Inhoudsopgave: Filosoferen met kinderen 3


De opbouw van het gesprek



Dovnload 204.61 Kb.
Pagina4/8
Datum23.07.2016
Grootte204.61 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8

De opbouw van het gesprek

Voorbereiding


Als je met elkaar in gesprek gaat, moet je in de gelegenheid zijn om elkaar aan te kijken. Dit betekent voor het filosoferen dat dit gebeurt in een kring. Wanneer de kinderen gewend zijn om de tafels aan de kant te zetten en de stoelen in een kring, dan levert dit organisatorisch eigenlijk geen problemen op. Daar waar kinderen dit niet gewend zijn kan het de eerste keer redelijk chaotisch verlopen. Toch wil ik erop aandringen dat het echt noodzakelijk is. Het in de kring gaan zitten heeft niet alleen als voordeel dat je elkaar kunt aankijken, maar ook dat de kinderen aanvoelen dat dit een andere les is dan aardrijkskunde of taal. Je wilt met elkaar in gesprek, daar moet je de tijd voor nemen, dat mag ook best een beetje moeite kosten. Je zult merken dat het in de kring gaan zitten steeds beter gaat. Voor je het weet gaat het als vanzelf.

Wanneer je graag wilt dat alle kinderen tijdens het filosoferen ook echt aan bod komen is het aan te raden dit met een groep van maximaal 12 tot 15 kinderen te doen. Bij een grote klas zou je kunnen kijken of er een mogelijkheid is om met een deel van de kinderen te filosoferen, wanneer het andere deel bijvoorbeeld gym heeft of handvaardigheid. Omdat dit in de praktijk lang niet altijd mogelijk is, is het van belang dat er voldoende verwerkingsmateriaal aanwezig is. Het verwerkingsmateriaal moet de mogelijkheid bieden om, na afloop van de filosofieles, over het thema in kleine groepjes nog even verder te praten. Let wel: het napraten staat dus bij het verwerkingsmateriaal centraal, niet het werken met werkbladen of opdrachten! De leerkracht sluit dan bij elk groepje nog even aan. Op deze manier komen uiteindelijk dan toch alle kinderen aan bod.

Wanneer je nog eens terugkijkt naar alle vaardigheden waaraan de kinderen werken tijdens het filosoferen en het belang voor het groepsproces ligt het voor de hand dat de tijd die je aan filosoferen wilt besteden wordt ingeroosterd. Op deze manier kun je zorgen voor continuïteit. Je kunt daarbij denken aan 1 keer per week op 1 vaste dag en tijd, ongeveer 45 tot 60 minuten. Tijdens het filosoferen, moeten de kinderen elkaar kunnen aankijken, je bent immers in interactie met elkaar. Het is dan ook het handigst wanneer de kinderen in een kring zitten. Voor de verwerkingsopdracht zitten de kinderen in kleine groepjes.

Het filosoferen is niet alleen nieuw voor jou als leerkracht, maar ook voor de kinderen zelf. Het is dan ook aan te raden om vooraf te vertellen dat je gaat filosoferen met de kinderen, wanneer je dat wilt doen en hoelang de lessen duren. Ook kun je een voorbeeld geven over wat er inhoudelijk van hen wordt verwacht, door een voorbeeld van alle dag te geven. Zelf vind ik het gesprek over “kaas” of “het schip”3 leuke voorbeelden. Bij “kaas” begint het gesprek als volgt;

Meisje: Kaas is van gras gemaakt.

Leraar: Waarom zeg je dat?”

Meisje: Omdat kaas van melk is gemaakt en koeien geven melk en koeien eten gras.

Leraar: Eet je kaas?

Meisje: Ja.

Leraar: Dus dan ben jij ook van gras gemaakt?

Meisje: Nee, ik ben een mens.

Bij “het schip” is de aanleiding tot filosoferen een bezoek aan een gerestaureerd vierkant getuigd zeilschip uit 1846. Het schip is vlak nadat het af was gezonken en is in 1981 geborgen. 85 procent van de planken was rot en is vervangen. De gids zegt vervolgens dat dit nu het oudste vierkant getuigde varende schip is. Moeder vindt dat de gids geen gelijk heeft, immers 85 procent aan het schip is nieuw materiaal.

Er ontstaat een gesprek over wanneer iets nog wel oud is en wanneer niet meer.
Als leerkracht moet je je bij elk gesprek voorbereiden door te proberen te bedenken welke kanten het gesprek allemaal op zou kunnen gaan, vooral wanneer je zelf een onderwerp hebt bedacht. Het is handig om voor elke richting discussievragen achter de hand te hebben om het gesprek op gang te brengen en te houden.

Begin van de les en het gesprek


We willen graag een goed, eerlijk en respectvol gesprek voeren met de kinderen. Daarvoor hebben we gespreksafspraken nodig. Afspraken die je samen met de kinderen hebt gemaakt of afspraken die je zelf hebt gegeven. Ik vind de discussieregels uit de methode “de Grote Reis” heel helder en duidelijk, deze zijn:

  1. blijf bij het onderwerp

  2. je hoeft het niet altijd met elkaar eens te zijn

  3. laat een ander uitpraten

  4. luister naar argumenten

  5. gebruik zelf ook argumenten

  6. durft te zeggen wat je vindt en voelt

  7. het is geen schande om een ander gelijk te geven

Fris de regels, die je hanteert bij je klas, voordat je met de les te begint nog even op.

De filosofieles begint altijd met een startopdracht. Dit kan een verhaal zijn, een stukje film, foto’s of afbeeldingen, het doen van een stukje drama, een krantenartikel en nog veel meer. Het doel van die startopdracht is in ieder geval het op gang brengen van het denkproces van de kinderen over een onderwerp, een filosofisch vraagstuk.

Om de startopdracht meer kracht bij te zetten kun je ook een bepaalde sfeer creëren. Dit kun je doen door de hoeveelheid licht aan te passen of wat kaarsen neer te zetten, een muziekje op de achtergrond op te zetten, een tekening op het bord te maken, enzovoorts. Geheel afhankelijk van het onderwerp en hoeveel tijd je hebt om hierin te investeren.

Alvorens het gesprek te beginnen moet je ervoor zorgen dat het vraagstuk duidelijk is voor de kinderen. Dat de kinderen de inhoud van de startopdracht goed hebben begrepen en ook eventueel de moeilijke woorden uit de startopdracht. Zo voorkom je discussies die niets te maken hebben met het filosofische vraagstuk.

Het eigenlijke gesprek begint naar aanleiding van de startvraag. Dit is een vraag over het thema dat wordt besproken, die de kinderen prikkelt en uitnodigt tot antwoorden. Deze vraag breekt de kwestie open. Een voorbeeld van een startvraag is: Kun je half gelukkig zijn? Dit is duidelijk een andere vraag dan (de themavraag): Wat is geluk? De startvraag nodigt uit tot antwoorden. Het is ook de vraag waar je aan het einde van het gesprek op terugkomt. Je gebruikt deze vraag als basis van de samenvatting die je dan maakt. Je bespreekt met welke vraag zijn we begonnen, welke antwoorden hebben we gevonden, heeft het gesprek ons iets opgeleverd? Je kunt daarbij ook benoemen welke zijpaden er zijn bewandeld en of die nog iets hebben verhelderd.

Begeleiden van het gesprek


Zoals al eerder gezegd, zorg ervoor dat je tijdens het begeleiden van het gesprek niet je eigen mening ventileert. Kinderen hebben de neiging om jouw mening als waarheid te zien. Ze hebben dan een antwoord op de vraag en verder gaan met het gesprek is niet meer nodig. Wat doe je dan wel als begeleider?

Als begeleider ben je vooral bezig met observeren. Je kijkt en luistert naar de kinderen, naar hun reacties en inbreng en zet jouw observaties in om de kinderen in het gesprek te helpen. Je kunt als leerkracht wel af en toe als gelijkwaardige gesprekspartner deelnemen aan het gesprek. Vooral wanneer het gesprek dreigt te stagneren, kan dit heel vruchtbaar zijn. Let er dan op dat je met wat je zegt ook zoekende bent naar antwoorden. In “jouw rol als leerkracht tijdens het filosofische gesprek” heb ik al aangehaald dat filosoferen ontzettend veel concentratie van de kinderen eist en dat je de kinderen daarbij kunt helpen door;



  • uitdrukkelijk te wijzen op wat een kind heeft ingebracht

  • uitleg te vragen bij iets dat onduidelijk is

  • van tijd tot tijd even alles samen te vatten en

  • van tijd tot tijd nog eens te wijzen op de vraag waar het eigenlijk over gaat.

Hierdoor geef je feedback op het gesprek. De kinderen krijgen op een natuurlijke manier het gesprek terug en kunnen er weer mee verder. Wanneer je langer met kinderen filosofeert, zullen de kinderen steeds meer instaat zijn om zelf feedback op hun gesprek te geven, te vragen naar onduidelijkheden of tussentijds even samen te vatten.

Tijdens het gesprek kunnen zich allerlei situaties voordoen die jou als observant opvallen en waarbij je moet begeleiden, uitdagen of grenzen stellen. Ik zal er een aantal noemen, zoals ik ze gevonden heb in het boek “Spelenderwijs filosoferen met kinderen4”, waarin heel duidelijk is beschreven hoe je hiermee om kunt gaan.


Begeleiden;

Je begrijpt iets niet:

Ga er vanuit dat wanneer jij niet precies begrijpt wat een kind bedoelt, er ook minstens één kind is die het ook niet begrijpt. Vraag naar wat je niet begrijpt, of zeg dat je het verband met het onderwerp niet ziet. Het kind gaat er dan vanzelf meer over vertellen of krijgt hulp van een ander kind bij het verduidelijken. Blijf doorgaan met vragen tot het duidelijk is.

Je bent de draad kwijt:

Zeg dat het gesprek te snel gaat en/of dat je het niet meer kunt volgen. Het kind zal een soort samenvatting geven of uitleggen waar het gesprek over gaat. Indien dit niet het geval is, maar wel noodzakelijk, vraag er dan om.

Iedereen praat door elkaar:

Zeg dat je het gesprek zo niet meer kunt volgen en wijs op de afspraak dat je elkaar moet laten uitspreken.

Het onderwerp verandert gaandeweg:

Merk hardop op dat je het idee hebt dat het gesprek niet meer over het oorspronkelijke onderwerp gaat. Meestal is er wel een kind die je bijvalt of kinderen gaan onderzoeken of het onderwerp inderdaad is veranderd. Je kunt de kinderen ook vragen dit te onderzoeken als ze niet op je opmerking ingaan en je denkt dat het gesprek er duidelijker van wordt.

Kinderen zijn niet meer in discussie:

Ze blijven bij een bepaald standpunt, vallen in herhaling en stoppen met onderzoeken. Zeg dat je het idee hebt dat een kind een mening heeft gevormd die niet meer ter discussie lijkt te staan. Je kunt erbij zeggen dat dit wel mag en ook dat dit kan gebeuren tijdens een filosofisch gesprek. Door dit op te merken wordt een kind zich hiervan bewust en kan dan gaan beslissen wat het met dit gegeven wil doen.

Er is een conclusie getrokken:

Soms zijn kinderen het met elkaar eens of zijn er een aantal duidelijke meningen gevormd. Zeg dat je het idee hebt dat er een of meer antwoorden zijn gevonden en vraag of dit klopt. Dit geeft de kinderen de gelegenheid dit te onderzoeken. Als het zo is, is dat ook prima. Op filosofische vragen zijn immers meerdere (vaak niet zo voor de hand liggende) antwoorden mogelijk.

Het gesprek valt stil:

Merk dit op en vraag hoe dit komt. (zitten ze allemaal hard na te denken, is het onderwerp niet meer interessant, snappen ze het niet meer). Verwoord je observatie, vaak vinden kinderen dan weer een aanknopingspunt om verder te gaan. Als je iets vindt, breng dit dan in. Maar doe het door iets op te merken en niet door een stelling te geven. Zo blijft het gesprek van de kinderen. Stop als de kinderen moe zijn.
Uitdagen (je inbreng is concreter om het gesprek weer vlot te trekken of interessanter te maken);

Wie is het hiermee eens?:

Wanneer een kind een stelling geeft, vraag dan wie het daarmee eens is. Zijn er meerdere stellingen, dan kun je deze tegenover elkaar zetten (kampen vormen). Dit werkt uitdagend. Je kunt dit zelfs heel fysiek maken door de kampen letterlijk tegenover elkaar te zetten. Wanneer een kind is overtuigd kan het overlopen naar het andere kamp.

Tweetallen maken:

Dit kun je gebruiken om de groep weer op gang te brengen, maar ook om ze juist tot rust te krijgen. Laat kinderen in tweetallen een bepaalde vraag bespreken en laat ze daarna in groepsverband vertellen waarop zij zijn uitgekomen.

Vragen of een kind van mening is veranderd:

Je kunt na een tijdje filosoferen, vragen hoe de mening en opvatting van de kinderen nu is. Is dat gelijk of is er iets veranderd. Dit geeft altijd een nieuwe impuls aan het gesprek.

Je vindt iets mooi of gedurfd:

Zeg dit. Dit geeft het kind zelfvertrouwen. Zeg dat je het dapper vindt wanneer een kind in zijn eentje een mening durft te hebben.

Een stil kind erbij betrekken:

Niet ieder kind hoeft persé iets te zeggen tijdens het filosoferen. Je kunt een stil kind wel vragen of hij iets over het onderwerp wil zeggen. Dit is soms net wat een kind nodig heeft om mee te durven gaan praten. Door deze vraag te stellen kun je ook uitsluiten dat een kind niet meedoet, omdat het niet begrijpt waarover het gesprek gaat.

Durf vanzelfsprekendheden op hun kop te zetten:

Als je die kans krijgt, neem die dan ook. Vestig de aandacht op een opmerking van een kind, wanneer deze ervoor zorgt dat je verder gaat denken dan je normaal doet. Zie je een nieuwe, niet vanzelfsprekende invalshoek in het gesprek, noem die dan. Maak wel duidelijk dat het slechts een idee van je is, zodat de kinderen het niet als nieuwe waarheid aannemen.

Voorbeelden geven:

Wanneer kinderen niet echt reageren op een vraag kan het zijn dat ze een prikkelend voorbeeld nodig hebben om op gang te komen. Bijvoorbeeld ‘wat is taal?’, hierop komen geen reacties. Je kunt dan vragen ‘zijn alleen woorden taal?’ of ‘is iets alleen taal als iemand anders het hoort?’ Je kunt ook de vraag verlevendigen door, als iedereen vindt dat taal alleen woorden zijn, te vragen of gebaren geen taal zijn. Je kunt ook zeggen dat jij je afvraagt of de tekst in een boek ook taal is, of oude muurschilderingen uit de prehistorie. Het moet heel duidelijk zijn dat het geen stellingen (waarheden) zijn van jezelf.
Grenzen aangeven: (buiten de normale pedagogische benadering)

Een niet-filosofisch gesprek;

Houd in je achterhoofd dat een filosofisch gesprek een gesprek is waarin kinderen met elkaar meningen en opvattingen onderzoeken. Je kunt niet discussiëren over een persoonlijke ervaring of over iets wat iemand zeker weet. Wanneer deze zaken worden besproken wordt het gesprek niet filosofisch. Je kunt hier eenvoudig de laatste vraag, die gesteld werd voor het zijpad werd ingeslagen, opnieuw stellen. Het is lastig om op deze manier in een gesprek in te grijpen, maar dit wordt gemakkelijker naarmate je meer ervaring krijgt in het houden van filosofische gesprekken. Je moet er ook niet bang voor zijn om een keer een niet zo filosofisch gesprek te hebben.

Een welles-nietes gesprek;

Wanneer kinderen blijven herhalen wat ze vinden, wordt er niet meer echt nagedacht. Als het dan niet helpt om dit als observant op te merken dan moet je overgaan tot zeggen dat dit niet zinvol is. Ga terug naar waar het gesprek was voordat het welles-nietes-gedoe begon.

Iedereen wil iets zeggen;

Dit zal waarschijnlijk vaker voorkomen dan dat het gesprek niet van de grond komt. Je kunt dan natuurlijk gewoon doorgaan met de kinderen om de beurt iets te laten zeggen. Je kunt ook het rijtje af de kinderen hun mening laten verwoorden. Als ze echt allemaal even hun zegje willen doen kun je het ook oplossen door even tweetallen te maken, dit geeft ook direct weer rust. Ook het toepassen van twee kampen is een mogelijkheid. Zo komt toch iedereen aan het woord en kun je vervolgens het gesprek weer hervatten.

De kinderen zijn afgeleid;

Omdat kinderen snel zijn afgeleid kan het goed zijn een stilgevallen gesprek weer op gang te helpen. “Oké, waar waren we gebleven?”, herhalen van de laatste opmerking en vragen wie daarover iets wil zeggen is dan vaak genoeg.

Regels blijven regels;

Je kunt filosoferen over regels. Het is dan wel heel belangrijk om duidelijk aan te geven dat praten over de regels, de regels niet veranderen en deze na het gesprek wel gewoon gehandhaafd blijven. Je mag niet ineens regels overtreden, omdat je erover hebt gefilosofeerd! Zeg enkele malen dat we het nu over de regels hebben, maar dat het leven straks gewoon verder gaat en de regels blijven gelden.

Godsdienstige kaders;

Als er kinderen in de groep zitten die godsdienstig zijn, is het extra belangrijk te benadrukken dat ze zich moeten houden aan de regels (bijvoorbeeld bidden voor het eten) die thuis gelden, een filosofisch gesprek veranderd aan die regels niets. Als kinderen het interessant vinden om te filosoferen over het bestaan van God of Allah, is dat prima, zolang bovenstaande in acht wordt genomen.

Afronding


Het gesprek kun je afronden als je merkt dat de kinderen de concentratie of belangstelling verliezen of simpelweg omdat de tijd erop zit. Er zijn verschillende mogelijkheden om een gesprek af te ronden.

Ten eerste, het afronden van het gesprek kun je doen door aan de kinderen te vragen wat zij hebben geleerd van dit gesprek. Je kunt ook vragen of ze anders over het onderwerp zijn gaan denken, hun mening hebben bijgesteld. Je kunt de afronding ook doen door zelf een samenvatting te geven van het gesprek waarin je verwoord wat het onderwerp was, welke oplossingen of conclusies er zijn gevonden en te verifiëren of je dit goed hebt verwoord. Het maken van de samenvatting kun je ook door een kind laten doen.

Eventueel kun je vragen die uit het gesprek zijn gekomen noteren om daar in een latere sessie op terug te komen en hiermee verder te gaan.

Ten tweede, omdat niet alle kinderen tijdens het filosoferen (evenveel) aan bod komen, kan het zijn dat er behoefte is om nog even met het onderwerp verder te gaan met een verwerkingsopdracht. Dit kan op verschillende manieren; met een werkblad, drama, beeldende vorming. Het is dan wel zaak dat je als begeleider tijdens de verwerkingsopdracht bij elk groepje even aansluit. Het doel is namelijk dat er nog even nagepraat kan worden over het onderwerp. Hoe dan ook, het is duidelijk dat je nooit en te nimmer een gesprek afkapt.

Bij het kiezen van de verwerkingsopdracht heb ik vooral rekening gehouden met

de soort startopdracht en de mate waarin de kinderen zelf actief zijn geweest bij de startopdracht. Tegenover startopdracht waarbij de kinderen redelijk passief zijn staat een verwerkingsopdracht waarbij de kinderen actief zijn en omgekeerd. Ik zou echter nooit eindigen met een verwerkingsopdracht op een ander moment in de week. Dit om de eenvoudige reden dat ik denk dat de kinderen ofwel bezig blijven met “malen” in plaats van het verwerken, ofwel dat ze zich op dat moment het gesprek niet meer goed genoeg kunnen herinneren. De enige reden die ik kan bedenken om dit wel te doen is wanneer je het filosoferen gebruikt als hulpmiddel om bijvoorbeeld een toneelstuk meer inhoud te geven. Te zorgen dat kinderen zich beter kunnen inleven in het stuk. Maar eigenlijk vind ik dat je dan niet meer kunt spreken van een verwerkingsopdracht. In zo’n geval zou ik het gesprek zelf afsluiten met een samenvatting en het bespreken van wat er van dit gesprek belangrijk is om te onthouden voor het toneelstuk.






1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina