Inhoudsopgave Artikel 1 toepassingsgebied 17 Artikel 1 toepassingsgebied 17



Dovnload 425.46 Kb.
Pagina5/7
Datum20.08.2016
Grootte425.46 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Voor de bepaling van de frequentie bij mobiele installaties komt de productie van een mobiele installatie op een vaste locatie niet in aanmerking.

Wanneer een mobiele installatie wordt ingezet op een vergunde bouw- en sloopwerf waarbij er gedurende meer dan één jaar productie is van gerecycleerde granulaten, moet voor de voormelde site minimaal een frequentie van één per jaar per soort met minimaal één controle per 40.000 ton met een maximum van acht controles aangehouden worden.

CONFORMITEITSCONTROLE

Vlottende en niet-vlottende verontreinigingen

vlottende verontreiniging:


dwingende waarde 5 cm³/kg droge stof uitgezonderd voor sorteer- en brekerzeefzand geldt streefwaarde 5 cm³/kg droge stof en dwingende waarde 7,5 cm³/kg droge stof;

  • niet-vlottende verontreinigingen:
    dwingende waarde 1,0% (m/m);

  • glas:

dwingende waarde 2,0% (m/m).

Overschrijdingen van de streefwaarde worden vermeld in het beproevingsregister.

Bij overschrijding van de dwingende waarde wordt onmiddellijk een proef uitgevoerd op het tweede monster.

Het resultaat van de nieuwe proef is bepalend. Bij overschrijding gaat de producent over tot afkeuring van het betreffende productiedeel. De voorraad wordt op legale wijze gestort of wordt verder gereinigd (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting). In geen geval mag het betreffende productiedeel nog worden verwerkt samen met ander puin of gerecycleerd granulaat. Na corrigerende acties en bijkomende monsterneming en controle van de certificatie-instelling kan een nieuwe evaluatie worden gemaakt.

De certificatie-instelling houdt een overzicht bij van de overschrijdingen van de streefwaarde en de dwingende waarden van de vlottende en niet-vlottende verontreinigingen.
Art. 9.3.2.B Toetsing van de gebruiksmogelijkheden van asfalt als bouwstof





parameter:

methode:

frequentie




PAK-gehalte bij asfaltgranulaat (1)

PAK-spraytest

(zie bijlage 1)

en GC-MS


Vaste locatie

- PAK-spraytest bij ieder controlebezoek - GC-MS: één keer per jaar



mobiele installatie

- PAK-spraytest bij ieder controlebezoek - GC-MS: één keer per jaar






PAK-gehalte bij brekerzand van asfalt of brekerzeefzand van asfalt (1)

CMA

Zelfde frequentie als de frequentie van de chemische verontreiniging bij zeefzanden (artikel 9.3.2.D)




(1) De proef wordt uitgevoerd op de eerste productiedag van iedere productieperiode (periode van maximaal 28 opeenvolgende kalenderdagen, vakantieperiodes niet meegerekend, waarin er minstens enige productie is geweest). Na aanpassing van de installatie moet altijd onmiddellijk een nieuwe proef op een nieuw monster uitgevoerd worden.
De proeven moeten alleen uitgevoerd worden in geval van productie in de betreffende productieperiode.


De proefmethode voor PAK-gehalte in asfaltgranulaat wordt beschreven in bijlage 1.

CONFORMITEITSCONTROLE

Indien meer dan 5% m/m van de stenen op het totale analysemonster aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, wordt het analysemonster als mogelijk PAK-houdend beschouwd. Wanneer tussen de 5% m/m en 25% m/m van de stenen op het totale analysemonster aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, moet de proef op een tegenstaal uitgevoerd worden. Wanneer meer dan 25% m/m van de stenen aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, wordt de partij als PAK-houdend beschouwd.

De tegenproef bestaat uit een chemische analyse op PAK via GC-MS zoals bepaald in het VLAREMA. Asfalt is PAK-houdend wanneer de norm voor een van de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in bijlage 2.3.2.A van het VLAREMA wordt overschreden.

Minstens één keer per jaar (vaste locatie) wordt een chemische analyse op PAK uitgevoerd via GC-MS zoals bepaald in het VLAREMA.
Art. 9.3.2.C Controle op de aanwezigheid van asbest

Bij ieder bezoek maakt de keurder een evaluatie van de controles op het aangevoerde puin - de aanvaardingsprocedure (zie artikel 7.6.1.1) - en de toepassing ervan door de producent. Hij voert bovendien een intensieve visuele controle uit op de voorraden puin en gerecycleerd granulaat. Daarvoor worden op zijn verzoek gedeelten van de voorraad met een kraan of wiellader uitgespreid.





controle

methode

frequentie

gehalte aan asbestvezels (2) (3) (4) (5)

CMA (1)

Algemeen: één keer per jaar per soort

  • betongranulaat: één keer per jaar

  • asfaltgranulaat: één keer per jaar (6))

  • menggranulaat: één keer per jaar

  • metselwerkgranulaat: één keer per jaar

- sorteerzeefzand: één keer per jaar

- zeefzand: één keer per jaar



Bijkomend: drie keer per jaar op een soort naar keuze van de keurder. (5)

  1. Analyse die wordt uitgevoerd door een door de OVAM erkend laboratorium

  2. Als de producent de controles per productiebatch uitvoert (zie artikel 7.6.3, B), wordt de monsterneming op een productiebatch uitgevoerd volgens de keuze van de keurder.

  3. De proeven die uitgevoerd worden in het kader van de externe controle, mogen in rekening worden gebracht voor de frequentie van de zelfcontrole.

  4. De monsternemingen voor de bepaling van het asbestgehalte gebeuren onmiddellijk in tweevoud. In geval van overschrijding wordt de tegenproef in een ander laboratorium uitgevoerd op het tweede monster.

  5. De bijkomende controles kunnen alleen voor soorten waarvoor de productie meer is dan 40.000 ton en kunnen worden uitgevoerd per 20.000 ton met een maximum van 3 bijkomende proeven.

  6. De controle op asbest is bij asfaltgranulaat is niet vereist wanneer blijkt dat tijdens het laatste jaar bij de zelfcontrole geen asbestverdachte materialen werden gedetecteerd.

Voor mobiele installaties wordt eenzelfde frequentie genomen. Voor de bepaling van deze frequentie komt de productie van een mobiele installatie op een vaste locatie niet in aanmerking.

Wanneer een mobiele installatie wordt ingezet op een vergunde bouw- en sloopwerf waarbij er gedurende meer dan één jaar productie is van gerecycleerde granulaten, moet voldaan worden aan de frequentie van minstens eenmaal per jaar.
De monsterneming mag uitgevoerd worden op een afgebakende partij van minimum 250 m³. Deze afgebakende partij mag niet geleverd worden tot alle resultaten gekend zijn.
Bij de monsterneming wordt er een eerste screening uitgevoerd. Bij deze screening wordt er nagegaan of de 100 mg/kg ds asbestverdachte vezels wordt overschreden. De berekening van het gehalte aan asbestverdachte vezels gebeurt overeenkomstig bijlage 2 en op basis van 15% vezels bij asbestverdachte materialen. In geval van overschrijding wordt de voorraad geblokkeerd door de certificatie-inrichting.

Op basis van de resultaten van het staal dat aan het extern labo werd overgemaakt voor analyse overeenkomstig het CMA, wordt de voorraad al dan niet vrijgegeven.



Maatregelen bij niet-conform resultaat

Niet-conformiteit asbestgehalte

De berekening van de asbestconcentratie en de evaluatie van het resultaat gebeurt als volgt:

Chechtgebonden asbest + 10 x Cniet-hechtgebonden asbest ≤ 100 mg/kg ds.

Bij overschrijding van de toegelaten concentratie kan de certificaathouder overgaan tot een tegenproef op het tweede deelmonster. In voorkomend geval is het resultaat van die tegenproef bepalend.

Bij overschrijding wordt de voorraad of de afgebakende partij geblokkeerd en moeten corrigerende maatregelen genomen worden zoals reiniging (op wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten.



Optitioneel: De betreffende voorraad kan eventueel worden opgedeeld in verschillende deelpartijen (met een maximumgrootte van 1000 m³), volgens een vooraf opgemaakt plan met aanduiding van de verschillende deelpartijen. De deelpartijen moeten gescheiden worden opgeslagen. Op iedere deelpartij afzonderlijk moet een asbestanalyse worden uitgevoerd.

Voor de deelpartijen met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten.

Bij conform resultaat kan de levering worden hervat.

De monsternemingen in het kader van de externe controle gebeuren steekproefsgewijs en ontslaan de producent niet van de uitvoering van de zelfcontrole. Dat houdt onder andere in dat als er bij de zelfcontrole de normwaarde van asbest wordt overschreden, de levering van de betreffende voorraad moet worden opgeschort.



Maatregelen bij niet-conform resultaat, te nemen door de certificatie-instelling

Bij een eerste overschrijding van het asbestgehalte, houdt de producent de certificatie-instelling permanent schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.



Opschorten autonome levering:

Als bij twee opeenvolgende controles van een zelfde soort een overschrijding van het asbestgehalte wordt vastgesteld, wordt de producent voor de betreffende soort gesanctioneerd met een opschorting van autonome levering.



Procedure tot normalisatie:

De certificatie-instelling zal per productiebatch (max. 1.000 m³) een controle uitvoeren. Na twee opeenvolgende conforme resultaten kan de autonome levering worden hervat.



Opschorten van het certificaat:

Indien bij drie opeenvolgende controles van een zelfde soort een overschrijding van het gehalte asbest wordt vastgesteld, wordt de producent voor de betreffende soort gesanctioneerd met een opschorting van het certificaat voor zes maanden.



Procedure tot normalisatie:

Na de aangegeven periode moeten minstens vier productiebatchen (maximaal 1.000 m³) aan een externe controle worden onderworpen. Na het bekomen van vier opeenvolgende conforme resultaten, wordt de schorsing opgeheven en kan de autonome levering terug worden hervat.



Gedeeltelijke intrekking van de certificatie:

Indien bij vier opeenvolgende controles van een zelfde soort een overschrijding van het gehalte asbest wordt vastgesteld, wordt de producent voor de betreffende soort gesanctioneerd met een intrekking van het certificaat voor de betreffende soort.



Procedure tot normalisatie:

Dit kan enkel via een nieuwe formele aanvraag voor de betreffende productie. Een nieuwe formele aanvraag kan pas ingediend worden zes maanden na de betekening van de intrekking van de certificatie voor de betreffende soort.


Art. 9.3.2.D Controle van de chemische verontreiniging

Één keer per jaar wordt per soort een monsterneming uitgevoerd in het bijzijn van de certificatie-instelling.


Voor de gerecycleerde granulaten die geproduceerd worden op een bouw- of sloopwerf wordt per mobiele installatie eveneens één keer per jaar per soort een monsterneming uitgevoerd op een bouw- en sloopwerf in het bijzijn van de certificatie-instelling.
De OVAM kan de frequentie nader specificeren.

De monsterneming en de analyse gebeuren overeenkomstig de voorwaarden vermeld in de wetgeving (VLAREMA, CMA). De volledige parameterlijst zoals gegeven in bijlage 2.3.2.A van het VLAREMA moet geanalyseerd worden.

De resultaten van de externe controle moeten mee in rekening gebracht worden voor de bepaling van de frequentie voor de zelfcontrole.

De monsterneming mag uitgevoerd worden op een afgebakende partij van minimum 250 m³. Deze afgebakende partij mag niet geleverd worden tot alle resultaten gekend zijn.


Art. 9.3.2.E Controle per productiebatch

Voor producten die geproduceerd zijn met puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP) (tot zes maand na de erkenning van een sloopbeheerorganisatie: met puin als vermeld in artikel 7.6.1.1.4), moeten alle relevante controles voorzien in artikel 7.6.3.A, B, C en D te worden uitgevoerd per productiebatch.

Per 10.000 ton moeten minstens één monsterneming en één controle worden uitgevoerd in het bijzijn van de certificatie-instelling.

Bij niet-conformiteit wordt de levering van de volledige productiebatch opgeschort. De certificatie-instelling gaat over tot bijkomende monsternemingen en analyses. Als die analyses ook aanleiding geven tot niet-conformiteiten, wordt de voorraad op legale wijze gestort of verder gereinigd (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting). In geen geval mag de betreffende productiebatch nog worden verwerkt samen met ander puin of gerecycleerd granulaat. De producent brengt de certificatie-instelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.

Een productiebatch kan pas worden afgevoerd als alle resultaten conform zijn.
Art. 9.3.3

De bemonstering en het transport van de monsters voor de controleproeven gebeuren onder toezicht van de certificatie-instelling door de certificaathouder op zijn verantwoordelijkheid en op zijn kosten. Alle kosten van de controleproeven zijn ook ten laste van de certificaathouder.


Art. 9.3.4

De proefmonsters worden door de certificatie-instelling voorzien van een identificatie, alsook van een onuitwisbaar en ontegensprekelijk merkteken.


Art. 9.3.5

Voor elke proefopdracht stelt de certificatie-instelling of haar gemandateerde een beproevingsborderel op dat alle relevante gegevens over de proef en de proefmonsters bevat, dat verwijst naar de overeenkomst tussen de certificatie-instelling en het controlelaboratorium, en dat door de certificaathouder voor akkoord is ondertekend. De certificaathouder kent de proefopdracht voor externe controle toe aan het beproevingslaboratorium met een bestelbon die op eenduidige wijze verwijst naar het beproevingsborderel.


Art. 9.3.6

Het analyseverslag wordt verstuurd naar de certificatie-instelling, die een kopie van het verslag bezorgt aan de certificaathouder. In geen geval worden door het controlelaboratorium de resultaten van de beproevingen meegedeeld aan de certificaathouder of derden, of wordt het verslag naar hen verstuurd.


Art. 9.3.7

Het controlelaboratorium is ertoe gemachtigd de moeilijkheden die zich mogelijk voordoen bij de betaling van een factuur in het kader van deze overeenkomst, te melden aan de certificatie-instelling.


Art. 9.4 Verslaggeving
Art. 9.4.1

Van ieder controlebezoek wordt ter plaatse door de keurmeester een bezoekverslag opgemaakt, dat de volgende informatie bevat:



  • de identificatie van de productie-eenheid (naam en identificatienummer);

  • datum en duur van het controlebezoek;

  • aard van de uitgevoerde controles en de gedane vaststellingen;

  • de opmerkingen over de zelfcontrole,

In voorkomend geval bevat het bezoekverslag ook de volgende gegevens:

  • de bemonsteringen voor de controleproeven;

  • de resultaten en de interpretatie van de resultaten van de proeven;

  • de door de certificaathouder getroffen schikkingen om een gebrek of tekortkoming te verhelpen;

  • het aantal bijlagen en de identificatie ervan.


Art. 9.4.2

De certificaathouder of de gemachtigde werknemer van de certificaathouder is gerechtigd om op het bezoekverslag zijn eigen opmerkingen te vermelden. Ieder bezoekverslag wordt ondertekend door de keurmeester enerzijds en de certificaathouder of de gemachtigde werknemer van de certificaathouder anderzijds.


Art. 9.4.3

De certificaathouder ontvangt een kopie van het bezoekverslag.

Artikel 10 SANCTIES
Art. 10.1

De certificatie-instelling is gerechtigd sancties te betekenen en alle nodige maatregelen te nemen bij vaststelling van een inbreuk op of van een tekortkoming op het vlak van:



  • de conformiteit van het product;

  • de reglementaire bepalingen;

  • bijzondere schikkingen die getroffen zijn door de certificatie-instelling in het kader van de certificatie.


Art. 10.2

Een sanctie kan betrekking hebben op een gedeelte of op het geheel van de gecertificeerde productie. Ze kan ertoe leiden dat de zelfcontrole of de externe controle verscherpt wordt, en dat de certificaathouder diverse verplichte maatregelen opgelegd krijgt. De certificaathouder wordt ertoe aangemaand alle nodige correctieve acties te ondernemen om de inbreuk of tekortkoming recht te zetten, en om herhaling van de inbreuk of de tekortkoming te vermijden.


Art. 10.3

De sancties worden vastgesteld in het intern reglement van de certificatie-instelling. Sancties worden genomen volgens de ernst van de inbreuk of de tekortkoming.



Art. 10.4

Voor elke inbreuk of tekortkoming bepaalt de certificatie-instelling, op basis van de reglementaire bepalingen, de vaststellingen van de certificatie-instelling en van de door haar opgebouwde jurisprudentie, de wenselijkheid om een sanctie te betekenen. De certificatie-instelling bepaalt eventueel ook de graad van de sanctie, de duur, de eventuele bijkomende maatregelen die genomen moeten worden, en legt, indien nodig, een boete op.


Art. 10.5

Gedurende de periode waarin een producent gesanctioneerd is, met een beperking van de levering of met bijkomende extra controles, en gedurende de periode van zes maanden daarna, kan een producent geen beroep doen op een andere certificatie-instelling dan de certificatie-instelling die zijn certificaat heeft afgeleverd en die de sanctie heeft uitgesproken.

Artikel 11 BEROEP
Art. 11.1 Gehoor
Art. 11.1.1

De certificaathouder die het oneens is met een beslissing die genomen is door de certificatie-instelling of met een sanctie die betekend is door de certificatie-instelling, heeft het recht gehoord te worden door de certificatie-instelling.


Art. 11.1.2

De vraag om gehoord te worden wordt schriftelijk ingediend binnen de 10 kalenderdagen na de betekening van de bestreden beslissing van de certificatie-instelling.


Art. 11.1.3

De door de certificatie-instelling genomen beslissingen en de betekende sancties worden door een verzoek om gehoor niet opgeschort.


Art. 11.2 Beroep
Art. 11.2.1

De certificaathouder die het oneens is met een beslissing van de certificatie-instelling over de sanctionele opschorting of de intrekking van zijn certificaat, heeft het recht beroep aan te tekenen tegen die beslissing bij de OVAM.


Art. 11.2.2

Beroep wordt aangetekend met een aangetekende brief binnen tien werkdagen na de betekening van de de bestreden beslissing van de certificatie-instelling of binnen de tien werkdagen na gehoord te zijn geweest door de certificatie-instelling.


Art. 11.2.3

Een sanctionele opschorting of intrekking van het certificaat wordt niet opgeschort als de certificaathouder beroep aantekent. De OVAM bemiddelt en brengt daartoe beide partijen samen. De OVAM neemt, na bemiddeling, een beslissing en stelt beide partijen in kennis binnen een termijn van 10 werkdagen.

BIJLAGE 1: Proefmethode PAK-gehalte in asfalt

Uit het proefmonster worden de stenen > 8 mm afgezeefd.

Voor het aanbrengen van de PAK spraytest moet het analysemonster goed droog zijn. Het monster wordt daarom gedroogd bij een temperatuur van max. 40°C (aan de lucht al dan niet onder geforceerde luchtstroom of in een droogstoof bij max. 40°C). In elk geval moet een afvoer voor de droogdampen voorzien worden.
Eventueel aanhechtende deeltjes, zand, etc. kunnen verwijderd worden met een borstel

De stenen > 8 mm uit het analysemonster worden gewogen en daarna in één laag uitspreid over een oppervlak van 0,5 x 0,5 m.

Spuitbus “PAK spraytest” voor gebruik goed schudden (minimaal 30 s)

Het oppervlak met stenen > 8 mm volledig en homogeen besproeien met de spuitbus.

Minimaal 15 min. laten drogen.

Indien alle stenen duidelijk helder wit gekleurd blijven is het monster niet-teerhoudend.

Een geelachtige verkleuring geeft aanleiding tot teerhoudendheid van het onderzochte monster. In dit geval moeten de verkleurde stenen (in een donkere of verduisterde omgeving) bekeken worden met een UV-lamp (bij golflengte van 366nm). UV-belichting op teerhoudende delen en/of lagen in de stenen geeft aanleiding tot UV-fluorescentie, wat een beter onderscheidend vermogen heeft (zie foto).





Foto linksboven: asfaltpuin met teerhoudende hechtlaag


Foto rechtsboven: na toepassing met de PAK spraytest
Foto linksonder: na toepassing PAK spraytest en bekeken met UV-lamp
Positieve test onder uv-licht:

Positieve test onder daglicht:



BIJLAGE 2: Interne controle op de verontreiniging met asbest

Voor het onderscheid tussen hechtgebonden en niet-hechtgebonden vezels wordt verwezen naar de materiaalindeling van de CMA-bijlage.

De monsterneming is gebaseerd op de principes van NBN EN 932-1 en van de CMA.


20 kg-methode

Het verkregen monster wordt gedroogd in een geventileerde oven op een temperatuur van 105 °C (40 °C voor asfaltgranulaten).

Het gewicht van het droge veldmonster wordt bepaald.

Het gedroogde monster wordt gezeefd in de zeven van 16 mm, 8 mm en 4 mm.


Van elke verkregen fractie worden de asbestverdachte materialen geselecteerd (fractie 16+, (8-16) en (4-8)). Het gewicht asbestverdachte materialen wordt per fractie bepaald en opgedeeld in hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal.

De totale hoeveelheid vezels op het monster wordt als volgt bepaald:

Neem het totale drooggewicht van alle hechtgebonden asbestverdachte materialen.
Dat gewicht wordt vermenigvuldigd met 0,15. (De concentratie van de vezels wordt gelegd op 15%,)
Deel dat gewicht door het drooggewicht van het totale oorspronkelijke veldmonster.
U verkrijgt dan de concentratie hechtgebonden (vezels in) verdacht materiaal CH.

Neem het totale drooggewicht van alle niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen.


Deel dat gewicht door het totale drooggewicht van de afgezeefde fractie groter dan 4 mm.
U verkrijgt dan de concentratie niet-hechtgebonden (vezels in) verdacht materiaal CNH.

De totale concentratie aan vezels wordt als volgt bepaald:


CT = CH + 10 x CNH
80 l-methode

Zeef het 80 l-monster in een zeef van 16 mm. U verkrijgt een fractie die groter is dan 16 mm (grove fractie) en een fractie die kleiner is dan 16 mm (fijne fractie).



Bepaling asbestverdacht materiaal grove fractie
Selecteer de hechtgebonden en de niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen uit de fractie die groter is dan 16 mm.
Droog de hechtgebonden en de niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen in een goed geventileerde oven op 105 °C. Noteer het gewicht van de gedroogde hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen (MNHAV16 en MHAV16).

MNHAV16: massa niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 16 mm, uitgedrukt in kg;


MHAV16: massa hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 16 mm, uitgedrukt in kg;

Bepaling asbestverdacht materiaal fijne fractie
Als het materiaal dat kleiner is dan 16 mm, meer dan 20 liter bedraagt, wordt het fijne materiaal met behulp van een spleetverdeler gereduceerd tot ongeveer 10 liter. In dat geval moet u de verkregen massa's asbestverdacht materiaal vermenigvuldigen met 2 om de werkelijke fracties asbestverdacht materiaal in het veldmonster te berekenen voor de fractie die kleiner is dan 16 mm. In alle andere gevallen wordt de totale hoeveelheid materiaal dat kleiner is dan 16 mm, onderzocht op asbestverdacht materiaal.

Het verkregen monster fijne fractie wordt gewogen (nat gewicht fijne fractie Mnff) en daarna in een goed geventileerde oven gedroogd bij een temperatuur van 105 °C (40 °C voor asfaltgranulaten). Het drooggewicht wordt bepaald (drooggewicht fijne fractie Mdff).

Het monster wordt gezeefd in de zeven van 8 en 4 mm. Van de verkregen fracties ((8-16) en (4-8)) worden de hechtgebonden en de niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen en de gewichten als dusdanig bepaald: MNHAV8 en MNHAV4 MHAV8 en MHAV4

MNHAV8: massa niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 8 mm, in kg;

MHAV4: massa hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 4 mm, in kg;

MNHAV8: massa niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 8 mm, in kg;

MHAV4: massa hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 4 mm, in kg;

Bepaling concentratie vezels

Het drooggewicht van het oorspronkelijke monster wordt als volgt bepaald:

w
aarin:

V: het volume van het totale oorspronkelijke mengmonster op locatie, in liter;

ns: de dichtheid van het puinmateriaal, in kg/dm³;

Mdff: de massa van het gedroogde analysemonster fijne fractie (< 16 mm), in kg;

Mnff: de massa van het veldvochtige analysemonster fijne fractie (< 16 mm), in kg;

Mloc: het drooggewicht van het totale monster, genomen te velde, in kg.

De concentratie mogelijk asbest op het totale staal wordt als volgt bepaald:
CT = 0,15 *[MHAV16/Mloc + (MHAV8+ MHAV4)]/Mdff + 10 x (MNHAV16/Mloc + (MNHAV8+ MNHAV4)/Mdff)
Opmerking: de waarde van 15% asbestvezels werd overgenomen uit de tabel uit de CMA/2/II/A.17. Dit percentage is een inschatting.

BIJLAGE 3: Richtlijnen voor puin van containerparken
1. Doel

Puin van een containerpark dat voldoet aan de voorwaarden van deze richtlijnen, kan of mag door de puinbreker als laagmilieurisico-profiel (LMRP) geaccepteerd worden. De puinbreker blijft wel verantwoordelijk voor de afvalstoffen die hij aanvaardt.


2. Toepassingsgebied

Deze richtlijnen gelden voor de containerparken die puin als LMRP willen aanbieden bij een vaste breekinstallatie voor het bekomen van gerecycleerde granulaten volgens het eenheidsreglement. Puin dat volgens de hieronder vermelde richtlijnen wordt ingezameld, kan rechtstreeks afgevoerd worden naar de puinbreker. Daar kan het verder verwerkt worden als puin met een laagmilieurisico-profiel.

Wanneer niet aan de richtlijnen is voldaan, kan het puin bij de puinbreker enkel als hoogmilieurisico-profiel (HMRP) aanvaard worden. Een andere mogelijkheid is dat het puin wordt afgevoerd naar een daartoe vergunde inrichting (i.c. sorteerinrichting).

Voorliggende richtlijnen geven invulling aan artikel 5.1.4 van het beheersysteem gerecycleerde granulaten. Dit artikel vermeldt dat 'wanneer de inzamelaar (= opdrachtgevend bestuur) kan aantonen dat de inzameling gebeurt volgens het Uitvoeringsplan en de afzet gebeurt volgens de kwaliteitseisen uit het modelbestek voor de inzameling van bouw- en sloopafval op het containerpark (= de richtlijnen voor puin van containerparken)' het puin als laagmilieurisico-profiel bij de puinbreker kan aanvaard worden.


3. Algemene principes

Het opdrachtgevend bestuur neemt de nodige maatregelen om het steenpuin op het containerpark zo zuiver mogelijk in te zamelen. Daarbij moeten volgende zaken in acht genomen worden:



Deze afspraken worden vastgelegd in een contract tussen de puinbreker en de gemeente/intergemeentelijke vereniging.

In deze contractuele verbintenis worden minstens de afspraken tussen containerpark en puinbreker opgenomen zoals gespecifiëerd in deze richtlijn. Deze contractuele verbintenis moet ter inzage liggen bij de puinbreker (voor de certificatie-instelling en de toezichthoudende overheid). Bij de puinbreker worden de specificaties opgenomen in het werkplan en maken deze deel uit van het acceptatiebeleid. In de contractuele verbintenis wordt duidelijk bepaald waar en door wie de externe controle op asbestverdachte materialen zal gebeuren.


4. Duidelijke interne regels voor het containerpark

  • de containerparkwachters hebben voldoende kennis over de verschillende fracties bouw- en sloopafval die op het containerpark door de burgers kunnen aangeboden worden zoals zuiver steenpuin, asbestcement, cellenbeton, gips, grond met stenen en niet-recycleerbaar bouw- en sloopafval. Zij krijgen hiervoor de nodige opleiding en ondersteuning;

  • de containerparkwachters kennen de regels die ze moeten volgen bij de acceptatie van asbestcementhoudende bouw- en sloopafvalstoffen op het containerpark (omzendbrief LNE/2008/2);

  • de containerparkwachters moeten een opleiding asbestherkenning gevolgd hebben conform artikel 7.6.1.2.4 van het eenheidsreglement;

  • de containerparkwachters kennen het diftarsysteem dat toegepast wordt op het containerpark en controleren het aanbieden van bouw- en sloopafval;

  • het containerpark beschikt over:
    – een aparte container voor zuiver steenpuin;
    – een aparte container voor asbestcementhoudende bouw- en sloopafvalstoffen en asbestvrije vezelcementplaten;
    – en minstens één andere container voor de bouw- en sloopafvalstoffen die niet in een van de eerste twee genoemde thuishoren (zoals cellenbeton, gips, keramiek en porselein, grond, …).
    De containerparkwachters controleren dagelijks de container 'zuiver steenpuin' op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Wanneer asbestverdachte materialen worden aangetroffen, moet deze container afgevoerd worden naar een daartoe vergunde inrichting (sorteerinrichting).

5. Goede afspraken met de puinbreker



  • bij het afsluiten van het contract tussen de puinbreker en de gemeente/intergemeentelijke vereniging, komt de puinbreker op bezoek op het containerpark zodat hij over voldoende kennis beschikt over de inzamelwijze van bouw- en sloopafval die op dat specifieke containerpark gehanteerd wordt;

  • in het contract spreken beide partijen af wat er moet gebeuren als een vracht niet voldoet aan de afgesproken acceptatiecriteria. De mogelijkheden bestaan uit het afvoeren naar een sorteerinstallatie, het verwerken als hoogmilieurisico-profiel bij de puinbreker ofwel het afvoeren naar een andere daartoe vergunde inrichting;

  • er moet rechtstreeks afgevoerd worden van containerpark naar de puinbreker. Tussenopslag van het ingezamelde puin is niet toegestaan tenzij de traceerbaarheid gegarandeerd is en eenduidig kan bepaald worden (oorsprong containerpark);

  • minstens twee keer per jaar voorziet de kwaliteitsverantwoordelijke van de puinbreker waarmee de gemeente of intergemeentelijke vereniging een contract heeft, informatie voor de betrokken medewerkers van het containerpark. Daarin wordt de kwaliteit van de aangeleverde stroom geëvalueerd. Men voorziet de nodige opleiding en ondersteuning van de containerparkwachters zodat een goede kwaliteit van het puin gegarandeerd blijft;

  • de kwaliteitsverantwoordelijke van de puinbreker kan de kwaliteit van de selectieve inzameling van steenpuin op het containerpark opvolgen door een onverwacht bezoek te brengen aan het containerpark. Bij het betreden van het containerpark moet hij zichzelf identificeren;

  • de gemeente/intergemeentelijke vereniging zorgt ervoor dat een externe keuringsinstelling op de fractie zuiver steenpuin (= het puin dat afgevoerd wordt naar de breekinstallatie met de bedoeling het te gebruiken als grondstof voor gereycleerde granulaten) een steekproefsgewijze controle uitvoert op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze screening gebeurt volgens de richtlijn van de OVAM voor de externe controle op asbestverdachte materialen in ongebroken puin van containerparken.

  • In het contract tussen de puinbreker en de gemeente/intergemeentelijke vereniging wordt bepaald hoe en waar er op asbestverdachte materialen wordt gecontroleerd. Dit kan uit praktische overwegingen bij de puinbreker zijn, maar ook op de locatie van een andere ingedeelde inrichting.

  • In het contract tussen de puinbreker en de gemeente/intergemeentelijke vereniging wordt ook de frequentie van de controle op asbestverdachte materialen bepaald. Initieel gebeurt dit minstens twee keer per jaar (per containerpark). De controle gebeurt onaangekondigd en door de externe keuringsinstelling. Wanneer na minimum twee jaar blijkt dat er bij de externe controle geen asbestverdachte materialen aanwezig zijn, is een vermindering van het aantal verplichte metingen per jaar per containerpark mogelijk. Elk containerpark moet wel minstens één keer per jaar een controle op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen ondergaan.

  • Wanneer de keuringsinstelling een non-conformiteit vaststelt in de fractie steenpuin (overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn van OVAM), moet het containerpark en de puinbreker(s) zo snel mogelijk op de hoogte gebracht worden. Het opdrachtgevend bestuur neemt dan acties om de non-conformiteit(en) te corrigeren. Zolang de externe keuringsinstelling geen nieuwe controle heeft uitgevoerd, waaruit de conformiteit van de ingezamelde fractie steenpuin blijkt, mag dit puin enkel naar een sorteerinrichting afgevoerd worden ofwel per partij (met ‘hoogmilieurisico-profiel’) aanvaard worden bij de puinbreker.

6. Goede afspraken met de burger



  • de sorteerboodschap voor de verschillende fracties van het bouw- en sloopafval is op het containerpark duidelijk uitgelegd via borden bij de containers;

  • het diftarbeleid van het containerpark stimuleert de inwoners om hun bouw- en sloopafval zo goed mogelijk te sorteren;

  • lokale besturen rekenen maximum 0,03 euro aan per kilogram ‘zuiver steenpuin zonder milieurisico’;

  • de gemeente of intergemeentelijke vereniging besteedt regelmatig aandacht aan de sorteerboodschap van de verschillende fracties in het bouw- en sloopafval. Dit gebeurt onder meer via de afvalkrant, op de webstek, het gemeentelijk infoblad, de afvalkalender en tijdens rondleidingen;

  • de inwoners weten dat de aparte inzameling van asbestcementhoudend bouw- en sloopafval wettelijk verplicht is.


7. Bijlagen – Wettelijk kader
7.1 Uitvoeringsplan Milieuverantwoord Beheer Huishoudelijke Afvalstoffen

Het UMBHA verplicht lokale besturen om asbestcement en steenpuin – inert materiaal apart in te zamelen op het containerpark. Aanverwante materialen, zoals houtafval en oude metalen, zijn eveneens verplicht te sorteren. In de realiteit bieden veel lokale besturen hun inwoners de mogelijkheid om nog verder uit te sorteren. Het gaat dan om fracties zoals gips, keramiek of niet-recycleerbaar bouw- en sloopafval.

→ tabel 7: minimum frequentie en de wijze van inzameling voor de verschillende fracties uit het huishoudelijk afval (p.86)
7.2 Vlaams reglement over het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen

Het VLAREMA bepaalt dat lokale besturen aan de burger per kilogram “zuiver steenpuin zonder milieurisico” maximum 0,03 euro mogen aanrekenen (bijlage 5.4.1. tarieven voor inzameling en verwerking huishoudelijke afvalstoffen).


7.3 Beheersysteem milieukwaliteit voor gerecycleerde granulaten

Het beheersysteem is een beleidsdocument waarin de OVAM de hele keten van de verwerking van bouw- en sloopafval beschrijft. Afhankelijk van de herkomst krijgt steenpuin het etiket ‘hoogmilieurisico-profiel’ of ‘laagmilieurisico-profiel’. Steenpuin van de containerparken heeft een hoog risicoprofiel en moet bij de acceptatie bij de puinbreker een aparte controle ondergaan, tenzij men op het containerpark de richtlijnen toepast, die de VVSG in overleg met de OVAM opstelt.


7.4 Eenheidsreglement gerecycleerde granulaten

Het ministerieel besluit van 25 juli 2011 (BS op 23 augustus 2011) is van toepassing voor de certificatie van gerecycleerde gerecycleerde granulaten.

Het puin dat gebruikt wordt voor de productie van gerecycleerde granulaten, mag niet schadelijk zijn voor milieu en gezondheid, en moet na bewerking een milieutechnisch en bouwtechnisch verantwoord eindproduct opleveren. De volgende materialen moeten als een aparte stroom ingezameld worden en kunnen niet samen met het puin verwerkt worden:


  • asbesthoudende materialen

  • asbestvrije vezelcementmaterialen

  • spoorwegballast

  • cellenbeton

  • vliegassen en bodemassen van verbrandingsinstallaties

  • gips of met gips verontreinigd sloopafval

  • metaalslakken, non-ferroslakken, keramiek en porselein

  • slakken die afkomstig zijn van afvalverbrandingsinstallaties

  • puin dat visueel of organoleptisch verontreinigd is met asbest, teer, gevaarlijke afvalstoffen

  • alle andere materialen waarvoor er volgens het VLAREMA een grondstofverklaring wordt vereist

Deze fracties mogen dus niet in de container voor puin gedeponeerd worden.

BIJLAGE 4: Kwaliteitsborgingsysteem voor puin van sorteerinrichtingen voor bouw- en sloopafval


1. Doel

Puin van een sorteerinrichting dat voldoet aan dit kwaliteitsborgingsysteem, kan of mag door de puinbreker als laagmilieurisico-profiel (LMRP) geaccepteerd worden. De puinbreker blijft wel verantwoordelijk voor de afvalstoffen die hij aanvaardt.

Wanneer niet aan dit kwaliteitsborgingsysteem wordt voldaan, kan het puin bij de puinbreker enkel als hoogmilieurisico-profiel (HMRP) aanvaard worden. Een andere mogelijkheid is dat het puin wordt afgevoerd naar een daartoe vergunde inrichting.

Voorliggend kwaliteitsborgingsysteem geeft invulling aan artikel 5.1.3 van het beheersysteem gerecycleerde granulaten. Dit artikel vermeldt dat puin afkomstig van sorteerinrichtingen als laagmilieurisico-profiel bij de puinbreker kan aanvaard worden, mits het toepassen van een kwaliteitssysteem of een uitgewerkte procedure voor de kwaliteitsborging opgemaakt door de sector in overleg met de OVAM.


2. Toepassingsgebied

Dit kwaliteitsborgingsysteem geldt voor alle sorteerinrichtingen voor bouw- en sloopafval die puin als LMRP willen aanbieden bij een vaste breekinstallatie voor het bekomen van gerecycleerde granulaten volgens het eenheidsreglement.

Een sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval is een inrichting voor het uitsorteren van afvalstoffen via een aparte installatie waarvan de inerte puinfractie na uitsortering wordt afgevoerd naar een puinbreker. De sortering is een aparte activiteit en gebeurt voorafgaand aan het eventuele breekproces.

Dit kwaliteitsborgingsysteem is dus ook van toepassing voor de sorteerinrichting/puinbreker die puin voorafgaand aan het breekproces behandelt (handpicking, sorteervloer, sorteerlijn, trommelzeef, ...). Bij een sorteerinrichting/puinbreker moet er een duidelijke fysische scheiding zijn tussen de voorbehandelings- (sorteer)activiteiten en de breekactiviteiten. Dit moet duidelijk in het werkplan gespecifieerd zijn.

Sorteershredderzand dat ontstaat door het shredderen van bouw- en sloopafval, behoort niet tot het toepassingsgebied van dit kwaliteitsborgingsysteem.
3. Definities

Uit artikel 1.2.1 van het VLAREMA

puin: steenachtige fractie uit bouw- en sloopafval;

sorteerzeefzand: zand dat ontstaat bij het zeven van puin bij een vergunde sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval;

brekerzeefzand: zand dat afkomstig is van het zeven, voorafgaand aan het breken van puin;

sorteerzeefgranulaat: verzamelterm voor stenen die verkregen worden door het zeven van puin, verkregen na voorafzeving en sorteren van bouw- en sloopafval dat afkomstig is van een vaste sorteerinrichting;

gerecycleerde granulaten: granulaten die ontstaan door mechanische behandeling van anorganisch materiaal dat afkomstig is van bouwkundige constructies, zoals betongranulaat, asfaltgranulaat, menggranulaat, metselwerkgranulaat, gerecycleerde brokken, brekerzand van asfalt, brekerzeefzand, sorteerzeefgranulaat en sorteerzeefzand;

Bijkomende definitie

sorteershredderzand: zand bekomen na een shredder-installatie op een sorteerinrichting.

keuringsinstelling: Copro, Certipro of gelijkwaardig, volgens artikel 3.1 van het eenheidsreglement of keuringsinstelling zoals bedoeld in artikel 6.1.1.6 van het VLAREMA.

sorteerinrichting/puinbreker: bedrijf waarbij het sorteren en breken van het bouw- en sloopafval tot één juridische entiteit behoren.
4. Algemene principes

1) De sorteerinrichting gaat een contractuele verbintenis aan met de puinbreker waarnaar het puin afgevoerd wordt. In deze contractuele verbintenis worden minstens de specificaties opgenomen uit hoofdstuk 5 en 6 van dit kwaliteitsborgingsysteem. Deze contractuele verbintenis moet ter inzage liggen bij de sorteerinrichting én bij de puinbreker (voor de keuringsinstelling, certificatie-instelling en de toezichthoudende overheid). Bij een sorteerinrichting/puinbreker worden de specificaties uit hoofdstuk 5 en 6 opgenomen in het werkplan.

2) De sortering van het bouw- en sloopafval heeft als doel het puin dat verkregen wordt na het sorteerproces te kunnen afzetten als puin met een laagmilieurisico-profiel bij de puinbreker. Dit betekent dat:


  • minstens alle gevaarlijke afvalstoffen uit het puin zijn verwijderd;

  • puin verontreinigd met 'asbestverdachte materialen' niet naar een puinbreker mogen afgevoerd worden;

  • de mate waarin het puin fysisch verontreinigd mag zijn, moet worden bepaald in de contractuele verbintenis tussen sorteerinrichting en puinbreker. De puinbreker moet uitgerust zijn om de resterende fysische verontreiniging te verwijderen. Indien de uitrusting van de puinbreker beperkt is tot een magneetband met windshifter, betekent dit dat de sorteerinrichting de (“niet-vlottende”) verontreinigingen zoals vermeld in artikel 7.6.1.1, 2° van het eenheidsreglement uit het puin moet sorteren;

  • de zeeffractie (sorteerzeefzand0/20 mm, zie verder) op de puinfractie na sortering, moet afgezet worden als sorteerzeefzand, overeenkomstig het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten. De afzet van het sorteerzeefzand kan zowel gebeuren door de sorteerinrichting als puinbreker;

3) De sorteerinrichting stelt een keuringsinstelling aan voor de externe controle. De externe controle verloopt overeenkomstig hoofdstuk 6.

4) De puinbreker blijft verantwoordelijk voor zijn acceptatiebeleid en dus ook om het puin als puin met laagmilieurisico-profiel te aanvaarden. Zo zal de puinbreker bv. organoleptisch verontreinigd puin niet als puin met laagmilieurisico-profiel mogen aanvaarden.


5. Zelfcontrole
5.1 Algemene bepalingen

De zelfcontrole heeft als doel aan te tonen dat het puin na sortering in aanmerking kan komen om bij de puinbreker als puin met een laagmilieurisico-profiel geaccepteerd te worden. Om dit aan te tonen is de sorteerinrichting er toe gehouden op het geaccepteerde bouw- en slooppuin, op het productieproces en op het puin dat naar de puinbreker wordt afgevoerd een zelfcontrole uit te voeren volgens welbepaalde controleschema's. De resultaten van die controles worden genoteerd in werkboeken en bijgehouden in controleregisters die consulteerbaar zijn voor de keuringsinstelling en de toezichthoudende overheid.

De afzet van het sorteerzeefzand moet gebeuren overeenkomstig het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten.
5.2 Productie-installaties

De sorteerinrichting beschikt over een geschikte installatie om het aangevoerde bouw- en sloopafval te behandelen zodat het uitgesorteerde puin in aanmerking kan komen voor afvoer als puin met een laagmilieurisico-profiel bij de puinbreker.

Het sorteren gebeurt door manuele of mechanische uitsortering en kan gebeuren via een sorteervloer, sorteerlijn, trommelzeef, e.d.
Het afscheiden van het sorteerzeefzand met een zeefinstallatie gebeurt ofwel bij de sorteerinrichting ofwel bij de puinbreker.
5.3 Controleschema's
5.3.1 Acceptatiecriteria

De sorteerinrichting houdt zich aan de omzendbrief LNE/2008/01 betreffende de Code van Goede Praktijk voor het op de Vlaamse sorteercentra aanvaarden, manipuleren, registreren en afvoeren van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig (zie bijlage 1)

Stromen die bij de puinbreker apart gehouden moeten worden om per partij te verwerken, moeten ook bij de sorteerinrichting apart gehouden worden, cf. eenheidsreglement artikel 7.6.1.1, 4°.

Iedere vracht aangevoerd uit te sorteren bouw- en sloopafval wordt gewogen en geïdentificeerd door een aanleveringsbon. Deze aanleveringsbon vermeldt minstens de gegevens van het identificatieformulier zoals vermeld in artikel 6.1.1.2, §2, van het VLAREMA.


5.3.2 Controle van de uitgesorteerde puinfractie

5.3.2.1 Controle op asbestverdachte of vezelhoudende materialen

Elke productiedag doet de sorteerinrichting een visuele inspectie van het uitgesorteerde puin om eventuele resterende asbestverdachte of vezelhoudende materialen op te sporen.

De sorteerinrichting streeft voor asbest naar een nultolerantie op het uitgesorteerde puin. Wanneer er asbestverdachte of vezelhoudende materialen aangetroffen worden in het uitgesorteerde puin, moet de dagproductie opnieuw over de sorteerlijn gehaald worden. Indien nodig verscherpt de sorteerinrichting zijn acceptatieprocedure en/of zijn werkmethode.

5.3.2.2 Controle op fysische restverontreiniging

In de contractuele overeenkomst tussen sorteerinrichting en puinbreker wordt overeengekomen welke concentraties aan fysische restverontreinigingen aanwezig mogen zijn bij aanlevering bij de puinbreker. Deze fysische restverontreinigingen zijn afhankelijk van de uitrusting van de puinbreker en zijn terug te vinden in de acceptatiecriteria van de puinbreker. Indien de uitrusting van de puinbreker beperkt is tot een magneetband met windshifter betekent dit dat de sorteerinrichting de (“niet-vlottende”) verontreinigingen zoals vermeld in artikel 7.6.1.1, 2°, van het eenheidsreglement uit het puin moet uitsorteren. Elke productiedag doet de sorteerinrichting een visuele beoordeling van het uitgesorteerde puin i.f.v. de acceptatiecriteria van de puinbreker waarnaar hij zal afvoeren. Indien nodig wordt de dagproductie opnieuw over de sorteerlijn gehaald. Indien nodig verscherpt de sorteerinrichting zijn acceptatieprocedure en/of zijn werkmethode.

5.3.2.3 Controle op chemische verontreiniging

De controle op de chemische verontreiniging gebeurt enkel op het sorteerzeefzand. Sorteerinrichting en puinbreker maken duidelijke afspraken over de granulometrie van het sorteerzeefzand (0/20mm).

Het sorteerzeefzand, onafhankelijk of het bij de sorteerinrichting of bij de puinbreker wordt geproduceerd, moet als sorteerzeefzand overeenkomstig het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten afgezet worden. Het sorteerzeefzand moet gecontroleerd worden per batch van max. 1000 m³, dus met de frequenties overeenkomstig artikel 7.6.3.E (en artikel 9.3.2.E) van het eenheidsreglement.

Indien de afzeving niet gebeurt bij de sorteerinrichting, moet het sorteerzeefzand bij de puinbreker als een afzonderlijke soort afgescheiden worden bij de voorzeving en als sorteerzeefzand op de markt gebracht worden, tenzij aangetoond wordt dat het aangeleverde materiaal voldoet aan de VLAREMA-normen voor bouwstof. Het sorteerzeefzand moet bij de puinbreker dan eveneens per batch gecontroleerd worden overeenkomstig artikel 7.6.3.E van het eenheidsreglement.


5.3.2.4 Non-conformiteiten

Sorteerinrichting en puinbreker maken duidelijke afspraken over de werkwijze bij non-conformiteiten die vastgesteld worden bij de puinbreker in het aangeleverde puin van de sorteerinrichting. Mogelijke acties zijn:



  • vracht weigeren en terugsturen naar de sorteerinrichting;

  • vracht weigeren en afvoeren naar een andere verwerker (voor reiniging of storten);

  • de keuringsinstelling heeft de toelating om het aanvoerregister en het register van geweigerde vrachten bij de puinbreker op te vragen.

De sorteerinrichting neemt acties om de non-conformiteiten, die bij de interne controle vastgesteld worden of die door de puinbreker gemeld worden, te corrigeren.

6. Externe controle


6.1 Algemene bepalingen

De externe controle heeft tot doel de geldigheid van de zelfcontrole van de sorteerinrichting na te gaan en de naleving van de contractuele verbintenis tussen de sorteerinrichting en de puinbreker na te gaan. De externe controle omvat controlebezoeken aan de sorteerinrichting door een externe keuringsinstelling.


6.2 Controlebezoeken

Initieel zal de keuringsinstelling minstens twee keer per jaar de sorteerinrichting onaangekondigd controleren. Wanneer na minimum twee jaar blijkt dat er bij de externe controle geen non-conformiteit vastgesteld is, is een vermindering van het aantal controles tot 1 keer per jaar mogelijk.

Deze controle wordt gerapporteerd aan de sorteerinrichting en kan op vraag van de puinbreker voorgelegd worden. In dit rapport staan de bevindingen van de controles cf. hoofdstuk 5 en een eindconclusie.

De keuringsinstelling zal steeds de bepalingen uit de contractuele verbintenis tussen sorteerinrichting en puinbreker als basis gebruiken van zijn controle, naast de bepalingen uit dit kwaliteitsborgingsysteem.


6.3 Controleschema's
6.3.1 Controle op asbestverdachte of vezelhoudende materialen

De keuringsinstelling zal bij elk controlebezoek op de uitgesorteerde puinfractie een screening op de aanwezigheid van asbestverdachte of vezelhoudende materialen uitvoeren volgens de richtlijn van de OVAM voor de externe controle op asbestverdachte materialen in ongebroken puin van sorteerinrichtingen.


6.3.2 Controle op fysische restverontreiniging

De keuringsinstelling zal visueel nagaan of de sorteerinrichting voldoet aan zijn eigen acceptatiecriteria (bij de aanvaarde afvalstoffen) evenals aan de acceptatiecriteria van de puinbreker waarnaar hij afvoert (op de uitgesorteerde puinfractie(s)).


6.3.3 Controle op chemische verontreiniging

Deze controle gebeurt enkel op het sorteerzeefzand. De certificatie-instelling zal een representatief staal nemen van het sorteerzeefzand en een volledige VLAREMA-analyse laten uitvoeren. De afzet van het sorteerzeefzand moet gebeuren overeenkomstig het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten.


6.3.4 Non-conformiteiten

Wanneer de keuringsinstelling een non-conformiteit vaststelt in de uitgesorteerde puinfractie(s), moeten de sorteerinrichting en de puinbreker(s) zo snel mogelijk op de hoogte gebracht worden. De sorteerinrichting neemt dan acties om de non-conformiteit(en) te corrigeren. Zolang de keuringsinstelling geen nieuwe controle heeft uitgevoerd, waaruit de conformiteit van de uitgesorteerde puinfractie(s) blijkt, mag dit puin alleen per partij (met ‘hoogmilieurisico-profiel’) aanvaard worden bij de puinbreker.


7. Bijlagen

Bijlage 1: omzendbrief LNE/2008/01 betreffende de Code van Goede Praktijk voor het op de Vlaamse sorteercentra aanvaarden, manipuleren, registreren en afvoeren van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig,

Bijlage 2: Externe controle op asbestverdachte materialen in ongebroken puin van containerparken en sorteerinrichtingen – Externe controle bij inrichtingen vergund voor het reinigen van puin verontreinigd met asbest voorstel van aanpak

Bijlage 1: omzendbrief LNE/2008/01 betreffende de Code van Goede Praktijk voor het op de Vlaamse sorteercentra aanvaarden, manipuleren, registreren en afvoeren van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig,











Vlaams minister van Openbare

Werken, Energie, Leefmilieu en

Natuur

Koning Albert II-laan 20 bus 1,

1000 Brussel

Tel. 02 552 66 00 - Fax 02 552 66 01

kabinet.crevits@vlaanderen.be


Omzendbrief LNE/2008/1
















Omzendbrief over asbest in Vlaamse sorteercentra








Aan de provinciegouverneurs
Aan de leden van de deputaties
Aan de colleges van burgemeester en schepenen

Aan de diensten en instanties belast met de uitvoering van de in deze rondzendbrief opgenomen bepalingen










Datum:      




Betreft: Code van goede praktijk voor het op de Vlaamse sorteercentra aanvaarden, manipuleren, registreren en afvoeren van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig








1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina