Inhoudsopgave Artikel 1 toepassingsgebied 17 Artikel 1 toepassingsgebied 17



Dovnload 425.46 Kb.
Pagina7/7
Datum20.08.2016
Grootte425.46 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Manipulaties

  1. Wetgeving

Naast VLAREM en VLAREA moet men rekening houden met het KB van 16 maart 2006 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest (B.S. 23 maart 2006).


Algemene principes bij manipulaties zijn:

  • men doet al het mogelijke om zo weinig mogelijk personen te werk te stellen op de plaatsen waar asbeststof kan aanwezig zijn in de lucht;

  • men vermijdt zoveel als mogelijk stofvorming in alle fasen van het proces;

  • als laatste hulpmiddel laat men de blootgestelde personen persoonlijke beschermingsmiddelen dragen.

Het KB legt volgende zaken op:



  • men voert luchtmetingen uit. Men tracht de vezelconcentratie in de lucht zo laag mogelijk te houden. Bij overschrijding van de richtwaarde (0,01 v/cm³) neemt men bijkomende technische maatregelen. De grenswaarde van 0,1 v/cm³ mag nooit overschreden worden (artikel 18 t/m 27 K.B. 16 maart 2006);

  • de activiteiten moeten gemeld worden bij de regionale directie van het Toezicht op het Welzijn op het Werk (zie www.werk.belgië.be - bijv. jaarmelding af te spreken met bevoegde inspecteur) (artikel 28 en 29 K.B. 16 maart 2006);

  • men meldt aan de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer welke werknemer mogelijk blootgesteld wordt (artikel 30 t/m 32 K.B. 16 maart 2006). Alle betrokken werknemers ondergaan jaarlijks een medisch onderzoek bij de arbeidsgeneesheer (artikel 33 t/m 36 K.B. 16 maart 2006);

  • deze werknemers krijgen opleiding en informatie (artikel 37 en 38 K.B. 16 maart 2006). Dit mag intern binnen het bedrijf gegeven worden, maar moet wel neergeschreven zijn. Dit wordt ook jaarlijks herhaald. Het gaat over algemene informatie in verband met asbest herkennen, gezondheid en dergelijke en specifieke informatie i.v.m. de concrete toepassing op de werkplaats (instructies).



    1. Voorschriften code van goede praktijk

De sorteercentra leven volgende principes na:



  • asbesthoudend afval wordt alleen aanvaard indien het asbest hechtgebonden is, indien het afval deugdelijk verpakt is en indien het afval niet gemengd is met ander afval;

  • het asbesthoudend afval wordt niet gebroken;

  • door een voorzichtige manipulatie en/of het gebruiken van een sproei-installatie, vermijdt men dat asbestvezels worden verspreid of ingeademd.

Het binnenkomende asbesthoudende afval wordt in 2 soorten onderverdeeld:

1. Asbesthoudend afval dat in een geschikte verpakking (container met bigbag, bigbag of platenzak) wordt aangeleverd

Hier moeten geen manipulaties meer gebeuren, behalve het afsluiten van de bigbag en het samen plaatsen van de kleinere bigbags/platenzakken in één gezamenlijke container. De container-bigbags blijven in de container tot aan de stortplaats.

2. Onverpakt asbesthoudend afval dat men sporadisch en ongewenst aantreft tussen het andere afval

De code legt hierbij manuele manipulatie op. Men sorteert dit asbesthoudend afval manueel uit en verpakt het op zodanige wijze dat vezelvrijstelling minimaal is. Bij deze en andere werkzaamheden met kans op blootstelling aan asbestvezels, zoals het opvegen van het terrein, is het dragen van de vereiste persoonlijke beschermingsmiddelen verplicht.


Men stelt de werknemers minstens een ademhalingsbescherming (wegwerpmasker type FFP3) en aan enkel en pols aansluitende wegwerpkledij met kap ter beschikking.
Asbestcementplaten en –leien ondergaan geen enkele manipulatie behalve eventuele opbulking. Hierbij worden de platen op zodanige wijze in een container met geschikte verpakking (bijv. container-bigbag) geladen dat breuk vermeden wordt en stofvorming zoveel mogelijk beperkt wordt. Om risico op breuk te beperken gebeurt de opbulking manueel en niet machinaal. Indien nodig gebruikt men een sproei-installatie.
Machinale manipulatie is uitzonderlijk toegelaten indien men vernevelt (bij voorkeur met toevoeging van een fixatiemiddel aan het water). Het moedwillig breken of verkleinen van asbesthoudend afval alsook het gebruik van sneldraaiende mechanische werktuigen (artikel 15 K.B. 16 maart 2006) zijn verboden.
Door één van deze methodes te gebruiken zorgt men ervoor dat alle asbesthoudende afval ten laatste in de sorteerinrichting wordt verpakt en in gesloten verpakking wordt afgevoerd.

  1. Registratie

Men tracht het gewicht van de binnenkomende asbesthoudende afvalstoffen zo accuraat mogelijk in te schatten:



  • een container met uitsluitend asbesthoudend afval wordt op de sorteerlocatie ingewogen als “asbestcementhoudende afvalstoffen”;

  • een container bouw- en sloopafval die niet overwegend asbesthoudende afvalstoffen bevat, wordt ingewogen als “bouw- en sloopafval”.
    Het gewicht van de aanwezige asbesthoudende afvalstoffen wordt van het bouw- en sloopafval in mindering gebracht door bijv. aan asbestafval bevattende bigbags een standaardgewicht toe te kennen. Het asbesthoudend afval wordt in het weegsysteem ingegeven onder de benaming “asbestcementhoudende afvalstoffen”.


  1. Afvoer

Voor afvoer naar de stortplaatsen worden de bigbags of platenzakken gesloten. Dit geldt zowel voor de kleine bigbags als de container-bigbags. De container kan eventueel voor het transport voorzien worden van een dekzeil. De exploitant van de stortplaats ziet erop toe dat het materiaal met bigbags conform de richtlijnen van de stortplaats in het daartoe voorziene stortvak wordt gestort.



  1. Slotbeschouwingen

Deze code van goede praktijk zal worden toegepast door alle Vlaamse sorteercentra. Door toevoeging van de algemene regels rond aanvaarding, manipulaties, in- en uitgaande registratie en afvoer in het werkplan bezit ieder sorteercentrum een gelijkwaardige basis voor het beheer van bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is. Het in een zo vroeg mogelijk stadium verpakken van vrijkomend asbesthoudend afval en de scheiding van het asbesthoudend afval aan de bron beperken het risico van verspreiding van asbestvezels. Deze code van goede praktijk ontslaat de uitbaters niet van het naleven van alle wettelijke verplichtingen. De code is een aanvulling op en verduidelijking van de wetgeving.


Hilde Crevits

Vlaams minister van Openbare Werken,

Energie, Leefmilieu en Natuur



Bijlage 2: Externe controle op asbestverdachte materialen in ongebroken puin van containerparken en sorteerinrichtingen – Externe controle bij inrichtingen vergund voor het reinigen van puin verontreinigd met asbest voorstel van aanpak


1. bepaling van asbest in ongebroken puin
Ongebroken puin kan potentieel steeds verontreinigd zijn met asbestverdachte materialen. Bij alle mogelijke handelingen zoals inzameling, sorteren, zeven, breken is het cruciaal om over opgeleid personeel te beschikken dat in staat is om asbestverdachte materialen snel en correct te herkennen.
Zo vroeg mogelijk in de verwerkingsketen van ongebroken puin moeten partijen verontreinigd met (niet)-hechtgebonden asbestverdachte materialen gedetecteerd worden.
Ongebroken puin is echter een zeer heterogene matrix en bezit meestal stukken die groter zijn dan 100 mm. Cfr CMA is de greepgrootte 20 l en bedraagt de grootte van het veldmonster minstens 500 l. Zoals bepaald in procedure voor asbest in gerecycleerde granulaten cfr CMA/1/A.19 dient op het terrein nog een zeving over 16 mm te gebeuren. De fijne fractie wordt in grootte beperkt tot een labomonster F van 10 l. Uit de grove fractie worden de asbestverdachte/vezelhoudende stukken verzameld en samengevoegd tot het verzamelmonster S. In het labo wordt het asbestgehalte bepaald in beide monsters en wordt het asbestgehalte van het veldmonster berekend.
Uit de bovenstaande opsomming blijkt dat de bepaling van het (berekende) totaalgehalte aan asbestvezels in ongebroken puin arbeidsintensief is en bijgevolg duur is. Bovendien zal de betrouwbaarheid van het meetresultaat laag zijn wegens de grote heterogeniteit van deze afvalstroom. Want bij verschillende analyses op dezelfde partij is een grote spreiding van de meetresultaten te verwachten en bijgevolg een grote meetonzekerheid.
Een proefmethode van de bepaling van asbest in ongebroken puin is dan ook niet zinvol.
De visuele beoordeling van de partij ongebroken puin op aanwezigheid van asbestverdachte stoffen is een veel effectievere aanpak. Het nadeel is dat er geen normenkader bestaat voor het gehalte aan asbestverdachte materialen. De waarde van 1000 ppm hechtgebonden asbestverdachte materialen kan als werk- of toetsingswaarde gebruikt worden maar biedt geen sluitende garanties dat het ongebroken puin steeds aan de normwaarde van 100 ppm zal voldoen.


2. externe controle op asbestverdachte materialen in ongebroken puin van containerpark
De sector stelt richtlijnen op voor de inzameling van puin afkomstig van containerparken (bijlage 3 van het eenheidsreglement). Deze richtlijnen hebben tot doel om controles op puin van containerparken te stroomlijnen en een gelijkwaardig acceptatiebeleid te voeren.
De “Richtlijnen voor puin van containerparken” hebben als einddoel de kwaliteit van het aangeleverde puin bij de puinbrekers te verbeteren zodat het bij de puinbreker als laag milieu risico profiel (LMRP) kan aangeleverd worden. Dit betekent een aangepaste bedrijfsvoering op het containerpark en impliceert o.a. een strenge controle op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen in het puin bij acceptatie.
Overeenkomstig de frequentie gegeven in de Richtlijnen voor puin van containerparken moet de geselecteerde container uitgespreid worden op een verharde sorteervloer in aanwezigheid van een externe controleur. De plaats waar de externe controle gebeurt wordt afgesproken in overleg met de exploitant van het containerpark en kan 1 van de volgende locaties zijn: op containerpark buiten de openingsuren, bij de puinbreker of op andere vergunde plaats voor de afvalstofverwerking.

Op de volledige containerinhoud (12-20m³) wordt visuele controle en een zo representatief mogelijke staalname uitgevoerd.




  1. Spreid met een wiellader de volledige containerinhoud open in een laagdikte van ongeveer 20 cm.




  1. Controleer visueel of er asbestverdachte materialen aanwezig zijn.




  1. Indien niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal aanwezig moet de volledige container afgevoerd worden naar een inrichting vergund voor het reinigen van puin verontreinigd met asbest.




  1. Indien grote stukken (bv >100 mm) hechtgebonden asbestverdacht materiaal aanwezig moet de volledige container afgevoerd worden naar een inrichting vergund voor het sorteren van puin.




  1. Neem met een wiellader met laadschop van minstens 100 l op 4 verschillende plaatsen één laadschop. Het materiaal van de 4 laadschoppen wordt op een propere verharde ondergrond uitgespreid in een laagdikte van maximaal 20 cm en vormt zo een subpartij van minstens 400 l.




  1. De subpartij wordt eerst gecontroleerd op de aanwezigheid van niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal. Indien niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal aanwezig dan moet de volledige containerinhoud afgevoerd worden naar een inrichting vergund voor het reinigen van puin verontreinigd met asbest.




  1. Neem volgens de manuele methode 4 grepen uit de subpartij. De grepen worden gelijkmatig ruimtelijk verspreid over het bovenoppervlak van de subpartij en worden, zoveel mogelijk, doorheen de dikte van de subpartij genomen (ca. 20 cm). De minimale greepgrootte is afhankelijk van de korrelgrootte D95 (zie tabel 1 CMA/1/A.14) De grepen worden, afhankelijk van het te bemonsteren materiaal (korrelgrootte), genomen met apparatuur die voldoet aan de eisen CMA/1/A.14.




  1. De 4 grepen worden verzameld en samengevoegd tot het veldmonster.

Dit veldmonster wordt gewogen en er gebeurt een grondige visuele controle op aanwezigheid van asbestverdachte materialen.
De volgende aanpak wordt gevolgd:

1. indien niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal aanwezig dan moet de volledige containerinhoud afgevoerd worden naar een inrichting vergund voor het reinigen van puin verontreinigd met asbest.


2. indien hechtgebonden asbestverdachte materialen aanwezig worden alle asbestverdachte materialen uitgeraapt en gewogen. Het totale gewicht aan asbestverdachte materialen uitdrukken op totale gewicht van het veldmonster. De concentratie aan asbestverdachte materialen toetsen aan de kwalitatieve werkwaarde van 1000 ppm

< 1000 ppm (of strenger indien zo onderling met de breker afgesproken) de lading kan als materiaal met LMRP gebroken worden onder verantwoordelijkheid van de breker;

>1000 ppm (of strenger indien zo onderling met de breker afgesproken) dan moet de volledige containerinhoud afgevoerd worden naar een vergund sorteerinrichting


Een overschrijding van de waarde van 1000 ppm heeft ook als gevolg dat de controlefrequentie op het aangevoerde puin van het respectievelijke containerpark moet aangepast worden. Dit moet gebeuren overeenkomstig de frequenties gegeven in de Richtlijnen voor puin van containerparken.


3. externe controle op asbestverdachte materialen in ongebroken puin van sorteerinrichtingen

Bijlage 4 van het eenheidsreglement geeft het ‘Kwaliteitsborgingsysteem voor puin van sorteerinrichtingen voor bouw- en sloopafval’.


Het “Kwaliteitssysteem voor puin afkomstig van sorteerinrichtingen” heeft als einddoel de kwaliteit van het aangeleverde puin bij de puinbrekers te verbeteren zodat het bij de puinbreker als laag milieu risico profiel (LMRP) kan aangeleverd worden. Dit betekent een aangepaste bedrijfsvoering op de sorteerbedrijven. Het impliceert o.a. een strenge controle op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen in het puin bij accepatie en adequate verwijdering van asbestverdachte materialen. De modaliteiten van de controle van asbest op puin van sorteerinrichtingen (frequentie, controle bij puinbreker of sorteerbedrijf, ...) moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van het Kwaliteitssysteem voor puin van sorteerinrichtingen.

Het grove puin dat de sorteerder afvoert naar de puinbreker mag niet verontreinigd zijn met asbestverdachte materialen.

Bij de sorteerder worden op partij uitgesorteerde (afgezeefde) grove puinfractie van maximum 250 m³ een zo representatief mogelijke staalname uitgevoerd


  1. Neem met een wiellader met laadschop op minimum 4 verschillende plaatsen één of meerdere laadschoppen uit de afgebakende partij. Zorg ervoor dat evenveel laadschoppen uit de kern, als aan het oppervlak van de hoop ontnomen worden.




  1. Per plaats wordt het materiaal in de laadschoppen op een propere verharde ondergrond gestort, en vormt zo een subpartij. De grootte van deze subpartijen is afhankelijk van de grootte van de gebruikte laadschop, maar moet minstens 1m³ bedragen.




  1. De subpartij wordt met de laadschop nogmaals opgeschept en uitgestort om het materiaal te homogeniseren (eventueel deze handeling enkele malen herhalen).




  1. Elke subpartij wordt met de laadschop uitgestreken zodat het materiaal uitgespreid ligt in een laag van maximaal 20 cm.




  1. Elke subpartij wordt eerst gecontroleerd op de aanwezigheid van niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal en grote stukken (bv >100 mm) hechtgebonden asbestverdacht materiaal aanwezig. Indien voormelde materialen aanwezig dan moet de volledige partij grove puinfractie terug gesorteerd worden.




  1. Neem volgens de manuele methode 4 grepen uit de subpartij. De grepen worden gelijkmatig ruimtelijk verspreid over het bovenoppervlak van de subpartij en worden, zoveel mogelijk, doorheen de dikte van de subpartij genomen (ca. 20 cm). De grepen worden, afhankelijk van het te bemonsteren materiaal (korrelgrootte), genomen met apparatuur die voldoet aan de eisen CMA/1/A.14. De minimale greepgrootte is afhankelijk van de korrelgrootte D95 (zie tabel 1 CMA/1/A.14)




  1. Herhaal punt 2 t.e.m. 6 voor de andere 3 subpartijen uit de voorraadhoop.




  1. De 16 grepen worden verzameld en samengevoegd tot het veldmonster.

Dit veldmonster wordt gewogen en er gebeurt een grondige visuele controle op aanwezigheid van asbestverdachte materialen.
De volgende aanpak wordt gevolgd:

1. indien niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal aanwezig dan moet het veldmonster terug bij de bemonsterde partij van maximum 250 m³ gevoegd worden. De volledige partij grove puinfractie moet opnieuw gesorteerd worden.


2. indien hechtgebonden asbestverdachte materialen aanwezig zijn, wegen van alle asbestverdachte materialen, de massa asbestverdachte materialen uitdrukken op totale massa van het veldmonster en dan toetsen aan de kwalitatieve werkwaarde van bv. 1000 ppm

< 1000 ppm (of strenger indien zo onderling met de breker afgesproken) de bemonsterde partij van maximum 250 m³ als materiaal met LMRP kan gebroken worden onder verantwoordelijkheid van de breker;

>1000 ppm (of strenger indien zo onderling met de breker afgesproken) dan moet de bemonsterde partij van maximum 250 m³ opnieuw gesorteerd en nadien bemonsterd en gecontroleerd worden.


Een overschrijding van de waarde van 1000 ppm (of strenger, zoals vastgelegd in de overeenkomst tussen sorteerinrichting en puinbreker) heeft ook tot gevolg dat de controlefrequentie op het gesorteerde puin van de respectievelijke inrichting moet aangepast worden (zoals bepaald in het Kwaliteitssysteem voor puin van sorteerinrichtingen).

4. externe controle op input en outputmateriaal bij inrichtingen vergund voor het reinigen van puin verontreinigd met asbest


De aanvoer van ongebroken puin, verontreinigd met asbestverdacht materiaal moet traceerbaar blijven tot na de reiniging. Het is cruciaal om de verontreinigde partij correct af te bakenen.

De exploitant van de reinigingsinstallatie moet aantonen dat zijn installatie geschikt is om asbestverontreiniging te verwijderen. De grove stukken worden voorafgaand aan de reiniging afgescheiden. Voor elke gereinigde partij moet de exploitant volgende informatie aangeven: het totaal gewicht van de input, gewicht aan niet-hechtgebonden en hechtgebonden asbestverdachte stoffen dat hij verzameld en verwijderd heeft.

De kwaliteit van het gereinigde materiaal (output) moet voldoen aan de berekende normwaarde van 100 ppm.

Uit een partij gereinigde puinfractie van maximum 250 m³ gebeurt de staalname en de monstervoorbehandeling ter plaatse zoals beschreven in procedure voor gerecycleerde granulaten nl volgens CMA/1/A.19. Het labomonster F en -indien beschikbaar- het verzamelmonster S, worden naar het labo gebracht en verder behandeld, geanalyseerd met procedure bepaling van asbest in gerecycleerde granulaten volgens CMA/2/II/C.2. Het meetresultaat wordt getoetst aan de berekende normwaarde van 100 ppm.

Indien de normwaarde wordt overschreden moet de volledige partij terug gereinigd en nadien gecontroleerd worden.
Gezien om gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van tot opheffing van artikel 2 en tot wijziging van de bijlage bij het ministerieel besluit van 25 juli 2011 houdende de goedkeuring van het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten.

Brussel,


De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur,

Joke SCHAUVLIEGE





1 De hechtgebondenheid van het materiaal kan in geval van twijfel geverifieerd worden door middel van de VITO-vezelvrijstellingstest. Bros materiaal moet omwille van het blootstellingsgevaar worden gecementeerd.

Pagina van



1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina