van het eenheidsreglement
Art. 3.3.1

De certificatie van de gerecycleerde granulaten moet overeenkomstig het eenheidsreglement gebeuren.


Art. 3.3.2

Een certificatie-instelling kan een aanvraag indienen om in aanmerking te komen voor het certificeren van gerecycleerde granulaten overeenkomstig het eenheidsreglement. De aanvraag moet met een aangetekende brief verstuurd worden naar de OVAM. In de aanvraag moet ook het reglement bijgevoegd worden op basis waarvan de keuring en de certificatie zal gebeuren en waarvoor een accreditatie werd bekomen.

De OVAM doet een uitspraak en betekent die uiterlijk 90 kalenderdagen na de ontvangstdatum. De termijn wordt geschorst vanaf de verzending van de aanvraag tot aanvullingen door de OVAM. De aanvullingen worden opnieuw met aangetekende brief naar de OVAM gestuurd. De termijn begint opnieuw te lopen vanaf de datum dat de aanvullingen zijn ontvangen.

De OVAM betekent de beslissing aan de aanvrager.


Art. 3.3.3

De OVAM zorgt voor een overzicht van de certificatie-instellingen met een verwijzing of een link naar hun respectieve websites.

Wanneer de certificatie-instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 3.1 en artikel 3.2, wordt de certificatie-instelling verwijderd uit het overzicht van de certificatie-instellingen. Om terug in aanmerking te komen voor het certificeren van gerecycleerde granulaten, moet de certificatie-instelling een nieuwe aanvraag indienen overeenkomstig artikel 3.3.2.
Art. 3.3.4

In het geval een gecertifieerde mobiele installatie wordt ingezet op een gecertificeerde vaste locatie, is de gecertificeerde vaste locatie verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement en de afvoer van de gerecycleerde granulaten.


Art. 3.3.5

De OVAM richt een overlegstructuur op waarbij de verschillende betrokken partijen vertegenwoordigd zijn, namelijk:



  • de OVAM;

  • de certificatie-instellingen;

  • de representatieve beroepsverenigingen voor de sector.

Deze overlegstructuur adviseert de OVAM bij de opvolging van het eenheidsreglement.

Artikel 4 DRAAGWIJDTE VAN HET CERTIFICAAT


Art. 4.1

Ieder certificaat wordt verleend per product en productie-eenheid.


Art. 4.2

Door het verlenen van het certificaat verklaart de certificatie-instelling dat de conformiteit van het gecertificeerde gerecycleerd granulaat regelmatig wordt nagegaan. Dit gebeurt op basis van de periodieke controle van de zelfcontrole van de certificaathouder, overeenkomstig de bepalingen van dit reglement.


Art. 4.3

Door het verlenen van het certificaat erkent de certificatie-instelling dat er voldoende mate van vertrouwen bestaat dat de certificaathouder in staat is om op basis van zijn zelfcontrole de conformiteit van zijn product te waarborgen.


Art. 4.4

Door het aanbrengen van het certificatielogo volgens de bepalingen van artikel 8 waarborgt de certificaathouder dat het gerecycleerd granulaat overeenkomstig is en verbindt hij er zich toe alle maatregelen te treffen opdat dit doorlopend het geval zou zijn.


Art. 4.5

Het aanbrengen van het certificatielogo ontslaat de certificaathouder niet van zijn verantwoordelijkheden en vervangt deze niet door die van de certificatie-instelling of enige ander bij de certificatie betrokken instantie.

Artikel 5 CONTROLELABORATORIA
Art. 5.1 Erkenning van de controlelaboratoria

De milieuhygiënische analyses inclusief de bepaling van asbest (in het kader van dit reglement) moeten uitgevoerd worden door een laboratorium erkend door de OVAM. Voor de PAK-spraytest, de bepaling van de fysische verontreiniging (vlottende, niet-vlottende, glas) en asbestverdacht materiaal, uitgevoerd in het kader van de zelfcontrole (zie artikel 7.6.3), is geen door OVAM erkend laboratorium vereist.

Artikel 6 VERGUNNINGEN
Art. 6.1

De producent zorgt ervoor dat hij op elk moment de geldende milieuwetgeving respecteert.

Indien de certificatie-instelling twijfels heeft omtrent de milieuvergunningstoestand, moet de producent de nodige bewijzen leveren dat de productielocatie beschikt over de vereiste milieuvergunning voor het produceren van gerecycleerde granulaten.
Indien blijkt dat er inderdaad geen geldige milieuvergunning aanwezig is wanneer dit vereist is, neemt de certificatie-instelling volgende maatregelen ten aanzien van de certificaathouder:


  • de productie werd nog niet aangevat: de certificaathouder wordt er van verwittigd dat indien hij de productie aanvat zonder geldige milieuvergunning, de geproduceerde granulaten niet voldoen aan het eenheidsreglement en dus niet op markt mogen gebracht worden met certificaat.

  • de productie werd reeds aangevat: de certificaathouder wordt er van verwittigd dat de geproduceerde granulaten niet voldoen aan het reglement. De volledige productie moet afgevoerd worden naar een vergunde inrichting onderworpen aan het eenheidsreglement waar de gerecycleerde granulaten behandeld moeten worden in een bewerkingsinstallatie zoals vermeld in artikel 7.2.1'.

Tevens licht de certificatie-instelling de toezichthoudende overheid in over de onregelmatigheid.

Artikel 7 ZELFCONTROLE


Art. 7.1 Algemene bepalingen

Om de continuïteit van de conformiteit van zijn product te waarborgen, is de producent ertoe gehouden op het bouw- en slooppuin, op de productie en op het afgewerkte product dat het voorwerp uitmaakt van de productcertificatie, een zelfcontrole uit te voeren volgens welbepaalde controleschema’s. De resultaten van die controles worden genoteerd in werkboeken en bijgehouden in controleregisters waarvan er papieren exemplaren beschikbaar zijn.


Art. 7.2 Productie-installaties
Art. 7.2.1

De aanvrager/certificaathouder beschikt over een geschikte installatie om het aangevoerde puin te bewerken tot gerecycleerde granulaten die aan de voorwaarden van het VLAREMA voldoen. Al het puin moet bij de certificaathouder in de bewerkingsinstallatie worden behandeld.

Een bewerkingsinstallatie omvat de volgende basiselementen:


  1. een geijkte weeginstallatie (tenzij anders vermeld in de milieuvergunning). Bij afvoer vanaf een bouw- of sloopwerf moet de weeginstallatie permanent aanwezig zijn tot alle gerecycleerde granulaten afgevoerd zijn;

  2. een voorafzeving (niet vereist bij freesasfalt);

  3. een breekinstallatie (indien van toepassing);

  4. een zeefinstallatie;

  5. voor een mobiele installatie op een bouw- en sloopwerf én voor een mobiele installatie op een vaste locatie: een webgebaseerd informatiesysteem dat moet gekoppeld zijn met een GPS-volgsysteem dat autonoom en draadloos informatie doorstuurt naar een centrale server die door Vito wordt beheerd. Deze informatie dient toe te laten de positie van de installatie correct te bepalen, het al dan niet actief zijn van de installatie, de productieperiode (datum en tijdstip) na te gaan, de goede werking van het webgebaseerd informatiesysteem te valideren en frauduleuze handelingen met het systeem te detecteren. Het al dan niet actief zijn van de installatie moet op een onafhankelijke manier geregistreerd worden, zonder enige elektronische interactie met de installatie zelf. Bijkomende informatie kan via SMS berichten doorgestuurd worden en wordt vanuit het GPS-volgsysteem geüpload naar de centrale server. Eindgebruikers (de overheid, de certificatie-instelling en de producent) hebben uitsluitend leesrechten op de centrale server waarmee ze status informatie kunnen opvragen.
    De gegevens moeten bijgehouden en opgelijst worden in een centrale databank die online beschikbaar is voor de certificatie-instelling en de toezichthouder.

Naargelang de aard van het aanvaarde puin worden de basiselementen van een bewerkingsinstallatie uitgebreid met de volgende voorzieningen:

  • voor puin dat staal bevat: een magneetafscheider;

  • voor puin met onzuiverheden: de nodige inrichtingen (vb windzifter, afzuiginstallatie, waterbak, ...) om de afvalstoffen af te scheiden en op te slaan.

Bij een mobiele installatie moet, van zodra het certificaat toegekend is, het logo of de naam van de certificatie-instelling, gevolgd door het nummer van het certificaat, lees- en zichtbaar worden aangebracht op de installatie.

Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning moet per werf een naambord, lees- en zichtbaar vanaf de openbare weg, worden geplaatst. Minstens de volgende gegevens moeten worden vermeld:



  • de naam, het adres en de contactgegevens (telefoon, fax, e-mail) van de exploitant van de installatie;

  • het logo van de certificatie-instelling of de naam van de certificatie-instelling, gevolgd door het identificatienummer van het certificaat van de productie-eenheid. Als de productie-inrichting zich nog in de toelatingsperiode bevindt, kan na de toestemming van de certificatie-instelling worden vermeld: “In de toelatingsperiode gevolgd door het nummer van de producent”;

  • naam en contactgegevens van de toezichthoudende overheid;

  • de GPS-coördinaten.

Het naambord wordt geplaatst bij het begin van de breek- en of zeefactiviteiten en wordt verwijderd nadat alle gerecycleerde granulaten zijn verwerkt en afgevoerd.
Art. 7.3 Monsternemingsapparatuur en laboratorium voor zelfcontrole
Art. 7.3.1

Voor iedere vaste locatie en voor iedere bouw- of sloopwerf waar gerecycleerde granulaten worden geproduceerd, moeten altijd de volgende instrumenten voor de monsterneming ter beschikking worden gesteld van de certificatie-instelling:



  • een wiellader of kraan met machinist en personeel om de monsterneming uit te voeren,

  • spleetverdelers van de toepasselijke afmetingen voor de controle van de gerecycleerde granulaten, of bij voorkeur één spleetverdeler met regelbare openingen.


Art. 7.3.2

De controleproeven waarvoor geen door de OVAM erkend laboratorium vereist is, kunnen worden uitgevoerd in een intern laboratorium dat beschikt over voldoende mogelijkheden (stofafzuiging, trillingsvrij …) en ruimte.


Art. 7.3.3

Ieder apparaat moet gekalibreerd of geijkt zijn volgens de geldende normering en moet worden voorzien van een unieke identificatie.


Art. 7.3.4

Voor een deel of het geheel van de proeven voor zelfcontrole mag de certificaathouder een beroep doen op een extern laboratorium dat voldoet aan de eisen van artikel 7.3.2.


Art. 7.3.5

De producent beschikt over een stofvrij lokaal voor de administratieve verwerking van de resultaten van de controles en de proeven. Dat lokaal wordt bij externe controle ter beschikking gesteld van de certificatie-instelling.


Art. 7.4 Controlepersoneel

Wanneer alle vereiste bepalingen en gegevens die in onderstaande artikels worden vermeld, ook in het FPC-handboek zijn opgenomen, wordt verwezen naar dit FPC-handboek.


Art. 7.4.1

De aanvrager/certificaathouder wijst een verantwoordelijke voor de zelfcontrole aan die:



  • de nodige beslissingsbevoegdheid bezit in het geheel van de interne organisatie van de productie-eenheid, om de conformiteit van de producten te waarborgen;

  • minstens beschikt over een getuigschrift van hoger technisch onderwijs of over passende ervaring;

  • zijn taak uitvoert onder het toezicht van de directieverantwoordelijke van de aanvrager/certificaathouder en die niet afhankelijk is van de verantwoordelijke voor de productie, noch van de verantwoordelijke voor de verkoop;

  • instaat voor de algemene organisatie, coördinatie en supervisie van de controlewerkzaamheden en voor de eerbiediging van het geheel van de reglementaire bepalingen.

De aanvrager/certificaathouder wijst een vervanger aan die over dezelfde bekwaamheden en bevoegdheden beschikt en die in staat is alle taken waar te nemen tijdens zijn afwezigheid.
Art. 7.4.2

De aanvrager/certificaathouder wijst het hoofd van het laboratorium voor de zelfcontrole en zijn plaatsvervanger aan, die op de hoogte zijn van de proeven voor zelfcontrole en van alle toepasselijke technische bepalingen en vereisten. Het hoofd van het laboratorium kan alle proeven die in de productie-eenheid uitgevoerd worden zelf interpreteren. Hij geeft de nodige instructies voor de uitvoering van de proeven in het interne of in een extern laboratorium voor zelfcontrole.


Art. 7.4.3

De aanvrager/certificaathouder verleent aan minstens twee personen de machtiging om de bezoekverslagen van de certificatie-instelling te ondertekenen.


Art. 7.4.4

Elke persoon die betrokken is bij de zelfcontrole, beschikt, in verhouding tot de aan hem toevertrouwde taken en verantwoordelijkheden, over een geschikte opleiding, over bekwaamheid en ervaring.


Art. 7.5 Technisch dossier

Wanneer alle vereiste bepalingen en gegevens die in onderstaande artikels worden vermeld, ook in het FPC-handboek zijn opgenomen, wordt verwezen naar dit FPC-handboek.


Art. 7.5.1

De producent stelt een technisch dossier op waarin alle specifieke elementen die vereist zijn in het kader van het eenheidsreglement, in het productiebeheersysteem geïntegreerd worden. Zo moeten alle organisatorische en technische maatregelen die genomen zijn om de conformiteit van zijn product te waarborgen, beschreven worden. Het technisch dossier moet beschikbaar zijn voor de certificatie-instelling en de toezichthouder.


Art. 7.5.2

Het technisch dossier omvat naast een verklaring van de directie die haar kwaliteitsbeheer, doelstellingen en verbintenissen bepaalt, alle controleprocedures met betrekking tot de organisatorische structuren, de controle van de grondstoffen, de procescontroles, de productcontroles, het voorraadbeheer, en een procedure voor het beheer van niet-conforme mengsels.


Art. 7.5.3

Het technisch dossier omvat minstens de gegevens die nodig zijn voor de bouwtechnische keuring overeenkomstig het FPC-handboek.


Bijkomend moeten volgende gegevens vermeld worden:

  • het acceptatiereglement van het aangevoerde puin;

  • een kopie van de grondstofverklaringen (als dat vereist is volgens het VLAREMA);

  • een omschrijving van de wijze waarop een partij wordt samengesteld als een hoeveelheid puin die als een afgesloten geheel beschouwd moet worden (zie artikel 7.6.1.1, 4);

  • een omschrijving van de wijze waarop een productiebatch wordt samengesteld (zie artikel 7.6.1.1, 4).


Art. 7.5.4

De certificaathouder draagt er zorg voor dat het technisch dossier voortdurend de werkelijke situatie weergeeft. Alle aanpassingen moeten onmiddellijk aan de certificatie-instelling schriftelijk worden meegedeeld.


Art. 7.6 Controleschema’s

De te volgen procedures moeten zowel tijdens de toelatingsperiode tot het behalen van een certificaat als tijdens de certificaatperiode gerespecteerd worden.


Art. 7.6.1 Controle aanvoer puin
Art. 7.6.1.1 Acceptatiecriteria

Het is alleen toegelaten om puin dat niet schadelijk is voor het milieu en de gezondheid en dat na bewerking een milieuhygiënisch en bouwtechnisch verantwoord eindproduct oplevert te aanvaarden. De certificaathouder stelt daartoe een acceptatiereglement op, waarin rekening wordt gehouden met minstens de volgende bepalingen:





  1. de aard van het puin en de verontreiniging ervan. Het acceptatiereglement bevat een opsomming van de aard van het aanvaardbare puin en de aanvaardings- of weigeringscriteria waaraan het moet voldoen. De bewerkingsinstallatie moet toelaten het aanvaarde puin te bewerken tot een conform gerecycleerd granulaat.

Puin dat wordt aangevoerd met een verklaring van selectieve sloop (of dat overeenkomstig een sloopinventaris is geproduceerd), wordt vermeld in het verwerkingsregister.


Zolang er voor puin afkomstig van afvalsorteerbedrijven en containerparken geen kwaliteitssysteem of modelbestek is opgemaakt en goedgekeurd, moet dit puin bij aanlevering een bijkomende zintuiglijke controle ondergaan vooraleer het geaccepteerd wordt. In het FPC-handboek van de inrichting wordt opgenomen waaruit deze bijkomende controle bestaat. Deze bijkomende controle laat toe na te gaan wie niet-conform materiaal heeft aangevoerd. De opmerkingen uit deze bijkomende controle evenals de handelingen die daaruit voortvloeien, worden geregistreerd in overeenstemming met het VLAREMA.

Vanaf zes maanden na de erkenning van een sloopbeheerorganisatie moet er bij de acceptatie een onderscheid gemaakt worden in puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP) en puin met een laagmilieurisico-profiel (LMRP).


Volgende afvalstromen kunnen door de certificaathouder als LMRP aanvaard worden:

  • puin afkomstig van de inzameling op het containerpark waarvan kan aangetoond worden dat het is ingezameld overeenkomstig de Richtlijnen die ter informatie in bijlage 3 worden gegeven;

  • puin van sorteerinrichtingen waarvan kan aangetoond worden dat ze voldoen aan het Kwaliteitsborgingsysteem dat ter informatie in bijlage 4 worden gegeven;

  • puin afkomstig van selectief slopen, ontmantelen en renoveren van gebouwen waarvoor de sloopinventaris verplicht is, waarvan kan aangetoond worden dat de sloop overeenkomstig de sloopinventaris is uitgevoerd en dat het puin traceerbaar is door een sloopattest voor LMRP van een erkende sloopbeheerorganisatie;

  • puin afkomstig van selectief slopen, renoveren en ontmantelen van gebouwen waarvoor de sloopinventaris niet verplicht is, maar waarvoor een sloopattest voor LMRP van een erkende sloopbeheerorganisatie kan voorgelegd worden;

  • puin afkomstig van infrastructuurwerken waarvoor een sloopattest voor LMRP van een erkende sloopbeheerorganisatie kan voorgelegd worden;

  • puin van productieafval (betonindustrie, baksteenindustrie, …) die technisch niet voldoen;

  • afgezeefde stenen waarvan kan aangetoond worden dat ze afkomstig zijn van het afzeven van bodem die voldoet aan de waarden voor het gebruik van uitgegraven bodem als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product (VLAREBO-bijlage VI en VII);

  • puin van niet-verontreinigde natuursteenbewerking zoals bv kasseistenen, arduinstenen, boordstenen, zerken e.d.;

  • puin waarvan kan aangetoond worden dat bij de aanvaarding van het puin per partij minstens één conforme representatieve milieuhygiënische analyse werd uitgevoerd (minimaal één analyse per 1000 m³ op alle parameters waarnaar verwezen wordt in artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA).

Puin dat in overeenstemming met de hierboven vermelde voorwaarden niet als LMRP kan aanvaard worden, moet verwerkt worden als puin met HMRP.

Geweigerde vrachten worden eveneens geregistreerd in het weigeringsregister.


  1. de volgende materialen moeten als een aparte stroom aanvaard worden en kunnen niet samen met andere materialen verwerkt worden:

  • asbesthoudende materialen;

  • asbestvrije vezelcementmaterialen;

  • spoorwegballast;

  • cellenbeton;

  • vliegassen en bodemassen van verbrandingsinstallaties;

  • gips of met gipsafval verontreinigd sloopafval;

  • metaalslakken, non-ferroslakken, keramiek en porselein;

  • slakken die afkomstig zijn van afvalverbrandingsinstallaties;

  • puin dat visueel of organoleptisch verontreinigd is met asbest, teer, gevaarlijke afvalstoffen;

  • alle andere materialen waarvoor er volgens het VLAREMA een grondstofverklaring wordt vereist.

De bovenvermelde materialen of puin waarbij een aanzienlijke hoeveelheid van de bovenvermelde materialen aanwezig is, mogen alleen worden aanvaard als de producent daarvoor specifiek vergund is en, in voorkomend geval, als de gebruikscertificaten of grondstoffenverklaringen aanwezig zijn. Ze moeten steeds afzonderlijk worden opgeslagen en verwerkt en mogen in geen geval worden vermengd met ander bouw- of slooppuin of met gerecycleerde granulaten;

3 asfalt dat bij gebruik van de PAK-spraytest een gele verkleuring vertoont mag alleen worden aanvaard als de certificaathouder hiervoor vergund is. De analyses moeten gebeuren zoals opgelegd in het VLAREMA;

4 puin dat afkomstig is van onderstaande herkomsten, moet per partij (van maximaal 1000 m³) verwerkt worden:


  • afgezeefde stenen uit bodem die niet conform VLAREBO-bijlage VI en VII is;

  • puin dat afkomstig is van fysico-chemische reiniging van uitgegraven bodem of gelijkaardige afvalstoffen;

  • puin dat afkomstig is van een brand;

  • puin dat afkomstig is van een gedwongen/verplichte afvoer van afvalstoffen en van bodemsaneringswerken conform het Bodemdecreet.

Deze lijst kan in de toekomst door de OVAM, na advies van de overlegstructuur, worden uitgebreid met andere stromen. Dit puin hoeft niet per partij verwerkt te worden op voorwaarde dat bij de aanvaarding van het puin per partij minstens één conforme representatieve milieuhygiënische analyse wordt bijgevoegd (minimaal één analyse per 1000 m³ op alle parameters waarnaar verwezen wordt in artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA );

Vanaf zes maanden na de erkenning van een sloopbeheerorganisatie moet al het puin dat niet als LMRP aanvaard wordt overeenkomstig 1°, als HMRP beschouwd worden en moet dit puin per partij verwerkt worden. Puin dat niet aan de voorwaarden van LMRP voldoet, moet geaccepteerd worden als HMRP. Het geaccepteerde puin wordt ingedeeld in dezelfde stromen als bij LMRP, nl. puin afkomstig van containerparken, sorteerinrichtingen, productieafval, slopen en renoveren van gebouwen, infrastructuurwerken en natuursteenbewerking die niet worden geaccepteerd als LMRP.

Bijkomend worden nog volgende stromen onderscheiden:


  • afgezeefde stenen uit bodem die niet in overeenstemming is met de waarden voor het gebruik van uitgegraven bodem als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product (VLAREBO-bijlage VI en VII);

  • puin dat afkomstig is van fysico-chemische reiniging van uitgegraven bodem of gelijkaardige afvalstoffen;

  • puin dat afkomstig is van een brand;

  • puin dat afkomstig is van een gedwongen/verplichte afvoer van afvalstoffen, van bodemsaneringswerken conform het Bodemdecreet en van landfill mining;

  • puin afkomstig van andere dan de hierboven vermelde herkomst.

Puin met een HMRP moet afzonderlijk vermeld worden in het register van verwerkte afvalstoffen. Bijkomend wordt voor puin met een HMRP een inventaris bijgehouden, waarbij voor elke partij minimaal volgende gegevens worden vermeld:

  • de herkomst;

  • de verantwoordelijke van de aanvoer;

  • het tonnage.

De locatie van de partijen op het terrein wordt aangegeven op het situatieplan dat wordt aangepast bij elke wijziging.

Het puin dat niet per partij moet verwerkt worden onder de voorwaarde dat bij de aanvaarding van het puin per partij minstens één conforme representatieve monstername en milieuhygiënische analyse wordt bijgevoegd (minimaal één analyse per 1000 m³ op alle parameters waarnaar verwezen wordt in artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA ), moet duidelijk in het register van verwerkte afvalstoffen vermeld worden;

5 de aanwezigheid van grond en glas moet worden beperkt overeenkomstig de richtlijnen van OVAM.

Het acceptatiereglement moet worden ondertekend door de certificaathouder of de gemachtigde werknemer van de certificaathouder.

De certificaathouder draagt er zorg voor dat zijn acceptatiereglement in overeenstemming is met de geldende milieuwetgeving.

Voor de verwerking van puin met een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf moet er een verklaring zijn van de opdrachtgever dat geen puin van andere locaties is aangevoerd.

De acceptatiecriteria van een vaste installatie moeten op elk moment zichtbaar aan de weegbrug ter inzage liggen voor de klant en moeten bij iedere offerte worden gevoegd. Het acceptatiereglement van een mobiele installatie moet altijd als bijlage bij de aanleveringsbon gevoegd worden. Voor de verwerking van puin met een mobiele installatie op een vaste locatie zijn volgende voorwaarden van toepassing:


  • er moet een verklaring beschikbaar zijn dat de vaste locatie volgens voorliggend eenheidsreglement gecertificeerd is;

  • de exploitant van de vaste inrichting is verantwoordelijk voor het acceptatiebeleid en de milieuhygiënische kwaliteit.



1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina