Inhoudsopgave Artikel 1 toepassingsgebied 17 Artikel 1 toepassingsgebied 17



Dovnload 425.46 Kb.
Pagina3/7
Datum20.08.2016
Grootte425.46 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Art. 7.6.1.2 Acceptatieprocedure op een vaste locatie

Alleen puin dat voldoet aan de acceptatiecriteria (zie artikel 7.6.1.1) mag worden aanvaard. Vanaf zes maanden na de erkenning van een sloopbeheerorganisatie moet er bij de acceptatie een onderscheid gemaakt worden in puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP) en puin met een laagmilieurisico-profiel (LMRP). De certificaathouder van een vaste locatie moet daartoe minstens de volgende maatregelen nemen:





  1. Controle aan de weeginstallatie

Alle vrachten worden onderworpen aan een eerste visuele controle. Daartoe moet de verantwoordelijke van de weeginstallatie (acceptant) rechtstreeks uitzicht hebben op de lading in de vrachtwagen of moet hij beschikken over een kleurencamera die kan inzoomen.

Iedere vracht asfaltpuin en brokken asfaltpuin wordt getest met de PAK-spraytest.

Het aangevoerde puin mag geen asbesthoudende materialen bevatten. Als het aangevoerde puin toch asbestverdacht materiaal in niet-hechtgebonden vorm bevat, wordt de opdrachtgever van het transport doorverwezen naar een vergunde verwerker voor verdere reiniging of voor verwijdering. Alle gegevens over de geweigerde vracht worden geregistreerd in het weigeringsregister.

Indien na aanvaarding van het puin toch hechtgebonden asbestverdacht materiaal in het aangevoerde puin aanwezig blijkt te zijn, moet dat op deskundige wijze, door daarvoor opgeleid personeel, worden verwijderd. De uitgesorteerde fractie asbestverdacht materiaal moet opgeslagen worden in aangepaste verpakkingen en/of afvalcontainers en overeenkomstig de geldende wetgeving afgevoerd worden naar een daartoe vergunde inrichting.

De afgevoerde asbestverdachte materialen worden opgenomen in het afvalstoffenregister. De afschriften van de stortbonnen worden bewaard.

Iedere vracht aangevoerd puin wordt gewogen en geïdentificeerd door een aanleveringsbon met oplopend volgnummer.


De aanleveringsbon kan een combinatie zijn van een identificatieformulier, een weegbon en soms een CMR. De aanleveringsbon vermeldt minstens alle gegevens van een identificatieformulier voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, zoals vermeld in artikel 6.1.1.2, §2 van het VLAREMA. De aanleveringsbon vermeldt minstens de volgende gegevens:

  • naam en adres van de certificaathouder;

  • datum en uur van aanvoer;

  • aard van het puin als vermeld in het acceptatiereglement, en het code-nummer (EURAL-code) volgens de afvalstoffenlijst (VLAREMA, bijlage 2.1),

  • herkomst;

  • vervoerder/klant;

  • nummerplaat van het vervoermiddel;

  • hoeveelheid gewogen aangevoerd puin;

  • handtekening van de vervoerder en van de certificaathouder of de gemachtigde werknemer van de certificaathouder.

Voor een particulier met een vracht van maximaal 5 ton mogen de gegevens van de aanleveringsbon beperkt worden tot de gegevens vermeldt van een identificatieformulier voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, zoals vermeld in artikel 6.1.1.2, §2, van het VLAREMA.

De aanleveringsbonnen worden in tweevoud opgemaakt. Het eerste exemplaar is bestemd voor de vervoerder/klant, het tweede wordt door de certificaathouder bijgehouden.


Deze bonnen mogen ook elektronisch bewaard worden voor zover ze op eenvoudige vraag kunnen afgedrukt worden.
2 Controle bij het lossen

Na het lossen van de vracht op de stockageplaats wordt een tweede visuele controle uitgevoerd. De wielladermachinist staat in contact met de verantwoordelijke van de weeginstallatie en controleert consequent elke vracht als het puin gelost wordt op de daartoe vastgelegde plaats op de voorraad.


De acceptatie gebeurt overeenkomstig artikel 7.6.1.1 en wordt beschreven in het FPC-handboek van de inrichting. Deze controle laat toe na te gaan wie niet-conform materiaal heeft aangevoerd en te bepalen of de vracht moet geweigerd worden. Via een visuele controle wordt nagegaan of de vracht voldoet aan de acceptatiecriteria. De opmerkingen uit deze bijkomende controle evenals de handelingen die daaruit voortvloeien, worden geregistreerd in overeenstemming met artikel 7.2.1.4 vanhet VLAREMA.
Er moet steeds een personeelslid aanwezig zijn dat voldoende geschoold is om asbest te herkennen.

3 Steekproefsgewijze controles

Tot de invoering van het HMRP en LMRP (zes maand na de erkenning van een sloopbeheerorganisatie) voert de certificaathouder in functie van de herkomst (verdacht/onverdacht), de vertrouwensrelatie met de klant, de aangeleverde hoeveelheden, … een intensief onderzoek uit: de vracht uitspreiden tot een monolaag en extra visuele controle. Deze handelingen worden geregistreerd in overeenstemming met artikel 7.2.1.4 van het VLAREMA.

4 Opleidingen

De verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant en de verantwoordelijke van de weeginstallatie (acceptant) zijn voldoende geschoold om asbest te herkennen. Het personeel op de stockageplaats (machinisten en supervisor) volgt een praktische opleiding. Minstens één keer per jaar moet intern een check-up van de kennis plaatsvinden. Die kan worden gedaan door de verantwoordelijke voor de zelfcontrole.

5 Registraties

Alle aangevoerde vrachten worden geregistreerd in het register van verwerkte afvalstoffen. Geweigerde vrachten moeten in het weigeringsregister vermeld worden met de reden van de weigering. Andere vaststellingen moeten overeenkomstig artikel 7.2.1.4 van het VLAREMA mee in het register van verwerkte afvalstoffen geregistreerd worden.

Art. 7.6.1.3 Acceptatieprocedure van een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf

Alleen puin dat voldoet aan de acceptatiecriteria (zie artikel 7.6.1.1), mag worden aanvaard. Vanaf zes maand na de erkenning van een sloopbeheerorganisatie moet er bij de acceptatie een onderscheid gemaakt worden in puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP) en puin met een laagmilieurisico-profiel (LMRP). De certificaathouder van een mobiele installatie moet hiertoe minstens de volgende maatregelen nemen:

1. Acceptatie bij aanvang van de breek-/zeefcampagne

Bij aanvang van de breek-/zeefcampagne worden alle voorraden puin onderworpen aan een eerste visuele controle door de verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant of de acceptant.
Iedere voorraad asfaltpuin wordt getest met de PAK-spraytest .

Indien na de acceptatie bij aanvang van de breek-/zeefcampagne blijkt dat het puin toch asbestverdacht materiaal in niet-hechtgebonden vorm bevat, wordt de opdracht alsnog geweigerd. De opdrachtgever wordt doorverwezen naar een vergunde verwerker voor verdere reiniging of voor verwijdering. Alle gegevens over de geweigerde voorraad worden geregistreerd in het weigeringsregister.


Indien na de acceptatie bij aanvang van de breek-/zeefcampagne blijkt dat toch hechtgebonden asbestverdacht materiaal in het puin aanwezig is, moet dat op deskundige wijze, door daarvoor opgeleid personeel, worden verwijderd. De verwijdering van het hechtgebonden asbestverdacht materiaal kan enkel gebeuren op voorwaarde dat alle ter zake geldende wetgeving wordt nageleefd (o.a. de arbeidsbescherming, milieuwetgeving, ...). De uitgesorteerde fractie asbestverdacht materiaal moet overeenkomstig de geldende wetgeving opgeslagen worden en afgevoerd worden naar een daartoe vergunde inrichting.
De afgevoerde asbestverdachte materialen worden opgenomen in het afvalstoffenregister. De afschriften van de stortbonnen worden bewaard.

Voor iedere voorraad puin die geaccepteerd is, wordt een overeenkomst opgemaakt, waarop minstens de volgende gegevens vermeld staan:



  • naam en adres van de certificaathouder van de mobiele installatie en van de opdrachtgever;

  • identificatie van de bouw- of sloopwerf;

  • datum van de eerste visuele controle door de certificaathouder van de mobiele installatie;

  • aard van het puin als vermeld in het aanvaardingsplan, en het codenummer (EURAL-code) volgens de afvalstoffenlijst (VLAREMA);

  • de geschatte hoeveelheid puin die verwerkt zal worden, met vermelding van de hoeveelheid die ter plaatse zal worden gebruikt, en de hoeveelheid (raming) die door de mobiele breker zal worden afgevoerd;

  • de vermelding dat alleen puin van de betreffende werf aanwezig is (geen aanvoer toegelaten);

  • een opsomming van de te produceren producten (soort en kaliber) en de toepassing ervan;

  • de clausule dat de certificaathouder van de mobiele installatie en de certificatie-instelling toegang hebben tot de bouw- of sloopwerf vanaf het opmaken van de overeenkomst tot het tijdstip waarop alle gerecycleerde granulaten verwerkt of afgevoerd zijn;

  • de handtekening van de certificaathouder van de mobiele installatie (of van de gemachtigde werknemer van de certificaathouder) en van de opdrachtgever;

  • de vermelding of het puin afkomstig is van selectieve sloop (verklaring van selectieve sloop of sloopinventaris moet bijgevoegd worden).

Bij de overeenkomst worden een exemplaar van het acceptatiereglement en, als dat van toepassing is overeenkomstig VLAREM, een kopie van de milieuvergunning gevoegd. Voor de bouw- of sloopwerf worden uittreksels uit het bijzonder bestek (als dat aanwezig is) over de oorsprong en de hoeveelheid puin bijgevoegd.

Het geaccepteerde puin bevat geen onzuiverheden die niet door de bewerkingsinstallatie kunnen worden verwijderd of die de kwaliteit van de te produceren gerecycleerde granulaten nadelig kunnen beïnvloeden.

De overeenkomst wordt in tweevoud opgemaakt. Het eerste exemplaar is bestemd voor de opdrachtgever. Het tweede wordt door de certificaathouder bewaard.

2 Extra steekproefsgewijze controles

Steekproefsgewijs wordt op een aantal plaatsen een gedeelte van de voorraad puin uitgespreid tot een monolaag, en er wordt een intensieve organoleptische controle uitgevoerd. De controle wordt uitgevoerd door de verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant of de acceptant.
Deze extra steekproefgewijze controle mag ook worden uitgevoerd tijdens de voorafgaande acceptatie.

3 Acceptatie tijdens het breken/zeven

Tijdens het laden van het puin in de bunker van de breker/zeefinstallatie voert de kraanmachinist permanent een visuele controle uit. In geval van twijfel over de aangetroffen verontreinigingen verwittigt hij de verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant of de acceptant.
Tijdens het breekproces moet steeds een personeelslid aanwezig zijn dat voldoende geschoold is om asbest te herkennen.
4 Opleidingen

De verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant en de acceptant zijn voldoende geschoold om asbest te herkennen. Het personeel op de stockageplaats (machinisten en supervisor) volgt een praktische opleiding. Minstens één keer per jaar moet intern een check-up van de kennis plaatsvinden. Die kan worden gedaan door de verantwoordelijke voor de zelfcontrole.

5 Registraties

Alle aanvaarde opdrachten worden geregistreerd in het register van verwerkte afvalstoffen. Geweigerde opdrachten worden in het weigeringsregister vermeld met de reden van de weigering. Andere vaststellingen moeten overeenkomstig artikel 7.2.1.4, 7°, van het VLAREMA mee in het register van verwerkte afvalstoffen geregistreerd worden.


Art. 7.6.2 Controle van de fabricage en afvalstoffen

De producent legt een controleplan voor waarin de parameters opgesomd worden die een invloed kunnen hebben op de kenmerken van de gerecycleerde granulaten, en die tijdens het bewerkingsproces gecontroleerd worden.

De bewerkingsinstallatie wordt zodanig onderhouden dat de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten gewaarborgd wordt. Een afschrift van de onderhouds- en de herstellingsverslagen wordt bijgehouden in het register van het onderhoud.

Al het puin moet bij de certificaathouder behandeld worden in een bewerkingsinstallatie zoals vermeld in artikel 7.2.1. De voorafzeving is verplicht.

Het brekerzeefzand en/of sorteerzeefzand wordt afzonderlijk opgeslagen en met een naamplaat op de opslagplaats aangegeven.

Afvalstoffen die uit de materiaalstroom worden afgescheiden, worden zodanig opgeslagen dat geen vervuiling of verontreiniging van de omgeving plaatsvindt. Dit geldt ook voor de niet-steenachtige en de organische restfracties.

Als het een bouw- of sloopwerf betreft, is de opdrachtgever verantwoordelijk voor de regelmatige afvoer van de afvalstoffen verkregen bij het verwerken van het puin. De hoeveelheid afvalstoffen en de aard ervan wordt geregistreerd in het afvalstoffenregister.

Uitgegraven bodem (afgezeefde grond) moet worden afgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het VLAREBO.

Asfalt dat bij gebruik van de PAK-spraytest een gele verkleuring vertoont, moet worden verwerkt overeenkomstig de bepalingen van het VLAREMA.

Bij granulaten die vrijgekomen zijn bij het recycleren van (onder)funderingen en bij freesasfalt is breken niet noodzakelijk en kan een kalibratie door afzeving volstaan om de granulaten in te zetten als secundaire grondstof.

Als het een vaste locatie betreft, is de certificaathouder van de vaste locatie verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement en de afvoer van de gerecycleerde granulaten.


Art. 7.6.3 Controle van de gerecycleerde granulaten

De uitgevoerde controles en laboratoriumproeven garanderen dat de gerecycleerde granulaten voldoen aan de geldende milieuhygiënische eisen. Zoals vermeld in artikel 1 moet ook aan de bouwtechnische eisen voldaan worden vooraleer de gerecycleerde granulaten op de markt gebracht kunnen worden.

De producent legt de methode van monsternemingen procedureel vast. De monsterneming gebeurt overeenkomstig de methoden opgenomen in het Compendium voor Monsterneming en Analyse.

De meetgegevens en de proefresultaten worden uiterlijk tien werkdagen na de monsterneming ingeschreven of bewaard in het laboratoriumwerkboek en in het beproevingsregister.

De producent voert op de gerecycleerde granulaten per bewerkingsinstallatie minstens de volgende controles uit, die deel uitmaken van een opgelegd beproevingsplan.


Art. 7.6.3.A Controle van de fysische verontreiniging





parameter:

methode:

frequentie




vlottende en niet- vlottende verontreinigingen en glas op granulaire materialen (1) (2)

CMA of PTV 406

per soort: minstens één per vijf productiedagen

vaste locatie

- minstens één per productieperiode



mobiele installatie

- minstens één per bouw- of sloopwerf of per vaste locatie






vlottende en niet-vlottende verontreinigingen en glas op sorteer- en brekerzeefzand

CMA of PTV 406

per soort: minstens één per vijf productiedagen

vaste locatie

- minstens één per productieperiode



mobiele installatie

- minstens één per bouw- of sloopwerf of per vaste locatie






(1) De proef wordt uitgevoerd op de eerste productiedag van iedere productieperiode (periode van maximaal 28 opeenvolgende kalenderdagen, vakantieperiodes niet meegerekend, waarin er minstens enige productie is geweest). Na aanpassing van de installatie moet altijd onmiddellijk een nieuwe proef op een nieuw monster uitgevoerd worden.

(2) - Als de fractie > 4 mm minder is dan 15% van het volledige proefmonster, gebeurt de bepaling van de vlottende en niet-vlottende verontreinigingen en glas via de methode voor sorteer- en brekerzeefzand.

- Voor brokken puin wordt op de fractie > 63 mm een identificatieproef uitgevoerd op het volledige proefmonster.

De proeven moeten alleen uitgevoerd worden in geval van productie in de betreffende productieperiode.



Voor eindproducten die geproduceerd zijn met puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP), moeten de controles worden uitgevoerd per productiebatch van maximaal 1000 m³.

CONFORMITEITSCONTROLES

Vlottende en niet-vlottende verontreinigingen

  • vlottende verontreiniging:
    dwingende waarde 5 cm³/kg droge stof uitgezonderd voor sorteer- en brekerzeefzand geldt streefwaarde 5 cm³/kg droge stof en dwingende waarde 7,5 cm³/kg droge stof;

  • niet-vlottende verontreinigingen:
    dwingende waarde 1,0% (m/m);

  • glas:

dwingende waarde 2,0% (m/m).

Overschrijdingen van de streefwaarde worden vermeld in het beproevingsregister en gerapporteerd aan de certificatie-instelling.

Bij overschrijding van de dwingende waarde wordt onmiddellijk een nieuwe monsterneming uitgevoerd.

Het resultaat van de nieuwe proef is bepalend. Bij overschrijding gaat de producent over tot afkeuring van het betreffende productiedeel. Het productiedeel moet verder op legale wijze behandeld of verwijderd worden. In geen geval mag het betreffende productiedeel nog worden verwerkt samen met ander puin of gerecycleerd granulaat. De producent brengt de certificatie-instelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.


Art. 7.6.3.B Toetsing van de gebruiksmogelijkheden van asfalt als bouwstof





parameter:

methode:

frequentie




PAK-gehalte bij asfaltgranulaat (1)

PAK-spraytest

zie bijlage 1



per product: voor gebroken asfaltpuin en freesasfalt: minstens één per vijf productiedagen
vaste locatie

- minstens één per productieperiode



mobiele installatie

- minstens één per bouw- of sloopwerf of per vaste locatie






PAK-gehalte bij brekerzand van asfalt of brekerzeefzand, afkomstig van asfalt (1)

CMA

Zelfde frequentie als de frequentie van de chemische verontreiniging bij zeefzanden (artikel 7.6.3.D)




(1) De proef wordt uitgevoerd op de eerste productiedag van iedere productieperiode (periode van maximaal 28 opeenvolgende kalenderdagen, vakantieperiodes niet meegerekend, waarin er minstens enige productie is geweest). Na aanpassing van de installatie moet altijd onmiddellijk een nieuwe proef op een nieuw monster uitgevoerd worden.
De proeven moeten alleen uitgevoerd worden in geval van productie in de betreffende productieperiode.


De proefmethode voor PAK-gehalte in asfaltgranulaat wordt beschreven in bijlage 1.

CONFORMITEITSCONTROLE

Indien meer dan 5%m/m van de stenen op het totale analysemonster aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, wordt het analysemonster als mogelijk PAK-houdend beschouwd. Wanneer tussen de 5%m/m en 25%m/m van de stenen op het totale analysemonster aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, moet de proef op een tegenstaal uitgevoerd worden. Wanneer meer dan 25%m/m van de stenen aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, wordt de partij als PAK-houdend beschouwd.

De tegenproef bestaat uit een chemische analyse op PAK via GC-MS zoals bepaald in het VLAREMA. Asfalt is PAK-houdend wanneer de norm voor een van de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in bijlage 2.3.2.A van het VLAREMA wordt overschreden.
Art. 7.6.3.C Controle op de aanwezigheid van asbest


parameter

methode

frequentie

aanwezigheid asbestverdacht materiaal

20 kg-methode of de 80 liter-methode (1)

per soort

vaste locatie

- minstens één per vijf productiedagen

- minstens één per productieperiode

mobiele installatie

- minstens één per vijf productiedagen

- minstens één per bouw- of sloopwerf of per vaste locatie

(3)


gehalte aan asbestvezels

CMA (2)

Als bij de toetsing bij de interne controle de normwaarde voor asbest wordt overschreden (1) (3)






  1. zie verder in de tekst




  1. analyse die wordt uitgevoerd door een door de OVAM erkend laboratorium




  1. De producent kan de controles ook per productiebatch uitvoeren. In dat geval legt hij de grootte van een productiebatch vast (maximaal 1000 m³). De verschillende productiebatchen moeten gescheiden worden opgeslagen. Levering van een productiebatch is pas mogelijk na conforme resultaten.





CONFORMITEITSCONTROLE

Aanwezigheid asbestverdacht materiaal

Om asbest te bepalen in asbestverdachte materialen moet een laboratorium over een veilige arbeidsruimte, gespecialiseerde apparatuur en opgeleid personeel beschikken. Met dat gespecialiseerde materiaal kan het laboratorium bepalen of de vezels van het gevonden asbestverdacht materiaal effectief asbestvezels zijn.

Aangezien een productie-inrichting doorgaans niet beschikt over dat gespecialiseerde materiaal, kan ze alleen een schatting doen over de totale hoeveelheid asbestverdachte materiaal. Voor de toetsing aan de asbestnormwaarde wordt bij de interne controle nagegaan of de hoeveelheid vezels (asbestvezels en andere vezels) lager ligt dan die van de normwaarde voor asbest van 100 mg/kg ds.

De monsterneming moet uitgevoerd worden volgens gebruikelijke monsternemingsprocedures (CMA) om een representatief mengmonster te verkrijgen.

De producent heeft de keuze tussen twee analysemethodes: de 20 kg-methode of de 80 liter-methode.

De analysemethodes worden beschreven in bijlage 2. Wanneer de certificaathouder voor het uitvoeren van deze proef beroep doet op een extern labo, moet dit labo ook werken volgens de beschreven methode.

Als bij de interne controle die uitgevoerd wordt op de wijze, zoals vermeld in de procedure in bijlage 2, de normwaarde voor asbest wordt overschreden, moet het gehalte aan asbest worden bepaald volgens CMA.

De levering van de betreffende voorraad (productie sinds laatste visuele controleproef) wordt opgeschort.

De certificaathouder voert een uitgebreide visuele controle uit op alle andere voorraden puin en gerecycleerde granulaten van dezelfde soort. Daartoe worden onder andere gedeelten van de voorraad met een kraan of wiellader uitgespreid. De certificaathouder neemt ook voor die voorraden de nodige maatregelen om te voorkomen dat er gerecycleerde granulaten met overschrijding van het asbestgehalte worden geleverd.

Bij overschrijding van de toegelaten concentratie kan de certificaathouder overgaan tot een nieuwe monsterneming om het gehalte asbest van de betreffende voorraad te bepalen. Het resultaat van de nieuwe proef is bepalend.

Optitioneel: De betreffende voorraad kan eventueel worden opgedeeld in verschillende deelpartijen (met een maximumgrootte van 1000 m³), volgens een vooraf opgemaakt plan met aanduiding van de verschillende deelpartijen. De deelpartijen moeten gescheiden worden opgeslagen. Op iedere deelpartij afzonderlijk moet dan een asbestanalyse worden uitgevoerd.

Voor de partijen of deelpartijen met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten.

De producent brengt de certificatie-instelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.

Bij conform resultaat kan de levering worden hervat.


Art. 7.6.3.D Controle van de chemische verontreiniging

De parameterlijst kan beperkt worden tot:



  • zware metalen;

  • minerale olie (niet voor asfaltgranulaat en brekerzand van asfalt en brekerzeefzand van asfalt);

  • PAK.

In afwijking van artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA kan bij de bepaling van de uitloogbaarheid voor zeefzand gebruik gemaakt worden van de methode en normwaarden uit bijlage VII van het VLAREBO. Bij overschrijding van de normen is een tegenanalyse met de kolomproef mogelijk.

Wanneer de bepaling van de uitloogbaarheid van zware metalen (uitgezonderd Cu en Cr) vereist is volgens het VLAREMA, moet onmiddellijk de kolomproef uitgevoerd worden voor de betreffende zware metalen.

Het laboratorium dat de analyses uitvoert, bezorgt een exemplaar van ieder verslag rechtstreeks aan de certificatie-instelling en de certificaathouder.

De volgende frequentie van monsterneming en analyse moet gevolgd worden.





1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina