Inhoudsopgave Artikel 1 toepassingsgebied 17 Artikel 1 toepassingsgebied 17



Dovnload 425.46 Kb.
Pagina4/7
Datum20.08.2016
Grootte425.46 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Zeefzand







Gevolg/frequentie

Basisfrequentie

één per 5.000 ton

drie opeenvolgende conforme resultaten bij een frequentie van één per 5.000 ton

één niet conform resultaat bij de frequentie van één per 10.000 ton



één per 10.000 ton
één per 5.000 ton

drie opeenvolgende conforme resultaten bij een frequentie van één per 10.000 ton

één niet conform resultaat bij de frequentie van twee per jaar



twee per jaar
één per 10.000 ton



  • Granulaten (per soort):







Gevolg/frequentie

Basisfrequentie

één per 15.000 ton

drie opeenvolgende conforme resultaten bij een frequentie van één per 15.000 ton

één niet conform resultaat bij de frequentie van één per 25.000 ton



één per 25.000 ton

één per 15.000 ton



drie opeenvolgende conforme resultaten bij een frequentie van één per 25.000 ton

één niet conform resultaat bij de frequentie van twee per jaar



twee per jaar

één per 25.000 ton


Voor mobiele installaties wordt eenzelfde frequentie genomen. Voor de bepaling van deze frequentie komt de productie van een mobiele installatie op een vaste locatie niet in aanmerking.


De resultaten van de externe controle moeten mee in rekening gebracht worden voor de bepaling van de frequentie.


  • CONFORMITEITSCONTROLE

Bij overschrijding wordt onmiddellijk een nieuwe monsterneming uitgevoerd. De levering van de betreffende voorraad (productie sinds laatste controleproef) wordt opgeschort.

Het resultaat van de nieuwe proef is bepalend. Wanneer er bij de schudtest een overschrijding was van zware metalen (Cr of Cu), wordt de kolomproef uitgevoerd. In dat geval zijn de toetsingswaarden deze van bijlage 2.3.2.B van het VLAREMA.
Bij bevestiging van overschrijding, na tegenproef, gaat de producent over tot afkeuring (*) van het betreffende productiedeel (productie sinds de laatste controleproef).

Optioneel: Het betreffende productiedeel kan eventueel worden opgedeeld in verschillende productiedeelpartijen (met een maximumgrootte van 1000 m³), volgens een vooraf opgemaakt plan met aanduiding van de verschillende productiedeelpartijen. De productiedeelpartijen moeten gescheiden worden opgeslagen. Op iedere productiedeelpartij afzonderlijk moet dan een analyse worden uitgevoerd.
Voor de productiedelen of productiedeelpartijen met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten.

In geen geval mag het betreffende productiedeel nog worden verwerkt samen met ander zand, puin of gerecycleerd granulaat. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten.

De producent brengt de certificatie-instelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.

Bij niet conform resultaat wordt het daaropvolgende productiedeel eveneens geblokkeerd tot de analyseresultaten op dat deel gekend zijn. Wanneer de analyseresultaten van dit productiedeel conform zijn, kan de levering (van de conforme productiedelen) worden hervat. De controlefrequentie wordt aangepast (zie tabel).



Art. 7.6.3.E Controle per productiebatch

Voor producten die geproduceerd zijn met puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP) (tot zes maand na de erkenning van een sloopbeheerorganisatie: met puin als vermeld in artikel 7.6.1.1.4), moeten alle controles, vermeld in artikel 7.6.3.A, B (indien van toepassing), C en D, worden uitgevoerd per productiebatch. De verkorte parameterlijst, vermeld in artikel 7.6.3.D, geldt niet voor producten die geproduceerd zijn met puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP).

De verwerking per productiebatch gebeurt per stroom, afkomstig van een specifiek proces zoals bijvoorbeeld (niet-limitatief):


  • puin afkomstig van de inzameling op het containerpark dat niet overeenkomstig de Richtlijnen (overeenkomstig bijlage 3) worden ingezameld;

  • puin van sorteerinrichtingen die niet worden ingezameld overeenkomstig het Kwaliteitsborgingsysteem (bijlage 4);

  • puin afkomstig van selectief slopen, ontmantelen en renoveren van gebouwen waarvan niet kan aangetoond worden dat de sloop overeenkomstig de sloopinventaris is uitgevoerd (geen sloopattest voor LMPR van een erkende sloopbeheerorganisatie);

  • puin afkomstig van infrastructuurwerken waarvoor geen sloopattest voor LMPR van een erkende sloopbeheerorganisatie kan voorgelegd worden;

  • afgezeefde stenen uit bodem die niet voldoet aan de waarden voor het gebruik van uitgegraven bodem als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product (VLAREBO-bijlage VI en VII);

  • de vermelde stromen vermeld in artikel 7.6.1.1, 4°.

Puin met verschillende verontreinigingskarakteristieken mag niet met elkaar vermengd worden. De producent definieert in zijn technisch dossier de wijze waarop een productiebatch is samengesteld. Per product moet per partij/productiebatch met een maximum van 1000 m³ minstens één controle (monsterneming en analyse) worden uitgevoerd.

Bij overschrijding wordt onmiddellijk een nieuwe monsterneming uitgevoerd.

Het resultaat van de nieuwe proef is bepalend. Bij overschrijding gaat de producent over tot afkeuring van de betreffende productiebatch. De voorraad wordt dan op legale wijze gestort of wordt verder gereinigd (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting). In geen geval mag het betreffende productiedeel nog worden verwerkt samen met ander puin of gerecycleerd granulaat. De producent brengt de certificatie-instelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.

Een productiebatch kan pas worden afgevoerd als alle resultaten conform zijn.


Art. 7.6.4 Voorraadbeheer


Art. 7.6.4.1

Het aanvaarde puin wordt per soort opgeslagen en iedere soort wordt op de opslagplaats voorzien van een naamplaat.

Puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP) wordt per partij apart opgeslagen.
Art. 7.6.4.2

De gerecycleerde granulaten worden per product gescheiden opgeslagen, benoemd en met een naamplaat op de opslagplaats aangegeven.

Ieder product op voorraad wordt zodanig opgeslagen dat vermenging of verontreiniging wordt vermeden. Als tussen de voorraadhopen onvoldoende ruimte is, moeten de voorraadhopen gescheiden worden door wanden.

Afvalstoffen die uit de materiaalstroom worden afgescheiden, en uitgegraven bodem moeten apart worden opgeslagen en moeten duidelijk geïdentificeerd zijn. Afvalstoffen die uit de materiaalstroom worden afgescheiden, worden zodanig opgeslagen dat geen vervuiling of verontreiniging van de omgeving plaatsvindt. Dit geldt ook voor de niet-steenachtige en de organische restfracties.

De goedgekeurde producten worden duidelijk onderscheiden van de twijfelachtige of de afgekeurde producten opgeslagen.

De certificaathouder maakt een situatieplan op waarop alle opslagplaatsen worden aangegeven.


Art. 7.6.5 Afvoer van de gerecycleerde granulaten

De producent houdt een register bij van de geproduceerde producten overeenkomstig artikel 7.2.2.2 van het VLAREMA.

Geproduceerde producten die niet voldoen (afgekeurde producten) of niet als grondstof op de markt gebracht worden moeten in het register van verwerkte afvalstoffen opgenomen worden. In het register moet eenduidig vermeld worden naar waar deze producten/afvalstoffen worden afgevoerd met een duidelijke vermelding van de verwerkings- of toepassingswijze.


Art. 7.6.5.1 Opmaak en inhoud van de afleveringsbons door een vaste locatie

Bij afvoer wordt per vracht een afleveringsbon met oplopend volgnummer, in drievoud, opgemaakt. Het originele exemplaar is bestemd voor de bouwheer. Een duplicaat is bestemd voor de vervoerder/klant. Het derde duplicaat wordt door de certificaathouder bijgehouden. Het originele exemplaar, bestemd voor de bouwheer, moet duidelijk onderscheiden zijn van de duplicaten.

De naleving van dit reglement en de afvoer van gerecycleerde granulaten geproduceerd door een mobiele installatie gebeurt onder verantwoordelijkheid van de certificaathouder van de vaste locatie.

Op de afleveringsbons moeten minstens de volgende gegevens worden vermeld:



  • naam en adres van de vaste locatie;

  • de benaming en de toepassing van het product en het gebruik van het certificatielogo volgens artikel 8;

  • datum en uur van afvoer;

  • de hoeveelheid (ton) gerecycleerde granulaten per vracht;

  • een nauwkeurige omschrijving van de bestemming;

  • de vervoerder/klant;

  • de nummerplaat van het vervoermiddel;

  • de handtekening van de certificaathouder (of van de gemachtigde werknemer van de certificaathouder) en van de vervoerder. Eventueel kan de materiaalcode zoals vermeld in artikel 7.2.2.1 van het VLAREMA ook al op de afleveringsbon vermeld worden.

Art. 7.6.5.2 Opmaak en inhoud van de afleveringsbons bij afvoer vanaf een bouw- of sloopwerf

Bij aanwending op de bouw- of sloopwerf mag één bon afgeleverd worden voor de hoeveelheid die ter plaatse gebruikt wordt.

De naleving van dit reglement en de afvoer van de gerecycleerde granulaten vanaf de bouw- en sloopwerf gebeurt onder verantwoordelijkheid van de certificaathouder van de mobiele installatie.

Bij afvoer van de bouw- of sloopwerf wordt per vracht een afleveringsbon met oplopend volgnummer, in viervoud, opgemaakt.
Het originele exemplaar is bestemd voor de bouwheer van de werf waar de gerecycleerde granulaten toegepast zullen worden.
Een duplicaat is bestemd voor de opdrachtgever,
een ander duplicaat voor de vervoerder/klant.
Het derde duplicaat wordt door de certificaathouder van de mobiele installatie bijgehouden.
Het originele exemplaar, bestemd voor de bouwheer, moet duidelijk te onderscheiden zijn van de duplicaten.

Op de afleveringsbons moeten minstens de volgende gegevens worden vermeld:



  • naam en adres van de certificaathouder van de mobiele installatie;

  • naam en adres van de opdrachtgever;

  • adres van de bouw- of sloopwerf;

  • data van de productieperiode;

  • de benaming en de toepassing van het product en het gebruik van het certificatielogo volgens artikel 8;

  • de hoeveelheid (in ton) gerecycleerde granulaten per vracht;

  • datum en uur van afvoer;

  • een nauwkeurige omschrijving van de bestemming (werf waar de gerecycleerde granulaten zullen worden toegepast);

  • de vervoerder/klant;

  • de nummerplaat van het vervoermiddel;

  • de handtekening van de certificaathouder van de mobiele installatie (of van de gemachtigde werknemer van de certificaathouder) en van de vervoerder/klant.

Alle gegevens van de leveringen worden ingeschreven of bewaard in het afleveringsregister.
Art. 7.6.6 Registraties

Alle acties, behandelingen, monsternemingen en resultaten moeten worden geregistreerd in overeenstemming met dit reglement en met de geldende wetgeving.

Artikel 8 PRODUCTIDENTIFICATIE EN GEBRUIK VAN HET CERTIFICATIELOGO
Art. 8.1 Productidentificatie

Het product zal duidelijk geïdentificeerd worden op de afleveringsbon. De benaming bestaat uit:



Bijvoorbeeld: Gebroken betonpuin 0/40 mm. Steenslagfundering met continue korrelverdeling type I volgens SB 250.

Bij ieder gecertificeerd product worden de volgende gegevens gegroepeerd vermeld:



  • de vermelding "met certificaat volgens het eenheidsreglement";

  • de naam van de certificatie-instelling;

  • het identificatienummer van het certificaat.

Tijdens de toelatingsperiode kan de producent, na schriftelijke toelating van de certificatie-instelling, de conforme producten leveren. Op de afleveringsbon wordt de vermelding “In toelatingsperiode certificatie” aangebracht.

Artikel 9 EXTERNE CONTROLE


Art. 9.1 Algemene bepalingen
Art. 9.1.1

De externe controle heeft tot doel de geldigheid van de zelfcontrole van de producent na te gaan. De externe controle omvat controlebezoeken aan de productie-eenheid door een keurmeester. Als de externe controle monsternemingen voor controleproeven omvat, wordt de externe controle onaangekondigd uitgevoerd. Controleproeven betreffen enerzijds proeven die intern worden uitgevoerd in het bijzijn van de keurmeester, en anderzijds proeven die uitgevoerd worden in een controlelaboratorium.

Al het puin moet bij de certificaathouder behandeld worden in een bewerkingsinstallatie zoals vermeld in artikel 7.2.1. De certificatie-instelling ziet toe dat al het geaccepteerde puin bij de certificaathouder in de bewerkingsinstallatie wordt behandeld a.d.h.v. de controle van het fabricatieregister.

Vanaf zes maanden na de erkenning van een sloopbeheerorganisatie gaat de certificatie-instelling na of de certificaathouder -voor zijn stromen die de certificaathouder aanvaard heeft als laagmilieurisico-profiel (LMRP)- kan aantonen dat voldaan is aan de acceptatiecriteria van artikel 7.6.1.1. Dit betekent o.a. dat:



  • de certificatie-instelling nagaat of de certificaathouder puin aanvaardt van containerparken of sorteerinrichtingen en toeziet of de contractuele verbintenis(sen) aanwezig is/zijn.
    De certificatie-instelling ziet toe of de contractuele verbintenis(sen) in overeenstemming is/zijn met de acceptatiecriteria van de certificaathouder en met de Richtlijnen voor puin van containerparken, respectievelijk het Kwaliteitssysteem voor puin van sorteerinrichtingen die ter informatie in bijlage 3 en 4 worden gegeven. De certificatie-instelling ziet er op toe dat de certificaathouder voldoet aan de bepalingen die de contractuele verbintenis(sen) aan de producent van gerecycleerde granulaten oplegt.
    - de certificatie-instelling nagaat of de certificaathouder voor de betreffende stromen van artikel 7.6.1.1, 1°, de sloopattesten voor LMRP kan voorleggen.

  • de certificatie-instelling nagaat of de certificaathouder voor de betreffende stromen van artikel 7.6.1.1, 1°, de representatieve milieuhygiënische analyses kan voorleggen.

Wanneer aan bovenstaande niet is voldaan, moeten de respectievelijke stromen als puin met HMRP geaccepteerd worden.


Art. 9.2 Controlebezoeken
Art. 9.2.1

De controlebezoeken worden onderscheiden in:



  • de periodieke controlebezoeken;

  • de bijkomende controlebezoeken;

  • de bijkomende controlebezoeken op een bouw- en sloopwerf voor de afvoer van een voorraad gerecycleerde granulaten (vanaf wanneer de mobiele installatie niet meer op de bouw- en sloopwerf aanwezig is - indien van toepassing).


Art. 9.2.2

De periodieke controlebezoeken worden uitgevoerd per vaste locatie en per breekinstallatie.

Er is één controlebezoek per 20.000 ton productie met een maximum van acht controlebezoeken per jaar. Er worden minstens twee controlebezoeken per jaar uitgevoerd.

De periodieke controlebezoeken kunnen betrekking hebben op:



  • de productie-installaties en de beproevingsuitrustingen;

  • de grondstoffen en de producten in de verschillende productiestappen, zoals bepaald in dit reglement;

  • de organisatie van de zelfcontrole;

  • de uitvoering van metingen en proeven in het kader van de zelfcontrole;

  • de werkboeken en de controleregisters;

  • de evaluatie van de resultaten van de zelfcontrole en de controleproeven;

  • de identificatie en de markering van de producten;

  • de voorraad;

  • in voorkomend geval, de twijfelachtige productiedelen;

  • de bemonstering voor de controleproeven;

  • de toepassing van correctieve maatregelen in het geval van niet-conformiteit.

Minstens tweemaal per jaar moeten de volgende controles worden uitgevoerd:

  • controle van de werkboeken en de registers;

  • controle van het productieproces;

  • beoordeling van het voorraadbeheer;

  • beoordeling van alle activiteiten en documenten betreffende de aanvaarding van puin;

  • beoordeling van alle activiteiten en documenten betreffende de afvoer van de gerecycleerde granulaten;

  • de controle van de, in voorkomend geval, twijfelachtige productiedelen;

  • de controle van de inventaris van puin met hoogmilieurisico-profiel (HMRP), overeenkomstig artikel 7.6.1.1, 4°;

  • de controle van alle klachten die geregistreerd zijn;

  • het bezoek aan bouw- of sloopwerven waar geproduceerd wordt of werd (alleen voor mobiele installaties);

  • het bijwonen van metingen en proeven van de zelfcontrole.

Als alle vastgelegde controles niet binnen de normale tijd van een bezoek kunnen worden uitgevoerd, zal het bezoek verlengd worden, eventueel zelfs voortgezet worden op de volgende dag.
Art. 9.2.3

De bijkomende controlebezoeken kunnen betrekking hebben op:



  • de controles die op het ogenblik van het periodieke controlebezoek niet uitgevoerd konden worden;

  • de eventuele controles in het externe laboratorium voor zelfcontrole;

  • om het even welke bijkomende controle die door de certificatie-instelling noodzakelijk wordt geacht, bijvoorbeeld in het kader van een ontvangen klacht;

  • de bijkomende controles, verricht op verzoek van de leverancier bij het vaststellen van tekortkomingen in de zelfcontrole, die overeenkomstig de bepalingen van dit reglement de interventie van de certificatie-instelling vereisen;

  • de bijkomende controles, verricht als gevolg van een sanctie, betekend door de certificatie-instelling (artikel 10);

  • de bijkomende controles op verzoek van de leverancier.


Art. 9.2.4

Wanneer er, overeenkomstig artikel 7.6.5.2, bij het beëindigen van de activiteiten van de certificaathouder van een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf nog meer gerecycleerd granulaat op voorraad is dan het gebruik op de werf toelaat, moet de certificatie-inrichting extra controlebezoeken uitvoeren op de bouw- en sloopwerf met een frequentie van één controlebezoek per bouw- en sloopwerf per maand, zolang er voorraad is.

De bezoeken hebben betrekking op:


  • de organisatie op de bouw- of sloopwerf;

  • het voorraadbeheer: massabalans (% gebruikt op de werf,% afgevoerd,% voorraad); nazicht van de afleveringsbonnen;

  • desgevallend het nemen van monsters indien er een vermoeden bestaat omtrent de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten. De monsterneming, het transport van het monster naar het laboratorium en de laboratoriumkosten zijn ten laste van de producent (de mobiele breker).

Art. 9.3 Controleproeven


Art. 9.3.1

Controleproeven zijn proeven die door een controlelaboratorium worden uitgevoerd of die door de certificaathouder in zijn laboratorium, in aanwezigheid van de afgevaardigde van de certificatie-instelling, worden uitgevoerd.

De monsternemingen voor de controleproeven worden uitgevoerd in aanwezigheid van de certificaathouder en de certificatie-instelling, volgens de keuze van die laatste, oordeelkundig gespreid over de verschillende producten.

De monsternemingen gebeuren onmiddellijk in tweevoud. In geval van overschrijding wordt de tegenproef in een ander laboratorium uitgevoerd op het tweede monster.


Art. 9.3.2

De onderstaande tabel geeft de minimumfrequenties aan van controleproeven of bij te wonen proeven. Bij twijfelachtige kwaliteit van de producten kan de certificatie-instelling die frequenties verhogen.


Art. 9.3.2.A Controle van de fysische verontreiniging





parameter

methode

frequentie




vlottende en niet-vlottende verontreinigingen en glas (1)


CMA

per soort

vaste locatie

- één per 40.000 ton met een minimum van één per jaar



mobiele installatie

- één per 40.000 ton met een minimum van één per jaar






vlottende en niet-vlottende verontreinigingen en glas op sorteer- en brekerzeefzand

CMA

per soort

vaste locatie

- één per 20.000 ton met een minimum van één per jaar



mobiele installatie

- één per 20.000 ton met een minimum van één per jaar







(1) - Als de fractie > 4 mm minder is dan 15% van het volledige proefmonster, dan gebeurt de bepaling van de fysische verontreiniging via de proefmethode voor fijnkorrelige gerecycleerde granulaten.

- Voor brokken puin wordt op de fractie > 63 mm een identificatieproef uitgevoerd op het volledige proefmonster.

De proeven moeten alleen uitgevoerd worden in geval van productie in de betreffende periode.



1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina