Inhoudsopgave blz



Dovnload 101.91 Kb.
Pagina1/3
Datum07.10.2016
Grootte101.91 Kb.
  1   2   3
Borstvoedingsprotocol

Kraamthuis & Praktijk voor Verloskunde Harlingen

INHOUDSOPGAVE BLZ

Inleiding 4

Hoofdstuk 1: Algemene informatie
1.1 De WHO—gedragscode 5
1.2 De Nederlandse situatie 6
1.3 De positieve effecten van borstvoeding 6
1.4 De houding van hulpverleners ten aanzien van borstvoeding 7

Hoofdstuk 2: De tien vuistregels voor het welslagen van de borstvoeding 8

Hoofdstuk 3: Standaarden borstvoeding
3.1 De voorbereiding van de tepels op de borstvoeding 9
3.2 De verzorging van de borsten na de geboorte 9
3.3 De eerste keer aanleggen 9
3.4 Voeden op verzoek 10
3.5 Het toeschieten van de moedermelk 11
3.6 De technieken van het aanleggen 12
3.6.1 Algemene aandachtspunten bij het aanleggen 12
3.6.2 De meest voorkomende problemen bij het aanleggen 13
3.7 Houdingen van de moeder en de baby tijdens het voeden 15
3.8 De baby van de borst nemen 16
3.9 Bijvoeden in de eerste dagen 16
3.9.1 Vingervoeden 17
3.9.2 Cupfeeding 18
3.10 Het wegen van de pasgeborene 18

Hoofdstuk 4: Preventie en oplossing van problemen
4.1 Stuwing 19
4.2 Te veel borstvoeding 19
4.3 Te weinig borstvoeding 20
4.4 Ingetrokken of platte tepels 21
4.5 Pijnlijke tepels en tepelkloven 21
4.6 Dreigende borstontsteking en borstontsteking 23
4.7 Darmkrampjes 24

Hoofdstuk 5: Borstvoeding in bijzondere situaties
5.1 Borstvoeding bij een tweeling 25
5.2 Borstvoeding bij een couveusebaby 25
5.3 Borstvoeding na een keizersnede 26
5.4 Borstvoeding bij een baby met een lip-, kaak- en/of gehemeltespleet 26
5.5 Borstvoeding bij prematuren, dysmaturen en zware zuigelingen 27
5.5.1 Prematuren 27
5.5.2 Dysmaturen 27
5.5.3 Zware zuigelingen 27
Hoofdstuk 6: borstvoeding op de lange termijn
6.1 Afkolven en bewaren van moedermelk 28
6.2 De regeldagen 30
6.3 Borstvoeding zonder bijvoeding 30
6.4 Afbouwen van de borstvoeding 31
6.5 Algemene voedingsrichtlijnen voor een moeder die borstvoeding geeft 31
6.6 Voedingsrichtlijnen tot het stimuleren van de borstvoeding 32
6.7 Vitamines voor een baby bij borstvoeding 32
6.8 Roken, alcohol- en medicijngebruik van een moeder die borstvoeding geeft 32
6.9 Moedermelk en milieuverontreiniging 33

Aanbevolen literatuur 34

Nuttige adressen 35


INLEIDING

Bij SamenZorg wordt al een aantal jaren gewerkt met een borstvoedingsprotocol. Nu de organisatie in 2004 is begonnen met het traject op weg naar het WHO/Unicef borstvoedingscertificaat wordt het hele beleid rondom borstvoeding nog eens onder de loep genomen. In dit traject wordt ook kritisch gekeken naar het borstvoedingsprotocol.


Voor u ligt een nieuwe versie van het protocol, dit is een conceptversie. Gedurende het traject en de scholingen kunnen er nog aanvullingen en wijzigingen gemaakt worden zodat we aan het einde van het traject, bij certificering, een up to date, werkbaar en goed protocol hebben liggen.

Doelstelling van het borstvoedingsprotocol
Eenduidige richtlijnen t.a.v. borstvoeding voor een ieder die te maken heeft met het geven van voorlichting en adviezen aan ouders die hun kind borstvoeding geven. Tevens zijn de standaarden instrumenten voor kraamverzorgenden en overige betrokkenen om hun eigen handelen te toetsen Een uniforme begeleiding is noodzakelijk voor het slagen van de borstvoeding.

De uitgangspunten
Voor de totstandkoming van de richtlijnen zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:
• Alle vrouwen kunnen borstvoeding geven
• De verklaring van de Wereld Gezondheidsorganisatie en Unicef, zoals beschreven staat in de brochure “De bescherming, bevordering en ondersteuning van borstvoeding”.
• De gezonde zuigeling:
De adviezen en richtlijnen m.b.t. borstvoeding die in dit protocol gegeven worden, gelden voor de gezonde zuigeling.

Verwijzingen
In het protocol wordt voor verdieping en nadere uitleg verwezen naar het boek Begeleiding bij Borstvoeding van Adrienne de Reede (2003).
Dit boek heeft iedere medewerker van de afdeling kraamzorg in haar bezit.

HOOFDSTUK 1: ALGEMENE INFORMATIE

1.1 De WHO-Gedragscode
De WHO, de Wereldgezondheidsorganisatie, is een onderdeel van de Verenigde Naties, dat zich bezighoudt met gezondheidsbevordering in de wereld. In 1981 heeft de WHO de zogenaamde WHO- gedragscode, ook wel marketingcode genoemd, uitgebracht. Het is een internationale gedragscode voor het op de markt brengen van Moedermelkvervangende producten. De code is door bijna alle lidstaten van de WHO ondertekend, ook door Nederland.
Het doel van de code is een bijdrage te leveren aan een veilige en geschikte voeding voor zuigelingen door bescherming en bevordering van borstvoeding en door te zorgen voor een correct gebruik van kunstvoeding als dat nodig zou zijn. Dit moet gebeuren door een goede voorlichting en het op een goede manier op de markt brengen en verspreiden van kunstmatige zuigelingenvoeding.

De code is bestemd voor:


• Fabrikanten van vervangingsmiddelen voor moedermelk en van alle producten die hier direct of indirect mee te maken hebben, zoals flessen en spenen
• Werkers in de gezondheidszorg
• Overheden
• Cliënten, in dit geval de ouders van zuigelingen die borstvoeding geven

Voor fabrikanten en verkopers geldt:


• Er mag geen reclame worden gemaakt voor producten die onder de code vallen en er mogen geen verkoopbevorderde activiteiten worden verricht (zoals het geven van cadeautjes)
• Er mogen geen monsters van kunstvoeding worden uitgedeeld aan zwangeren of ouders van zuigelingen en ook niet aan werkers in de gezondheidszorg
• Voorlichting moet beperkt blijven tot wetenschappelijke en feitelijke informatie en mag niet de indruk geven dat kunstvoeding gelijkwaardig of zelfs beter is dan borstvoeding.
• De verpakking van kunstvoeding moet aan een aantal voorwaarden voldoen.

Er moet opstaan dat:


- Borstvoeding de beste zuigelingenvoeding is.
- Het product alleen gebruikt mag worden op advies van een werker in de gezondheidszorg.
- Het op een bepaalde manier klaargemaakt moet worden.
- Er gezondheidsrisico’s zitten aan verkeerd gebruik.

Voor de gezondheidszorg is het volgende opgesteld:


• Er mag geen gebruik worden gemaakt van voorzieningen in de gezondheidszorg om de verkoop van kunstvoedingsproducten te bevorderen of om deze producten uit te stallen of posters hierover op te hangen.
• Demonstraties in het klaarmaken van kunstvoeding mogen alleen gedaan worden door werkers in de gezondheidszorg, voor ouders die gebruik moeten maken van kunstvoeding.
• Werkers in de gezondheidszorg moeten borstvoeding bevorderen en beschermen.
• Werkers in de gezondheidszorg mogen geen monsters van kunstmatige
zuigelingenvoeding doorgeven aan zwangeren of ouders van zuigelingen.

In de gedragscode staat verder beschreven dat iedereen die informatie geeft over zuigelingenvoeding aan zwang eren en moeders van zuigelingen, duidelijkheid moet kunnen geven over de volgende punten:


• De voordelen en bijzondere samenstelling van borstvoeding.
• De voeding van moeders en de voorbereiding op- en instandhouding van borstvoeding.
• De negatieve uitwerking van kunstvoeding als bijvoeding op borstvoeding.
• Hoe moeilijk het is om terug te komen op een eenmaal genomen besluit om geen borstvoeding te geven. Het later opstarten van de borstvoeding kost veel inzet, motivatie,
doorzettingsvermogen en een enorme support vanuit de omgeving.
Voor verdere informatie zie de internationale gedragscode voor het op de markt brengen van vervangingsmiddelen voor moedermelk.

1.2 De Nederlandse situatie
(bron: Congres Vereniging Borstvoeding Natuurlijk)
Bij het geven van informatie aan diegenen die daarom vragen is het belangrijk dat het Nederlandse publiek zich bewust wordt van de vele positieve aspecten van moedermelk. Daarmee is niet gezegd dat iedere vrouw borstvoeding moet geven, maar wordt ervoor gepleit dat aanstaande moeders een objectieve keuze kunnen maken tussen borst en fles en zich daarna in die keuze gesteund zien door hun omgeving en door de zorgverleners.

1.3 De positieve effecten van borstvoeding
De samenstelling van moedermelk varieert per land, per vrouw, per periode, per dag en zelfs per voeding. Hierdoor is het moeilijk onderzoek te doen naar de samenstelling van moedermelk. Wel is duidelijk dat het colostrum een groot aantal stoffen bevat die de baby beschermen.
• Moedermelkheeft een beschermende werking gedurende de hele borstvoedingsperiode. De eerste dagen na de geboorte krijgt de baby het colostrum, dat o.a. zorgt voor een “coating” (beschermend laagje) van de darmwand en de luchtwegen. Naast deze plaatselijke bescherming levert colostrum antilichamen en vetoplosbare vitaminen in bijzonder hoge concentraties.
• Colostrum werkt laxerend en helpt om het meconium sneller het lichaam te doen verlaten, waardoor de kans op extreem geel zien kleiner wordt.
• De borstvoeding is precies aangepast op de behoefte en de ontwikkeling van de baby.
• Borstvoeding is lichtverteerbaar en heeft een unieke samenstelling.
• Moedermelk bevordert de groei van de baby, de ontwikkeling van de hersenen en de ontwikkeling van het zenuwstelsel.
• Moedermelk bevat antistoffen die de baby beschermt tegen infecties van o.a. de luchtwegen.
• Een borstgevoede baby heeft een betere mondmotoriek en kaakontwikkeling dan flesgevoede baby’s.
• Uit onderzoek is gebleken dat de kans op hersenvliesontsteking 4 tot 16 keer zo klein is bij borstgevoede baby’s. De bescherming lijkt het grootst gedurende de eerste 6 maanden.
• Aan de borst houden zelfs de allerkleinste baby’s zich goed op temperatuur.
• Ongestoord huid-op-huid contact tussen moeder en baby bevordert het hechtingsgedrag vlak na de bevalling. Een goede hechting zorgt ervoor dat de moeder haar baby beter begrijpt en dus makkelijker aan de behoeften van de baby tegemoet kan komen.

• Het gewicht van vrouwen die borstvoeding geven is sneller op het niveau van voor de zwangerschap. Met het voeden wordt een vetreserve uit de zwangerschap aangesproken. De moeder valt op een natuurlijke wijze af.


• Borstvoeding geven geeft een moeder zelfvertrouwen.
Nadelen van borstvoeding die wel genoemd worden hebben vooral te maken met de beleving van de moeder zoals: Gebonden voelen, onzekerheid, minder betrokkenheid van de vader etc. Daar komt hij dat wat de ene moeder een nadeel vindt, voor de ander juist een voordeel kan zijn.
Voor informatie over de verschillen tussen moedermelk en kunstmatige zuigelingen voeding: Punt 1.2 b!z. 15 t/m 22

1.4 De houding van hulpverleners ten aanzien van borstvoeding
Een moeder die haar baby borstvoeding wil gaan geven, zit vaak vol vragen en onzekerheden. Voor het slagen van de borstvoeding is het nodig om haar en natuurlijk ook haar partner, op een goede manier te begeleiden, te ondersteunen en voor te lichten. Om dit op een juiste manier te doen, moeten hulpverleners voldoen aan een aantal voorwaarden.
De hulpverleners moeten:
• een positieve houding hebben ten aanzien van borstvoeding, dat wil zeggen dat ze overtuigd moeten zijn van het belang van de borstvoeding voor de baby en de moeder.
• voldoende kennis van en inzicht hebben in de factoren die succesvol borstvoeding geven kunnen beïnvloeden.
• adequaat kunnen reageren op dreigende problemen en proberen problemen te voorkomen door goede opvang en ondersteuning.
• zich bewust zijn van hun eigen mogelijkheden en hun kennis. Als ze nog weinig ervaring hebben op het gebied van borstvoeding is het van belang, dat ze ouders tijdig doorverwijzen naar borstvoedingsorganisaties Bijvoorbeeld de Vereniging Borstvoeding Natuurlijk (VBN), La Leche League (LLL) of naar een lactatiekundige.
• een actieve houding hebben, dat wil zeggen dat ze zonodig op eigen initiatief actie kunnen ondernemen gericht op het bevorderen van borstvoeding.
• de keuzevrijheid van de ouders respecteren.
• vertrouwen hebben in de natuurlijke mogelijkheid van de vrouwen om borstvoeding te geven en dit gevoel op de moeders over weten te brengen.
• een positieve houding hebben die niet te uitbundig is. Ze moeten een middenweg weten te vinden tussen een sterk bevorderende en een sterk afwachtende houding. Het eerste kan de moeder een gevoel geven tekort te schieten en bij het tweede kunnen demotiverende adviezen van anderen de overhand krijgen, waardoor er gestopt wordt met het geven van de borstvoeding.

HOOFDSTUK 2: DE TIEN VUISTREGELS VOOR HET WELSLAGEN VAN DE BORSTVOEDING
(uit: de verklaring van de WHO en Unicef)

Alle instellingen voor moeder- en kindzorg dienen er zorg voor te drogen:

1. Dat zij een beleid ten aanzien van borstvoeding op papier hebben, dat standaard bekend gemaakt wordt aan alle betrokken medewerkers.

2. Dat alle betrokken medewerkers de vaardigheden aanleren die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dat beleid.

3. Dat alle zwang ere vrouwen voorgelicht worden over de voordelen en de praktijk van borstvoeding geven.

4. Dat moeders binnen een uur na de geboorte van hun kind geholpen worden met borstvoeding geven.

5. Dat aan vrouwen uitgelegd wordt hoe ze hun baby aan moeten leggen en hoe zij de melkproductie in stand kunnen houden, zelfs als de baby van de moeder gescheiden moet worden.

6. Dat pasgeborenen geen andere voeding dan borstvoeding krijgen, noch extra vocht, tenzij op medische indicatie. Er wordt alleen bijgevoed in overleg met en in opdracht van de huisarts of verloskundige. Deze hulpverleners zijn eindverantwoordelijk voor het voedingsbeleid.

7. Dat moeder en kind dag en nacht bij elkaar op een kamer mogen blijven (rooming-in).

8. “Borstvoeding op verzoek” (indien gewenst) wordt nagestreefd. De grenzen van feeding on demand zijn minimaal 2 uur en maximaal 4 uur tussen elke voeding, behalve ‘s nachts.

9. Dat aan zuigelingen die borstvoeding krijgen geen speen of fopspeen gegeven wordt.

10. Dat zij contact onderhoudt met andere instellingen en disciplines over de begeleiding van borstvoeding en dat ze ouders verwijst naar borstvoedingorganisaties.

HOOFDSTUK 3: STANDAARDEN BORSTVOEDING

3.1 De voorbereiding van de tepels op de borstvoeding
Tijdens de zwangerschap wordt behalve voorlichting over borstvoeding ook voorlichting over borstverzorging gegeven. Daarnaast verricht degene die de zwangere begeleidt de borstcontrole. Er moet extra gelet worden op de vorm van de tepels. Onderscheidt dient gemaakt te worden tussen een platte/vlakke tepel en een ingetrokken tepel. Een positieve benadering is hierbij erg belangrijk, ook als het lijkt dat de vorm van de tepels niet ideaal is. De tepelvorm is niet van belang voor het welslagen en het geven van de borstvoeding. Een vooruitstekende tepel maakt het wel gemakkelijker voor de baby om de borst te pakken. In de zwangerschap zijn geen extra maatregelen nodig voor de verzorging van de borsten.

Advies:
• Zorg voor een goede hygiëne
• Borsten alleen met water wassen. Zeep kan namelijk de oliënde werking van de klieren van Montgomery op de tepelhof verstoren. Afdrogen met een ruwe handdoek wordt ontraden, omdat een ruwe handdoek de huid kan beschadig en.
• Gevoelige tepels; wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat het laten harden van tepels geen zin heeft.

Raadzaam bij ingetrokken tepels:
Bij ingetrokken of platte tepels kan de zwangere met de verloskundige overleggen over eventuele maatregelen die zij in de tweede helft van de zwangerschap kan toepassen. De rekbaarheid van de tepels kan worden vastgesteld door met duim en wijsvinger in de tepelhof te drukken, vlak achter de tepel.
A. Een platte of ingetrokken tepel die zich bij deze handeling strekt of naar buiten komt, zal zichzelf corrigeren en zal doorgaans geen problemen opleveren als de baby wordt aangelegd.
B. Een werkelijke afwijkende, ingetrokken tepel zal bij deze controle echter vlak blijven of naar binnen trekken.
Voor informatie over vlakke of ingetrokken tepels: punt 3.3 blz. 87 t/m 91

3.2 De verzorging van de borsten na de geboorte
• Zorg voor een goede hygiëne.
• De borsten alleen met water wassen.
• De borsten na de voeding laten opdrogen aan de lucht.
Draag een goede, steunende niet knellende bh.
• Controleer de borsten dagelijks op harde plekken of verdikkingen die kunnen wijzen op een dreigende borstontsteking.

3.3 De eerste keer aanleggen
De moeder wordt zonodig hulp geboden bij het aanleggen van haar kind. Dit is een natuurlijk kennismakingsproces van moeder en kind, dat vooraf gaat aan de voeding. Het eerste huid-op-huid contact is erg belangrijk. De baby wordt zo snel mogelijk na de bevalling, in ieder geval binnen één uur na de geboorte aangelegd. De zuigreflex is dan het sterkst.

3.4 Voeden op verzoek
Van groot belang bij het voeden op verzoek is de informatievoorlichting die de begeleiders aan de ouders geven.

Rooming-in
Moeder en kind verblijven tijdens de kraamperiode en waar mogelijk ook daarna zoveel mogelijk in één ruimte. Dit is vooral van belang bij het voeden op verzoek en bij de slaperige en/of icterische baby. Problemen als te weinig voeding, teveel afvallen en ernstige stuwing kunnen worden voorkomen of beperkt. Rooming-in brengt met zich mee dat de moeder de signalen van haar baby leert begrijpen en voedt naar zijn behoefte. Rooming-in bevordert een veilige hechting voor moeder en kind.

De eerste 24 uur
• De baby heeft voldoende reserve en er wordt niet gesproken van een minimum en maximaal aantal voedingen, dus voed de baby op verzoek.
• De baby kan de eerste dag voldoende hebben aan de eerste Moedermelk(colostrum) totdat de melkproductie op gang komt. Het op gang komen van de borstvoeding kan een aantal dagen duren.
• Leg de eerste twee a drie dagen de baby elke keer aan als hij een teken van voedingsbehoefte geeft (onrustig slapen, lichte slaap, ontwaken, zoekgedrag, zoekgedrag met mond en/of handen, smakken, huilen).

Na de eerste 24 uur
• Het is in principe juist om, als de baby het wil, de beide borsten aan te bieden. Om de borstvoeding op gang te brengen/stimuleren wordt geadviseerd de baby overdag om de twee a drie uur aan te leggen, s nachts om de vier a vijf uur.
• Vaak aanleggen in de eerste dagen na de geboorte kan ernstige stuwing verminderen of zelfs voorkomen.
• Door veelvuldig zuigen van de baby vlak na de geboorte nemen de prolactine receptoren in de mekklieren in aantal toe. Deze regelen samen met het hormoon prolactine voor een goede melk productie (vraag en aanbodsysteem).
• Wanneer het minimum van zes voedingen overdag niet gehaald wordt, is het raadzaam om de baby ‘s nachts wakker te maken. Vooral ‘s nachts worden hogere prolactine spiegels bereikt, waardoor een hogere melkproductie plaatsvindt.
• Bij meer dan 10 a 12 voedingen per dag oppassen voor het te vaak wisselen van borst. Hoe vaker gevoed wordt, hoe minder van borst gewisseld wordt. Te snel wisselen van borst kan leiden tot een niet gebalanceerde voeding, met klachten als krampjes, gistende ontlasting en slechte groei.
• De duur van de voeding wordt door de baby bepaald. Hoe lang een baby bij zijn moeder drinkt is heel verschillend van kind tot kind, maar varieert ook van voeding tot voeding. Het is afhankelijk van de frequentie van het voeden, de toeschietreflex speelt een rol evenals de eetlust van de baby.
Voor informatie over de duur en hoeveelheid van de voeding: punt 2.4 blz. 60 t/m 6

De observaties
Wat vertelt het kind zelf:
• Is het tevreden?
• Zijn er voldoende plasluiers?
• Hoe is de ontlasting?
• Een tevreden baby ziet er ontspannen uit

Plasluiers
Vanaf de vierde dag heeft het kind gemiddeld zes plasluiers per etmaal. De urine is helder en reukloos.

Ontlasting
Zolang het kind uitsluitend moedermelk krijgt, zal de ontlasting zacht blijven; soms zelfs waterig met vlokjes. De kleur kon variëren van mosterd tot geel en lichtgroen. Leg ouders uit dat dunne en frequente ontlasting bij een gezond borstkind geen diarree is. De eerste 6 dagen produceert de baby meerdere keren per dag ontlasting. Van 7 tot 28 dagen 5 tot 10 keer. Na zes weken kan het voor de baby normaal zijn om 7x per dag tot 1 maal per 7-10 dagen ontlasting te produceren.

Vraag en aanbod
De hoeveelheid borstvoeding is afhankelijk van de vraag ernaar (het systeem van vraag en aanbod).
In principe geeft de moeder beide borsten per voeding, tenzij de baby na én borst al voldaan is.
Minimum en maximum aantal voedingen per dag
Een zuigeling van 0-10 dagen oud
• Minimaal 6 maal per 24 per uur aanleggen. Liever 8 maal per 24 uur aanleggen.
• een maximum wordt niet aangegeven.
Na 10 dagen
• Op verzoek blijven voeden, geen speciale rust- en drinktijden opleggen.
Na 4 tot 8 weken
• Een kind heeft dan meestal een ritme gevonden. Van belang blijft dat de ouders/begeleiders interpreteren wat een kind aangeeft:
- Wil het zuigen?
- Heeft het honger?

3.5 Het toeschieten van de moedermelk
• De toeschietreflex zorgt dat de moedermelk toeschiet nadat de baby een paar maal aan de borst gezogen heeft. De reflex zorgt ervoor dat de melk uit de melkgangen richting tepel gaat stromen onder invloed van het hormoon oxytocine.
• Iedere vrouw ervaart de toeschietreflex anders. Voor sommige vrouwen is het een stekende pijn of tinteling en andere vrouwen voelen helemaal niets. Deze ervaringen zijn allemaal normaal te noemen.
• Na het voeden voelt de moeder zich vaak wat bom of moe. Dit is de tijdelijke werking van oxytocine die een soort natuurlijke rust brengt.
• Spanningen, onrust en stress kunnen een negatieve invloed hebben op het tot stand komen van de toeschietreflex.
• De afgifte van oxytocine zorgt ook voor een goede samentrekking van de baarmoeder na de bevalling waardoor de ontzwangering sneller verloopt.
Voorinformatie over de fysiologie van de melkproductie:punt .1.1 blz. 10 t/m 14

3.6 De technieken van het aanleggen
Een juiste wijze van aanleggen is van essentieel belang voor het welslagen van de borstvoeding.

3.6.1 Algemene aandachtspunten bij het aanleggen
• De baby wordt goed gesteund.
• Hij ligt dicht tegen moeder aan, kan goed bij de borst.
• Hij ligt met het hoofd en lijfje in een lijn, naar de moeder toegewend.
• Het mondje bevindt zich tegenover of net iets lager dan de tepel.
• De baby ligt niet in elkaar gedoken, hij kon het hoofdje vrij bewegen.
• De heupen zijn gebogen: ronde houding
• De moeder zorgt ook voor een prettige houding, rug en armen goed gesteund, ontspannen en bij zittend voeden goed rechtop.
• Ze ondersteunt de borst zo nodig met vier vingers aan de onderkant, duim erop.
• Ze wacht tot het mondje wijd open is, kietelt het onderlipje, drukt eventueel zacht tegen het kinnetje van de baby.
• Ze brengt de baby naar de borst en niet de borst naar de baby.



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina